Rabindranath Tagore: Een biografische Schets
Part 2
Omstreeks dien tijd kwam de vader thuis van een langdurige afwezigheid in andere streken van Indië. De Maharshi vernam van de poëtische neigingen zijns zoons en nadat hij den aanleg van den jongen grondig had waargenomen, nam hij hem uit school en deed zich door hem vergezellen op een reis over het Himalaya-gebergte, teneinde hem op te voeden in de school der natuur: De jonge Tagore was buiten zichzelven van blijdschap, dat hij nu de school kon verlaten en onder de hoede kwam van zijn eigen vader. Zijn hart klopte onstuimig, nu hij op het punt stond de bergen van nabij te kennen. Toen de knaap den eersten avond, dien hij buiten Calcutta doorbracht, in een palankijn gedragen werd naar Bolpur Shanti-Niketan (het "vredes-oord" in Bolpur, het landhuis zijns vaders, waarin deze zich na maatschappelijken arbeid terugtrok voor zijn meditatie's en voor zijn geestelijk werk), sloot hij langs den heelen weg tot aan de bangalo zijn oogen, alleen om de schoonheid der natuur niet in het matte licht der vallende duisternis te zien en opdat hij des te grooter vreugde zou beleven bij het aanschouwen van het landschap in den glans van het morgenlicht.
Toen hij na eenigen tijd het Himalaya-gebergte bereikt had, kwam hij tot het inzicht, dat hij hier vond, waarnaar zijn hart zoo hevig had verlangd: een rijkdom aan natuurschoon, stralend door de weelderigheid van heerlijke kleuren en majestueuse vormen. Hier maakte zijn vader hem bekend met de godheden, die op hun beurt den knaap wezen op de duizenderlei geheimenissen en op de majesteit dezer wonderen. Onderwijl gaf hem zijn vader les in Engelsch en Sanskrit en in de Bengaalsche taal, in botanie en astronomie.
Destijds had de elfjarige Rabindranath reeds de voornaamste boeken uit de Bengaalsche letterkunde gelezen en was hij juist begonnen met "in verzen te stamelen". In het volgende jaar stierf zijn moeder en de groote droefheid om haren dood versterkte in den knaap de liefde voor de natuur.
Na den dood zijner moeder woonde hij te Chandranagore, in een huis met uitgestrekten tuin nabij de Ganges. De tegenstelling tusschen de majestueuse grootschheid der Himalaya-bergen en de zachte melodie van de Ganges, vermeerderde zijn fantasie en scherpte zijn verstand. Uren achtereen staarde hij naar den geheimvollen stroom of placht hij toe te zien, hoe de maan den heiligen stroom kuste op zijn gouden rimpelingen. Nacht op nacht bracht hij op het platte dak door en verloor zich in bespiegelingen over het geheimenis van den sterrenhemel. Zoo hield hij zich verscheidene jaren bezig met zijn droomerijen en met de studie der Engelsche en Bengaalsche litteratuur, met het maken van gedichten en opstellen voor verschillende tijdschriften, in het bijzonder voor zijn familietijdschrift Bharati, dat nu door zijn geleerde zuster Sreemati Swarna Koomari Devi wordt uitgegeven.
Op den leeftijd van veertien jaren schreef hij reeds zijn eerste gedichten; als zestienjarige jongeling ging hij naar Europa en bezocht University College te Londen om in de rechten te studeeren, maar spoedig keerde hij weer naar zijn vaderland terug, daar de rechtsstudie in het geheel niet met zijn aanleg en zijn liefde overeenkwam. Zijne geleerde brieven toonen zijn beheersching der Bengaalsche taal, zijn breedte van blik en de scherpte van zijn opmerkingsgave ten opzichte van sociale problemen. In Engeland vervolmaakte hij zijn kennis der Engelsche taal en maakte zich een vloeiende proza-stijl eigen, die slechts weinigen in Indië bezitten.
Na zijn terugkeer in het vaderland schreef hij het meerendeel zijner romans, b.v. Gora en Nouka Dubi en van zijn drama's, b.v. Raja o Rani en Chitra. Tusschen zijn vijf en twintigste en vijf en dertigste levensjaar vervaardigde hij zijn liefdesgedichten en gaf o.a. uit de verzameling Sonar Tari.
Nog eenmaal treffen wij hem in Engeland aan, waar hij een moeilijken tijd vol droefheid en smart moet doorgemaakt hebben; het waarom is onbekend. Hij keerde naar Indië terug en leefde als een kluizenaar aan den oever van de Padma.
