Chapter 7
In het nauwe paadje tusschen de opstelling van planten liep hij dóor naar het einde der kas, suffende als een die leeft in het diepst van zijn gedachten en geen oog heeft voor wat óm hem is. Hij ging tusschen de groene met kleurige hoogingen beplekte rijen; langs bloeiende bolbegonia's met hun diklubbige roode tressen; langs violette en witte gloxinia's, wier bekerbloemen gelijken op een drinkglas; langs jufferachtige fuchsia's, wier ijdel schudden aan hun langen steel hem even deed opzien. Hij ging langs bleeke hortensia's wier bloesems saâmscholen als bloemen in een tuil; langs bonte geraniums, vol met schelle bloemen, een gebrokkeld rood, dat nog klaterde in het doeze licht van den avond; langs zonalen met bont gekarteld blad, zoo gezocht voor het aanleggen van mozaïekperken, langs bloemlooze coleus wier bladeren pronken met de kleuren van verwelkt najaarsloof. 't Was een rommeltje van planten en bloemen waar hij langs ging, met een ruischen van bladen achter zich, een overschot dat niet puik genoeg was voor de serre, sierplanten die geen plaats hadden kunnen vinden in het heerenhuis. Aan het einde gekomen bleef hij een oogenblik staan voor de opstelling van kleurige bladbegonia's, die met een piramide oprees tegen den korten wand, als een driehoek van groote hartvormige bladen die blank voor elkaâr plekten en elkaâr verdrongen. In het waterige licht dat van boven viel, glimmerde het dons dat op de bladen van sommige soorten groeit, bevlokte den stapel van stijfheid als met een luchtig, levend schuim, waartusschen de zachte bontheid der kleuren speelziek lag, als het spel van licht dat gebroken wordt in het schuim van zeepwater, of weêrkaatst van parelmoer. Maar middenin, door een behaagziek geplooi van den hovenier, uit het hart der zilverige verzameling, kwamen storend de hardgroene bladen van een zeeui. In breeden val daalden de grasachtige slierten neêr als een breed krinkelend wier, in hun saâmpakking gelijkend aan lange vallende baardharen, aan den kronkelenden vlokkenstroom die afdaalt van de steenen aangezichten van Neptuun en zijn Tritonen, door beeldhouwers der late renaissance gehouwen in marmer tot bekroning van een fontein.
En de geuren van de cactus zwermden rondom, de kleinste hoekjes doordringend, en de gast van den hovenier scheen zijn droomerigheid vergeten te hebben. In het ruimtetje voor de stelling drentelde hij op en neêr, de bladeren betastend, de roode, harige stelen bekijkend, zich verwonderend over die weelde van kleinigheidjes, over dien rijkdom van nietsjes. En toen hij eindelijk wegging, neuriede hij binnensmonds, luchtig geworden naar het scheen en los van zware gedachten, de hersens gevuld met onbestemdheid, met een gewaarwording licht als een roes die komt, met een prikkelend gevoel van zorgeloosheid dat hem drong de armen voor zich uit te zwaaien in de ruimte.
Bij de cactus teruggekomen bleef hij weêr staan, opnieuw bezeten door de pracht der bloemen. Hij boog zich even er boven, snoof den geur diep op, herhaalde voor zich zelven: «'t is een vreemde bloem," en verliet de kas.
Rondom dreinde alles na lange droogte. Het onderschepte licht, een hoog gaasachtig wolkenlicht, zeeg zwaarmoedig neêr op den tuin, op boomen en struiken, lichtte op het laagste loof dat slap hing, overdekt met stuifsel, grijs stof.
Rustig wandelde hij door. In zijn hoofd was een zonderling mengsel van opwinding en onverschillige kalmte, een gedachtenlooze volheid van gedachten.
--«'t Blijft maar droog, menheer," klonk door de stilte de luide stem van een werkman, die bezig was met harken in de buitenplaatsachtige laantjes, «alles hangt."--
Hij bleef met de handen aan den steel der hark staan leunen, begeerig naar een praatje, maar de aangesprokene ging verder en zei verstrooid:
--«Zoo."
Instinktmatig bleef hij doorloopen tusschen het lage kweekhout. Onder zijn voeten stoof het padzand op, een rullige aarde, rossig geworden door het stoven van de zon.
