Chapter 6
De _corrida_ liep snel naar haar einde. De schaduw had zich bijna geheel meester gemaakt van de arena en lag nu blank over menschen en muren, in het klare halfdonker van weggaand licht, van een laat uur; alleen boven aan de galerijen in de zonzijde gloeide het nog tegen den muur als een halve-maanvormige lap licht, met ingehouden kracht, een somber rood licht dat de menschen overvloeide met vlammen van kleur en de roode beenen der daar zittende soldaten stil glanzen deed, donker als versch geronnen bloed. En een damp van stof die men ruiken kon, hing drukkend en droog tusschen de heete rijen, waar een onwillig geruisch uitgolfde van kwade geluiden. Want de voorstelling was niet schitterend genoeg geweest. Mazzantini niet meer dan gewoon, had woeste buien en scheldwoorden en vloeken veroordeelend hooren neêrdalen boven zijn elegante misslagen; afval van eetwaar en oranje-schillen waren neêrgesmeten door toornige handen voor de voeten van den fraaien man. Een ander maal waren de stieren verwenscht, de impressario en de onbewegelijk lachende president uitgescholden en gedreigd met vuur en doodslag, terwijl wat verderop, menschen luidkeels riepen om verondersteld bedrog of de toegangsgelden hadden teruggeëischt met verbolgen gebaren. En dan weêr was de stemming der menigte omgeslagen als het humeur van een stout kind en men had gelachen en gejubeld om een gered of snel vermoord paard, bij een handig opgezette banderilla, bij een sierlijken zwaai met de capas. Maar vluchtig en weinig waren die vleugjes van opwinding geweest en dan was teleurstelling en moedeloosheid neêr komen vallen in de heete Plaza zooals een aschregen terugvalt in den smeulenden krater die hem uitwierp; maar toen Cara-Ancha den vijfden stier tot driemaal toe had gemist, toen hadden heele troepen, moe gegild en gefloten, onwillig zich afgewend van het schouwspel, om vermaak en twist te zoeken onder elkander. Men zag niet langer naar de pronkerige spelers beneden, men hield als beleedigd den rug gekeerd naar het beest, dat zijn gemarteld en leêggebloed lijf waggelend rondsleepte langs de roode schutting, en zóó hadden de minuten zich aaneengeregen, en zóó had de laatste stier, een zwart beest, de laatste paarden ontredderd of vermoord.
Weêr wendde en sprong Frascuelo voorbij de hoornen; hij had de taak, het dooden van den zesden stier moeten overnemen van Cara-Ancha, die licht gewond aan de rechterhand, gedwongen was geworden zich terug te trekken onder de luide verwijten der menschen, waarvan enkele schreeuwden dat hij vrees had.
--«Ahora! ahora!" gilde het opnieuw uit de monden der aficionados[48], maar tot tweemaal toe gleed de degen tusschen de schouders van den stier, tot tweemaal was Frascuelo genoodzaakt zijn wapen terug te halen uit den bloedenden nek.
[48] Liefhebbers.
Toen was de opwinding voor goed geweken, met het licht, met den dag; en terwijl de torero beneden den stier naliep, met een norsch, kwaad gezicht, wijdbeens stappend als een boer die gewend is te trappen tusschen voren en omgewoelde aarde, woelde het in de arena onder de ringen van menschen, die zich klaar begonnen te maken tot vertrekken. Een geritsel van rokken die glad gestreken worden, een geschuifel van menschen die frutselen aan hunne kleeding, dassen, linten verstrikken, of handschoenen aandoen, suisde rondom, terwijl hier en daar nog een scheldwoord jouwend in de hoogte ging, of een oranjeschil smadelijk geworpen, viel voor de voeten van den espada.
--«Yo digo Usted! 'sta muerto!"[49] schreeuwde de boer die tot het laatste toe hoopte zijn geliefde espada te zien winnen; «'sta muerto!" riep hij bij den derden stoot tot zijn buurman, die verdiept in het vastmaken zijner handschoenen, peuterde aan de knoopjes.
[49] Ik zeg Uwe Edelheid, hij is dood.
