Rabindranath Tagore: Een biografische Schets
Part 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file was produced from images generously made available by The Internet Archive/Canadian Libraries)
RABINDRANATH TAGORE
EEN BIOGRAFISCHE SCHETS
DOOR
NOTO SOEROTO
Tweede druk.
Aan Z. H. prins Mangkoe Negoro VII uit innigen eerbied opgedragen.
AMSTERDAM W. VERSLUYS 1921
VOORWOORD.
Deze biographische schets, aanvankelijk als een lezing voor een kleinen kring van belangstellenden, de "Indische Vereeniging", bedoeld, is door aanvullingen en toevoegingen uitgedijd tot een korte verhandeling. Aangezien over den Bengaalschen dichter, bij mijn weten, nog geen levensbeschrijving in de Nederlandsche taal is verschenen, heb ik gemeend goed te doen met deze schets aan het Nederlandsch lezend publiek, zoowel aan Nederlanders als aan Javanen, aan te bieden. Doch niemand is méér overtuigd van de onvolledigheid van dit geschriftje, zelfs maar als een korte biographie van den dichter-wijsgeer, dan de schrijver zelf.
Noto Soeroto.
Henri Borel, in een artikel over Tagore, schreef onlangs: "Er bestaat voor den Oosterling geen toeval. Toeval bestaat alleen voor wie het mystieke verband der dingen niet ziet. Zóó was het ook geen toeval, dat juist enkele jaren vóór dezen verschrikkelijken wereldoorlog, die het debacle is van de westersche, bijna uitsluitend materieel-intellectueele beschaving, over Europa de stem gehoord werd van den oosterschen dichter-wijsgeer Rabindranath Tagore, brengend de geestelijke tijding, dat een nieuwe era aan zal breken voor het westersche gevoelsleven en de westersche kunst".
Inderdaad is het succes, waarmee Tagore geest en hart in Europa veroverd heeft, overweldigend. In een paar jaren tijds zijn meerdere zijner werken in bijna al de voornaamste Europeesche talen vertaald geworden, en niet alleen in Engeland, maar ook in Rusland hebben reeds opvoeringen van eenige zijner tooneelwerken plaats gevonden.
Naar mijn overtuiging echter brengt Tagore die geestelijke boodschap niet alleen voor Europa, doch ook voor alle andere volkeren buiten dit werelddeel, zoo zij slechts de deuren van hun geestes-woningen willen openen om den verkwikkenden wind, die van uit Bengalen aanwaait, beladen met den geur van de heerlijkste zielebloemen in hun atmosfeer te doen aanzweven. Ik acht het niet onmogelijk, dat ook op Java éénmaal de stem van Tagore onder de zonen des lands een talrijk gehoor zal vinden, want zelfs nu reeds begint de groote Bengalees onder de Javanen enkele bewonderaars en vereerders te tellen, ofschoon het aantal Javaansche overzettingen van Tagore's verzen nog maar luttel is te noemen. Wanneer de Javaansche letterkunde verrijkt wordt met producten uit de Indische, speciaal Bengaalsche litteratuur, hebben wij dit te danken aan den toenmaligen Raden Mas Ario Soorjo Soeparto, thans prins Mangkoe Negoro VII; en aan hem zijn dan ook degenen verplicht, die, ofschoon geen enkele Europeesche taal kennende, toch onder de bekoring zijn geraakt van Tagore's sublieme poëzie.
Henri Borel zegt: "In ons land was het Frederik van Eeden--en dat het juist deze, en geen andere was, kan evenmin een toeval zijn--die het eerst Rabindranath Tagore in dichterlijke, Nederlandsche taal tot ons bracht." Hij veroorlove mij op mijn beurt te zeggen: het kàn ook geen toeval wezen, dat juist Raden Mas Ario Soorjo Soeparto, zelf kleinzoon van een grooten dichter--prins Mangkoe Negoro IV--het eerst getroffen werd door de schoonheid der van Eedensche overzettingen en toen besloot langs dien weg den Hindoe-zanger in het land der Javanen binnen te halen. Maar wat is dit een mysterie! De sporen op den weg, waarlangs de Hindoe-leermeesters rechtstreeks uit hun land naar Java kwamen getogen, zijn eeuwenlang reeds uitgewischt, doch de Javanen hebben nimmer hun oude guru's vergeten. Na eeuwenlange scheiding schijnt het verlangen naar het wederzien zóó sterk te zijn, dat de Javanen hen weder in hun land binnenleiden, al was het langs den ontzachelijken omweg van Engeland en Nederland.