En de groote voorname stilte die heerschte, zette zijn geest aan 't werken. Hij moest terugdenken aan het drukke leven in de hoofdstad waar hij woonde, onbewust en half soezend drongen de herinneringen van dat groote woelen zich aan hem op. Hij hoorde in zich dat gegrom terug van een bevolking, dat machinegeluid van een groote stad, dat geroezemoes van een bezige menschenmenigte. En zooals daaruit zich enkele geluiden losmaken en opdringen, kwamen bijzonderheden terug in zijn herinnering. Hij hoorde weêr de stemmen uit zijn omgeving, de gesprekken waarin ieder sprak voor zich zelven: de luide woorden der opgewondenheid en der eerzucht, de hooghartige taal der kracht, de stille gezegden van den twijfel en van de vrees, het drukke hortende spreken van de afgunst en van den nijd, waarmede ieder vertelde van zijn eigen vol leven. Hij zag zich weêr terug op zijn eenzame zwerftochten door de wijde stad, bij het naakte licht van den werkvollen dag, in het geheimzinnige licht dat de nachten daar hel maakt. O die stad, die nachten, die nachten in de stad, dat roezige jachten naar verguld genot, onder het vergulde gas, onder een taal van vlammen, gespleten tongen van vuur die het duister bespraken. Dat vlammengetingel boven de straten; die lichten zooals zij zich saâmrijen tot lijnen lichts, om weg te ijlen en te vervlieden in de oneindigheid van den nacht, tusschen de vage kolossen der huizen dommelend in het rossige duister; die slingers van glans boven de grachten, die andere rijen oproepen van stil wiegend vuur in het peilloos donkere water; dat gestraal boven pleinen en wijde gezichten; die heksendansen van lichtjes, gloeiende hiëroglyfen-reeksen, teekenen en wonderen van vuur, afschijnsels, stralende projecties der stad op de ruimte geteekend. O, die vergulde nevels wolkend boven een leven dat zich zelve ontbindt, o, die goudmist hangend boven het ronfelen van een slapende bevolking.
En al wandelend, daagden de herinneringen en gezichten in zijn hoofd op. De een kwam en verdrong de ander. Beelden gehaald van ver, uit verre jaren en uit verre streken. En nu geheel innerlijk levende, dwaalde hij door de laantjes, opgaande in zich zelven, genietend van zijn half slapende bewustheid; maar telkens weêr als tegen een achtergrond vol gedempt gewarrel, doemde in zijn geest de laatste indruk naar voren, het frissche beeld der pas verlaten bloemen, de beide kelken in wijde kransen van witte bladen, met hunne bijna ziekelijke schoonheid.
--«Wil je wel gelooven dat alles te vroeg rijp wordt, klein blijft, dat alles snakt naar water;" zoo stoorde hem plotseling de stem van den tuinbaas. Hij kwam uit den moestuin en het witte schort puilde voor zijn buik, volgepropt met pasgeplukte jonge erwten.
Hij was stil blijven staan en met de behoefte van iemand die zijn nood klagen wil, herhaalde hij: «'t blijft maar droog, 't blijft maar droog."--
--«Misschien krijgen we van nacht regen," zei zijn gast om wat terug te zeggen.
--«'t Mocht wat," antwoordde hij naar boven ziende, «ja, als de wind leggen ging in de hoogte; morgen is de lucht weêr schoon."
--«'t Zal er toch wel van komen," zei de andere.
--«Nou ja"... en hij ging weg met zijn stille stappen.
Ook de andere ging verder. De herhaalde klacht van dien rustigen man had zijn droomerijen verjaagd, zijn zien terug geleid naar wat 't dichtst bij was. Hij begon te letten op de scheuren in den grond, op de bersten van droogte; hij zag het gras langs het pad verschroeid tot hooi, de bladeren vuil van stof, saâmgeschrompeld van armoede; uit alles sprak het smachten naar lafenis; het steeg op uit den grond, het zeeg neêr van de boomen, en langzaam kwam het tot hem als een groot verlangen waarin kleine verlangens vergaan.
En rondom werd het licht dompiger, want de avond kwam vroeg, als de voorspeller van een stik-donkeren nacht; de wolken waren saâmgesmolten tot een ruimte van grauw, één groote kleurlooze oneindigheid, waar de schorre schreeuw van een hoogvliegenden reiger doorheengalmen kwam en zich verloor, de verre hooge schreeuw van een onzichtbaren vogel.
