Proza

Chapter 4

Chapter 43,942 wordsPublic domain

Alleen de zonzijde bleef nog altijd leêg liggen, blank gestoofd in de zon, hier en daar gevlekt door een alleenzittende vrouw die zich het gelaat beschutte met haar zacht wiegenden waaier, of een klein groepje van mannen en vrouwen die bevreesd voor het verliezen van een goede plaats, de hitte trotseerden. Pittig kwamen zij voor den hellen achtergrond en daar klom er een figuurtje naar boven, de banken ombeenend en ginder ging er éen lui zitten, en wat verder weêr een, wiens roode gordel een vurige klak kleur werpen kwam van uit de verte. En van onder de overdekte balkons begonnen zonneschermen te glanzen en te schitteren, en weêr hooger uit de schaduw der galerijen staken de roode beenen van soldaten, donker in de zon.

Maar in de halvemaanvormige schaduw, in het natgespoten strijdperk, krielde het van mannenvolk, een groote, bewogen menigte met blondblauwe plekken weêrschijn op bollen van hoeden en op bovenvlakken van schouders; golvingen van gedempt licht en bleeke glimglansen gleden er heen en weêr, om saâm te loopen met de vleeschtonen der koppen; en dan trad er een van uit het donker in het licht, met een plotseling opvlammen van zijn kleuren en een ander volgde of deinsde weêr weg in de schaduw, tien, twintig tegelijk, zich ontwarrend en weêr terugwarrend in den hoop, gaande en komende van dezelfde richting, van de poort die links stond.

--«Wat gaan er deze maal veel menschen de stieren kijken, caballero!" zei de jonge man tot zijn onbewegelijk rookenden buurman.

Deze knikte leuk met het hoofd. Hij begon het warm te krijgen in de oppakking van menschen, in de benauwde hitte die opsteeg uit de van zon volgezogen banken. Zijn dik bloedrijk hoofd glom met witte waterige lichten en van tijd tot tijd bewoog hij het forsche lijf, als wilde hij zich vrij maken van den druk der knieën in zijn rug, of keek even op zijn horloge.

--«Me dunkt, caballero," zei hij in eens, «het zal wel gauw beginnen."

--«Si Senor, dat dunkt mij ook," zei de andere, «maar de president is er nog niet."

De boer zonk weêr in zijn gesoes, ging opnieuw zitten staren naar het gewoel beneden. In het perk zag hij nu de speellui tusschen de menschen komen, infanteriemuzikanten met roode broeken aan, de koperen instrumenten onder den arm. In de gang tusschen de schuttingen lette hij de mannen op, die daar rondliepen met manden vol gele vruchten, luidkeels schreeuwend, «naranjas, naranjas," met naar boven gekeerde gezichten en rondloerende oogen; en dan zag hij er een de bestelling naar boven smijten, behendig mikkend, en hij volgde instinktmatig den roodgelen bal die heenzeilde over de hoofden door de lucht, keek dan weêr naar beneden, den man in 't gezicht die stond te schacheren met zijn luidschreeuwenden besteller, en zag hem vervolgens het geld in een papiertje gewikkeld opvangen. En achter en voor hem klonk het eentonig roepen der waterverkoopers: «agua fresca què quiere agua para bebere"[26]; hij zag ze naar zich toekomen, heenschuivend tusschen het gedrang met hun glimmend watertoestel aan den arm, en hij dronk een glas water, keek nog weêr even op zijn horloge, ongedurig op zijn zitplaats. En overal om hem begonnen ongeduldige geluiden op te stijgen uit de lange rijen van menschen, met duizend monden riep men, schreeuwde men. Enkelen hadden hondenfluitjes medegebracht en bliezen daarop met bolle wangen, terwijl anderen ratelden met houten ratels of den grond sloegen met hun stokken; en vlak voor den boer zat een groote, lange man met een kleinen jongen naast zich, die uit een trompetje twee tonen joeg, een lange en een korte, en dan juichten de lieden als dollen en de man deed het opnieuw om de menschen te bevallen, zoodat men opnieuw begon te schreeuwen, opstaande van de zitplaatsen, onder herhaald opzien naar de loge waar de president komen moest.

[26] Frisch water, wie wil water om te drinken.

