Part 6
En terwijl Nel nog eens betuigde, hoe heerlijk Frits haar toch verrast had door zijn vervroegd thuiskomen, bedacht ze, dat ’t voor Frans toch wel erg saai was alleen achter te blijven.
„’t Is nog de vraag, of hij me missen zal,” twijfelde Frits. „Frans gaat met hart en ziel op in ’t boerenbedrijf. Vieze luchtjes ruikt hij niet en zijn handen spaart hij niet. Hoe vroeger op, hoe liever. En een wagen met hooi opladen en naar huis rijden is voor hem bepaald een genot. ’k Geloof dat hij mij in zijn hart beklaagde, omdat ik hoe langer hoe minder ging voelen voor de genoegens van het buitenleven.
„Maar, dat ’t Frans goed doet, dàt is zeker. Hij ziet er best uit, en had nog beteren eetlust dan ik. En nou, goeie nacht, Nel, ik ben voor dag en dauw op geweest, en verlang naar mijn mandje.... Wat ben je van plan morgen met de snuiters uit te gaan voeren?”
„Morgen, mijnheer, gaan we boonen afhalen voor de winterinmaak. Al de kinderen doen mee, ze hebben er om gebedeld. Maak jij dus maar, dat je uit de voeten blijft, want wij „vrouwen” zullen ’t reuze-druk hebben.”
„’k Moet mijn viool laten nazien,” vertelde Frits, „en dan wil ik Daan Hilgers opzoeken. Die stakkerd heeft herexamen en moest thuisblijven. En nou echt goeienacht, huismoeder.”
Toen Frits op de bovenste tree van de trap was, riep Nel van beneden, „Frits, luister eens....”
Hij keek over de balustrade naar omlaag. Zijn zuster knikte hem toe. „Innig gezellig, dat je weer thuis bent, vent.”
IX OVER BOONTJES-AFHALEN EN FRITS „BOSCHJESVRIENDEN”.
Drie manden spergie- en snijboonen stonden in ’t midden van de huiskamer, op een groot laken, dat Nel over ’t tapijt had laten uitspreiden. Daaromheen acht stoelen, een tabouret en een bankje.
Trotsch overzag Nel haar hulptroepen, die bestonden uit: Kee, Bet, Geertje, Wimpie, Puck, Lientien en Annie.
’t Was met recht: alle hens aan dek, want anders kwamen ze vandaag vast niet klaar, had Bet gezegd. Socrates was natuurlijk ook van de partij (op de tabouret), en keek toe, of alles wel naar den aard gebeurde. Waldi liep overal tusschen door als een agent van politie, en was braaf lastig op den koop toe, terwijl hij niks uitvoerde. Truus en Nellie mochten van moeder Lientien ook toekijken, en zaten knus samen op het bankje. Lientien had ze de vruchtenmesjes gegeven, die voor haar en de anderen bestemd waren. Hoe kon je nou met die stompe mesjes boonen afhalen? Ze waren heusch groot genoeg om zich niet te bezeeren.
„Viermaal afhalen, kinders,” sprak Nel, toen ze gereed waren aan den slag te gaan, „en straks, bij ’t breken, verbazend goed toekijken, anders eten we van ’t winter boontjes met haren.”
Frits had een leuk boek gegeven, waar iedereen wat aan kon hebben, en om de beurten zou er uit voorgelezen worden. Bet, Kee en Geertje bedankten voor de eer, die konden veel vlugger met afhalen dan met voorlezen terecht. Maar Puck deed ’t graag en goed (Puck vond zelf, dat niemand ’t mooier kon dan zij), en dus bleef zij maar aan de beurt. Nel, die bang was, dat onbesuisde Puck zich zou snijden of bezeeren met het scherpe mesje, vond het uitstekend geregeld op deze manier.
De boonen vlogen van de handen in de manden en omgekeerd. Bet droeg al gauw een volle mand met afgehaalde en gebroken boontjes weg.
Puck las al maar voort met een kleur van pleizer en inspanning. Ieder vond het verhaaltje prachtig, al kwamen er dan ook „miserabel” stoute kinderen in voor, volgens Bet, en Geertje dacht bij zich zelf: „Dat bennen nou net goeie kameraden voor Puck.”
