Proza

Chapter 3

Chapter 33,808 wordsPublic domain

--«O, wat leelijk ben ik," zei de meid, zich met de vlakke hand op de wang slaande. Toen zat ze als vroeger stijf neêrgehurkt onder de cactus. En van uit de holte kwam regelmatig als een klokketik, het bonzen, saâmklinkend met de stooten van het gekreun.

Het moest nu bijna middag zijn. De plantenzoom om het wegje dat hoog boven de ingangen kronkelde, begon lange, donkere schaduwen omlaag te zenden. Men zou gezegd hebben, donkere zaksels vloeistof op blinkend papier.

Van oogenblik tot oogenblik werd de werker onrustiger. Hij scheen zijn voorbeeld vergeten te hebben en te arbeiden naar iets dat niet meer bestond. Telkens rees hij op, zijn werk op een afstand beziende, om dan weêr half op zijn stoeltje neder te vallen, hier iets veranderend, daar wat wijzigend, om vervolgens opnieuw op te rijzen.

--«Dwaasheid!" mompelde hij tusschen de tanden.

--«Is 't afgeloopen, heertje?" vroeg de deerne, terwijl zij zich het warme haar uit de oogen streek.

--«Ga," zei de schilder knorrig.

Toen met een krachtigen stoot van zijn voet schoof hij de doos achteruit, zocht in den zak van zijn jasje een sigaar en begon snel te rooken; achter hem waren de vrouwen gaan staan; ook de slungelige meid was geeuwend uit het huisje gekomen.

--«Barbiaan,"[16] zei de jonge moeder.

[16] Mooi.

--«Se parece. Que féa,"[17] zei de slungel.

[17] Het lijkt, wat een leelijkert.

--«Bueno, féa, féa," zei de deerne die voorbeeld geweest was; ze bleef met de lippen klappen.

De schilder had het drietal even aangezien, nam toen uit het duimgat van zijn palet een dikke kwast en veegde met haastige hand de studie door elkander.

--«Och, heertje," riep de mottige meid.

Maar deze had zijn gereedschap reeds bij elkander gezocht, ging toen op den grond zitten, het hoofd in de schaduw van den muur, en zei: «'t is warm."

De oude mattenmaakster was wakker geworden en begon instinktmatig haar vlechtwerk voort te zetten. Onder haar handen daalde de gele strook neder met de lange kronkels van een slang.

En om hem was het als een zondvloed van licht. De steengrond blonk en klaterde, gezuiverd en vlekkeloos, de bijna rechtzakkende stralen terugzendend als een klare spiegel, met blind makende helderheid; de planten, cactussen en aloë's zwijmden in den trillenden ether, elkaâr omarmend in het licht, saâmgeloopen met de blonde aarde van den heuvel die haar geledingen uitschoof naar boven; en eenige dwergachtige olijfboomen stonden daar rechtop, met weifelende rondingen, als klompjes smeltende suiker in de zon.

De jonge man was opgestaan, zocht in zijn zak naar een geldstuk en gaf het aan de deerne.

--«Es poco,"[18] zei ze.

[18] Is weinig.

--«Morgen kom ik weêrom," was het antwoord.

--«Morgen zal het regenen, heertje," sprak ze terug. «Maria heeft sinds gisteren hoofdpijn en de vliegen steken van morgen. 't Heeft hier in geen zes maanden geregend, weet u. Mire Usted," vervolgde ze, met de hand over het muurtje heen naar de lucht wijzend, «mire Usted."

Boven de koppen der sierra zweefde een klein wit wolkje met de schijnbare grootte van een mansvuist.

--«We zullen zien," zei de schilder. Hij boog zich naar zijn verfdoos, maar zette die eensklaps weêr op den grond.

Boven den drempel der woning, als een groot stuk licht voorspringend tegen het duister der holte, kwam het wanstaltige hoofd van het gekke kind. Het had den eenen arm heengevouwen om een steen, terwijl de andere languit naar voren lag over den drempel, die het ondergedeelte van het lichaam bijna geheel weghield, en telkens kwam het hoofd op, en daalde dan weêr neêr, met een doffen smak vallend op de harde rots. Soms bleef het daar een wijle omlaag en schuurde zich het voorhoofd langs den steen, en dan werd het steunen heftiger en ging over in een wild janken, evenals of het kind toornig was geworden om de hardheid der stof, die hem belette zich daarin te begraven. Maar dan kwam het weêr naar boven, het gelaat vertrokken tot een carnavalsmasker, vreemd en huiverig van verschijning als de ziekelijke uiting van een overspannen brein en dan zonk het hoofd opnieuw omlaag, om neêr te vallen op den harden drempel.

--«Och," had de schilder gezegd.

--«Es tonto," zei de deerne, «het doet hem geen pijn, heertje, es tonto."

