Proza

Chapter 5

Chapter 53,682 wordsPublic domain

Deze lachte met een groven lach, smeet zijn hoed in het zand, wees met een theatraal gebaar naar den stier, en weg draafde hij, met het bungelende staartje in den hals.

En de stier viel opnieuw aan met gekromden nek, met roodsmerige hoornen, met zwellende flanken die glommen van een nat zweet. Diep donker glansde het boven op de schoft, waar het bloed vloeide en kleefde uit de wonden der lansprikken. En de ruiter leunde met alle kracht op zijn speer, perste het beest af met geklemde tanden, en men zag zijn muskels zwellen, dik worden onder zijn gebogen arm. Maar het beest woedde en bonkte met den harigen kop, en de weêrstand van den arm viel voor den moker van zijn voorhoofd.

Toen sprong het paard op, sloeg met de achterpooten in de lucht, rekte met den langen schraal gespierden hals, geschud door het monster dat rondwoelde en werkte in zijn weeken buik. In een oogenblik tilde het ros en ruiter van den grond, op de draagkracht van zijn hoornen, en met een voorwaartschen zwaai van den kop, met een dronken blikkeren van zijn oogen, bliksemde hij ze neêr, vóór zich, in het zand.

Bewegingloos, met de armen voor zich uit, bleef de man liggen achter zijn paard, dat scharrelend zich overeind trachtte te zetten op de voorpooten, doch weêr omkeilde door een fellen stoot in de borst; maar opnieuw beproefde het ros zich te heffen, bekneld door den zadel schermend met den hals en de pooten in de lucht, gelijk een paard dat ligt te rollen in de weide; doch in eens was het dan op, en rende blind weg, met één natten rooden voorpoot, in de radelooze kracht van zijn stommen doodsangst wild galoppeerend, om weêr te rijzen en weêr te warren, telkens en telkens gestruikeld in den sleep van zijn eigen darmen, totdat het eindelijk bleef liggen in het zand, met lange streken der pooten klappend in de lucht. Stil werden toen zijn bewegingen, al langzamer en langzamer, overgegaan in een reeks kleine, sidderende schokjes; al zachter en zachter trokken de pooten, als de slinger van een klok die gaat stil staan.

--«'Sta muerte[36] dat is de vijfde!" zei de boer, «wat een beestje, wat een wonder beestje!" herhaalde hij voor zich.

[36] Hij is dood.

--«'t Zijn er zes, Caballero!" riep zijn buurman die weder een aanteekening maakte.

Te... tè schetterde het signaal; men zag twee paarden bebloed en ontredderd voortslaan door de schutting en den bezwijmden picador wegdragen, hangend tusschen de armen van twee mannen.

--«Die gaat naar de infirmerie, non es verdad, padre?"[37] vroeg de kleine jongen naast den langen man met het trompetje.

[37] 't Is niet waar, vader.

Met zwoegende flanken stond de stier nu stil in het midden van het perk, zwaar en naar adem hijgend tusschen de lijken der doode witte paarden. Vormloos lagen zij gestrooid over den grond, klein en nietig in den dood, met ingevallen buikwanden en slappe, lamme spieren. En waar zij lagen in de zon, gaf de roode blinddoek een vurigen tik tegen den blanken vloer en tusschen hun pooten grommelde de vage rommel der ingewanden, vochtig in het zand dat er droog begon uit te zien onder de heete stralen der zon. Toreros stonden achteloos te praten met anderen in de gang, den voet op den springdrempel, schuins blikkend naar het stilstaande beest, en harkers liepen langs den kant, de bloedplassen en losgescheurde darmen dekkend met een laagje zand. Terwijl, naar boven en rondom een gegons gromde, een opgewonden zwerm van geluidjes, zacht komend in de ooren na wilde stormen van klanken, een dof herkauwend gemompel van een uitblazende massa; en de venters schreeuwden opnieuw, water vergietend voor de dorstigen, en oranjeappelen klommen in de lucht, met parabolen rijzend en dalend.