Om half twaalf kwam Frits thuis, en bracht een grooten zak zoute krakelingen mee voor de vlijtige werkers, die zeker wel wat „weeïg” zouden zijn geworden van al dat groen.
„Lang leve Frits,” riep Lientien, en allen stemden hiermee in.
De krakelingen kwamen zóó uit den oven, dus òf ’t hartig hapje smaakte! Waldi bedelde zoo brutaal, alsof hij ’t hardst van allemaal had gewerkt, slokte een heelen krakeling gulzig naar binnen, en keek dan, of hij nog niets gehad had, net als bij ’t vleesch bedelen aan tafel. Maar Socrates trok er zijn nuffig neusje voor op.
Toen Frits vertelde, dat zijn viool weer in orde was, bedelde Lientien: „hè Frits, speel dan wat aardige wijsjes, waarbij we kunnen zingen, dan kan Puck meteen een beetje op adem komen van ’t voorlezen.”
„Vooruit maar,” zei Frits, en hij begon er lustig op los te strijken, terwijl allen de woorden van de eenvoudige, ouderwetsche liedjes mee zongen. Zelfs Geertje galmde: „’t Zonnetje gaat van ons scheiden,” mooi in de maat met de anderen. Daar ging tante Sjarlotje’s schel, en Kee vloog naar boven, maar kwam dadelijk weer terug. De juffrouw had haar gevraagd de kamerdeur wijd open te zetten, dan kon zij van de muziek mee genieten.
Er zou een uur later dan anders worden koffie gedronken, doch om half één liet Nel met werken ophouden, en deden allen nog een dansje in de gang, om de van ’t lange zitten stijve beenen weer lenig te maken.
Bet en Kee verdwenen, doch Geertje bleef toekijken tot Nel haar Waldi in de armen duwde, waarover Geertje en Waldi allebei even verontwaardigd waren, terwijl ze niet wisten, hoe gauw ze van elkaar af zouden komen.
Aan de koffie trakteerde Nel op gerookte paling en, in weerwil van al de verorberde krakelingen, liet de „trek” niets te wenschen over. Vooral Puck liet zich niet onbetuigd, want een versche boterham met gerookte paling! iets zaligers bestond er niet voor het „twaalf-uurtje”.
Lientien bewaarde altijd een middenreepje, dat ze extra dik belegde, voor ’t laatst. En zoo had ze nu ook weer zulk een heerlijken reep gereed liggen met een rose stukje palingmoot er midden op. Puck keek er naar met begeerige blikken; haar boterhammen had ze al lang opgesmikkeld.
„Lientien,” zei ze op eens, en legde haar hand vleiend op Lientiens mollepootje, „zou je ’t over je hart kunnen verkrijgen mij dat zalige reepje van jou te geven?”
Lientien keek een beetje verbijsterd in Pucks begeerige oogen; ze had wel iets van een vogeltje, dat door een slangeoog betooverd wordt. Iedereen keek Lientien aan. Wat zou ze doen?
„Niet geven, niet geven, Lienepien,” riep Wimpie verontwaardigd, door Annie krachtig bijgestaan.
„Neen,” zei Puck, „jullie zouden ’t natuurlijk niet kunnen, maar Lientien....”
Lientien werd rood, keek eens naar Nel, die lachte, en naar Frits, die zijn hoofd schudde. Toen nam ze ’t overheerlijke reepje en.... legde het op Pucks bord. „Daar dan, maar je moet dat kunstje nou niet aldoor uithalen, hoor!” voegde ze er bij.
„Je bent een dot,” betuigde Puck, en liet Lientiens zuinig bespaard brokje dadelijk in haar mond verdwijnen.
„Wat een schrok!” gilden de logéetjes. „Neen maar, wat een gulzigaard!” „Was juf maar hier,” wenschte Wimpie, „die zou je!”
„Een volgenden keer zullen we Puck op de proef stellen,” sprak Nel. „Bij Lientien is er eigenlijk geen aardigheid aan, want die geeft graag wat weg, hé poes?”
„Och ja,” betuigde Lientien, en wijsgeerig voegde ze er bij: „’t Was nou toch al op geweest.”