Na deze periode van wereld-verloochening brak tegen zijn 40e jaar zijn sterkste tijd in al zijn pracht en rijkdom aan. Het was ook toen, dat hij in Bolpur een school oprichtte, waar hij de Indische jeugd wilde groot brengen in een wereld- en levensbeschouwing, waartoe hij zelf had moeten doordringen, teneinde persoonlijkheden op te kweeken voor den dienst van het vaderland. In deze openlucht-school zitten de kinderen op hun matjes onder de boomen en krijgen er les in litteratuur, geschiedenis, aardrijkskunde en alle andere vakken op een wijze, die in doelmatigheid niet onder doet voor de methoden op gewone scholen. "Shanti Niketan" of "het oord van Vrede" bij Bolpur ligt op den Weg van Delhi naar Calcutta. Zij ligt in een groote vlakte te midden van rijstvelden, waar, tusschen palmboomen, het hooge huis verrijst. Op die eenzame plaats trok een halve eeuw geleden des dichters vader, de Maharshi Debendranath, zich soms terug, telkens als hij ontdekte dat onafgebroken aandacht voor wereldsche zaken niet goed voor de ziel is, die soms eenzaamheid en tijd voor overdenking noodig heeft. Daar bouwde hij een ashram of kluizenarij, waar men rust voor het hart, vrede voor den geest en vreugde voor de ziel herwinnen kan. In een soort van kapel zijn daar veertig jaren lang dagelijks gebeden gezegd. Na den dood des Maharshi's wilde de zoon, dat er grooter invloed zou uitgaan van het rustoord van zijn vader.
Op de plek, waar zijn vader overdacht en bad stichtte Rabindranath zijn school. Sinds 1905 hoort men kinderstemmen waar eens volkomen stilte heerschte. Slaaphutten met gras overdekt verrezen voor de kinderen bij huizen voor de meesters, met roode klimplanten overgroeid.
Deze instelling heeft niets te maken met de regeering, haar staf is niet officieel, geen stelselmatige routine wordt opgedrongen aan meesters en jongens. Zij is één met land en landaard, gelijk de boomen die de school omringen. In deze school steunt Indië op zich zelf en uit het zich ongedwongen. Geen poging wordt gedaan om iets vreemds op te leggen, om iets Indisch te ontwortelen of te dwingen, en om vreemde methodes door vreemde leeraars te laten toepassen. De onderwijzers zijn Indisch. Ze zijn Indisch in hun gedachten, in hun gewoonten, in hun sympathieën, in hun kleeding. De regeering heeft geweigerd subsidie aan de school te geven, omdat de voorwaarden, waaronder ze die alleen wilde geven, niet werden aangenomen.
"Ze wilden mijn jongens onder anderen dwingen den geheelen dag stijf op banken in de school te zitten", zeide Tagore, "terwijl ik het veel beter acht dat ze op matten zitten onder de boomen. Daarom en omdat een jong patriottisch dichter als onderwijzer aan mijn school verbonden is, staat de school geplaatst op de zwarte lijst der politie. Pogingen zijn aangewend om haar te onderdrukken, dreigende officieele circulaires zijn aan de ouders gezonden."
Maar die vervolging maakte de school enkel dierbaarder aan den dichter, die diep overtuigd is een goed werk voor de bevolking en toekomst van zijn land te verrichten. De jongens doen al het huiswerk in de gebouwen en moeten hun eigen kleederen wasschen. Zij kiezen uit hun midden een commissie, die het werk heeft overgenomen van den "huishouder", dien ze weleer hadden. En een van de resultaten hiervan was, dat al reeds dadelijk bleek, hoe bij den aankoop van rijst honderd roepijen per maand bespaard werden. En dit stelsel van zelfregeering wordt in alles doorgevoerd. De meesters der verschillende klassen kiezen zelven uit hun midden een hoofd, dat voor een jaar benoemd wordt, doch herkiesbaar is. Tucht wordt gehandhaafd en straffen worden uitgesproken door school-kapiteins en schoolrechters, die elke maand door de jongens gekozen worden. Ze hebben een hof van appèl gevormd, dat, zoo noodig, de eindbeslissing geeft, eens per veertien dagen, betreffende elke overtreding of oneenigheid tusschen de jongens zoo op school als in de speelvelden. Er is een avondschool opgericht voor de dorpsbewoners, waarin Tagore's jongens onderwijs geven. Tagore zelf geeft in zijn school geen les; maar de dagen, dat "Gurudev" de jongens bezoekt, zijn ware feestdagen voor de discipelen. De grootere jongens, geïnspireerd door het voorbeeld van den grooten meester, snellen in de speeluren naar het naburige dorp om den armen goed te doen, hen te helpen bij het bouwen hunner woningen en om op bescheiden wijze de onwetenden te onderrichten. De hoofdgedachte in deze school is de kinderen op te voeden in den zin van wereldbroederschap.