--«Ho, ho!" lachte deze, even opziende.
--«'Sta muerto, 'sta muerto!" klonk heesch en gedempt nu ook de stem van Frascuelo, uit de laagte opkomend, zijn gelaat, een aangezicht vol toorn, gekeerd naar de menschenringen.
Voor hem uit langs de schutting ging de stier, zijn weg merkend met de gulpen van bloed die hij al slokkend braakte uit de keel. Het vermiljoen-roode gevest van den degen stak hem uit den nek, als een hard en koud punt rood springend uit de zware tonen van bister, karmozijn en blank blauw: uit den donkeren, bloederigen plas die glimmerde op zijn glanzend zwarte huid en langs den bast hem droop met dikke trage stralen. Aan zijn flanken hingen en bungelden de drie paren banderillas, koddig met hun feestelijken smuk van geknipt, veelkleurig papier, lachwekkend als de tooisels van een clown die zich doodgesprongen heeft, bezoedeld en bemorst met bloed. Achter zijn wankelen loop kwamen de toreros allen aansukkelen met opgeblazen gezichten, rood van warmte en inspanning, verlegen wachtend tot het beest het laatste van zijn taaie levenskracht zou hebben voelen wegvloeien met het leêgloopen van zijn aderen. In de gang achter de verschansing verdrongen zich reeds de toeschouwers overgesprongen uit de eerste rijen, en als de stier hun voorbij ging in zijn loomen doodsstrijd, waggelend met het sterke lijf als dronken van de sterke geuren van zijn eigen wegvloeiend leven, strekten rijen van grijpende handen zich uit naar zijn ontzachtbre hoornen, of sjorden en trokken hem aan den machteloos neêrhangenden staart. Maar gevoelloos strompelde het beest voorbij, dof in den bloednevel om hem, stervend in de violette tonen van den vallenden avond. Hikkende, brakende, tuimelend over zijn pooten van achteren, zijn evenwicht herstellend met de voorpooten, waggelde hij voort, nu en dan nog even flauw stootend met den kop, wanneer een kwaadaardige hand rukte aan de geweêrhaakte banderillas, of er een poogde los te trekken en te stelen. Eindelijk hield hij stil voor de deur van den Toril, vleide zich daar neêr tegen de schutting, behoedzaam de pooten plooiend, zooals een koe zich neêrlaat in eene grazige wei tot rustig herkauwen.
Het ritselen en schuifelen werd almaar luider in de wijde arena, als schoven er slangen tusschen de ringen van opgestane menschen; en terwijl de toreros den stier nog hun kleurige lappen in de oogen zwaaiden, kwamen er golvingen en slingeringen in de zwarte drommen en bleeke gaten werden zichtbaar tusschen de gebroken en uit elkaâr vallende massa.
En langzaam, elkander opstuwend, begonnen de toeschouwers de Plaza te verlaten; onder een dof gebrom zakten ze in de kelderachtige trappen, zooals zwarte troebele stroomen zich ontlasten in donkere geulen.
Uit de zonzijde schetterde de muziek haar overwinningslied uit, klaterend in korte noten, terwijl de stier, afgemaakt door een _punterillero_, door een snellen prik in de hersens, plat lag in het zand, klein geworden in den dood, glibberig en onaanzienlijk. Lijken van doode witte paarden, rood besmoezeld, werden vastgesjord aan den spoorstok, voortgesleept achter de muildieren, onder het klappen der zweepen, om slingerend en rondzwaaiend te verdwijnen in den duisteren Toril.
Toen was in een oogwenk het strijdperk, dat bleek lag en glanzig als fosforesceerend door het uitstralende licht, opgezogen in den heeten dag, beplekt en bevolkt met hoopen van neêrgesprongen menschen. Ze krielden te zamen om den dooden bul, druk pratend boven zijn lijk, hun woorden begeleidend met uitleggende gebaren; tientallen van handen gleden gretig tastend over zijn schoft en flanken, begeerig, gelukkig het doode monster te kunnen aanraken en benaderen in zijne levenloosheid, terwijl enkelen trokken aan de hoornen, zóo den zwaren kop tilden van den grond, als beproefden zij zijn geweldige kracht, of voelden en knepen in zijn nek en vleezige deelen, als koopers doen bij het betasten van slachtvee; weêr anderen hadden de banderillas losgerukt en voerden die met zich naar buiten, de lange, pluimige stokken wegmoffelend achter hun rug.