Maar haastig had de jonge man zijn boeltje opgenomen en weggaande riep hij: «tot morgen."

--«Als het morgen regent, kom ik op de Puerte Real," riep de jonge vrouw.

--«Goed. Adios."

--«Vaya Usted con Dios,"[19] groette ze terug.

[19] Dat uwe Edelheid met God ga.

--«Zal ik u den weg wijzen?" vroeg de mottige.

--«Gracias," was het antwoord.

Snel daalde het pad omlaag, al sneller en sneller dwong hem de helling tot gaan; de cactussen vuurden en vlamden in de zon en hielden hunne stekelige armen naar voren; de grond wierp klare stroomen licht terug en omhoog den hemel in 't gezicht, die hel glansde, strak en onbewegelijk achter haar koperen huid; overal zon, overal licht, overal om den jongen schilder, die voortholde met zijn verfdoosje aan de hand, armzalig vluchtend voor het licht.

Maar op den grooten weg gekomen ging het langzamer. Aan zijn linkerhand lag nu het dal van de Darro, als volgeloopen en bevolkt met zonneschijn; aan den overkant schaarden de heuvels zich naast elkaâr, hun lange boomen tot pluimen dragend in de zon; en op den top van den laatsten der rij stond het oude Alhambra met zijn roode overblijfsels, nog neêrziend op de nieuwe stad aan zijn voet, die zich uitplooide als een granaat opengespleten in de hitte; en de rijen van huisjes waren regelmatig als rijen pitten, van uit de hoogte gelijkend aan opgezet kinderspeelgoed uit een Neurenberger doos, en daar weêr achter rekte zich de vlakte der Vela in een damp van licht, eindeloos ver, vaag.

En van onder uit de stad kwamen donkere mannen opzetten, komend van hun werk; vrouwen met roode lappen om het hoofd, zuigelingen dragend, donker als zij zelve; vuile kinderen holden uit de woningen, bedelend met uitgestrekte hand; ezels gingen voorbij onder het aanroepen der drijvers. Overal geschreeuw, gejuich, geschater, stijgend in het hooge jubelen van 't zonnestof, zooals het gure lachen van den waanzin zich wringt tusschen de gloeiende stroomingen van een menschenziel, in het gouden gemurmel van droomen en begeerten.

Een Reisindruk.

EEN REISINDRUK.

Op de Plaza Santa Maria[20], over den besneeuwden grond, kwam langzaam een donkere stoet opzetten, van beneden uit een lager gedeelte der stad. Voorop liepen zes jongens gestoken in kerkgewaad; een rood kleed van een goor rood, bezaaid met kaarsvetvlekken, meêgebracht uit vroegere processies, viel hun tot op de knieën en liet de oude broek met afgetrapte randen slordig flodderen boven grove, stevig gevormde rijgschoenen of laag schoeisel met blauw omboordsel der afgezakte kousen. Over het roode pak droegen ze een wit met veel blauwsel gewasschen koorhemd, dat bijna zonder mouwen, met kneukelige plooien neêrhing. Dan volgden vier andere kleine jongens in hun gewone kleeding, die een lijkkistje droegen klein als een poppendoos, wit geverfd, met roode en groene bloempjes geschilderd op het deksel; aan weêrszijden der dragers liepen andere jongens eveneens in hun dagelijksche kleêren, die een waskaars in de verkleumde hand hielden, dikke, gele stukken waskaars met zwarte, uitgebluschte pitten. En enkele kaarsen waren in het midden gebroken. Allen waren blootshoofds, hadden koude, paarse gezichten met natte, druipende neuzen en roode vlekken op de dikke wangbeenderen. De voorste der zes kerkknapen hield met de beide handen den stok van een kruis tegen den buik geklemd, waaraan van boven een kleine zwarte banier bengelde aan een dwarsstok. En van tijd tot tijd schreeuwden ze alle zes een paar woorden latijn, met groote wijdopgesperde monden, waaruit hun adem opsteeg als een kringelend wit wolkje van rook; achter hen volgde een groep mannen, twee aan twee voortgaand achter het lijkje, gebogen, met de petten in de oogen gedrukt; kin en mond waren weggestopt in donkere mantels, die met een diepe, donkere plooi onder het ovaal van den kop over den schouder was omgeslagen, hun vervolgens laag langs de beenen neêrhing met overdwarse plooien, hun het voorkomen gevend van roovers uit een operette.

[20] In Burgos.