Dan eensklaps klonk van uit de arena het vroolijke geschetter van een marschmelodie, en toen steeg er een ontzettend geroep op dat de muziek overstemde en in zich opnam; men was opgestaan en wuifde met doeken naar de presidentsloge waar een gladgeschoren gezicht telkens overheen kwam, een bleek gelaat met een gelegenheidslachje om de lippen, buigend en lachend met een schitterend vertoon der witte tanden.

--«Daar is de President, God zal hem zegenen," riep de boer.

--«'t Is vier uur precies," antwoordde zijn buurman.

Hij had nog niet uitgezegd of van den overkant uit de zonzijde kwam een signaal aan, een korte en een lange trompettoon, zooals de lange man ze uit zijn speelgoed gehaald had. En als met één ruggestoot had de menschenhoop in de schaduw zich toen in beweging gezet, zich uitwaaierend, snipperig geworden in de zon, dravend door het perk met uitschoppende beenen. Door de opening in de heining of daarover wippend, begonnen zij de banken te bestormen met wilde haast en in een ommezien gingen de strakke lijnen weg, werden vernietigd onder het gewoel van hun lichamen. En toen ze eindelijk gezeten waren, geleek de zonzijde met de hoofdenreeksen boven elkaâr, met de bonte wisseling en warreling in het licht, op een woest weefsel van kleuren, vaag, door den afstand als versleten in het licht. Doch van het plat boven de Toril kwam nu en dan een vonk bliksemend schieten van uit de verte, wanneer een koper blaasinstrument zich spiegelend bewoog in de zon.

--«Daar komen de alguacils", zei de jonge man.

Uit de stal-deuren kwamen twee ruiters, in een rechte lijn gaande naar de loge van den president. Ze droegen een kort schoudermanteltje over een middeleeuwsche dracht van donker fluweel en een hoed met veêren op het hoofd. Ernstig, gewichtig, reden zij voort, als belast met een hooge zending, hun vurige glanzende paardjes dwingend in den stap, andalusische raspaarden die de pooten krachtig knikkend voor zich uitwierpen. Onder de loge gekomen ontblootten ze het hoofd, bleven een oogenblik als smeekelingen stilstaan en toen zag men den president even overbuigen uit zijn loge, een der twee de hand uitsteken met den hoed naar voren, en weg draafden zij onder een galm van goedkeuringen.

--«Ze hebben den sleutel, ze hebben den sleutel van de hokken," zei de boer.

--«En knap gevangen ook," zeide zijn buurman.

Een stilte was plotseling komen heerschen in alle rangen, een angstige spanning van menschen die wachten op opwinding en beroering. Het groote strijdperk lag nu glazig en leêg onder de oogen der duizenden die allen tuurden naar dezelfde richting. Soms stond er een òp van zijne plaats en dan klonken er onmiddellijk achter hem eenige schreeuwen: «Asientarse, asientarse"[27] en weêr een oogenblik zag men een man dwars oversteken door het perk in een klein drafje, en toen begonnen eenige jongelieden «bravo" te roepen en de man keek in den loop lachend naar boven, wenkte spotziek dankend met de hand, om vervolgens te verdwijnen achter de schutting met een vluggen sprong. Maar even daarna schetterde opnieuw de muziek, de deuren in de schutting links werden wijd geopend, en een glinsterende stoet mooi aangekleede mannen kwam binnen met gelijkmatigen militairen pas, als automaten schommelend op de maat der marschmelodie.

[27] Zitten gaan, zitten gaan.

--«Olé Mazzantini! olé Frascuelo! Cara Ancha!"[28] jubelde de jonge man met zijn zakdoek wuivend. «Bravo," daverde het overal òm hem uit een woest koor van kelen, onder het stampend geluid van stokken en klappen in de handen. Met de golvingen van een echo steeg het en liep het van hen weg naar de zonzijde, waar het druischend overging in een gewriemel van schermende armen en wuivende doeken.

[28] Breedgezicht.

--«Asientarse, asientarse," galmde men overal.

Beneden stapten de toreros rechtdoor naar de presidentsloge, wiegelend op een theaterachtigen pas, glimmend van gouden borduursels, klein geworden als mooi opgepronkte poppen tusschen de muren en ringen der Plaza. En in een oogenblik had de jonge man den stoet met kennersoogen geschat, de kostumen ontleed en hij deed uitroepen van herkenning en bewondering.