--«Twaalf minuten over vieren," zei de boer die op zijn horloge gekeken had.

Beneden was het spelen weêr hervat met al het kleine vertoon van theaterspel. De stier rende opnieuw rond met het wuivende lint op zijn van bloed druipende bast. In het midden van het perk stond een zilver mannetje te springen; in elke hand had hij een met weêrhaken gepunten stok die versierd was met gekleurde knipsels van papier, en de man hief de armen omhoog, met strakke aaneengesloten beenen opspringend van den grond, in de verte gelijkend aan een marionet die met een touwtje aan den kop naar boven wordt getrokken. Eindelijk sloeg de stier het glanzen in de oogen, hij liep aan, de banderillero tripte achteruit, bevallig wijkend, beschreef, luchtig en snel, een halven cirkel voor den kop van het beest, dat log wendde in den omdraai; op de teenen hief de banderillero zich toen op, tikte even met de stokjes op elkaâr en met gestrekte armen reikende over de gebukte hoornen van den kwaden bul, drukte hij het de stokken gekruist in den nek, één aan elken kant van de streng der rug, en sprong ter zijde met een vlugge, gracelijke beweging.

Ten andermaal kwamen de bravo's stormend loeien uit den trechter van menschen, boven den stier en de spelers. Doldriftig sprong het beest rond, in de buitensporige sprongen zijn jeugd verradende, die denken deden aan de koddige, onnoozele buitelingen van een kalf. Telkens stootte hij met de hoornen naar de bonte stokken in zijn nek, en weêr hoorde men het toornig gesmoorde loeien. Eindelijk rende hij voort als dol van pijn, met de zeilende stokken potsierlijk bengelend langs zijn schoft, en in een dood paard begroef hij den rooden kop, geweldig stootend in den ontzielden hoop en in het zand, dat als een lichte nevel steeg om zijn hoornen en om het doode ros.

--«Muy bien, muy bien, Guerrita,"[38] schreeuwde de jonge man.

[38] Zeer goed, zeer goed.

--«Bravo, mijn jongen," jubelde de boer, «over twee jaren zult ge staan tegenover een anderen stier, en gij zult hem dooden."

Beneden zijn oogen ging de banderillero voorbij op een sukkeldrafje, met wuivend handgebaar dankend voor de toejuichingen. Nu en dan bukte hij naar den grond, wanneer een sigaar van boven gesmeten, voor zijn voeten viel in den loop.

En als hij dan opzag, zag hij weêr een anderen banderillero staan springen in het perk, vervolgens snel wegloopen onder het neêrhagelende jouwen en fluiten. Maar de stier had de vervolging in het midden gestaakt, aangetrokken door de capa van Frascuelo.

Stevig op de voeten, met de oogen in de oogen van het oranjeharige monster, stond de wijnroode torero achter den gelen lap, dien hij met gestrekte armen hield voor de hoornen. En de stier bukte, viel aan, de torero zwenkte half om op den hiel, klapte met den mantel, en het monster stoof voorbij langs hem henen, voortgestuwd door zijn eigen vaart; toen zwaaide het vervolgens weêr om, met een snelle, dribbelende verplaatsing van het lenige achterlijf, en stond een andermaal gebukt voor de hem voorgehouden capa.

In een bloeddorstige stilte, met ingehouden adem, volgde men boven het vermetele spel van den torero, die zeker en snel werkte met iets of wat van de plompe driestheid van een boer in al zijne bewegingen; maar weêr schoot de stier onder het klappende doek door, het rakend met de hoornen, en woest gloeide zijn geelroode huid, wanneer hij gleed langs de sombere bloedkleur van zijn terger.