Gonzend ontlastte zich de Plaza, nu geheel in bezit genomen en gevuld door de groote schaduw. De stier verdween in een stofwolk door de poort van den Toril, de laatste menschen gingen de uitgangen te gemoet, en de Plaza lag weêr groot en alleen, weidsch met haar muren en ringen van banken, onbezield en stil als een uitgebrande krater. Alleen op den rand der galerijen in de zonzijde vlamde nog een zoom licht, als een vurige aureool daar stralend om de tinnen, zich uitzettend tot een lichtgordel met een kleur van bloed, gespannen om haar muren.
* * * * *
De boer had den circus verlaten en zocht zijn weg tusschen de rijen van rijtuigen, tusschen het gedrang der menschen. Hij ging op zij uit, de volte ontwijkend, en volgde toen een paadje door het braakliggend veld dat met een wijde kromming terugvoerde naar den bebouwden straatweg.
De geheele vlakte om de Plaza lag in een heet en stoffig waas onder het roode licht der avondzon. Rakelings scheerden de stralen van het lage licht langs den grond, steentjes en dorre magere grassprieten merkend door vurigen schijn, kuilen en gaten gevuld latend met een guur en paars duister. Dwalende voetgangers gingen hier en daar verspreid in de ruimte, en de nieuwe of in aanbouw zijnde huizen begonnen rondom op te rijzen, vergroot en vervreemd van voorkomen in het aarzelend licht, dat lange spookachtige schaduwen voor hun rompen uitstuurde in de onherbergzame vlakte.
En de boer slenterde door, ontevreden mokkend, de armen los bengelend langs het lijf, den rug gekeerd naar de Plaza. Aan zijn linkerhand, over den straatweg, schoof de falanks van naar huis keerende menschen, vaag in den stofnevel, die bezwangerd met den heeten adem der aarde, opgejaagd werd van den grond door de kloppende pooten der paarden, door de schuivende voeten der menschen. Ze schoven voort in het sombere roode licht, saâmgepakt tot kolonnes achter en tusschen de boompjes, gehuld in het stuivende pulver, dat rond hen vloog en dwarrelde als een vurig opstuivende asch uit een opgerakeld vuur. En uit de aaneengesloten reeksen gromde het machinegeruisch der rollende wagens, knalden de jagende slagen van zweepen; schreeuwen en bellen en fluiten van trams joelde er boven uit en dooreen, heel een gesmoord geweld van wilde geluiden steeg en hing boven de stoffige, bloederige kolonnes, rees en viel weêr terug, rommelend als een aftrekkende donder, grommend van uit de verte als het bange geraas van een geslagen leger in aftocht.
In de lange slingerende kromming volgde de boer het paadje, met de oogen op den eindeloozen trein van gestalten; en de zon zonk al lager achter den falanks, bezijden in de richting der stad. Op het hooge terrein achter de straat zag hij de dienstdoende politie, karabiniers, rechtop zitten op hun paarden, onbewegelijk als silhouetten van schildwachten die op post staan. Pralend stonden ze tegen den hemel, die mat glansde in een flauwen weêrschijn van smaragd, gestrookt door vale violette windstrepen, verflenst in den stoffigen dampkring. Rustig, als gegoten in brons zaten ze op hun paarden, de roode borst van hun uniform vooruit, machtig in het oog slaand bij de nadering, zwaar rood, als de bloedplassen op de schoften der stieren.
En de zon daalde achter den falanks, de windstrepen begonnen te vuren en te schitteren, oranje, rood en karmijn.