Na de koffie slonken Nels hulptroepen op een treurige manier. Bet moest naar de keuken, Geertje had boodschappen te doen, Kee moest naar boven, en Waldi ging er met Frits op uit. Dus hield Nel Socrates, Lientien, Puck en de twee logéetjes over. Socrates maakte ook al gauw, dat hij weg kwam, want hij had veel te veel palinggraatjes opgesmikkeld, en nog een stukje vel gestolen, zoodat hij liever in eenzaamheid zijn gulzigheid zat te betreuren.
Maar Puck werkte voor twee, want ze stond er nog frisch vóór, en ze sneed zich ook niet in de vingers, hoewel ze een vlijmscherp mesje had. Toen Bet weer een mand met afgehaalde boontjes kwam halen, zei ze, dat ’t nou genoeg was. De rest zou ze van avond met Geertje wel doen. Iedereen had maar wat flink geholpen, en ze konden van ’t winter dikwijls ingemaakte boonen eten, want er was een verbazende „zooi”!
„En nou moeten jullie eens boven gaan kijken,” zei Kee. „Juffrouw Sjarlotje heeft zoowaar ook nog mee gedaan.”
De kinderen stormden de trap op, en jawel, daar stond een mandje keurig afgehaalde boontjes vóór tante op tafel. „Misschien net twee maaltjes voor haar zelf,” dacht Lientien, want tante at niet veel.
„’k Heb van middag toch zulke leuke jongens ontmoet, Nel,” vertelde Frits aan tafel. „En als je ’t goedvindt, huismoeder, komen ze morgenmiddag hier. ’k Heb ze gevraagd.”
„Als je ze al gevraagd hebt, heeft Nel niks meer te „vinden”,” beweerde Puck bijdehand.
„Zóó, mejuffrouw wijsneus! Heb ik uw toestemming soms gevraagd?” spotte Frits.
„Nou, maar daar heeft Puck toch wel gelijk in,” viel Nel Puckie bij, „wat zijn dat nou eigenlijk voor jongens, Frits?”
„Zal je wel zien. Ze worden in den tuin ontvangen en..”
„Onder de Vors....?” vroeg Lientien, en de rest slikte ze gelukkig nog bijtijds in.
„Kind, houd je mond toch,” waarschuwde Puck met een por. „Dommerd,” fluisterde ze toen.
Gelukkig scheen niemand iets van de „Vors”.... gehoord te hebben.
„Frits, je moet me eerst vertellen, wat voor jongens ’t zijn,” hield Nel aan, terwijl ze een waardig moedergezicht poogde te zetten.
„Straks, als de pepernoten naar bed zijn, want die gaat ’t niets aan, en morgen sturen we ze uit wandelen.”
„Dat doen we lekker niet, we gaan lekkertjes niet,” riepen de kleine meisjes in koor.
Doch dit was dan ook maar een plagerijtje geweest van Frits, en hij begon nu uitvoerig van zijn Boschjesvrienden te vertellen. Toen hij, met Waldi naast zich, op een bank zat, dicht bij de Bataaf, was Waldi gaan brommen tegen twee jongens, die op eens uit ’t groen naast de bank opdoken.
Maar de twee hadden den dackel vriendelijk toegesproken en over den rug geaaid.
„Mogen we hier even gaan zitten, mijnheer?” had de grootste daarop gevraagd.
Frits, niet weinig gevleid door dat „mijnheer”, had geantwoord: „Natuurlijk jongens, de bank is niet van mij, en al was dat zoo....” Nou, toen waren ze aan ’t praten geraakt, en dat konden de jongens evengoed als Frits.
„Hij zal Maandag toch zoo’n leuken dag hebben, mijnheer,” zei de grootste, op zijn mager kameraadje wijzend. „Zijn vader is dan vijf en twintig jaar letterzetter in de Wagenstraat, U weet wel, aan de Haagsche Courant? En nou krijgt hij een gouden horloge van de heeren en... wat nog meer, Daan?”
„Vijf en twintig gulden van ’t personeel,” vertelde Daan trots; „en dan gane we een auto-tocht maken naar Rotterdam en ik mag ook mee.”