Het is met het oog op deze groote waarschijnlijkheid, deze zekerheid, durf ik wel te zeggen, dat ik mij gelukkig acht in uw midden het een en ander te kunnen mededeelen omtrent den grooten dichter, opdat gij van den aanvang af zult beseffen, wèlk een geest op het punt staat van zijn rijkdom en zijn schoonheid aan geestelijke schatten het noodige te geven voor den bloei van ons cultuur-leven. De mededeelingen, welke ik u nu ga doen, zijn grootendeels ontleend aan de Biographische studie over Tagore door diens landgenoot Basanta Koomar Roy.
De schrijver begint met ons te vertellen in welk een omgeving de dichter-wijsgeer het eerste levenslicht aanschouwde. "Poëzie," zegt hij, "vormt een deel van ons dagelijksch leven in Indië. De eerste zegen, dien het pas geboren kindje bij zijn komst op deze wereld ontvangt, is in verzen. Wanneer het groeiende kind iets onzindelijks doet, reciteert de moeder een klein versje, waarin zij het wijst op de onwelkome gevolgen van zulk een daad. Wanneer het kind naar school gaat, worden de eerste lessen in het alphabet gegeven in verzen. Wanneer de opgeschoten jongen Sanskrit begint te leeren, is één van de eerste çloka's, die in zijn geheugen worden ingeprent, deze: "De twee groote zegeningen, die een wijding geven aan de verschrikkingen dezer harde wereld, zijn: het smaken van den nectar der poëzie en het hebben van een goed gezelschap". De meeste vakken, welke een student in het Sanskrit te leeren heeft, zijn geschreven in verzen--de regels der grammatica, de aphorismen der metaphysica en logica, de botanische en medische wetenschappen, astronomie, chemie en physica zijn alle in verzen. De Ramayana, het meest gelezen boek overal in Indië, is in verzen. Bij het huwelijk wordt het jonge paar ingezegend door mantram's in verzen; en verder wanneer, na den dood, het lichaam aan het vuur of aan de aarde wordt toevertrouwd, is het weer de Hindoe-Muze der Poëzie, die de laatste woorden te zeggen heeft."
In zulk een land en in een familie, die sedert de 10e eeuw aan den geestelijken horizon van Indië geschitterd heeft, werd Rabindranath Tagore, de Nobelprijs-winner van 1913, geboren op den 6en Mei 1861.
Op het gebied van maatschappelijke en godsdienstige hervormingen, in de herleving van schilderkunst en muziek, op het terrein van politiek en industrieel nationalisme, hebben de leden der Takur-familie (verengelscht in Tagore) onschatbare diensten aan hun land bewezen, en daarvoor verwierven zij zich de hooge achting van het Indische volk, van het Bengaalsche in het bijzonder. Prosonno Koomar Tagore, een grondbezitter, was een rechtsgeleerde van grooten naam; hij schreef en gaf boeken uit over rechtsgeleerde en opvoedings-vraagstukken en was de stichter en voorzitter der "British Indian Association". Raja Sir Surindra Mohun Tagore, ongetwijfeld een der grootste muziek-geleerden van Indië, stichtte "de Bengaalsche Muziekschool" en "de Bengaalsche Hoogeschool voor Muziek" en schreef vele boeken over Hindoe-muziek en muziekinstrumenten. Gogonindranath en Abanindranath Tagore zijn befaamde schilders en leiders in de herleving der Hindoe-schilderkunst. De laatste telt bijna alle jonge schilders van naam, als Asit Koomar Haldar en Nanda Lal Bose, onder zijne discipelen. Beroemd zijn van Abanindranath "The victory of Buddha" en "Karna and Kunti". Maharaja Ramanath Tagore, de broeder van des dichters grootvader, was politicus en publicist. Dwarakanath, de grootvader, was land-edelman, stichtte de "Grondbezitters-vereeniging"; philantroop en sociale hervormer ageerde hij tegen de sati (weduwen-verbranding). Dwijendranath, de oudste broeder des dichters, een philosoof, is iemand met zulk een rein en heilig gemoed, dat de eekhorens van de boomen afspringen om tegen zijn knieën op te klauteren en de vogels neerstrijken op zijne handen.