Tegenover de kathedraal schoof de stoet tusschen twee donkere huizen een weg in, die met een breede trap opging verder naar boven. Van beneden de plaats kon men den stoet zien klimmen, zich donker afteekenend tegen de sneeuw, met de roode jongens voorop en de zwarte banier schommelend boven de hoofden der mannen, die bedaard opklommen, telkens een trede der trap meer achter zich latend, als een donkere lijn getrokken in de sneeuw. Om hen zag men brokken der stad, zware, donkere huizen met breede witte vlakken beplekt of gesneden door schuine lijnen sneeuw op de voor elkaâr schuivende daken.

Boven gekomen sloeg de stoet een hoek om, gaande naar het einde der stad; hij schoof verder langs een eenzame huizenrij, grauwe donkere huizen, dicht aaneengesloten, met verweerde, groene of roodgekleurde deuren. Op het midden der rij, aan een der ingangen zag men twee doodkistjes, die tegenover elkander aan de deurposten waren gespijkerd, kistjes voor kinderen, geverfd met een grof blauw; en dwars boven de deur liep een lang bord waarop eveneens een lijkkist was afgebeeld, daarop geschilderd door een benauwde hand, als een vlek dood zwart gedrongen in een onbeholpen, kinderlijken omtrek; en de met geel aangeduide schroeven en handvatsels verrieden de inspanning des zorgvuldigen werkmans, terwijl aan de vier punten van het bord overhoeks zwarte woorden geschreven waren, die het bedrijf en den naam des bewoners lezen lieten. Met een lichte kromming liep de weg vervolgens langs de huizen over in een laan, die aan weêrszijden beplant was met jonge boomen.

Toen was de begrafenis buiten, geheel in de sneeuw.

De lucht was fijn en grijs. Over den witten weg, langs een zwaar wagenspoor met harde bevroren kanten, ging de trein voort, aaneengesloten, stil en eenvoudig; van tijd tot tijd kwam het schreeuwen der roode jongens, dan was alles weêr stil en hoorde men alleen het geluid der stappen, zacht kloppend op de sneeuw.

Om hen lag de ruimte in een blanke rust. De boomen langs hen kwamen spichtig uit den witten grond; hun dunne stammen waren in de lengte bestreept met een laag sneeuw, die zich met dikke ringen heenboog om de ronding der schors, daartegen aangezweept door den wind, aanwijzend de richting der sneeuwvlaag. En de sneeuw had elk takje gemerkt met een laagje witte vlokken, en de vorst had die daar vastgehouden, aan de boomen het aanzien gevend van fijne witte fossielen, die in de koude versteening hun spartelende vormen hadden bewaard. Aan de eene zijde verlengde zich de weg onder de sneeuwdekken welvend naar omhoog, in breede, blonde golvingen, waardoor hier en daar in de hoogte, rosachtige muurtjes donkere zigzaglijnen trokken, die de richting aanwezen van wegjes verloren geraakt onder de sneeuw. En in dat groote bleeke veld dwaalden hèr en dèr voetstappen van menschen, die omhoog waren gegaan dwars door het veld, de witheid borend en storend met een gat donker; of er kwamen soms doode, dorre grassprieten naar boven als borstels, als dikke haren rijzend uit de donzige, blanke vlakte.

Aan de andere zijde daalde het veld omlaag, langzaam in breede statige helling, om uitzicht te geven in een witte oneindigheid. Boven den zoom der glooiing kwamen de toppen van fijne boompjes, staande langs een laan welke men nauw zag, die met het ijle gewriemel van hun geraamten het kleurlooze veld omboorden als met een rag, zooals een fijne witte kant dat doet aan het witte doodskleed van een rijk overledene. In een teêr lila maakten zij zich los uit de sneeuw, blank en blond en bleek, rustig en zacht, als kalme, pijnloos gestorven kinderen. Terwijl daarachter in de wijde ruimte, verstrooid hier en daar, dichtbij of vèr, enkele zomerwoningen uitstaken met besneeuwde daken, als verafschuwde lijkenloodsen verlaten staande, die hun hardkleurige stijve murenmassa's schril en rauw werpen kwamen tusschen de smettelooze tonen van den winter.

Naar voren, in de richting van den steeds voorttrekkenden stoet, boven de grens der wijdweg blauwende vlakte, glimmerde van onder de effen grijze lucht een dofgele, waterige streep licht, die tusschen de boomen doorspartelen kwam, de takken naar het einde saâm- en ineenloopen deed in een krachtig gamma van grijs en blauw tot purper.

Maar toen de begrafenis gekomen was aan een groote met muren omheinde ruimte, even bezijden den weg, verbrokkelde de orde. Een trap kwam in het midden van den geel gepleisterden muur, leidend naar een kolonnade. En de stoet klom op als een bende die haast heeft. Boven de hoofden der dooreendringende mannen en jongens zag men door de zuilen heen een andere trap, hooger dan de eerste, die op haar beurt leidde naar een plat waar een kapel rees, een hard geel gebouw met namaak van romaansche bogen onder een groot rond stralenraam en met versierselen van dezelfde soort. Onder de bogen wandelde een in 't zwart gekleede priester, die zonder opzien las in een gebedenboek, het boek voor zich uit, de armen scherp in 't gewricht gebogen tegen het lichaam aangedrukt. Hij kwam en ging, herhaaldelijk en herhaaldelijk.