Uit de zonzijde kwam een handgeklap, toen nog een, toen meer, een hakkelende galop van slaande geluiden kwam aandringen naar de schaduw; en als bezield speelde de kleurige man met den stier op den rand van de groote, donkere halve maan in het perk, vuurvlammende als ze traden in het licht. Met de hand in de zijde zagen de andere toreros toe naar hun makker, die zijn laatste kunststukken vertoonde, wendde en sprong voorbij de hoornen, terwijl de stier rakelings stormde langs zijn ingetrokken lichaam, stooten gaf in het in de lucht waaiende doek. Eindelijk stapte de torero bedaard weg van den stier, hem over den schouder aanziend met een breeden hoogmoedigen lach, met kleine pasjes, de punt van den mantel die lang achter hem aansleepte in het zand, over den schouder getrokken. En als gebiologeerd bleef het beest staan kijken naar zijn roodglinsterenden plager, die nu met de hand wuivend, aftrok langs de schutting.

De tweede banderillero was teruggekomen, nogmaals gevlucht, was den stier nageloopen, om opnieuw te vlieden over de heining met den hoed in den nek. Maar teruggesprongen in het perk, een eindje verder, had hij zijn stokken eindelijk geprikt in de schouders van het beest, die er dadelijk weêr uitvlogen onder diens plompe, schuddende bewegingen. En rood in het gezicht, maar lachend, was de nog zeer jonge banderillero nogmaals gekomen met een paar nieuwe banderillas, zenuwachtig geworden onder het brutale jouwen, fluiten en schelden der menigte. Toen was hij vervolgens aangeloopen op het beest, en had hem de stokken in den nek gestoken, allebeî aan éene zijde, onachtzaam de klassieke regels verwaarloozend of vergetend in de opwinding der vrees; toen oogenblikkelijk zijn onverschilligheid hernemend, had hij zich aangesloten bij een troepje, onder het verontwaardigd gebrul der toeschouwers.

En weêr een andere banderillero draafde aan, en na hem nog een andere; tien minuten nog ging het spel zoo zijn gang, in de zon of in de schaduw die langzaam voortkroop over de rijen van hoofden en over het gele zand.

Toen schetterde ten derde male het sein. Men zag Frascuelo staan onder de presidentsloge, den hoed in de hand, met naar boven gekeerd gelaat, woorden werpend naar de hoogte, die hij vergezeld deed gaan door kleine duwtjes met den hoed.

En rondom de loge waar men hooren kon wat hij zeide, klonk het handengeklap, terwijl de torero zich omdraaide op de hakken, met een van buiten geleerde beweging den hoed achter zijn rug om, tuimelen deed tusschen de menschen, en met een vuurrooden lap en degen met gevest van dezelfde kleur, stapte hij naar het midden, waar de stier loom stond te kijken.

--«Heeft uwe edelheid gehoord wat hij zeide?" vroeg de jonge man aan zijn buurman.

--«Neen, Caballero."

--«'t Zal er wel naar geweest zijn," hernam de andere, «Frascuelo es un torero muy bruto[39], hij maakt niet veel werk van zijn frases. Daarvoor is Mazzantini beter, dat is een zeer fijn man."

[39] Is een zeer onbeschaafde of ruwe stierenvechter.

--«Zoo," zei de boer, die naar beneden keek hoe de mannen met de capas den stier uit de zon trachtten te lokken.

--«Dat was mooi, goed gedaan, Cara-Ancha! en waarom laat jij nog altijd je capa liggen, lomperd?" schreeuwde hij vervolgens tot een ander, die zijn lijf geborgen had voor den aanstormenden stier.

--«Si, Caballero, Mazzantini es un torero muy decente, muy decente," herhaalde hij, zich opwindend tegen zichzelven, «es un hombre muy fino, civilizado, es revolucianario in el arte de Toros, es poeta y sabe tocar la guitarra. Waarom lacht u?" vervolgde hij. «Yo digo ustéd, es un gran artista".[40]

[40] Ja, mijnheer, Mazzantini is een zeer net torero, een zeer net stierenvechter.... hij is een zeer fijn en beschaafd mensch, is tegenstander der oude school in de stierenvechtkunst, is dichter en kan de guitare bespelen.... Ik zeg het uwe Edelheid, 't is een zeer groot kunstenaar.