Verreweg de merkwaardigste van des dichters voorouders was zijn eigen vader: Debendranath Tagore. Hij was Raja nòch Maharaja, titels waar hij niets om gaf, aangezien het volk hem reeds versierde met een schooneren titel, nl. dien van "Maha Rishi" (Groote Wijze). Ofschoon Debendranath niet de intellectueele wedergade was van zijn leermeester Raja Ram Mohun Roy, den vader van het moderne Indië, vond hij toch in toewijding voor de zaak der sociale en religieuze hervormingen, in bereidwilligheid om te offeren aan en te lijden voor een beginsel, zijn gelijke niet. Zoon van een prins, maar begaafd met een hoogen zin voor moreele plicht, weigerde hij, ofschoon er geen wettige noch documentale verbintenis bestond, één onwaardig "neen" te zeggen en gaf héél zijn uitgestrekt landgoed aan de schuldeischers zijns vaders, zoodat hij zichzelven bracht tot de positie van een pauper. Geen wonder, dat het volk hem versierde met den titel Maharshi; en geen wonder ook, dat de goedgezinde schuldeischers, bewogen door de heroïsche eerlijkheid van Debendranath, een compromis sloten en eenig eigendom overlieten aan den jeugdigen wijze en ziener.
Maharshi Debendranath Tagore was een van Indië's grootste geestelijke leiders. Zijn godsvrucht was aanstekelijk. Eens vroeg hem een sceptisch-gezinde vriend: "Gij spreekt altijd en altijd over God! Wat hebt gij voor bewijzen, dat er inderdaad een God is?"
De Maharshi wees op een licht en vroeg toen zijn vriend: "Weet ge, wat dat is?"
"Een licht", was het antwoord.
"Hoe weet ge, dat daar een licht is?"
"Ik zie het; en het behoeft geen bewijs, het is van-zelf-sprekend."
"Zoo is het ook met het bestaan van God", antwoordde de Maharshi. "Ik zie Hem in mij en buiten mij, in elk ding en dóór elk ding, en het behoeft geen bewijs; het is van-zelf-sprekend".
Het zou mij te ver voeren om verder over den Maharshi te spreken. Wie genoeg bewondering koestert voor een edel en opofferend leven, voor het lijden en strijden van een machtigen geest in zijn vurige liefde tot God, leze de autobiographie van den grooten wijze. Het zijn uren van hoog-geestelijk genot en van wijding, welke men al lezende in dit boek doorbrengt. Ik wil u slechts één episode verhalen uit het leven van dezen merkwaardigen man. Het is het verhaal van een bezoek, dat leden van de Brahmo-Somaj, de godsdienstige vereeniging door Ram Mohun Roy gesticht ter aanbidding van het eenig en eeuwig Wezen, aan den Maharshi brachten. "Wij werden binnengeleid in de ruime verandah op de tweede verdieping, waar de eerbiedwaardige oude man op een stoel gezeten was. Wij bogen eerbiedig en namen onze zitplaatsen in. De Maharshi nam het eerst het woord. "Sinds gij, drie maanden geleden, hier gekomen zijt, is mijn verbinding met de uitwendige wereld zeer verminderd. Ik zie minder dingen en hoor minder woorden. Maar dat beteekent voor mij geen verlies. Wanneer mijn omgang met de buitenwereld afneemt, dan neemt mijn Yoga met de innerlijke wereld snel toe. Nu doe ik geen poging om die vereening te zoeken. Ik zit bij mij zelven en verheug mij in dit gezelschap". Terwijl hij deze woorden sprak, glansde zijn aangezicht van innerlijke ontroering. Nadat het gesprek lang geloopen had over het wel en wee van de Brahmo-Somaj, zeide de grijsaard ten slotte tot zijn bezoekers: "God heeft ulieden geroepen om de Brahma-Dharma te preeken voor dit arme volk van Indië, en in het bijzonder voor Bengalen, ons zwak, noodlijdend en hulpeloos land. Zooals de moeder haar zwakste kind het teederst lief heeft, zoo heeft ook God deze grootere liefde betoond aan deze Zijn arme kinderen. Voor die bijzondere genade zijn wij God hoogst dankbaar. Hij heeft ulieden een bijzondere gunst toegestaan en heeft u geschikt geacht voor uw werk. Ik heb mijn laatste werk over Paraloka en Mukti, het génerzijds en de zaligheid, in een klein boekje uitgegeven. Ik bied u dit aan." Na deze woorden vertrokken de pelgrims, zeer getroost en innerlijk gesterkt en geholpen.
