Chapter 8
Hij ging om de tafel, men hoorde hem zijn sloffen die buiten de deur stonden aandoen, ze aanstootend tegen den steenen vloer en uitgaan.
--«De baas is stil van avond," zei de gast.
--«Het weêr zit hem weêr in den weg," antwoordde de tuinvrouw, «dat hindert dien man nou altijd, wil je wel gelooven dat hij er niet van slapen kan als de boel niet goed groeit, dan zit er wat dwars bij em, je hebt nog nooit zoo'n man gezien."--
Ze begon weêr te lezen.
Mannestappen kwamen aan door de stilte buiten, ze klotsten wat harder op de steenen plaats van het koetshuis naast de tuinmanswoning, toen klonk de stem van den baas door de muren henen, een andere antwoordde, de klink der deur gaf een metalen tik en om den hoek van het schot riep de frissche stem «goeien avond samen."
--«Dag baas," zei de vrouw, «zoo laat nog?"
't Was de tuinbaas eener een uur ver afgelegene buitenplaats.
--«Hoe later op den dag hoe schooner volk," zei hij.
--«Net zoo," meende de knecht.
--«De baas komt de nachtcactus kijken," antwoordde de baas. «Ga zitten, van D....." hij vervolgde naar zijn hoekje schuivend: «heb je geen sigaar voor den baas, vrouw?"
De twee mannen raakten aan 't praten. De vrouw zette een bekertje vol sigaren op tafel, een blauw steenen bekertje, een kermisgeschenkje, dat hard, glasachtig glom om de dofbruine rechtopstaande einden der sigaren; toen dadelijk bedrijvig geworden, vroeg ze:
--«Wil je ook wat drinken, van D.?"
--«Dank je."
Maar ze bleef voor haar stoel staan, in vertrouwelijke afwachting dat haar gul aanbod zou worden aangenomen, toen ging ze wat rommelen in de kast.
--«Weet je het wel?" vroeg ze uit het donker. «Neen dank je," herhaalde hij kortaf om meteen zijn gepraat met den baas te vervolgen. Hij was half in het donker blijven zitten, zijn gezicht buiten den lichtkring der lamp; de eene arm achter om de leuning van zijn stoel geslagen, verdween in het donker.
Tusschen de rookwolken door spraken de beide mannen over de droogte, allebeî klaagden zij zich uit tegen elkaâr, kalm zonder gesticulaties. 't Was dan al een schrikkelijk droge zomer, en over en weêr begon ieder zijn tegenspoed op te sommen, dát groeide bij den een niet en dát weêr niet bij den ander. De perziken en druiven beloofden wel goed, maar de appelen en peren verdorden, je zou het zien, als er morgen regen kwam, vielen ze allemaal van de boomen af, en dan de groenten van de kouwe grond en de aardappelen daar wel de ziekte in kommen zou, was 't niet om bij te huilen. En 't volk dat al die dingen maar niet begrijpen wou!..... maar de blommen, zei de hovenier, ja, die hielden zich goed bij hem, nog nooit een jaar gehad van zooveel rozen, de tuinknecht kon het getuigen, 't was een lust voor de oogen, nee, maar een lust was het; overigens was het verdrietig..... Maar ze waren toch niet alleen, in Gelderland en Friesland beloofde de oogst ook niet veel had Floralia verteld. In 't Geldersche moesten de bijenkweekers uren vèr sjouwen met de korven, 't was gewoon een bankroet, er viel bijna niets te puren voor de bijen. De hei lag doodgeschroeid, en de boekweit en de spurrie bloeiden ook slecht... «zoo heeft ieder het zijne," besloot hij wijsgeerig zich zelven troostend: «zoo zie je al weêr."
--«Net zoo," meende de knecht.
--«Nou, willen we es gaan?" vroeg baas van D., «ik heb nog een lange wandeling voor de borst."
--«Ja, dat 's goed,--gaan jullie meê?"
Alle vier stonden op.
--«Dus van D., je weet het wèl," vroeg de tuinvrouw, «geen glaasje boerenjongens?"
--«Nou, geef dan maar op..." en staande, met éen teug, dronk hij het glas leêg, dat de vrouw hem inschonk.
De knecht kwam op zijn kousen weêr binnen; hij had een lantaren in de hand, en deed het kaarsje er in ontvlammen met een half afgebranden lucifer dien hij aanstak boven de lamp; achter elkander gingen de vier mannen toen naar buiten.
--«Nacht, vrouw!" zei baas van D... die het laatst bij de deur was.