Onwillekeurig was hij den moestuin ingegaan, langs voorbij de schuur, langs tusschen de kistingen met broeiramen, voorbij de hier en ginder nog bloeiende aardbeziënbedden. Hij was haastig beginnen te loopen als iemand die verteerd wordt door onrust, die behoefte heeft zich snel te verplaatsen. In het hart van den tuin gekomen, daar waar de rijen van groenten elkaâr opvolgden, waar de jonge sla-, andijvie- en koolplanten hun kroppen begonnen te zetten en rijen van peulvruchten zich omhoog worstelden langs de als heggen aaneengesloten reeksen van dor rijshout, kwam weêr de stem van een werkman, die het onkruid wegwiedend met de hand, op de knieën voortkroop tusschen de rijen van licht groen gewas.
--«'t Blijft schrikkelijk droog, menheer," zei hij even opziend van den grond; «de regen verdraait het te kommen; geen een krop zal goed zetten, ik kan nog niks opbinden, niks."--Hij schoof voort en betastte, zoekend naar rijpe kroppen, de planten een voor een, al zuchtend en klagend.
Daar was zij weêr die klacht die aankwam met onwillige berusting, koppig, vol met verzwegen verzet; en waarom kwamen al die dingen vallen in zijn ziel, hardnekkig als een dreinige motregen. Uit de stad, uit een woelig leven, waar ieder vocht voor zich zelven, waar ieder in den strijd om zelf staande te blijven, een ander poogde onschadelijk te maken voor het gevecht, uit die moe makende gisting, uit die kleine, vervelende en verwarde wereld, was hij hier gekomen met een krachtige behoefte aan eenzaamheid en rust; en langzaam aan was hij kalm geworden in die groote vegetatie, waar alles scheen vanzelve te groeien zonder het maken van geruisch. En de dagen waren voorbij gegaan in stillen gang en hij had geleefd als allen waarbij hij leefde; met geregeld werk had de eene dag den anderen gehaald. Hij was gewend geworden aan de aristocratische stilte van het buitengoed, waar bijna niets leven maakte dan het schot van den jager in de verte of het getrappel der dikke friesche paarden op de steenen plaats voor het koetshuis. Hij was thuis geraakt in dat groene wereldje achter rasters, waar een mollige rust hing van voornaamheid en zelfgenoegzaamheid. Hij kende er nu alles, de uitgestrekte velden met aangeplant kweekhout, den moestuin met zijn lange rijen peulvruchten voor den winter, met zijn klein ooft, met zijn kersenboomgaarden onder een stelling van gevlochten draad tegen de vraatzucht der vogels; en den anderen moestuin, met zijn reeksen broeiramen op perzik- en druivenkassen, en op de platte bakken die zoo blauw glanzen konden onder het hooge hemelblauw en wier kistingen wegkropen onder éen mozaïek van bloemen, onder een weelderig zaaisel van wilde phloxen, rood en wit en violet, en zacht gestreepte anjelieren en fijn roode steenasters, die hij in de buurten van Napels had zien uitgroeien tusschen de scheuren der oude muren. Hij had zich bijna gehecht aan dien tuin, hij vond het prettig de zware ramen op te tillen en te kijken naar het zwellen der meloenen, of in een anderen bak met de hand streelend te gaan langs het jonge groen van postelein, dat met éen dag en nacht boven den grond komt groeien. Maar bovenal hield hij er van daar die rustige gestalte van den hovenier te zien rondgaan met zijn witte schort voor, stil en in zichzelven, vol van liefde voor zijn jong en groen goed, in onafgebroken zorg voor de middagmalen van zijn meesters. En verderop kende hij er den langen vijver die nu bijna geheel droog lag, met zijn eilandje en een huisje met een heremiet; hij kende er de boomen bijna één voor één, de zorgvuldig onderhouden olmen en beuken en linden, waarachter hij soms de silhouetten zag verdwijnen der hooggeboren eigenaars in de kromming van een laan. Ze wandelden deftig en voornaam en het scheen hem dan als gingen zij rond, vreemdelingen gelijk door hun eigen goed.
Maar nu was dat gevoel weg. Het wroetende gevoel der stad was teruggekomen, heftig en in-eens; en die klachten, dat mokken tegen een doof stuk natuur, was het eigenlijk niet hetzelfde, als al dat andere klagen, dat mokken dat oprees uit het woelige hart, uit de ziel der stad? Ja, wel was het óveral hetzelfde, dat begon overeind te staan als eene overtuiging; overal en in alles een noodlottige massa die heerscht en drukt, overal een verpletterend overwicht dat machtig is door zijn noodzakelijke domme kracht, overal en in alles...