Prof. Max Müller, aan wien wij dit verhaal ontleenden, teekent er bij aan: "Ik dacht, dat deze blik op wat in Indië binnenshuis gebeurt, en wat zelden gezien of zelfs maar vermoed wordt door degenen, die ons zooveel vertellen van de paleizen, de Raja's en Maharaja's, den wagen van Jaganath, den Toren van het stilzwijgen, of van de grotten van Ellora, waard was om opgeteekend en bewaard te worden. Het kon den waren vrienden van Indië belang inboezemen. Wij hebben slechts de Indische kranten op te slaan om berichten te ontmoeten omtrent menschen, die hetzelfde heilige en godvruchtige leven hebben geleid als Debendranath Tagore, maar desniettemin, in de oogen van het Indische volk, den rang van een Paramahamsa niet hebben bereikt. Sommige hunner, die in hun land als heiligen zijn vereerd, worden door Europeesche critici als dwazen of als fanatici beschouwd. Toch hebben zij hun eigen plaats in hun eigen land, en zij vertegenwoordigen een macht, welke nooit veronachtzaamd zou kunnen worden door de heerschers van "arm, zwak en hulpeloos Bengalen".
Alvorens verder te gaan over Debendranath Tagore, ben ik u een verklaring schuldig van het woord Paramahamsa. Max Müller zegt: "De welbekende naam, waarmee sommige dezer wijzen en heiligen worden genoemd, is Paramahamsa, een naam, welke moeilijk vertaald kan worden. Studenten, die plegen te spotten en te glimlachen bij het vernemen van elke gewoonte of traditie der Hindoe's, vertalen dien naam letterlijk met "Groote Gans", maar het is juister om dien klassieken titel weer te geven met "Hoog-vliegende Adelaar". Bovendien is hamsa, ofschoon hetzelfde woord als "gans", niet dezelfde vogel."
Kenschetsender voor de beteekenis van Paramahamsa schijnt mij toe een gezegde van den godsminnaar Rama Krishna: "De zwaan kan melk van water afscheiden; hij drinkt alleen de melk op en laat het water achter. Andere vogels kunnen dit niet. Evenzoo is God (wezen) innig met Maya (schijn) vermengd; gewone menschen kunnen Hem niet gescheiden van Maya zien. Alleen de Paramahamsa (de groote ziel--hier is een woordspeling op hamsa, dat tegelijk "ziel" en "zwaan" beduidt) werpt Maya weg en neemt alleen God in zich op".
Keeren wij nu tot Debendranath Tagore terug. De Maharshi heeft in zijn vroege jeugd zeer weelderig geleefd. In zijn autobiographie vertelt hij zelf van zijn levensommekeer, die hoogst merkwaardig is om de analogie met den ommekeer van Rabindranath zelven. Trouwens, er zijn meer gelijkenissen in de levens van vader en zoon. Het zich één voelen met hun volk en met de menschheid in het algemeen komt bij den vader aan het licht door alle voorrechten verbonden aan een hooge geboorte prijs te geven, en zich voortaan, als primus inter pares, te wijden aan de sociale en religieuze opvoeding van het volk; bij den zoon komt dat tot uiting in zijn leven en werken o.a. in de oprichting van de jongens-republiek in Bolpur en is "een ding van schoonheid" geworden in zijn 8e vers uit de Gitanjali. Hij spreekt hier "het mysterie van het geboren worden" aan, verpersoonlijkt in de Moeder, en zegt:
"Een kind in vorstelijk gewaad, met juweelsnoeren om den hals, heeft geen plezier meer in het spel, zijn kleeding hindert hem bij elken stap.
Uit angst om haar te scheuren of te besmeuren durft het niet met de anderen gaan en vreest zelfs zich te bewegen.
Moeder! de keetenen van uw opschik zijn niet begeerlijk, als ze afhouden van de gezonde aarde, als ze berooven van het toegangsrecht tot het groote feest van menschelijk gemeenschapsleeven" [1].
De levenswending van Debendranath luidt in zijn autobiographie ongeveer als volgt:
"In den nacht, voorafgaande aan den dag, waarop mijn grootmoeder op den oever van de Ganges zou verscheiden, zat ik op een mat, nabij het hutje uitgespreid; de volle maan was aan den horizon opgekomen en dicht bij mij lag het aanstaande graf. Toen was men bezig met Kirtan-liederen te zingen om mijne grootmoeder.