De volgende anecdote is zeer kenschetsend voor den geest, die er heerscht in de verhouding tusschen leerlingen en leermeesters.
Eens speelde een jongen van zes zomers met Tagore's baard, terwijl hij op den schoot van den dichter zich had neergevlijd. Plotseling zeide het kind: "Gurudev, ge schrijft zooveel gedichten; waarom leert ge me niet, hoe ik gedichten moet schrijven?"
"Mijn kind," antwoordde Tagore, "de last der poëzie is buitengewoon zwaar te dragen; soms voel ik, of ik daaronder zal bezwijken. Ik wensch je niet daarmede te belasten."
"Goed", zeide het kind ernstig, "dan zal ik mezelven leeren gedichten te schrijven. Zij schijnen alle van uw gedichten te houden, ofschoon gij daaronder een beetje gebukt gaat."
Toen die jongen ongeveer 10 jaar oud was geworden, heeft hij eenige mooie gedichten in het Bengali geschreven en werd een trouw medewerker aan een der schoolcouranten.
De liefde, welke de studenten te Bolpur den grooten meester toedragen, grenst aan adoratie. De atmosfeer in deze school ademt dan ook geheel den geest van den stichter. Geen wonder, dat het instituut, dat gegrondvest is op de meditatieplaats van den maharshi, het middelpunt vormt van Tagore's werkdadig leven, daar hier gerealiseerd worden de heerlijke denkbeelden, welke zijn geschriften tot kostbare schatten der menschheid hebben gemaakt. Aan deze school heeft de dichter de som van den Nobel-prijs en de opbrengst van al zijn boeken ten geschenke gegeven.
Daarna heeft de dichter weer een jaar lang in Amerika en Engeland vertoefd, waar hij zich bezig hield met de uitgave zijner eigen werken en van de autobiographie van zijn in 1904 gestorven vader. In beide landen zijn hem een bewondering en belangstelling ten deel gevallen, die van dag tot dag stegen.
Met de politiek heeft Tagore zich nimmer willen bemoeien. Integendeel, hij sloeg iedere uitnoodiging af om aan politiek mee te doen. Slechts éénmaal, toen in 1908 in het provinciaal congres de partijen niet tot overeenstemming konden komen, gaf hij aan de uitnoodiging gehoor om de leiding der vergadering op zich te nemen en het gelukte hem dan ook heel gauw de partijen tot een compromis te brengen.
Tagore's veelzijdigheid is verbazingwekkend. Hij is een diepzinnig filosoof en geestelijke leider; in deze laatste hoedanigheid is hij een der oprichters van de Indische Nationale Universiteit in Calcutta en de stichter en directeur der stedelijke kunstacademie in die stad. In zijn handen berust de uitgave der tijdschriften Sadhana, Bangardasan, Bharati en Tattvabodhini. Hij is paedagoog en een goede bestuurder van zijn zamindary; geschiedvorscher, zanger en componist. Hij dicht n.l. op zijn eigen compositie's en zingt zelf zijn liederen voor degenen, die ze hooren willen. Zoo heeft hij ongeveer 500 liederen vervaardigd en op muziek gezet. Hier volge een gedeelte van wat ik over Tagore als zanger schreef in "De Amsterdammer", Weekblad voor Nederland.
Volgens Henri Borel geeft de Oostersche philosoof C. Jinarajadasa, de schrijver van het mooie boekje Bloemen en Tuinen, als zijn meening te kennen, dat de kunst van zingen een mystieken grond heeft, en dat alles voor een zanger hierop neerkomt, dat hij, hetgeen hij noemt zijn "grondtoon" heeft gevonden, die van goddelijk-kosmischen aard is. Iedere waarlijk goddelijke zanger zal dàn eerst zijn stem ontwikkeld hebben, door inzicht in zichzelf, en door oefening verkregen kennis van de verborgen geestelijke krachten in zich, zijn "grondtoon" heeft gevonden, en alzoo zijn geestelijk inwezen heeft "gestemd" in harmonie met de groote, rythmische, muzikale Wet van den Kosmos.