Aan den weg gekomen, trad de boer in het eerste kroegje, zocht een leêge tafel, zette zich loom, en bestelde een glas _aguardiente_. Toen wischte hij zich het gelaat met een grooten zakdoek en mompelde halfluid, tot zich zelven sprekend:
--«Es un barbaridad!"--[50]
[50] 't Is een schande.
Dicht aan hem ging nu de trein voorbij met zijn verbrokkelden nasleep. Van tijd tot tijd ratelde nog een enkel rijtuig, haastig doorschietend tusschen de boompjes onder het kloppend geklots der voortgejaagde paarden. In een ervan zag hij de drie _espadas_ zitten, recht in hun pronkerig theaterpak, voorbijvliegend tusschen de zwarte, dun wordende drommen van wandelaars, vluchtig als een plotseling visioen uit een vergane beschavingsperiode. Een oogenblik later weêr draafde een der _picadores_ voorbij, groteske ruiter, half soldaat, half landedelman, half een verschijning uit de dagen der roofridders, half een weggeloopen knecht uit een maskerade of paardenspel, met een gelaat waar het misbruik van sterken drank op te lezen was. En de boer volgde hem met de oogen, zooals hij hoog uitstekend, op en neêr dansen bleef boven de hoofden, met zijn breedgeranden en blauwbepluimden hoed, met den _chulo_[51] achter zich op het paard, die de armen geklemd hield tegen het afvallen, om het middel van zijn meester.
[51] _Chulo_ is een scheldnaam en beteekent eigenlijk geleerde aap.
Soezend zat de boer, de armen geleund op de tafel. Hij begon langzaam te geraken onder de genotgevende koelte van den komenden nacht; van tijd tot tijd slurpte hij even aan zijn glaasje, om dadelijk zijn onbewegelijkheid te hernemen al starend naar den grooten weg.
Het laatste zonlicht verdween van de aarde. De toppen der hoogste huizen glansden nog in den bloedigen schemer, terwijl het was alsof de vloer langzaam aan lichter en klaarder werd in een smartelijk waas van bleekblauw lila, met het sterven van het licht, met het verdwijnen van de schaduw.
En de laatste menschen gingen voorbij, sommigen met ontbloot hoofd, den hoed in de hand; venters rolden hun wagens met oranjeappelen terug naar de stad; het geratel van hun karren verliep in het doffe gerommel dat gromde in de verte; de vlakte begon stil achter te blijven, verlaten en eenzaam.
Toen riep de boer om den waard, betaalde, wikkelde zijn beurs weêr in zijn rooden gordel, en zag met de handen gedrukt op den rand der tafel, gereed tot opstaan, voor zich uit in de vlakte.
Voor hem rees alleen heerschend, midden staande in het veld, de donkere massa der Plaza. Groot en machtig in zijn eenvoudig stelsel van muren, plat als zonder rondingen, scheen het gevaarte geschoten en gewoekerd uit de aarde. Geweldig rezen de wanden omhoog in hunne lichteloosheid, den rooden weêrschijn nog dragend om de tinnen, zich opdringend in een woest en tergend violet dat duister vloekte tegen de lichtlooze lucht en tegen den vloer der aarde, die mat glansde alsof hij gedrenkt was van menschenzweet. Rechtop stond het met een machtig vertoon van opgesloten kracht, den robusten arbeid gelijkend van een cyclopentroep, als een barbaarsch bouwwerk opgetrokken door voortgezweepte slaven, een afschijnsel van een ander colosseum, het nog rookende silhouet van een antieke arena.
In de richting der stad gromde en stierf weg de zware adem der aftrekkende kolonne en de zon ging onder als gesmoord in bloed.
De boer was opgestaan, ledigde zijn glaasje tot den laatsten droppel en prevelde weggaande met den rug naar de vlakte, zijn mokkende frase van teleurstelling:--«Es una barbaridad, es una barbaridad."
De Nachtcactus.
DE NACHTCACTUS.
«Je mot es met me meegaan," zei de tuinbaas van het landgoed B.
Hij sprak zoo tot zijn gast, een jonkman die er uitzag als een stadsmensch met vakantie buiten.
--«Waar naar toe?" vroeg die.
--«Nou, ga maar meê," was het geheimzinnige antwoord.