"Wanneer zal die gezegende dag toch komen, Wanneer zal ik het sterfelijk lijf verlaten U roepende bij name, o Heer?"
Een zachte wind droeg de klanken tot mijne ooren; plotseling kwam een vreemde ontroering over mijn geest. Van dat oogenblik werd ik een geheel ander mensch.--Ik voelde een hevigen afkeer van weelde. Het matje, waarop ik zat, scheen mij de eenige en geschikste zitplaats toe. De rijke carpetten en al het andere leken mij waardeloos. Ik voelde in mij een klaarheid en een vreugde, welke ik nimmer tevoren kende... de vreugde, die ik op dien dag gevoelde bij het graf, overweldigde mijn ziel... Niemand kan die vreugde ervaren door zijn hoofd met logische redeneeringen te vullen... Wie zegt, dat er geen God is? Hier is het bewijs van zijn bestaan... Ik kon dien nacht niet slapen. De reden van mijn slapeloosheid was de extase der ziel, alsof héél dien nacht het maanlicht zelf zich over mijn geest had gespreid."
Bij het bericht van den dood des Maharshi's schreef de geleerde Ananda Mohun Bose "als zoon van Dwarakanath en, naar ik meen, eerste secretaris van de "British Indian Association" had hij reeds lang Maharaja kunnen worden. Maar hij koos het beste deel. Maharaja's sterven, maar Maharshi's leven voort, leven voort in de dankbare harten der komende geslachten. Zonder twijfel zal de Maharshi blijven voortleven voor altijd, en de jongere generaties zullen begeesterd worden door de sublimiteit van zijn karakter".
Rabindranath was de jongste zoon in een familie van 7 broeders en 3 zusters. Men zegt, dat geboren dichters meestal schoon zijn en ook Rabindranath was geen uitzondering op dezen regel. Lang is hij in Indië beroemd geweest, zoowel om zijn poëzie als om zijn schoonheid. "Inderdaad toonen zijn portretten een treffende gelijkenis met de beste beeltenissen van den Galileïschen dichter, die geen enkelen versregel ooit geschreven heeft, maar die de wereld heeft geheiligd met de majesteit zijner levenspoëzie en van zijn woorden." Het golvende haar van den Hindoe-zanger, het breede ongerimpelde voorhoofd, de glanzende donkere en magnetische oogen, de als gebeeldhouwde neus, de krachtige en toch zachte kin, de fijne gevoelige handen, zijn welluidende stem, de vriendelijke glimlach, zijn levendige zin voor vroolijkheid en zijn natuurlijke, goede levenswijze maken hem tot een betooverende persoonlijkheid en tot de zuivere belichaming van den kunstenaar.
Daar de God-minnende vader van den dichter veel placht te reizen, kon hij zich niet altoos met de opvoeding zijner kinderen bezig houden. En ongelukkigerwijze viel de opvoeding van "Rabi" in plaats van in de handen zijner moeder of van de dienstmaagden, in die der mannelijke bedienden. Deze waren verschrikkelijke meesters en toonden zich zeer wreed voor het kind. Om het werk van kinderen-oppassen gemakkelijker te maken, sloten zij het in een kamer op, en vaak trokken zij, bij wijze van straf, met een krijtstreep een cirkel in de kamer en gelastten het kind niet uit dien cirkel te gaan. Gelukkig voor het kind kwam die cirkel wel eens te liggen dicht bij een venster, dat uitzicht gaf op een tuin met vijver, bloembedden en vruchtboomen. Dan placht het kind te kijken naar de kaleidoscopische bewegingen der menschen, der dieren en der vogels. De eenden, die speelden in het water, zoekende naar voedsel, de menschen--sommigen keuvelende en zich koesterende in de zon, anderen vruchten of bloemen plukkende--boeiden het kind zoozeer, dat het daardoor al het verdriet in zijn eenzame opsluiting vergat.
Ofschoon Rabi op deze wijze de voordeelen van veronachtzaamd te worden genoot, deed toch de gevangenschap zijn hart verlangen naar vrijheid. Dat uitzicht op de dingen daarbuiten verhoogde zijn smachten naar de vereening met de natuur, en later door deze naar de vereening met God in de natuur. Dit gescheiden zijn maakte zijn liefde voor de natuur zóó hevig, dat, wanneer de vrijheid aangebroken was, de vreugde over de ontmoeting met de natuur om zoo te zeggen wederkeerig was. Natuur koesterde het kind aan haar boezem, en dit begon de natuur met hart en ziel lief te hebben. De scheiding maakt den zegen der vereening van geliefden zooveel te heerlijker.