--«Maar, Frascuelo is dapper," viel de andere in, «hij heeft het meeste hart van allen, meer dan alle stierenvechters van Spanje," draafde hij op zijn beurt door.

--«No, Senor," riep de man weêr, «niet meer dan Lagartijo, en die kent zijn stieren beter, ziet ze beter aan, is veel intelligenter."

--«Meer dan Frascuelo?" riep de boer weêr kwaad en rood wordend.

--«Si Senor."

--«No Senor, non es verdad."[41]

[41] Neen mijnheer, 't is niet waar.

--«Si Senor," herhaalde de andere nijdig.

De omstanders begonnen zich in den twist te mengen, maar plotseling riep men; «Mire, mire!"[42] En het kibbelend paar zat weêr te kijken met lange halzen naar wat onder hen gebeurde.

[42] Kijk, kijk.

Links stond de stier met het blanke cadaver der merrie op zijn hoog geheven kop. Dik zwol zijn hals onder de inspanning, onder den last die met dichtgevouwen pooten doorgebogen neêrhing over zijn bezweete, hijgende schoft; en daar waar rug op rug lag, zijpelden en glansden de bloedvlekken en hingen de kleurige banderillas neêr, popperig en klein als de stelen van versierde bruigomspijpen; achter den kop van het paard staken zij uit, meêbungelende bij elke beweging, gelijk met de slingeringen van den kop, waarin groote opgesperde oogen dof blonken boven den open bek, waar de rijen der lange maaltanden grijnsden en de tong krullend uit neêrhing. Toen stapte de stier vooruit en plofte neêr als een leêge zak de blanke merrie; plat viel zij neêr en langzaam zag men de pooten zich weêr voegen naar den zandigen grond.

--«Mio Dios! wat een beestje!" mompelde de boer, teruggevallen in zijn bewondering.

--«Kom, Frascuelo, anda a El,"[43] blèrde de jonge man.

[43] Ga naar zijn Edele toe.

Maar alsof de stier zijn kracht verspild had, zoo werden zijn hoornstooten zwaar en loom naar de capas. Onwillig draafde hij van hen weg, nu en dan even stootend naar de stokken in zijn nek, en uit den gerekten snoet klonk weêr het doffe bulken.

Bedaard zag men Frascuelo hem tegemoet stappen met de roode muleta en degen in de hand, en dadelijk woedend, stormde het beest weêr op den vurigen lap af, die heenscheerde over zijn hoornen. En hetzelfde spel begon opnieuw als toen hij werkte met de capa; als vastgehouden, volgde en stootte het beest naar de roode vaan, glijdend langs den man die met koele bedaardheid staan bleef op zijn plaats, de lende inkromp als de stier aandonderde, of even omsprong, wanneer het beest keerde in zijn woedende vaart. Soms bleef de bul staan, loerend naar den vooruit gestoken lap dien de torero hem voorhield op het plat van zijn degen, en als hij weêr aanviel, klapte de torero den lap om met den degen over den stierkop, zooals men het blad van een boek omslaat.

Gierende vlagen van bewondering hadden toen gejoeld door de lucht, gevolgd door een lange bange stilte. In de schaduw was ieder opgestaan van zijn plaats, vastgeklonken met zenuwen en blikken aan het gevaarlijke, huiveringgevende spel van den torero; op de eerste rij bogen de touwen door onder het gewicht der voorovergeleunde toeschouwers en de zonzijde lag stil en stralend onder de onbewegelijk turende menschenringen.

Met de oogen op de oogen van zijn offer, stond de espada stil voor den stilstaanden stier. Langzaam liet hij de muleta zakken langs zijn aaneengesloten beenen en daarmee daalde de kop van het beest, langzaam met den zakkenden lap. En de espada hief den degen omhoog, zijlings, kaarsrecht staande voor de gebukte hoornen, die zacht rezen en even daalden met de roode vaan, zich richtend naar den wil van den torero.