't Was een stoere man, die tuinbaas, van wel zes voet. Hij liep met naar den grond gebogen hoofd naast zijn metgezel voort, bedaard stappende, ietwat schuiflend met de in leêren pantoffels gestoken voeten. Hij droeg een vest zonder mouwen dat vaal geworden was in weêr en wind, verschoten door de zon, boven een blauw boezeroen waarvan de mouwen met een breeden boord sloten om de polsen. Een wit boezelaar opgenomen aan een slip, was heengeslagen om de heupen en om zijn beenen fladderde een werkbroek van bombazijn, aan de knieën gelapt en bulterig uitgezakt door den langdurigen indruk der forsche knieschijf. Alles aan hem sprak van gezondheid en kracht, van goed-gevoed-zijn en buitenlucht. Zijn breed gelaat omzoomd met een grijzenden ringbaard, had het ronde, geboetseerde gekregen van een stil leven zonder beroerende passies, gesleten in een zwijgende omgeving, een leven van onderwerping en onderdanigheid, voorbijgegaan in dienst van zijn meesters.
Zwijgend ging hij naast den anderen voort in de oprijlaan van het landgoed, tusschen hoog opschietende olmen en beuken, en al wandelend gleed zijn hand langs het lage hout tusschen de stammen der boomen, nu een rot blad wegplukkend, dan een dood takje afbrekend, dat hij vervolgens nogmaals doorbrak, tusschen de vingers met een luid knapje.
--«'t Blijft maar droog," zei hij zonder opzien.
't Was een duistere dag geweest vol met beloften van regen. Boven de laan van boomen kon men de wolken voort zien jagen in de lucht, een driftigen warrel van voortgejaagde grijzen, waterige massaas van damp verbrokkeld en voortgestuwd door een hoogen wind.
--«Zeg," vroeg de jongste, «waar moet ik eigenlijk naar gaan kijken?"
--«Dat zal je wel zien," zei de hovenier leuk; om zijn grooten mond kwam even een stille vette lach en een glimp van loosheid schemerde in de opkijkende oogen.
--«Ga je meê, Gerrit," zei hij in het voorbijgaan tot den tuinknecht, die in den tuin waar de kas stond, neêrgehurkt was tusschen de bloembedden, «ga je meê, de nachtcactus bloeit vannacht!"
--«Ik kom baas," klonk het terug van den knecht die al kwam aanloopen.
--«Ze is nog niet heelendal open, zie je wel," begon de baas weêr, toen ze de kas waren binnen gegaan waaruit een dampige geur van bloemen hen tegenwaaide, «'t is nog te vroeg."
--«Nee nog niet heelemaal," zei de gast.
Hij was bij het binnenkomen dadelijk stil blijven staan bij de bloemen, de wenkbrauwen opgetrokken van bewondering voor de plant, die op de verhooging onder de ramen in de bladaarde stond.
Er waren twee bloemen aan de veeltakkige, stekelige cactus. De zorgvuldige hand van den hovenier had de lange, slangachtige geledingen gewrongen en geleid langs een stellinkje van in de aarde gestoken stokjes. Boven uit de stijve wrongen staken de bloemen, bij de inplanting aan den stam omwoeld met boomwol. Bleek en star praalden ze onder het gedempte licht der ramen, onevenredig groot voor het tenger gewas.
--«Je hebt ze in 't geel ook," vertelde de baas.
Uit een rijken, wijd omkrullende krans van fijn gepunte schutbladen, scherp gesneden sektoren van een cirkel, uit een kring van witte stralen regelmatig als de windroos van een kompas, als een kille versteening, kwam de zuivere bloemkelk met nog ingevouwen blad; en van hetzelfde weeke wit als hun schutsel, schenen ze gebootst in een onvaste stof, geworden uit een ijle zelfstandigheid die het licht opzoog, om het dan weêr terug te stralen bevender en onstoffelijker; zij praalden zóo als in hun eigen licht, blank als het licht van de maan is in een nacht in het oosten, blank als de korte, krullende schuimrand van de blauwe zee. Tusschen de bladen dóor zag men in het hart van de bloem, als in een kelk van albast; als waren ze geslepen, zoo rondden zich de bladen tot een lange holte, die vol lag met gebroken gloed en matte schijnsels, onder het goudgele stuifsel dat op de stampers lag. Twee of drie meeldraden kwamen er uit naar voren snellen, lange dikke draden die krombogen over de opening, gebukt onder de zwaarte der koppen.