„Sapperloot, dat is niet voor de poes,” zei Frits.
„Nee, hè mijnheer?.... ’t Wou, dat ik mijn vriend Hein hier, mee mocht nemen,” vervolgde Daan, „maar zoo iets kan je natuurlijk niet vragen.”
„’k Gun ’t je best,” nam Hein weer ’t woord. „Hij moet toch zoo veel missen, mijnheer, want hij heeft twee maanden geleden zijn moeder verloren, en ik heb de mijne nog.”
En toen Daan weer: „Ja, als je moeder dood is, heb je niet veel meer... Mijn groote zus doet nou ’t huishouden, die moest er voor uit een besten dienst kommen, waar ze al acht jaar was. Ik ben de jongste, ziet U, van bij ons thuis. Mijn zus is de oudste, die wordt al zes en twintig, maar ik zeg maar: een zuster is toch geen moeder, bij lange niet.”
„En ik heb mijn moeder nog,” vertelde Hein nog eens, „en zoo’n goeie moeder!”
De oogen van den jongen blonken, en Frits vond hem hoe langer hoe aardiger.
„Wat is jouw vader, Hein?” vroeg hij.
„Loodgieter, mijnheer, en daarom wil ik dat naderhand ook worden.”
„En ik word chauffeur,” viel Daan in, „zoo leuk, dan zie je nog eens wat van de wereld.”
„Hij kan toch zoo fijn teekenen, die Daan,” deelde Hein mee, alsof deze kunst voor ’t chauffeur worden bepaald noodig was. „Ik houd veel meer van lezen.”
„Ik ook,” zei Frits, „jullie hebt nou in de vacantie zeker leuk veel tijd om te lezen.”
„Tijd wel,” gaf Hein toe, „maar boeken niet. We magge één boek in de week uit de schoolbibliotheek, dat heb ik dikwijls in één dag al uit.”
„Weet je wat je doet,” had Frits toen gezegd, „komt morgen tegen half drie met je beiden: Groot Hertoginnelaan 42, dan zal ik wat leuke boeken voor jullie klaarleggen, goed?”
„Alsjeblieft mijnheer, erg graag mijnheer,” en de jongens hadden beleefd de pet afgenomen, toen Frits opstond en er met Waldi van door ging.
Iedereen had met plezier naar Frits geluisterd, en Nel verklaarde: „’t Lijken mij aardige jongens, Frits, en daarom zal ik ook wat aardigs verzinnen, als ze morgen komen. Hoe laat zei je ook weer?”
„Tegen half drie, en reken maar, dat ze op tijd zullen wezen.”
’t Was den volgenden middag ’t zelfde prachtige weer, als reeds dagen achtereen in deze Augustusmaand. Onder den bruinen beuk stond een keurig gedekt tafeltje met de witte tuinstoelen er gezellig omheen geschikt. De frambozen- en citroen-limonade glinsterde als robijn en goud in de karaffen, en een groote schaal met pitmoppen stond verleidelijk in ’t midden.
Precies half drie schelden Daan en Hein. Frits deed ze open en bracht ze naar den tuin.
De jongens zagen er netjes uit in lichte blouses, en korte zwarte broeken.
Nel trad hen dadelijk tegemoet.
„Wel jongens,” zei ze, „daar doen jullie goed aan, de beloofde boeken te komen halen; mijn broer heeft ze al voor jullie klaar gelegd.”
Met de petten in de hand stonden de jongens voor Nel. Ze hadden allebei prettige jongensgezichten en iets vrijmoedigs, dat toch volstrekt niet vrijpostig was.
„Gaat zitten; Hein en Daan, niet?” verzocht Nel. „Jullie lust zeker wel een glaasje limonade?”
De jongens kregen stoelen tusschen Nel en Frits in. Ze draaiden een beetje verlegen met hun petten, doch Frits wist ze al gauw op hun gemak te zetten.
„Dat zijn niet allemaal zusjes van me,” vertelde hij, naar de kleine meisjes knikkend. „Alleen die blonde met haar blauwe oogen,” en hij wees op Lientien.
„En ik hoor hier ook,” lichtte Puck toe, met haar neus in den wind, „die twee zijn maar logéetjes.”