Mij is nimmer een dergelijk voorrecht te beurt gevallen als den heer Borel, die in een Thibetaansch Lama-klooster, in het noorden van China, door priesters heeft hooren zingen, zóó als hij in zijn geheele leven niet heeft gehoord. Hij zegt: "Ik kan dezen zang niet beschrijven, maar het was mij, of de diepste levensmysteriën er mij door geopenbaard werden, en het gaf mij eene ontroering van mijn gansche wezen, zooals ik er nooit meer een gehad heb."
Ofschoon dus bij ervaring niet wetende de waarheid der betooverende macht van den zang, wanneer deze aangolft uit het innerlijk van den gods-vreugdigen zanger, meen ik toch, behalve dan in de mededeeling van den heer Borel zelve, aan wijzigingen daaromtrent te vinden. En ik wil als iemand, die zichzelven een toon gevoelt in de harmonie van het Al, noemen den landgenoot van Jinarajadasa, den dichter Rabindranath Tagore.
Het is bekend, dat deze dichter ook muziek schrijft voor zijne verzen. Van de wetenschap der muziek weet hij maar weinig; hij is geen muziekgeleerde gelijk een ander beroemd lid van zijn geslacht, Surindra Mohan Tagore, de stichter van de Bengaalsche hoogeschool voor muziek en die, naar ik meen, eere-dokter is in de muziekwetenschappen. Doch door zijne de ziel roerende stem boeit Rabindranath honderden, wanneer hij zijn geestelijke liederen zingt in de kerk der Brahmo Somaj, de secte door Ram Mohan Roy gesticht ter aanbidding van het eeuwige en onveranderlijke Wezen, dat het heelal schept en onderhoudt.
Uit alle oorden van Bengalen komen de menschen derwaarts om den dichter te hooren zingen en tot zelfs in de vensternissen van de kerk gaan de menschen staan om naar de stem van Rabindranath te luisteren.
Dit wijst er op, dat Tagore een waarlijk goddelijke zanger is, dat hij door de beving van zijn blijde ziel de harten zijner toehoorders weet te ontroeren. Vele zijner gedichten uit de Gitanjali getuigen onmiddellijk van deze innerlijke bewogenheid, van dit: dat hij "de harp zijns levens gestemd heeft naar de nooten van altijd-duur." [2]
De verrukking zelve van den zanger, wanneer hij zit "in de gehoorzaal bij den grondeloozen afgrond, waaruit de muziek der toonlooze snaren opgolft", wanneer zijn inwezen zich een noot voelt in de Al-harmonie, vormt o.a. de gedachte in Wij-zang no. II.
"Als gij mij zegt te zingen, dan is het of mijn hart zal breeken van trots; ik zie u in 't gelaat en tranen koomen in mijn oogen.
Al wat ruw en wanluidend is in mijn leeven versmelt tot één zoete harmonie--en mijn aanbidding spreidt vleugelen als een blijde voogel, die vlucht neemt over de zee.
Ik weet, dat mijn zang u behaagt. Ik weet dat ik alleen als een zanger tot uw aanweezen nader.
Met den rand van de wijd spreidende wiek mijns gezangs raak ik uwe voeten,--tot waar ik mij nooit te reiken zou vermeeten.
Dronken van zanggeluk vergeet ik mijzelven en noem ik U Vriend, die toch mijn Heer zijt."
Sprekende aanduidingen van Tagore's levensinzicht, dat de mensch in 't algemeen zich bewust moet worden van zijn plaats in de éénheid der schepping, dat de menschheid zichzelve een accoord moet gevoelen in den eeuwigen wereldzang om daardoor de hoogste wijsheid en tevens het hoogst denkbare geluk en de hoogste vreugde deelachtig te worden vindt men verder in de Wij-zangen I, III, XV, XXXXIX, LXV, LXIX.
Muziek schijnt een essentiëel bestanddeel te zijn in het leven van dezen dichter, want niet alleen zelf beoefent hij de muziek en worden de gasten in het huis Tagore onthaald op muziek, waarvan de tonen uit de shubahar week en weemoedig stroomen gelijk het fluisteren uit een andere wereld, maar ook in zijn klein republiekje in Shanti Niketan bij Bolpur vormen muziek en zang het begin en het einde der dagtaak van zijn geliefde scholieren.