Het eenzaam bestaan in de kamer maakte het kind nadenkend, en de kiem van zijn later mysticisme werd aldaar gelegd. In een zijner brieven verhaalt de dichter ons van eenige ervaringen uit zijn kindertijd: "Ik herinner mij slechts vaag de dagen mijner vroegste jeugd. Maar ik herinner mij toch zeer goed, dat nu en dan op sommige ochtenden een soort van onuitsprekelijke vreugde zonder eenige reden zich van mijn hart meester maakte. De heele wereld scheen mij vol geheimenissen. Elken dag placht ik met een klein bamboestokje in den grond te graven in de hoop één daarvan te ontdekken. Al de schoonheid, de liefelijkheid en de geur van deze wereld, al de bewegingen der menschen, het gerucht op straat, het geschreeuw van den kiekendief, de palmboomen in onzen familietuin, de banyan-boom bij den vijver, zijn schaduw op het water, de morgengeur der bloemen--al deze dingen deden mij de aanwezigheid gevoelen van een slechts schemerig vermoed wezen, dat zoovele vormen aannam om mij gezelschap te houden".
Elders heet het: "Het was mij, alsof de natuur haar handen gesloten hield en mij vroeg "Zeg mij eens, wat ik in mijn handen heb", en ik durfde nooit te antwoorden, want al wat denkbaar is, was daar te vinden".
In dien tijd was de toekomstige dichter pas zes of zeven jaren oud. Zoo aandachtig keek hij naar de dingen in de natuur en zoozeer verheugde hij zich daarover, dat hij de muren van het schoolvertrek haatte, die hem van zijne geliefden gescheiden hielden. Zij werden hem nog ondragelijker, doordat de onderwijzer in de Bengaalsche litteratuur, een man van middelmatige ontwikkeling en met grove manieren hem grooten afkeer inboezemde. De koppige leerling wilde nimmer een woord spreken en had het heele jaar door de monopolie op het laagste cijfer in de klasse. Maar aan het einde van het jaar werd het schriftelijk werk nagekeken door Srijut Madhusudan Bachaspati en zie, de jonge Tagore kreeg den hoogsten graad van al de leerlingen. De onderwijzer was woedend en gaf den autoriteiten zijn vermoeden te kennen, dat er partijdigheid jegens den domkop in het spel was geweest. Onder direct toezicht van den superintendant der school werd hij voor de tweede keer geëxamineerd en ook ditmaal sloeg hij het record. Maar het bleef sukkelen met den jongen droomer en verhuizing van de eene naar de andere school volgde.
Op een dag--toen was Rabindranath nog pas zeven jaren oud--nam hem zijn oudere neef Jyotiprokash plotseling bij den arm en zeide "Je moet verzen schrijven".
"Hoe kan ik dat doen? Ik weet niet hoe", antwoordde de toekomstige schrijver van Gan, Gitanjali en The Gardener.
"Ik zal het je leeren. Ik heb Shakespeare's Hamlet gelezen, en ofschoon ik geen dichter ben, meen ik toch uit je neigingen te kunnen opmaken, dat je door oefening eens een groot en oorspronkelijk dichter zult worden". Inderdaad een treffende voorspelling!
In dezelfde school, waar de gehate onderwijzer les gaf, won de poëet in den dop de vriendschap van een anderen onderwijzer, Srijut Satkowri Datta. Deze had dichterlijke neigingen en toen hij den verborgen aanleg van Rabindranath had ontdekt, gaf hij hem dikwijls lessen in versificatie. De onderwijzer schreef b.v. de eerste twee versregels en vroeg den jongen van 10 jaar de strofe te beëindigen. B.v. schreef de onderwijzer:
"Rabi Karay jalatan achilaw sabai Barasha varasha dilaw ar vai nai."
De ontluikende poëet voegde hieraan toe:
"Mingan din haway chilaw saroboray Ekhan tahara sukhay jalawkrira kawray."
Met andere woorden schreef de onderwijzer:
"Een ieder was afgemat door de schroeiende stralen der zomerzon, maar nu worden zij gerust gesteld door den komst van den regentijd."
De vlugge leerling voltooide de gedachte op deze wijze:
"De vermagerde visschen hebben een ellendig bestaan in den vijver geleid, maar nu voelen zij zich gelukkig en vroolijk in het water."