Hij had altijd maar doorgeloopen machinaal de rondte door den tuin gedaan, en langzaam aan begonnen de dingen weêr geheel te vallen in zijn oogen. Hij liep in den boomgaard, onder het loof van oude knoestige appelboomen om wier stammen ruigten woekerden van grijsharig mos en hij schopte met zijn voeten de afgevallen vruchtjes langs het zand, gele schrompelige vruchtjes, gekleurd met het slappe hooge geel der verdorring.
... Ja, opklimmen moest men leeren langs de smartelijke treden der bijzonderheden naar het eigen groot begrip.....
't Was nu bijna donker geworden toen hij weêr tusschen de rijen der kistingen liep. Het grauw van den komenden nacht vulde den geheelen tuin. De bonte bloemen lagen verzonken op den grond, gedoofd tot een saâmgeloopen kluwen van kleuren, waaruit het hoogste rood en het blankste wit der wilde phloxen uitspringen bleef, klankrijk nog in het donker.
--«Jan, zou je voor je weggaat, daar niet nog wat gieten?" hoorde hij den tuinbaas zeggen, «we zullen van nacht nog geen regen krijgen."
--«Ja, baas."--
--«Zoo, ben je daar?" zei hij tot zijn gast die hem te gemoet loopen kwam.--De knecht was bezig gieters met water te vullen aan het houten pompje naast de schuur. Met hun beiden bleven ze staan kijken naar het water dat met dikke gulpen kwam, opgezogen uit den grond onder de krachtige slingerslagen; zwijgend pompte de knecht door; klaterend viel de stroom water in het leêge metaal; borrelend met een dik opzingend watergeluid liep de gieter vol om dan over te loopen met het gebruis van een zwaren regen.
--«Help me onthouden dat we van avond de nachtcactus nog eens gaan zien," zei de hovenier ineens.--
Daar klonk een bellend gelui uit de schemering, harde klepklanken met een verweerd klokgeluid, en van voren en van achteren kwamen er klokgeluidjes luien door de lucht, dichtbij, ver en verderop. 't Was de klok van zeven uur, het sein dat de werkdag gesloten was; en buitenplaatsen en hoeven in den omtrek hadden het luien overgenomen, joegen de kleptonen uit hun daken.
--«Wel te rusten, baas," zei de knecht die met den laatsten gieter wegging.
--«Wel te rusten, Jan," zei de baas weêrom.
Hij ging met zijn gast terug naar de tuinmanswoning. Met een goeien-avond ging hun een werkman voorbij die zijn jas loopende aantrok, wat verder nog een... en achter hem verdween de tuin, hoe langer hoe meer verslonden door den dikker en dikker wordenden nacht.
* * * * *
Het avondbrood was al een poosje gegeten; het omgewasschen koffiegoed, kopjes en schoteltjes, stonden weêr netjes gerangschikt en in elkaâr gestapeld op een tafeltje, op hun vaste plaats in een donkeren hoek van de kamer. 't Was een klein vertrek dat overal glom van een gewreven en gepoetste netheid, tegelijk keuken en huiskamer. Een tochtschot geelwit geverfd als de geheele kamer, glimmend met overlangsche lichten tusschen een tal van fotografische portretjes in zwarte, gladde lijstjes en ruitjes, waarmede het volbehangen was, sneed van het vertrek een stuk af en maakte van dat gedeelte bij de ramen een soort van lade, waar de tafel en de stoelen net konden worden ingeschoven.