Met de oogen nog vol van het licht der kamer, traden ze in het dikke donker. En alles was weg. Om hen huiverde de zwarte nacht, die eenig heerschte, groot en alleen.
Ze liepen op. Langs den grond schoof en danste de lichtkrans der lantaren, die de baas, vooruitloopend, droeg in de langs zijn dij schommelende hand. Het licht ging vlottend meê langs het pad, een regelmatig gestraald, dof, rood licht, een in vieren gedeelde lichtkring, door de lange uitwaaierende schaduwen die de roedjes der lantaren wierpen in den wijd wegdoezenden rossen cirkel. Ze gingen den stal voorbij. Een matte gloor vloog even tegen de deuren van het koetshuis en wiegelde weêr weg, toen de tot een reus aangegroeide schaduw van den tuinbaas er voorbij duisterde; maar weêr kwam het licht op den dikken boomstam bij het zandhok, het gleed om den gladden beuk henen, die een schilferig uitzicht kreeg in het vage schijnsel, toen zonk de boom weêr achter hen weg tot een stuk van den nacht. Broksgewijs, bij kleine rosse schemeringen, herleefde de tuin. Ze waren in de oprijlaan. Telkens merkte het roode, diefachtige schijnsel even een stam en vlogen de onmetelijke schaduwen die de lantaren voor zich uit zond, tusschen de boomen dóor het hout in. Het rossig kaarslicht groezelde lang en onstoffelijk op het lage hout, het was als een damp om de lantaren waar de vier mannen donker in gingen. Nachtgeluiden gingen den lichtkring vooruit, een droog bladerig geritsel in de struiken, een vogel die opschrikte en slaapdronken tegen de takken aanvlerkte, een rat die over het pad schoot als een snel rollende bal, en het hout in.
--«Je kan ruiken dat het droog is," zei de hovenier plotseling.
Ze waren in den tuin waar de bloemkas stond, en 't was zoo, er steeg een muffe lucht uit het zand, 't was alsof de grond zijn dorst uitademde in den nacht.
Bij de kas bleef de baas staan, hield de lantaren hoog op, gluurde naar binnen, het licht boven zijn oogen afsluitend met de hand en zei toen tot zijn gast:
--«Ik heb je 't wel gezegd; ze is nu heel open."
De baas was het eerst binnengegaan. Het rosse vlamlicht der lantaren was komen vallen in het zwarte der kas en had het duister plotseling besprenkeld met roode loovers. De planten kwamen aangroezelen naar het licht toe, piekten op en spikkelden weêr weg, met kleine glansplekjes, met lichtende bladvormpjes en takjes, en dan vielen zij weêr saâm tot raadselachtigheden van gedoofd zwart en rosbruin, waarin het groen der bladeren verschemerde, gebroken en verweerd tot roestige kleuren. Boven op de kisting, dichter bij den lantarengloed, kwam het helrood der geraniums nog treffen in de oogen; het lag glanzig en diep, weggezonken in de rust, onheilspellend, somber, aaneengesloten als vlekken vochtig bloed; en er om heen sliepen de kleuren der andere bloemen en der bonte bladen; ze ontwaakten even als de lantaren bewoog, begonia's en primula's, het rose wit der hortensia's en van de gloxinia's het blauwe violet.
Maar dadelijk had de hovenier de lantaren geheven in den hoek waar de cactus stond, en met de optilling van zijn arm verschenen de bloemen voor de kijkende mannenoogen.
--«Zie je wel," zei hij zich even omwendend, «ze is nu heel open."
Niemand gaf antwoord. Als een bloem uit een tooververtelling, als een magische verschijning was de plant opgeroepen door de bundels van licht uit de vierkante ruitjes der lantaren. Wijd geopend zagen ze haar pralen, de grootste bloem naar voren gekeerd en de andere met afgewende bladen. In den saâmgedrongen gloed der kaarsvlam stond de bloem te gloeien, hevig als was ze van enkel licht; over den gladden opengespleten bekermond, van uit het gloeiende hart, kwamen de meeldraden nu recht snellen naar voren, gespannen draden van een glanzende materie, en de gele stuifselkopjes waren er bovenop gelijk kroontjes van rosrood poedergoud. De krans van schutbladen was wijd uitgeplooid geworden, ze krulden om, gekanteld tegen het donker, vlijmscherp als messenlemmeten was elk blad, en onbewegelijk stond de kelk in die krachtige omlijsting, vastgesnoerd in den stralencirkel, een statige ster daar onvergankelijk gemaakt.