--«Es bonita, muy bonita,"[29] herhaalde hij telkens.

[29] 't Is goed, 't is zeer goed.

Aan het hoofd van den troep, wijd uit elkaâr, stapten de drie espadas. Zij waren in groene, blauwe en paarse zijden mantels gewikkeld, die om de lenden en over den rechterschouder heêngeslagen, in de linkerzijde werden vastgehouden door de daar rustende hand. Een laag uitgesneden vest kwam nog te zien van onder het van glinsterende tressen en schouderbedekkingen rinkelend wambuisje, wijnrood bij Frascuelo, groen bij Mazzantini, lila bij Cara Ancha. En de korte, strak gespannen broek van dezelfde kleur als buis en vest, verdween bijna geheel onder het breede galon, was vastgemaakt beneden de knie en liet de kuiten vrij puilen uit fijne witte kousen, met lage als voor dansen gevormde schoentjes aan de voeten. In het midden der uitsnede van het vest, over het heldere witte hemd daalde uit den boord een lang rood dasje, smal als een veterband en op het hoofd droegen ze een afgeplatten hoed van zwart fluweel, met dotvormige ballen belegd op de zijstukken; terwijl eindelijk achter uit de kruin van het hoofd het torerostaartje hun hing te bungelen in den nek, met een dikke, zwarte knoedel boven aan de inplanting.

Achter de _espadas_ volgde meer aaneengesloten de bij elk hunner behoorende cuadrilla van vier _banderilleros_, wier uitmonstering geleek aan die der eersten met een herhaalde wisseling van kleuren. Bij een enkelen waren de metaalachtige oplegsels vervangen door borduursels van dof zwart, die zich verdrongen op den roodbruinen ondergrond der kleêren, terwijl bij een ander weêr de kleur der zijde was als blank parelmoer of van een bleek rose, waarop de zilverdraden der belegsels zich verloren in de verte, of licht pakten met de ijlheid van trillend spinrag. Dan volgden de _picadores_ op witte paarden, straf in den hoogleunigen zadel gezeten, mannen met ruwe, grofroode gezichten, een breeden vilten hoed met pluimen op het gestaarde hoofd, den stormband tegen de kin, den voet vast geplaatst in den houten bakvormigen stijgbeugel. En hun stevige romp scheen het eng te hebben in het nauwe torerobuis, terwijl de beenen van onder in ijzeren scheenbekleedingen gestoken, er vormeloos uitzagen in de gele rijbroek, als opgestopte pijpen. Daarachter kwamen de _chulos_, helpers der picadores in een vuurrood baadje met blauwe broek, dan de knechten der Plaza, harkers en spuiters in hard blauw met geel gestreept, eindelijk twee driespannen van muilezels, kwistig met roodbepluimd tuig overladen, met wapperende vlaggetjes, half geel, half rood, die uitwaaiden boven hun ruggen. En aan de zijden reden de twee _alguacils_.

--«Magnifico, divinamente bonito"[30], zei nu ook de boer, wien het genot in de oogen lag.

[30] Prachtig, goddelijk mooi.

De cuadrilla was nu in het midden van het perk genaderd, zijn kleuren en volheid van goud uitstallend voor het staroogend publiek. Scherp en kantig in de zon schreden ze voort, ordelijk, met deftigen ernst, met pralende gezochtheid, met een rammelend vertoon van flonkernieuwe theaterkostumen. De links wandelende der drie _matadors_[31] was Frascuelo, een stevige gestalte waar men de krachtige spiervorming van zag in de kuiten, met een norschen als in hout gehakten kop, wreed van trekken, met iets lomps in zijne bewegingen. Nijdig plantte hij de hielen telkens in het zand, onverschillig als een boer die het niet prettig vindt te worden aangegaapt in een mooi pak en verlangt naar zijn werk.

[31] Dooder.

De middelste was Mazzantini, een slanke jonge man met een glad rond gezicht; zwierig droeg hij zijn mantel als iemand die zich graag goed voordoet en er op rekent door vrouwen te worden bewonderd om zijn mooi lichaam. Luchtig hield hij den pas, den lossen arm schommelend langs het lijf en met een behaagziek, ijdel lachje om de lippen. De derde, Cara Ancha, was een pafferige man met bol, breed gelaat, bleek, iemand die aanleg heeft dik te worden van ledigzijn, een zinnelijke verschijning, slim, onbeduidend en brutaal.