Onder het licht van de hanglamp zaten daar nu de baas, zijn vrouw en de tuinknecht, welke laatste kost en inwoning bij het paar genoot. Allen waren verdiept in het lezen van het zoo pas aangekomen Nieuws. De baas zat in zijn hoekje tegen het venster aan, in zijn grooten rieten leunstoel. Hij had het eerste blad opengevouwen op de tafel en lag nu voorover met de blauw geboezeroende armen, de ellebogen wijduit, er boven op. Zoo nam hij bijna de geheele tafel in beslag; zijn forsch hoofd aan weêrskanten aan de slapen begroeid met krullend haar, kwam naar voren met een sterk glimlicht op den kalen schedel. Hij vatte het meeste licht van de lamp, glimmend boven de glimmende stukken van het tafelblad dat onder de krant en zijn lichaam vandaan kwam, een groen wasdoek in bruin gepolitoerde omlijsting, glimmend in het overal tot in het donker toe glimmende vertrek. Hij las aandachtig regel voor regel. Naast hem, een weinig naar achter, zat de tuinmansvrouw, een kleine zachte verschijning, meer een stadsjuffrouw dan een buitenmensch, afstekend tegen haar grooten man. Zij had hem den rug toegedraaid en liet het licht vallen op het tweede nummer, dat ze met uitgestoken armen vóor zich hield. Tegen het donkere gat van den schoorsteen, waar een gepoetst en gepotlood fornuis in wegkroop, teekende zich het profiel van haar hoofd, een bewegelijk, zenuwachtig gezicht, onder het weggestreken en gescheiden haar dat wegdoesde om de molligheid van haar vleesch in het vage en rosse lamplicht. Een groote zilveren bril stond op haar neus; met kleine wendingen van het hoofd las ze de krant, ongeregeld zoekend naar wat haar het beste beviel. De knecht die nog niet lang in dienst was, zat over haar, stijf rechtop als iemand die nog niet geheel thuis is. Hij las in het derde nummer, dat hij laag onder zijn oogen hield, bijna op de knieën. Naast hem zat de gast met den rug lui tegen het houten tochtschot geleund; een opgeslagen boek lag voor hem op den rand van de tafel en aan de korte kanten waren nog twee stoelen leeg, stijf met hun met was gewreven sportige leuningen. Er was een gezellige stilte in het vertrekje, de gulzige stilte van menschen die letters verslinden. De kruiige geur van de alle avonden versch gemalen koffie walmde nog in den lekkeren dampkring van stoomend water. De ketel zeurde zijn kringgezangetje op het fornuis, het klokje onder het kooitje van den kanarievogel tikte zacht met kleine haaltjes van den slinger, als de geregelde ademhaling van het kamertje. In de roedjes voor het raam bonsde een bromvlieg tegen de ruiten, vloog dan op tegen het glas in een trillende gonzing, met een ontwikkeling van kleine droomerige geluidjes, met een mystiek gescharrel van gazen vleugeltjes, een onwerkelijke hoorbaarheid, komend als herinneringen die komen van heel vèr. En af en toe kwam het ritselen van een verschoven krant, het kreuken van een omgeslagen blad.
Zoo was de kamer een poosje stil en glanzend genotrijk om de lamp, vol met kleine tevreden geluidjes.
Toen kwam de baas op, leunde met den rug breed en behagelijk in zijn stoel, nam den bril van zijn neus en zei geeuwend:
--«Hè, dat 's er één!"
--«Staat er wat in?" vroeg zijn vrouw die haastig de kranten wisselde.
--«Nou....." een versche hoeveelheid tabak stopte zijn mond dicht, hij klapte de koperen tabaksdoos toe, likte de bruine reepjes die over zijn onderlip krulden naar binnen en ging toen bedaard al kauwend voort: «nou, Dominé K. heeft het beroep naar Noord-Scharwou toch aangenomen."
--«Hè, dat 's gek," zei 't vrouwtje, «en voor een poos was het dat-ie bleef."
--«Mag een mensch dan niet veranderen, wat zegt u?" vroeg hij zich tot zijn gast keerend.
--«Zeker," zei die.
--«Nou, 'k vind het mal, hoor."
--«Hoor es, vrouw," begon de baas weêr en er volgde een uitweiding.