Vol ingenomenheid hield de hovenier de lantaren hoog op voor zijn gast die dichterbij was gekomen, en bij het kijken scheen het dezen alsof de stilte rondom uitging van die bloemen, alsof de rust kwam uit dien hoek in de wolken van geuren. De bloem was zóo stil en stond zóo streng schoon, in zijn zuivere eenvoudigheid als een opgelost probleem, in zijn klankrijke helderheid als iets dat er volmaakt is; zoo scheen de bloem in het volle licht.
Na een klein poosje kwam de stem van baas van D. achter zijn rug om.
--«Jongen, jongen, dat is een mooi exemplaar, baas, maar ik vind de gele toch mooier."
--«Ieder zijn meugt," antwoordde de hovenier. Hij zette de lantaren voor op de kisting en ging leunen tegen de deurpost.
Oogenblikkelijk waren de bloemen gaan veranderen toen het licht dansende en schuivend verwijderde. Weêr een oogenblik was het den jongen man geweest of hij de meeldraden als voelsprieten had zien trillen, en de krans van schutbladen zich op en neêr bewegen, als de weeke leden van een zeester die ligt te kleppen en te dobberen in de zee. Hij begon het benauwd te krijgen in de kas; tot stinkens toe hingen de dampige bloemgeuren saâmgedrongen in de kleine ruimte. Griezelig kwam de bloem nu onder het kantlicht der laagstaande lantaren. 't Waren vage streepjes licht, die denken deden aan de visioenen op een japansche prent. 't Werd hem te eng. Boven zijn hoofd trokken zich de roeden der ramen tot een kruisnet; als door de tralies van een kooi zag hij door de ruiten heen in den zwaar-zwarten nachthemel.
Maar de drie mannen waren aan 't praten geraakt.
--«Je zou toch zeggen," zei de knecht, «waar dient zoo'n blom toch voor."
--«Ja, 't is een dondersch vreemd ding," zei baas van D., «dat bloeit 's nachts, niemand ziet em."
--«Ja, weet je," antwoordde de hovenier, «hièr, maar, daar ginder in die verre landen, begrijp-ie, daar maken de zwarten er heggen van om de huizen, en as nou de buffels in den springtijd zijn, dan is er geen kwaad bij, begrijp-ie?"
--«Hoe dan?" vroeg baas van D...
--«Wel," vervolgde de hovenier zeker, «as ze dan in den springtijd zijn, dan worden ze al op een afstand bedwelmd door de stank, begrijp-ie, en dan springen ze de huizen niet om."
--«Hé ja," zei de knecht.
--«En is er morgen niks meer van te vinden?" vroeg de gast even glimlachend.
--«Nee, morgen is ze verslijmd, heelemaal versmolten, in zijn eigen sappen verslijmd, begrijp-ie, net as een slak waar je zout op gedaan heb."
--«Er is je toch wat raars in de wereld," meende baas van D...
De hovenier had zich schrap gezet tegen de deurpost en kauwde op zijn tabakspruim met een malende beweging der kaken.
--«Heb je veel meloenen gehad?" vroeg hij.
En 't gesprek verliep weêr naar de droogte. Natuurlijk en van zelve kwamen zij er op terug hun leed te klagen, over en weêr zeurend, alles herhalend, maar eindelijk eindigde van D..:
--«Nou, 'k dank je wel, baas, ik mot weg."
Met een ruwen stoot van zijn voet vloog de deur der kas open; een dikke gulp frissche lucht bolde naar binnen en schuurde ritselend langs de planten.
--«'t Wordt al koud 's avonds," mompelde hij, tegen den nachtwind huiverend.
Ze traden naar buiten.
--«O, de lantaren," zei de hovenier.
Hij nam het licht terug uit de hand van zijn gast, die op zijn beurt de lantaren hoog hield boven de groote schitterende ster.
--«'t Is een heerlijke bloem," sprak hij opgetogen.
--«Is 't niet," zei de baas, «'t is jammer dat het volk 't niet zien kan, er is geen vlekje aan, je zou zoo zeggen dat 't marmer was, 't is precies een blom uit een spreukie."
Snel had de andere even naar hem opgezien en toen verlieten ze de kas.
--«Ik zal je den tuin uitbrengen, van D..." hernam de tuinbaas, «je kan geen hand voor oogen zien."
En stil gingen ze weêr achter het slingerende licht aan; op den pas schommelend ging het langs de dij van den hovenier, het merkte opnieuw de breede knieplooien om het gewricht van zijn been, of het lichtte op den bulterigen bobbel dien de sterke knieschijf gedrukt had midden in de broekspijp.