„Ja,” zei Wimpie, „en we blijven nog tot overmorgen; jammer! dan is de koek al weer op.”
Hein en Daan waren niet zoo praatgraag als tegen Frits den vorigen dag.
„Dat durfden ze zeker niet met al die meisjes,” beweerde Puck later.
Nel schonk limonade en presenteerde pitmoppen. Ze zag met pleizier, dat de jongens nette, bescheiden manieren hadden.
Toen haalde Frits zijn boeken en liep met Hein en Daan den tuin rond.
„Je moogt de boeken op je gemak lezen, en als je ze prompt terug brengt, kan je weer een paar nieuwe krijgen,” beloofde hij.
„Maar als jullie er slordig op geweest bent, met vlekken of scheuren, dan kunnen jullie ophoepelen, en leen ik je nooit meer wat.”
„U hoeft niet bang te zijn,” verzekerde Hein. „Als je van boeken houdt, ben je er van zelf netjes op.”
Dankbaar en voldaan namen Hein en Daan nu afscheid, en lieten den indruk achter van een paar leuke, aardige, jongens.
’s Avonds vond Lientien onder haar hoofdkussen een zakje met pitmoppen met reuzepitten er op, en op een bijgevoegd papiertje stond: „Van Puck, omdat je mij je lekkere „reep” hebt gegeven. ’k Heb de grootste pitmoppen uitgezocht, en allemaal voor jou bewaard. Dag, of liever: goeie nacht.”
Dat was heusch aardig van Puck, dacht Lientien, want ze hield verbazend veel van pitmoppen en had er geen één voor zich zelf gehouden. Lientien vertelde ’t nog even aan Francine, die bij haar mocht slapen dien nacht, en van al de kinderen altijd ’t meest op tante Puck had aan te merken.
Dien heelen daarop volgenden winter kwamen Hein of Daan elke veertien dagen hun boeken ruilen, en raakten niet uitgepraat over ’t plezier, waarmee zij ze gelezen hadden.
Toen gingen Heins ouders naar Rotterdam wonen, en Daan kwam van school, en moest een ambacht gaan leeren.
Van lezen zou dus vooreerst wel niet veel inkomen.
Bij de laatste boeken was een net geschreven bedankbrief en bovendien een portretlijstje, dat Hein, in zijn vrije uurtjes, keurig had uitgesneden.
Frits zette er Nels portret in, en bewaarde het jaren en jaren lang.
X „SCHATTEBOUTJES”.
Mevrouw Canneheuvel had Bet, de keukenmeid, voor geen geld willen missen, want ze was niet alleen een uitstekende dienstbode, doch ook even eerlijk als betrouwbaar, en met de jaren geheel één met het gezin geworden.
’t Viel echter niet te ontkennen, dat Bet veel met haar humeur had te stellen, en heel moeilijke dagen had, waarop ze eigenlijk alleen van Lientien wat kon verdragen.—Maar Bet was nu al maanden achtereen in een opgewekte stemming, want haar moeder had ’t heerlijk nieuws geschreven, dat ze van plan was, om in Den Haag te komen wonen. ’t Werd haar in Franeker te stil, nu haar jongste dochter ook getrouwd was, en zich in Amsterdam had gevestigd.
De getrouwde kinderen hadden man of vrouw, doch Bet en zij hadden nu alleen nog maar elkaar, en daarom wilde moeder in dezelfde stad komen wonen, waar haar Bet was.
Bet huilde bijna van blijdschap, en vertrouwde Lientien toe, dat ze dan toch zoo „miserabel” in haar schik was. (Iedereen heeft een stopwoord, en dat van Bet was „miserabel”, of ’t paste of niet.) „Ben jij nooit „geangiseerd” geweest, Bet?” vroeg Lientien. „Ja, kind,” en Bet zuchtte zwaar, „maar hij is jong gestorven, hij was te goed voor deze wereld.”
„Arme, lieve Bet!” troostte Lientien hartelijk.
„’t Is al lang geleden,” vervolgde Bet, „en een mensch komt met den tijd over zijn verdriet heen, maar ik heb toch nooit een ander gewild.—En nou komt mijn moeder hier, en dat is compleet een engel van een mensch, die zal me veel vergoeden.