Toen de stoet gekomen was onder de presidentsloge in de langzaam opkruipende schaduw, ontblootten allen het hoofd en verspreidden zich haastig. De muildieren en alguacils holden weg, picadores zag men draven langs de schutting, de lans in de lucht, gelijkend op groteske soldaatjes, hun oude, voor den vilder bestemde paarden voortporrend met de groote sporen; achter hen aan draafde de roode chulo, die zijn loop vergezeld deed gaan van stokslagen op het achterdeel van het oude ros. De espadas wierpen hun mantels voor zich uit tusschen het volk, wapenden zich met oude capas, paarse en gele lappen, eenige banderilleros deden eveneens, terwijl andere over de schutting wipten in de gang, met de knechten der Plaza, bij agenten van politie en oude toreros, die met de armen stonden te hangen over de schutting.

En opnieuw was er een stilte komen vallen boven de Plaza, een warme stilte vol klemming en benauwdheid. Men zag de waaiers bloedrood, angstig wiegelen in de zon, en programma's beven en blinken in de ongeduldige, zenuwachtige handen. De venters van oranjes en water hadden het roepen gestaakt, alles wachtte en staarde naar de deuren der Toril.

Plots, de lucht scheurend, schetterde het sein, de lange en de korte toon die uitgalmden als een moordkreet. De deur der Toril sloeg open, men zag een man zich verschansen achter de deur, hem die snel weêr sluiten en een roodbruin beest, een harig gehoornd monster kwam binnendonderen door de schutting, een machtige, hooggeschofte stier, die al aanstormend den kop heen en weêr sloeg, met een links en rechts bliksemen van het wit der oogen.

Onder de wilde vlagen van bravokreten, als versuft door het gloeiende licht der Plaza, was het beest in het midden blijven staan, rillend in al zijn spieren, met toornig stampen en schoppen der achterpooten, stukken nat zand smijtend langs zijn flanken. Toen rekte hij den rimpeligen nek, en zijn neusgaten zwollen onder den uitstroomenden adem, en men zag den bek opengaan met een krachtig vooruitstooten van den platten, vierkanten snoet.

--«Hoor, hij loeit! Wat een beestje, wat een mooi beestje!" riep de boer, verrukt luisterend naar het gesmoorde bulken dat, als van heel ver, zwak werd in de ruimte en verloren ging tusschen het uitstervend geloei der bravo's.

Den nek gekromd, met de voorpooten koppig woelend in de vochtige zandlaag, stond de stier nog altijd stil in de zon, in het brandige goud van zijn roode harige huid. Tusschen het span uitvleugelende hoornen, spitse, kromme dolken gelijk, kroesde wild een ruig haar, tot over het als een moker vaste voorhoofd. Boven het linker schouderblad waren twee kleurige linten in de huid geprikt, die bij elke beweging even opwuifden boven den langen zwaai van den rug uit, één lange getrokken ruglijn, zwellend over de schoft, dan weêr dalend, om te verloopen over het bijna tengere achterlijf in den rondgeeselenden staart.

Maar het publiek begon ongeduldig te worden en te schreeuwen.

--«Al caballo! toro, al caballo!"[32].

[32] Naar het paard toe, stier.

Een parelgrijze banderillero holde met de saâmgenomen capa in de hand voorbij den stier, uit wiens mondhoeken een vlok wit schuim dringen kwam. De doek sloeg het beest in de oogen, de man holde voort met de wapperende capa achter zich aan, langs het witte paard van een met gevelden lans wachtenden picador. Het paard, aan het linkeroog rood geblinddoekt, wierp den kop angstig om en trappelde onrustig onder de dwingende hand van zijn berijder, onder de stokslagen der knechten. Maar de stier schoof voorbij, achter den bonten lap aan, en plofte toen in een loggen sprong met den kop tegen de schutting, waar het blinkende mannetje snel was overgewipt. Toen viel hij terug, zwaar door zijn gewicht, en bleef bot staan kijken naar de slip der capa die over de schutting hing, met de lachende tronie van den banderillero er boven.