Ze sloegen links af een laantje in.
--«We gaan den kleinen moestuin langs," klonk de stem van den hovenier in den nacht sprekend.
--«Zou u je niet vasthouden," vroeg van D... aan den gast die op den tast af achter hem aansukkelde, met de onhandigheid van een stadsmensch die het groote duister niet kent, «je loopt anders het bosch nog in."--
--«Zeg dat wel," zei deze lachend terug. Hij deed met de hand een greep naar de jas van zijn voorman.
--«Geneer je niet, ga je gang maar."--
De baas hield de lantaarn even hoog op, om zijn gast de takken te laten zien die over het wegje groeiden.
In de schemering van dansende vlekken laf licht, voor zijn oogen uit, tegen de brandige vlamglansen die schuw flikkerden over dunne stammetjes, of dan weêr een warnet van takjes even begloeiden, zag hij de schimmige mannen gaan, achter het forsche stuk donker aan dat de rug des hoveniers uitstalde op het rosse schijnsel; 't was een rustige, vertrouwelijke rug, gemoedelijk gebogen, met een stevige welving boven de schouderbladen.
Ze kwamen in de groote laan.
Als in een donkeren tunnel schoof de lantaarn weêr voort met het spokige kruislicht op den grond. Het donker was koolzwart geworden, het drong tegen de geopende oogen aan, ze verbijsterend tot volslagen blindheid en de gast voelde zich of hij onder een dik gewelf liep. Maar aan het einde der laan zag hij even daarna, rustgevend, een geelrood lichtje pinken; als met een dofrood floers, als met een tooneeldecoratie eindigde de laan: 't was de petroleumlamp op den straatweg; het silhouetje van het buitenhek stond er donker tegen uit.
Ze liepen de laan af.
--«Nou wel bedankt, baas," zei van D... nog eens toen ze bij het hek gekomen waren.
Maar de hovenier ging meê tot op den straatweg.
--«We zullen van nacht nog geen regen krijgen," was zijn eenig antwoord; «de wind is te hoog."--
Om hen ruischte het door den nacht; waar zij stonden met de ruimte voor zich, was de stilte vol vreemde en innige geluiden; het jagen der onzichtbare wolken en het wiegelen der mollige boomkruinen scheen de lucht te vullen met een gewuif van onhoorbaarheid; maar soms als de nachtwind even aanrillen kwam en koud neêrsloeg in de laagte, dan zong er een zacht klotsend watergeluid in de ooren, de echo van een aangroeienden en weêr terugvallenden galm; een hoog, bolblazend gewaai vol vocht ging over de boomen en het land in.
--«Hoor de zee es aangaan," hernam de baas met de schouders schurkend.
In de lengte van den weg pinkten de oranje vlammetjes der petroleumlampen; op groote afstanden verkleinden ze achter elkaâr, verloren en verarmd in het donker; ziek glimmend en mager boorden zij zich door het zware floers van den nacht.
--«Maar 't zal er toch wel gauw van komen," vervolgde de hovenier zijn gedachten.
--«'t Zou tijd worden," meende de andere.
Ter zijde, tegenover den ingang der plaats waarvan het hek stevig stond in zijn twee hardsteenen stijlen, bescheen het straatlicht een brok van een ander hek, een raster van ruwe palen en lange, rottige planken; en daarachter in de vage en rosse onzekerheid, kwam de logge en gehoornde kop van een zwart koebeest dat goedig en lummelig opzag met zijn natte oogen. Het lag vreedzaam neêrgevleid op de wei, onafgebroken maaide zijn bek in de eentonige herkauwing, en verderop schoot het land tegen het duister in, 't werd tot een grenzeloos zwart vlak, dreigend saâmgeslagen met den hemel, één nacht die alles verslond en bedekte in zijn groote heerschappij. Soms kwam een enkel geluid uit die donkere diepte aanvaren, het rammelend ijzergeluid der kluisters van een grazend paard, het schuren van een koe langs een paal.
--«Hé wat is dáar?" zei de knecht die op en neêr dribbelde op zijn plaats, «je zou zeggen dat er brand was in den polder."
Noordwaarts, achter den rug der beide tuinieren om, wees hij op een langwerpigen gloedveeg die oplaaien kwam tegen de lucht; hij merkte onder zich den horizon met een weeke, gerimpelde lijn. Geheimzinnig scheen die glans daar te hangen, vast op zijn plaats; hij sloeg er een gat in de macht van den nacht; hij was als een groot St. Elmsvuur, een dwaallicht boven een poel, als een van zelven ontvlamde pestwalm boven een ontzettend lichaam dat in ontbinding is.