„’k Heb al een étage op ’t oog voor moeder, want ze kan ’t best doen. Ze heeft der pensioentje, en nog geld van der eigens, van grootvader georven.
„Als me moeder op orde is, Lientien, mag je met me mee, want moeder verlangt er naar om je te zien. ’k Heb der zoo vaak over je geschreven.”
„Vreeselijk graag, Bet, op een Zondag hè, want de vacantie is nou al gauw uit.”
’t Was voor Annie en Wimpie dus ook weer tijd naar Utrecht terug te gaan. Juf kwam ze halen, en bracht de boodschap mee van mevrouw, dat Lientien den volgenden zomer bij Wimpie en Annie moest komen, en dat dit voor vast moest worden afgesproken. Puck werd niet uitgenoodigd, doch ’t meisje bleef daar zeer kalm onder. Zij, Puck, had een veel deftiger invitatie. De chauffeur van Mevrouw van Bergen had een briefje gebracht, of zij lust had den volgenden dag mee te gaan op een autotochtje naar Haarlem en omstreken, ’s morgens vroeg uit, en ’s avonds vóór negenen weer thuis.
Nel vond ’t best, doch ’t speet haar, dat Lientien dit pleziertje niet kon hebben. Maar Lientien was er ook nog.
Na ’t eten, toen Nel op de bank zoo’n beetje zat te schemeren, kroop Lientien, als een klein kindje, tegen haar aan.
„Nel, ik heb een plannetje bedacht en ik zou ’t zoo heerlijk vinden, als ’t mocht.”
„Zie je, zóó. Omdat Puck nou toch uitgaat den heelen dag, wou ik zoo graag naar Haarlem, om grootma zelf mijn verjaarpresentje te brengen, en als jij dan meeging....”
„Dat kan in geen geval, lieverd.”
„Neen hè?” zuchtte Lientien.
„Maar we konden Frits vragen, of hij....”
„Dat ik daar niet aan gedacht heb!” en weg vloog Lientien, om Frits te halen.
Hand aan hand kwam ze met hem terug; haar heele gezichtje straalde.
Nel begreep dus dadelijk, dat de zaak in orde was.
„Wil je wel, Frits?” vroeg ze.
„Met alle plezier van de wereld, maar nou heeft die gekke prul van een Lientien verzonnen, om Waldi ook mee te nemen, en dat lijkt me nog al bedenkelijk. Waldi alleen in een hondenhok zonder een van ons er bij, die gilt en jankt de halve wereld bij elkaar.”
„Nou heb ik weer wat bedacht,” vertelde Lientien, Frits en Nel om beurten met haar heldere „vergeet-mij-nieten” aankijkend.
„Bet zegt, dat je in de derde klasse een hond mee mag nemen. Haar moeder wil ’t ook doen, heel uit Franeker...
„Nou dacht ik: als Frits en ik en Waldi derde klasse reizen, kunnen we met ons drietjes in dezelfde coupé, en ’t is nog veel goedkooper ook. Grootma schreef laatst, dat ze Waldi toch zoo dolgraag eens zien zou, en daarom, zie je....”
„Ajo,” gaf Frits toe, „dat moet dan maar. Puck rijdt in de auto naar Haarlem, en wij gaan per trein, derde klasse, hè prul?”
’t Stond nog te bezien, dacht Nel, of Grootma nou zoo bizonder op een bezoek van stouten Waldi gesteld was. Doch ’t scheen nog al mee te vallen, want ’s avonds kwam er bericht uit Haarlem, dat Lientien, Frits en Waldi drie dagen mochten blijven, als moeder Nel ’t goed vond.
Dit gebeurde dan ook, en ’t is moeilijk te zeggen, wie zich ’t best amuseerde op ’t onverwacht opgekomen uitstapje.
Grootma was verbazend blij met Lientiens mooi handwerk (een courantenhanger voor in de zitkamer) en nog blijer met de verrassing, die de onverwachte komst van de kleinkinderen haar bereidde. Of Lientien haar plannetje dus ook maar goed bedacht had! Waldi gedroeg zich voor zijn doen heel netjes, met bedaarde wafjes en zonder uitbundige luidruchtigheid.