J. Ramsay Mac Donald vertelt van zijn verblijf in Shanti Niketan: "Ik bracht den nacht door in de instelling. Vroeg ontwaakte ik, toen de dageraad nog slechts een lichtstreep was in de duisternis. Ik hoorde een liefelijk gezang. Elken ochtend gaat het jongenskoor hymnen zingend door de tuinen en op dezelfde wijze wordt de dag besloten. Een kwartier uur 's ochtends on eveneens 's avonds zitten de jongens stil neder in overpeinzing van wat ze zongen. Tweemaal in de week komen zij bijeen in de kapel tot gemeenschappelijke aanbidding van God, en Rabindranath spreekt hun toe en wekt hen op tot goed leven en streven, tot godsdienst in daden."
Ik cursiveer in daden, want hierin ligt de grond van Tagore's grootheid als dichter, musicus en filosoof, dat bij hem zijn wijsheid, zijn leer van liefde en humaniteit niet alleen schoon-klinkende theoriën zijn en dat zijn kunstuitingen niet slechts vormen het pronkgewaad van vernuft en intellect, maar de vriendelijke schaduwboomen, waarlangs het pad van zijn practische leven gaat.
Frederik van Eeden duidt dit verschil aan met "weeten" en "gevoelsweeten".
Mij wil het voorkomen, alsof het vinden van den "grondtoon" van des menschen zelf naar de wijsgeerige aanschouwing van Jinarajadasa identiek is met wat Tagore noemt: "Naar waarheid vereenigd te zijn in kennis, liefde, en dienst met alle wezens, en alzoo zijn zelf te realiseeren in den alles-doordringenden God is de kern van goedheid; en dit is de sleutel tot de leeringen der Upanishads: Prano virat! (Het leven is onmetelijk)."
Dat Tagore deze uitspraak grondt op zijn eigen innerlijk, op zijn "zijn in harmonie met het Oneindige", dat dus met "gevoelsweetenschap" Tagore zijn wijsheid leert en zijn liederen zingt, getuigt het slot van zijn lezing "The Realisation of Beauty", een naklank als het ware van vers LXIX uit de Wij-zangen:
"Verleden nacht", zegt hij, "in de stilte, welke de duisternis doordrong, stond ik alleen en ik hoorde de stem van den zanger van eeuwige melodieën. Toen ik slapen ging, sloot ik mijn oogen met deze laatste gedachte in mijn geest, dat zelfs, wanneer ik onbewust ben, de dans van het leven voort zal gaan in de stille arena van mijn slapend lichaam, gelijken tred houdende met de sterren. Het hart zal kloppen, het bloed zal blijven stroomen in mijn aderen, en de millioenen levende atomen van mijn lichaam zullen trillen in harmonie met den klank van de harpsnaar, welke beeft bij de aanraking van den Meester."
Vóór alles echter is Tagore dichter, dichter der liefde. Liefde vloeit hem uit zijn hart, uit zijn zinnen en uit zijn ziel, gelijk een onafgebroken stroom, die in zijn windingen alle mogelijke vormen aanneemt, van af het grove tot het geestelijke, van het bekende tot het onbekende en van het eindige tot het oneindige. Hij verklaart de liefde in al haar menigvuldige uitdrukkingen--die der moeder, van het kind, van den echtgenoot, van de vrouw, van den minnaar, van de geliefde, van den patriot, van den levens-vreugdige; de liefde voor de natuur en de liefde voor God. Zijn verzen brengen het gemoed in verrukking, bedaren den klop van het hart en vullen de oogen met tranen.
De uitdrukking der liefde is hem zoo natuurlijk, doordat hij evenals vele andere dichters door alle phasen der liefde is heengegroeid--van af de vereering der zinnen tot de rust der heiligen. Hij kent de huivering der liefde, den romantischen hartstocht, de zwaarmoedigheid der teleurstelling, den afgrond der vertwijfeling, de diepte der rust en de extatische verwerkelijking van "zijn" "geest" en "zaligheid" (sat, chit, anandam).