--«Wel nee," zei de hovenier geeuwend, «dat is Amsterdam, het licht van Amsterdam, begrijp-ie."
--«Hé," zei de knecht, «zou 't geen brand zijn? Kijk, nou is het sterker."
In de verte was het een oogenblik als verbreedde zich de lichtwolk, als kwam de glanzende nevel opvliegen tegen de lucht met een heir van glinsterende pijltjes, maar toen viel hij weêr terug tot zijn gloor van dwaallicht dat boven een poel zweeft, bleek lichtend in het duister.
--«Nou, nacht baas, groeten aan de vrouw, hoor."
--«Wel te rusten," zei van D..., ze allen een hand gevend.
--«Wel te rusten," zei ieder terug.
Links stapte het donkere figuurtje den straatweg af, en de andere twee gingen met den tuinbaas, achter de lantaren aan, de plaats weêr in.
II
Elf gesmoorde metaalslagen waren aan komen waaien uit den verren dorpstoren en nog altijd zat de gast van den hovenier in de tuinmanswoning te soezen onder de lamp; alles in huis sliep den stevigen slaap van den voornacht, na een dag tobben in de open lucht.
Hij zat te rooken, met het hoofd lui achterover tegen het tochtschot geleund. Een tijdje had hij zitten lezen, nu lag het boek weêr voór hem op den rand der tafel, en als na een lekker eten, vol rustig genot, was hij aan het dommelen geraakt, vaag kijkend voor zich uit. De nacht rondom was gedrukt, zwijgend van een zware stilte; er hing een plechtigheid om de tuinmanswoning als was zij een altaar in een hooge en stille kathedraal.
Als alle avonden, na den goedennachtwensch, en de vermaning die er gewoonlijk bijkwam van goed op het licht te passen, was hij om tien uur alleen achtergebleven met de zwarte huiskat, ineengerold naast zich op den stoel. Het beest lag te slapen met den kop tusschen de pooten, weggedoken in zijn zachte huid.
Vermoeid van het lange staren in de lampvlam, had hij al gauw zijn oogen gesloten, en zoo bleef hij stil zitten, wippend met de voeten; en in zijn hoofd droomden de gedachten, kalm en gelijkmatig kwamen ze op de eentonige maat van den tiktak der klok.
Stoorloos, stoorloos was de nacht. Hij voelde de loomheid er van dringen in zijn spieren, zijn leden van krachteloosheid bevangen; maar warm wolkte de tabaksrook om zijn hoofd en in de narcotische prikkeling die hij opsnoof door de neusgaten, leefde zijn verbeelden heviger.
Zoo bleef hij onbeweeglijk, in het heerlijke gevoel van alleen zijn, in de lekkere verdooving van zijn lichaam, onder het genot van de machinale werking zijner hersens, die de indrukken verteerden, natuurlijk, evenals een maag de ingenomen spijs.
Want hij wist het eigenlijk zelf niet waaraan hij dacht. De geleefde dag met zijn wonderlijk volzijn van indrukken spookte wel na in zijn hoofd, maar nooit kwam een indruk bij hem terug die niet andere opriep; als schimmen waren ze dan nu ook weêr komen dolen, sommige al zoo lang geleden geleefd.
Daar waren donkere herinneringen uit zijn kindsheid, ze waren uitgesleten en vaag, als spiegelbeelden op den achterwand van een verweerd foelieglas. Wat een vreemde jeugd had hij gehad en wat lag zij ver achter hem, die grootgrijze eentonigheid!
De kat was opgestaan. De stoel die op ongelijke pooten waggelde, klopte op den grond. Dat deed hem opzien. Met een hoogen rug stond de zwarte kater te rekken, hij schudde rillend met den kop en zag hem toen aan met de groene phosphorische oogen die klein werden tegen het licht.
--«Kom maar hier, poes," zei de jonge man zacht op zijn knie kloppend.
Voorzichtig naderde het beest zijn knieën, stapte over, ging sluipend en kopjes gevend onder de hand door, draaide een paar maal rond om zich zelve in eene matte flikkering van zijn glanzend haar en plooide zich toen neêr op zijn nieuwe ligplaats, met den staart voorzichtig om zich gekruld.
De gast was weêr in zijn luiheid teruggezonken, werktuigelijk streelde zijn hand het gladde vel van den kater wiens tevreden spinnen weekweelderig naar hem opsteeg.