--«Naar het paard toe, stier, naar het paard toe!" brulde het opnieuw uit de menschenringen.

Met een gewapper van voorzichtig op een afstand toegeworpen capas, met angstige bewegingen hun vrees verradend voor het nog frissche dier, begonnen de torero's nu den stier te kwellen aan alle zijden; en het beest smeet naar het geflipflap der kleuren in het wilde zijn machtige hoornstooten, links en rechts, schutterig aangetrokken van den een naar den ander, met de hoornen hakend in de waaiende doeken. En in eens stormde hij dan los op een van zijn plagers, en deze daar niet op bedacht, liep zoo hard hij loopen kon weg, met achterlating van zijn capa, en buitelde over de schutting met het hoofd omlaag en de beenen in de lucht, onder neêrvallende buien van boven, van jouwend fluiten en spottend gelach.

--«Ezel, wat heb je een goeie beenen," had de jonge man geschreeuwd.

De stier rende dwars door het perk. Men zag de picadores draven langs de schutting, hen telkens post vatten, den stier achteraan en weêr voorbij, om opnieuw hun paarden met toegekeerde borst bloot te stellen aan de hoornen.

En het volk huilde en gilde als bezetenen, met opgewonden gebaren.

--«Es un toro malo,[33] caballero," zei de jonge man, maar nauw had hij dit gezegd of hij stond op en begon te schreeuwen uit volle longen: «Bravo, toro, bravo!"

[33] Is een slechte stier.

Het roode beest stond, in de zon, met den kop te beuken naar de witte borst van een mager picadorenpaard, onder den forschen weêrstand van een picador, die hem de lans in de nek had geplant; met al de kracht van zijn stevig gebogen arm, met het volle gewicht van zijn lichaam duwde hij den stier af, uit de zijde van zijn angstig bewegende merrie; maar trappelende wendde het paard zich om onder den dwang van zijn ruiter, en de eene hoorn gleed als een naald in zijn witte borst, en men zag het den kop met den rooden blinddoek erbarmelijk opsteken in de lucht.

--«Bravo, bravo, toro!" galmde het rondom, waar men den stier prees en zijn bevechter, hem noemend bij zijn naam.

De stier had zijn hoorn teruggetrokken met een woesten ruk, weêr naar een zwaaiende capa gestooten, en voort stormde hij door het perk met de kleurige mannetjes achter zich aan, met een glanzende, donkerroode bloedvlek op de schoft. En in de schaduw langs de schutting joeg hij de toreros achter de verschansing, al doorrennend met wilde wendingen van den kop van links naar rechts, onder de opruiende kreten der toeschouwers, die waren opgestaan van hun zitplaatsen.

--«Al caballo, toro! al otro caballo!"[34] schreeuwde men als hij voorbijging, «asientarse, zitten gaan," wanneer hij voorbij was.

[34] Naar het andere paard toe.

Schuins beneden, bijna onder de oogen van den boer, dwong een andere picador zijn paard naar den aanstormenden stier. Met een plof kwamen zij tegen elkaâr aan, en uit de hoogte klonk onwillekeurig en wreed, het «hè" uit de borst der ademlooze menschen. Maar de stier was opgesprongen naar den ruiter, schampend waren de hoornen gegaan langs het ijzeren beenstuk, en de lans, afgegleden, vloog dwarrelend uit zijn handen in het zand. Het paard steigerde, draaide onwillig zich af, en met een dwarse beweging van den kop sneed de stier het toen den buik open, snel als met de snede van een operatie. Een kronkelende stroom van bleekroode ingewanden viel in eens onder uit het dier; een levende, vochtig lauwe zak, vol teêre, geheimzinnige, voor het donker bestemde kleuren, schommelde rond tusschen zijn pooten; de stier stampte door, priemstootend in het achterdeel van het witte ros, het schokkend zoo op zijn hoornen, dat de picador, met afgekeerd gelaat, zat op te springen in den zadel. Maar het paard begon te wankelen onder de opheffingen van achteren, zocht den grond met zijn pooten, trapte, warde in zijn eigen ingewanden, en smakte eindelijk tegen het zand, in den zwaren val zijn ruiter medesleurend.

Al de toreros waren toegesneld met hun zwaaiende lappen, vermetel zwenkte Frascuelo voorbij de hoornen, en de dol geworden stier gleed onder den wuivenden lap langs den torero heen, hem bijna rakend aan de ingetrokken lende.