Toen de golvende stroom der jeugd den dichter plotseling had overvallen, kon de jonge man slechts liefde en romantiek zien. Dezelfde natuur, hetzelfde volk, hetzelfde leven--en toch scheen elk hem geheel anders als toen hij als kind daarnaar placht te kijken. Waar had de verandering plaats gevonden, in hem of in de wereld? Spoedig kwam hij tot het inzicht, dat éérst hij en toen de wereld veranderd was, opdat deze steeds in aanraking met hem kon blijven. Dit inzicht heeft hij later, terugblikkende op zijn romantische levensperiode, belichaamd in het gedichtje "Het stralend visioen der jeugd", als vers no. XV in The Gardener opgenomen:
"Ik ren als het muskushert rent in de schaduw van het woud, dol door zijn eigen geur.
De nacht is midden-Mei-nacht, de wind is Zuidewind.
Ik raak van mijn pad af en ik ga dwalen, ik zoek wat ik niet krijgen kan, ik krijg wat ik niet zoek.
Het beeld van mijn eigen begeerte komt uit mijn hart en danst.
Het stralend vizioen vliedt heen.
Ik tracht het vast te grijpen, het ontwijkt me en leidt me van mijn weg af.
Ik zoek wat ik niet krijgen kan, ik krijg wat ik niet zoek." [3]
Dit is dus een terugblik op de periode, toen hij als epicurist en bon-vivant leefde. Elegante kleeding uit de kostbaarste zijden stoffen, lekkere spijzen, vurige romans, gloeiende liefdes-gedichten--dat waren de dingen, die zijn belangstelling geheel in beslag namen. In zijn Jiban Smriti bekent hij openhartig, dat hij in dien tijd geen betrekkingen onderhield met den traditioneelen geestelijken stroom in zijn familie. Toch lag in zijn diepste "ik" steeds een sterken ondergrond van de geestelijke natuur, die hij van zijn vader geërfd had.
Ontkend kan niet worden, dat niettegenstaande dien diepen ondergrond, vele zijner jeugdgedichten door den bovenstroom zijns levens sterk waren gekleurd. Inderdaad verwekten eenige daarvan de ergernis der oude Hindoe-moralisten. Toen op zekeren dag in een Indisch studentenpension iemand een van Tagore's liederen zong, riepen eenige jonge mannen uit: "Waarvoor dat gemeene lied?" Hun werd geantwoord, dat het een van Rabi Babu's liederen was, maar zij wilden het niet gelooven, totdat hun de gedrukte verzen werden getoond. Toen gaven zij toe, dat achter de luchtige, ietwat zwoele woorden, een diepere zin verborgen lag. Het lied luidt ongeveer:
"Hierheen, mijn liefste, kom hierheen! O kom in mijnen tuin der vreugde binnen en zie, hoe heerlijk mijne bloemen bloeien. Zacht waait de wind met bloemengeur beladen; het maanlicht schemert zacht en murmelnd springt een zilver-beekje uit 't woudpad vroolijk af. Hierheen, mijn liefste, kom hierheen! Laat ons elkaâr des harten diepte toonen de bloemen zaam'lend der onsterflijkheid. Wij zullen in verterende verrukking de ééne voor den ander kransen winden. Wij zullen naar de sterren kijken lang, tot zij verbleeken in den morgenschemer.
In dezen onzen rijk-getooiden hof, geliefde, zullen wij voor immer blijven en liedren zingen in uitbund'ge vreugde. Hier zullen onze harten in 't geheim'nis en 't wondre raadsel van dit leven sidderen. Ja, en de dagen en de nachten zullen voorbij ons gaan, als waren zij visioenen des liefde-gods, en vol verlangen zullen wij beiden slechts van eeuw'ge vreugde droomen."
In het gedicht "De Bayadère" verbindt hij het zinnelijk-erotische met edele menschelijkheid.
"In 't stof der wegen, voor Mathura's poorten, lag slapend Upagupta uitgestrekt. Gesloten was de poort, gedoofd de lichten, des hemels glans met wolken overdekt.
Daar stiet zich lichtlijk tegen 't lijf des vromen een vrouwenvoet: luid klonk haar enkelring. Ontwaakt zag hij een lamplicht siddrend beven en oogen met een blijde tinteling.
Het lichaam van den wijn der jeugd nog dronken en van de pracht van edelsteen verzaad' zoo stond voor Buddha's knecht de Bayadère en vroeg verbaasd "Wat doet gij hier zoo laat?
Niet uwer waardig is het stof der wegen, O wees mij wèlgezind en volg mij nu!" .... "Ga dan vooraan, gij schoonste aller schoonen, zoodra het tijd is, kom ik wel bij u!"