--«Ahora, ahora,"[44] galmde het boven om den boer heen.

[44] Nu, nu.

Maar toen de espada den degen ophief langs zijn oogen, horizontaal vooruit naar de schoft, schoot de stier toe op den lap, stormde langs den ter zijde gesprongen torero en voort holde hij weêr naar den kant der zon.

Teleurgesteld gemompel trok rond en een wrevelige trek kwam even op het ruwe gezicht van den matador; toen streek hij met de hand langs zijn haar tot aan het staartje, schudde lachend met het hoofd naar de menschen in de schaduw, en met wijde stappen ging hij achter den stier aan naar de zon, waar de banderilleros weêr speelden met de capas of wipten over de schutting. En in de verte begon het spel opnieuw met de muleta, die als een bloedroode flap telkens heensloeg boven den roodgelen stier, en men zag den espada opnieuw een stelling aannemen, het eene been nu licht doorgebogen geplaatst voor het andere, den degen met bijna gestrekten arm voor zich uit gericht op den nek.

--«Va matar El en su suerte favorita"[45], jubelde de boer.

[45] Hij gaat hem dooden op zijn geliefde wijze.

Maar het wilde beest stormde onder den lap door, gevolgd door den wijdstappenden espada en de bende glinsterende toreros naar den kant der schaduw.

Weêr draaide en wendde de stier om en langs den torero onder de oogen van den boer. Onstuimig drongen de kreten naar den speler beneden, die kwaad werd, blikken wierp naar boven.

--«Anda a El," riep de jonge man, «hij zal je niet opeten, Frascuelo."

De torero schreeuwde iets terug, terwijl hij oplettend voortging den stier met zijn muleta te vermoeien, telkens zich plaatsend in de stelling, telkens gedwongen uit te wijken voor het aanvallende beest.

Maar op één oogenblik stond het stil, met snuivende neusgaten, de oogen starend naar de roode vaan die langzaam daalde en rees.

--«Ahora, ahora," gilde het nogmaals.

--«Zit stil, Muchacho!"[46], zei de lange man tot den kleinen jongen.

[46] Jongen.

--«Zou het nu gaan, vader?"

--«Kijk, kijk, jongen."

De degen rees, de stier stootte vooruit, men zag den torero voorovervallen naar de hoornen, toen plotseling ter zijde springen met ledige hand, en het beest stokstijf staan met het roode gevest tusschen de schouders.

De kleine jongen had, toegevend aan een onwillekeurigen drang, even de oogen gesloten, en 't was hem alsof er boven en rondom hem muren oprezen van geluid, die ineen kwamen storten boven zijn hoofd. Naast hem gilde zijn vader als een dronken man, terwijl achter hem de boer stond te schreeuwen met de uitingen van een krankzinnige, ijlende woorden loslatend als een zieke in koortshitte; hij had zijn hoed neêrgekeild voor de voeten van den espada en noemde hem bij zijn naam met een liefkoozende stem. En rondom en boven de arena renden de drommen van bezeten geluiden, aaneengesloten, in dichte gelederen. Ze kwamen aanstormen uit de zijde der zon, die woelde als beroerd, als geschud door een windvlaag en botsten te zamen met de aanrukkende scharen uit de ringen der schaduw, waar de menschen opgerezen waren in een zelfden drang, met een zelfde beweging de ruimte streepten met hun armen die in extase grepen en sloegen in de lucht. Hier en daar alleen trilde met een hooge noot een snerpende fluittoon, een rauwe gil gelijk, die doodgesmoord werd in den woedenden chaos.

Beneden liep de stier, met kleine pasjes, waggelend achteruit, den degen in den nek, en den dooder voor zich. Soms rekte hij den kop naar voren, de strot ging op en neêr in een slikkende beweging, als verzwolg hij iets dat hem van binnen kwam dringen in de keel. Benauwd rekte hij nog een paar malen met den nek en viel toen plotseling om, dood in het zand.