De hovenier had met zijn vingers, die zwart waren van aarde, de bloem van onderen aangeraakt, lichtte toen voorzichtig met de andere hand de meeldraden op, en zei boven de bloem sprekend:
--«Ze is nog niet sterk genoeg, begrijp-ie. Van avond gaan we nog eens kijken, dan is ze geheel open en dan staan haar meeldraden heelemaal recht, kijk zoo."--
--«Waar zijn die watten voor, baas," vroeg de knecht, «is dat om de luis?"--
--«Zeker," zei deze, «dat doe ik voor de luis, als de knop begint te zwellen, begrijp-ie?"--
Hij bleef aan den ingang staan schurken met de schouders, schoof zijn tabakspruim recht in den mond met een beweging der tong en vervolgde toen, terwijl hij instinktmatig begonnen was de dorre bladen weg te plukken der dichtbij staande planten:
--«O, vroeger toen ik nog in H. in betrekking was, had ik de heele kouwe kas vol, begrijp-ie, dat was een gezicht, dan maakte ik de kas licht 's avonds en dan kwam de heele stad kijken, dan stonden de knechts aan de deur, dat was nog een goeie voor erlui en voor mijn ook. Deuze heb ik nog meegebracht, maar 't volk maalt er niet om, begrijp-ie, en morgen zijn ze verslijmd."--
Hij vertelde met korte, afgebroken volzinnen, vol rustige ingenomenheid met zijn mooi beroep. Zacht kwamen zijn woorden van binnensmonds met een gedempten metaalklank, een geluid dat soms oversloeg in de hoogte, schoot in de keel even, alsof zijn stem geleden had door het vele spreken in de open lucht.
In de kas hing een warme lucht van uitzweetende broeiaarde die een aanslag gaf tegen de ruiten, een benauwde dampkring vol van den adem der kasplanten; en daar door heen kwam een zware bloemengeur dringen van uit den hoek waar de cactus stond en ging door de geheele ruimte, krachtig en bedwelmend.
--«Wat ruikt zoo'n plant, baas," zei de knecht.
--«Ja, wil je wel gelooven," antwoordde de hovenier.... hij schoof even aan zijn pet, toen verliet hij de kas al pratend en zijn woorden werden onverstaanbaar daar binnen.
--«Doe je de deur weêr dicht?" riep hij nog even terug.
Zijn gast was achtergebleven, verzonken in de beschouwing van de cactus, stil geworden bij het starre blikken naar de blinkende bloemen, die pralend stonden en groeiden in zijn oog, onder het vallende donker van den befloersden avond. Stengelloos, als met boomwol vastgebonden aan de leêrachtige plant, bleven ze onbewegelijk, waar al de planten in den omtrek trilden op het tochtje dat soms kwam waaien door den open kier der deur. En 't was hem alsof hij de bloem zich zag openplooien naar den nacht, de kelkbladen zich ombuigen naar den straaldierachtigen krans van schutbladen, de meeldraden rijzen als de voelsprieten van een kruipend beest. En in de dikke bladen zag hij het vleesch liggen van de bloem, een korrelig, waterachtig vleesch, glinsterend doorschijnend als sommige soorten van marmer, maar minder levenloos, met een flauwe gelijkenis aan het vleesch der zee-kwal. En dan weêr was het hem als was die bloem daar niet gegroeid uit zich zelve, als zag hij neêr op een vastgehouden visioen uit een teêr brein, op een schepping geworden uit droomen en zelfbeschouwing, als een gewas gegroeid zonder het licht van de zon, bij de kwijnende stralen der maan.
--«'t Is een vreemde bloem!" zei hij voor zich.