--«Dat was mooi, bravo, Frascuelo!" schreeuwde de jonge man; hij maakte een aanteekening op een stuk papier.

--«Es un maestro, es un gran maestro,"[35] antwoordde de boer, opgetogen.

[35] Is een meester, is een groot meester.

Het paard lag te trappen in het zand; men zag den picador ophelpen door zijn knecht, onder den arm genomen, hem met gestrekte beenen overeind zetten als een ledepop. Stijf, zonder gewrichtsbuigingen in de knieën, scharrelde hij naar zijn paard dat overeind was geranseld door een anderen rooden helper; en even daarna kwam het weêr draven langs de schutting, beschimmeld door bloedvlekken, de darmenzak klotsend tusschen zijn pooten, met een jammerlijk vertoon van afgeleefdheid en stomheid; en zijn ruiter zag op naar boven met een dommen, brutalen lach, onder een vurigen storm van uitjouwingen en oorverdoovend fluiten, dat hem in de ooren dringen kwam uit de rijen waar hij langs reed.

--«Moordenaar, dronkaard van brandewijn, slachter!" schreeuwde de jonge man.

--«Weg met dat paard, 't beest is op, er meê naar buiten, 't is schande!" riep de boer, purper van kwaadaardigheid, toen het paard onder voorbij ging, voortgeslagen door de chulos.

Vèr buiten de schaduw speelden nu de toreros met den stier, en de zonzijde der arena bewoog en woelde als een kleurenzee vol onnaspeurlijke bewegingen. Rechts op de eigen plaats, lag het eerste paard te zieltogen, met stuiptrekkende en rillende pooten, terwijl uit de wonde in de magere borst een straal donkerrood bloed gulpte en spoot, dat snel wegzoog in het opdrogende zand. Eenige knechten morrelden om hem heen, ontdeden het van den zadel, maar de stier stormde aan, de mannen wipten over de schutting of bleven staan, gereed tot springen, kijkend naar het woedende beest dat het paard stompte en verminkte, het omkantelde als een stuk speelgoed, en toen weêr voortrende naar een anderen, versch aangekomen ruiter. Toen kwam een der mannen terug, hij boog zich over het stervend ros, drukte het een priem in de hersens en met een paar hikjes en schokjes strekte de blanke merrie zich dood, dadelijk geworden tot een blinkend vormloos hoopje vuil in de groote zonnige arena.

En eer men het zag, lag links weêr een andere ruiter neêrgeslagen in het zand achter zijn vermoord en opengereten ros, en onder den drang der opwinding, hakend naar lof, kwam dan uit de poort weêr een andere aanzetten, en nog weêr een, die zich waagde met gevelde lans tot in het midden van het strijdperk. En de stier kwam en hakte de zijde open bij het eene paard, en boorde in de borst van het andere, maar week voor den druk der lans in zijn nek, onder een stijgenden vloed van bravo's.

Voort holde het weêr met het schuim langs den bek, en waar hij weggegaan was, zag men de roode knechten het lillende ingewand terugduwen in den buik van het paard, en bij het andere een kurk in de gapende borstwonde steken; herhaalde malen, omdat de stop met een flap telkens terug sprong onder den krachtigen drang van den bloedstraal.

En toen de gele ruiters weêr stegen op hun bemorste paarden, was het als rilde er een huivering rond voor bloed en zonnekleuren door de dammen van menschen, waar de kreten saâmgepakt uit opstegen als één groote schreeuw uit eene groote borst. En verpletterend als zware stemmen van reuzenbazuinen, heerschte het rondom, boven het kleurige en geluidlooze gewriemel beneden in het perk; maar de stier waarde rond als een brandende vlam die wordt uitgebluscht, tredend van het licht in de schaduw met de glanzende, klaterende mannetjes en lappen om zich heen, beukend naar alles, er hier een jagend over de schutting waar deze nauw zich redden kon, met gillen van angst in de drommen van geluiden overal boven en rond hem.

--«Wat een beestje, wat een heerlijk beestje," herhaalde de boer, in delirium.

--«Vooruit, roodneus, wees maar niet bang!" jouwde de jonge man naar een lansdragenden ruiter die onder voorbij reed.