Een andermaal begon de krijg der verrukte geluiden. Hoeden en sigaren warrelden van boven neêr om de voeten van den espada, die op een sukkeldrafje, met den afgewischten degen weêr in de hand, wuivend met dankend handgebaar ging langs de schutting. De glimmende toreros liepen allen mede, achter hem aan de sigaren zamelend in hun hoed; bukkend naar den grond, smeten zij de hoeden weêr één voor één naar boven.

Toen schalmeide de muziek boven den Toril; zijn marschtonen kwamen als een overwinningslied achter de aftrekkende en zwakker wordende geluiden; de bontgesmukte muildieren draafden binnen, den stier werd een strik om den hals geslagen, zoo aan den spoorstok gebonden en toen werden de muildieren rondgejaagd door het perk, eenmaal, tweemaal, driemaal, en het doode beest ging in klaterend triomfvertoon over het zand, van de schaduw in de zon, onder de oogen en het schreeuwen der alles toejuichende menigte.

En voor de laatste maal vlamden de kleuren van den stier op, telkens als hij in de rondsleuring zwierde van de schaduw in de zon. Met een breede platte gleuf achter zich aan, een platgeschuurd spoor en smalle strepen der wippende pooten, slingerde het doode lichaam rond achter de voortgeslagen en gezweepte muilezels; en bij de laatste maal in wilden rit binnengesleept door de poort van den Toril, bonkte zijn lichaam in den dwarrelenden omzwaai tegen de stijlen der schutting onder een warrel van stof; en de menschen die hem daar nakeken, trokken instinctmatig zich terug bij den dreun.

Strak lag nu weêr de groote arena in het namiddaglicht dat zich begon te kleuren als met een tintje van bloed. In de schaduw hing een zwoele warmte, de benauwde stinkende lucht van een opgepakten hoop menschen die in de opwinding hunne verhitte lichamen hebben bewogen. En daar tusschen door kwam eensklaps soms de prikkelende lucht van een oranjeappel die geschild werd, scherp en verfrisschend trillen in de neusgaten, fijn als de geuren van een geparfumeerde vrouw, gedachtebeelden oproepend van blauw water en suizelende stille warmte; maar rondom alom gromde een genotrijk gegons, het tevreden gemompel van een voldane verzameling, en men begon elkaâr na te vertellen en men trad in bijzonderheden; wijnzakken gingen van hand tot hand en zakdoeken en mandjes werden geopend.

--«Dat was een stier, waard door zoo'n man gedood te worden, Caballero!" zei de boer, terwijl hij zich den mond afwischte met den rug der hand.

--«Ja, ja, als alle zes zoo zijn, zal het een prachtige corrida worden," antwoordde zijn buurman.

Beneden werden de witte paarden nu voortgesleurd met den langen hals armzalig vastgestrikt aan den spoorstok; één voor één verdwenen zij door het duistere gat van den Toril, waar boven-van-uit de muziek voortging de harde tonen van haar immer herhaald marschmotief rond te strooien in de lucht; in het perk gingen de knechten bloedplassen en afgescheurde darmen wegmoffelen met zand, terwijl andere haastig de sporen wegharkten en het gele strijdperk effenden.

Toen kwamen de picadores weêr postvatten langs de schutting; een van hen zat op een paard met een roodbeloopen voorpoot, dat trilde onder de slagen der chulos. Het sein schetterde, de deur van den Toril sloeg open en een vaalgrijze stier kwam op een drafje binnen, draaide zich om naar de deur die achter hem dichtsloeg, en bleef vervolgens stil staan als een rund dat staat te wachten voor zijn stal.

--«Mio Dios, mio Dios," riep de boer klagend, «es un toro cobarde."[47]

[47] 't Is een laffe stier.

't Was tien minuten over half vijf en de groote schaduw lag bijna tot in het midden van het strijdperk.

Het Einde van een Stierengevecht.

HET EINDE VAN EEN STIERENGEVECHT.