De gast zat te schommelen op zijn stoel; van achter en rondom de lamp kwam het praten der echtelieden tot hem; af en toe mengde er zich de stem van den knecht in, die onbekend met de gelegenheid, vragen kwam om verklaring. Het vreemde geluid der stem deed zijn buurman soms even opzien. Hij zag den knecht dan voor zich zitten, onnoozel en toch slim, kaarsrecht op zijn stoel met de krant op zijn knieën. Tegen den donkeren achterwand, waar een glazen kast kleurde in het donker met platte, doffe spiegelingen in de ruiten, zag hij den kop vóor zich. 't Was een beenige, oude-man-achtige kop, droog, hard overal, met rechte, dun saâmgeknepen lippen, met een rechten, driehoekigen neus, met rechte, dunharige wenkbrauwen, waaronder de grijze oogen naar achter gingen, vol slimheid wegkropen in de diepten boven het jukbeen; de ooren waren klein en hooggeplaatst; de slaapkuil er boven was hol en diep gemerkt tegen de slaaplijn en het voorhoofd bultte sterk op en naar voren als de sterk ontwikkelde voorhoofdknobbels bij sommige idioten; met een snellen zwaai werd de schedel vervolgens plat en verdween onder het korte, gele haar. Maar het praten ging voort en de gast vervolgde zijn luiheid, al luisterend naar de dompige stemmen. En wel een half uur lang was het kamertje vol met het gehaspel over kerkeraden en dominees-traktementen. De baas die zelf ouderling was in zijn gemeente, ontwikkelde zijn kennis, vertelde van zijn lange ondervinding, zijn begrippen over de gevallen en twisten, die, naar hij zeide, de kerk verscheurden. En uit al zijn kalme redeneering kwam de lijdzaamheid van zijn stevige, groote natuur, de vasthoudendheid van een werker in een afgesloten ruimte, samen met de uitgeslapen gevatheid van een buitenman. Nooit was hij verlegen iets te verklaren. Hij haalde de bewijzen voor zijn meeningen overal vandaan, maar 't liefst uit zijn omgeving, uit zijn vak, uit zijn dienstbaarheid, tusschen zijn bloemen vandaan, uit zijn ooft, uit zijn grond. Zoo liet hij zijn godsdienst zijn vak dienen en omgekeerd zijn vak zijn godsdienst. Hij kende de kerkwetten op zijn duimpje; bij het aanvaarden van zijn bediening had hij een geheelen winter lang de synodale wet bestudeerd, voorover op het boek met den vinger de regels volgend, de woorden spellend; wijze spreuken en spreekwoorden kende hij bij de vleet en ook had hij een groot geheugen voor grappige geschiedenissen. Hij wist zijn gesprekken te kruiden; hij plaagde ondeugend tusschen het vertellen door zijn vrouw met allerlei vieze verhaaltjes, breed lachend, knipoogend tegen den knecht, die evenals hij gewend aan mest, daarin geen kwaad zag. En zoo kon hij uren soms doorpraten, langzaam en kalm de avonden dood slaan. Liep zijn redeneering spaak, dan vulde hij de gapingen in zijn gedachtengang met zijn eenvoudig: «begrijp-ie" en ging ongestoord verder. En vol bewondering en liefde zat hem zijn vrouw zoo aan te kijken, al vond zij hem wel eens wat lang van stof. Maar van avond was hij kort en in zich zelven gebleven en na een oogenblik uitklappens weêr voorover gevallen op de krant. De droogte, het lange wegblijven van den regen, gaf hem het hoofd vol muizenissen, meende zijn vrouw.
En 't was weêr stil in de kamer, allen lazen de lange rubrieken met nieuwtjes. Na een poosje was de gast opnieuw met het hoofd tegen het schot komen leunen. Wat was het groot stil rondom buiten; alle avonden drong die gewaarwording zich op, wanneer in den late de nachtwind hoorbaar sluipen kwam langs het tuinhuis en om de boomen henen. Dat kwam telkens terug; maar alle avonden ook kwam voor hem dat geregelde nieuwtjespapier die prachtige rust storen, met het gevoel dat een duf riekende kelderlucht brengt die waaien komt in een frisschen dampkring. 't Was maar een oogenblikkelijk gevoel, dat spoedig wegstierf zoodra alles in huis sliep en de stilte voortging te suizen boven den onzichtbaren tuin die voortgroeide in de heerlijkheid van den nacht. Doch van avond waren de gesprekken die de nieuwtjes volgden dubbel vervelend, de lucht der versche drukinkt die opvloog uit de nog vochtige bladen, onuitstaanbaar leelijk; 't was als een verouderde ademtocht uit de hijgende longen der stad, een versufte echo uit een woelig en haastig leven..... En morgen en overmorgen, zou hij terugkomen die kwalijkriekende walm, uitgeblazen door de stad naar vier hoeken over de provincies; onafgebroken zou die zwerm van gedrukte verstrooiing voortgaan de hersenen te beroeren van duizenden met zoo een zondvloed van geestelooze overtolligheidjes.
De baas kwam weêr op.
--«Mag ik er even door, vrouw?" vroeg hij, «ik wou naar buiten."