In den trein had hij aldoor liggen uitkijken, en droge kaakjes opgesmikkeld. De medepassagiers hadden hem zeer bewonderd en aangehaald.
’s Nachts bij grootma sliep Waldi op ’t voetenkleedje voor Frits’ bed, en hield zich den heelen nacht muisstil.
Bij ’t afscheidnemen verklaarde grootma dan ook, dat Waldi een bizonder lieve, welopgevoede hond was, dat zij in ’t geheel geen last van hem had gehad, en blij was, dat zij hem kende. Ze zou nu nog met grooter plezier lezen, wat Lientien in haar brieven van ’t taksje vertelde.—
Puck had zich op ’t autotochtje toch niet zoo vermaakt, als zij verwachtte.
Mevrouw was, als altijd, heel aardig geweest, maar Puck vond Grace en Ellen bepaald onuitstaanbaar. Ze hadden aldoor zitten zeuren over een meisje, met wie ze kennis hadden gemaakt, en dat, na de vacantie, bij hen op school zou komen. „Een erg voornaam kind, haar vader is baron,” had Grace verteld, terwijl Ellen er bij voegde: „En ze wordt natuurlijk een vriendin van ons, dat hebben we afgesproken; ze is ook al dertien jaar!” Terwijl Ellen dit zei, had ze Puck heel koeltjes aangekeken, net of ze wilde zeggen: „Als we Leonore tot vriendin hebben, kan jij ophoepelen.”
Puck hield zich wel, of ze dit niet begreep, maar ’t deed haar toch zéér.
’t Rijden zelf in de zacht veerende auto was wel heerlijk en ze had ook volop genoten van al ’t moois, dat onderweg te bewonderen viel. Overal, waar Mevrouw de auto voor restauratie of hotel liet stilhouden, had Puck zich erg voornaam gevoeld, als ze uit- en instapte, terwijl de buigende knecht ’t portier voor de dames opende, of dit weer achter haar dichtklepte. Maar toch....
Lientien had Puck zoo’n beetje aangeduid, waar grootma van de Capelle woonde, en toen ze in Haarlem waren, had Puck den chauffeur verzocht haar te waarschuwen, als ze langs „den Hout” reden.
Dit deed de chauffeur dan ook, en Puck verbeeldde zich, dat ze uit Lientien’s beschrijving het groote statige huis herkende.
Toen kreeg ze op eens ’t gevoel, dat ze daar bij Lientien en Frits hoorde, veel meer dan in de auto naast haar nuffige, onaardige vriendinnetjes. Ze was dol graag uitgestapt en op ’t huis toegeloopen, maar ze waren al lang voorbij, terwijl ze dit bedacht.
Wat moest ’t heerlijk zijn om een grootma te hebben en eigen ouders, en eigen broers en zusjes. Zij had eigenlijk niks dan een oom en tante heel in Zwolle, die nooit naar haar omkeken, en dus net zoo goed vreemden konden zijn, en dan die suffe tante Johanna in Voorburg....
O! als tante Canneheuvel eens haar eigen moeder was, wat zalig zou dat zijn....
Puck schrikte op. Ze reden zoo waar al weer door ’t Haagsche Bosch, en zouden al heel gauw thuis zijn....
„Dank u duizendmaal voor den heerlijken dag, lieve mevrouw,” zei Puck bij ’t afscheid nemen, terwijl ze bedacht, dat ze toch eigenlijk niet zoo heel veel plezier gehad had. Doch, toen mevrouw vroeg: „Ga je Zondag weer mee? We moeten nu maar van het mooie weer profiteeren,” nam ze gretig aan: „Dolgraag, mevrouw.”
Nog net zag ze, dat Ellen haar moeder een duw gaf en nijdig keek.
„Zoo’n spook!” dacht Puck, „ze vindt ’t zeker niet goed, dat haar ma mij meevraagt.”
’t Viel Puck erg tegen, dat Lientien in Haarlem was gebleven, en pas na drie dagen thuis zou komen.
Maar Nel was dubbel lief en gezellig die dagen. Ze wandelde met Puck en nam haar mee naar de bioscoop.