Het zwarte vaandel was tegen den wand gezet. Vier der roode jongens hadden het kistje tusschen zich genomen en een der mannen een krans van gemaakte bloemen van een tafeltje bij den ingang, en dien betaald, het geld uit zijn vestjeszak nemend. Toen waren allen een hoek omgedraaid, langs een muur geschoven, gaande langs ondergesneeuwde perken die in hun midden kruizen geprikt hielden, zwarte, van ijzer geslagen kruizen met vergulde punten en stralen.

En eer men recht zag hoe, lag het kleine witte kistje in een even kleine, donkere groeve, en een man met een houweel in de hand was heengestapt over de holte, het overspannend met de beide beenen. Hij gaf een hak in den grond, vervolgens den steel van het werktuig aan den man die den krans betaald had. Het stuk aarde viel op het kistje met een zacht week geluid, onder het geruisch dat de in hun mantels gehulde mannen maakten, die al op en neêr drentelend, op den grond stampten met hun schoenen. Toen zeiden velen van hen tegelijk: «Vaya, vaya!"[21] De koorzangers waren al weggegaan, den krans medenemend; en in een oogwenk was het kerkhof ledig, eenzaam in den pronk van zijn vele sierlijke monumentjes met latijnsche opschriften, prijkend tusschen denneboompjes, belast en bevlekt met dikke brokken sneeuw. Maar de graver hakte voort, stukken molmige aarde, sneeuw en wortels werpend in het kuiltje. En onder zijn hakken werd de grond zwart rondom hem, zwart als het kleed van den in de hoogte prevelenden priester, en het grafje vol, donker gemerkt in de sneeuw die overal lag, bleek hard, koud en dood.

[21] Ga meê, ga meê.

Een Stierengevecht.

EEN STIERENGEVECHT.

't Was op een Zondag in Juni. De Plaza de los Toros[22] had de geheele week staan blakeren in de zon, ledig, met gesloten poorten, op een afstand de begoocheling gevend van een reusachtigen oven, met het onheilspellende voorkomen van een gerechtsplaats. En dichterbij, met haar recht rijzenden ringmuur van rooden steen, met haar nagemaakte Moorsche raam- en poortomlijstingen, deed zij denken aan een dakloos bouwwerk, dat onvoltooid was gelaten te midden van een braakliggend veld. Nieuwe aanplakbiljetten blonken eraan boven het uitgebleekte overschot van vroegere, en om de terreinen heerschte de drukte van een beginnend feest.

[22] Plaats voor stierengevechten.

Langs den weg, die met een half uur gaans terug voert naar Madrid, was alles in feesttooi. Voor de withouten, hier en daar met sparregroen versierde barakken van water- en brandewijn-verkoopers, boven de deuren van voorstadachtige kroegjes, hingen de kleurige vlaggen en wimpels, loom en onbewogen in de heete lucht. Tegenover de ingangen der Plaza, aan weêrszijden van den straatweg in het midden doorploegd met een ijzeren spoor, hadden wijven en kerels zich klaar gezet bij manden en handkarren belast met stapels oranje-appelen; en jongens drentelden rond met bundels programma's over den arm, dwars over den weg, dwalend door het zand, wachtend, in de nabijheid blijvend der Plaza, met opkoopers van plaatskaartjes, en leêgloopers uit de buurt. Aan de tafeltjes voor de kroegjes, onder de schaduw van dunne boompjes die stonden te sterven in het mulle zand, zat soms een enkele boer in zijn deftig zwart zondagspak, die zijn gesuikerd agua con aguardiente[23] bedaard slurpte met spaarzame teugjes, of zich het gezicht afwischte en bewaaide met een grooten zakdoek.

[23] Water met brandewijn.

Tot ongeveer drie uur bleef de vlakte zoo alleen, blank in het heete licht, beheerscht door het bleekroode zonnige silhouet der nieuwgebouwde Plaza de los Toros. Tot dien tijd was er het rauwe van een stuk grond dat ontgonnen wordt, het onhuiselijke van een wijk in aanbouw, het afmattende van een heete zandvlakte zonder water; terwijl daarentegen de schelle kleurstippen, het klinkende oranje der vruchten in de laagte, het vroolijke vlaggenrood in de hoogte, de popeling voortduren deed, het verlangen naar een op handen zijnd feest.

Maar daarna, als op een gegeven sein, zag men groepen van volk aankomen; mannen en vrouwen en kinderen, allen in Zondagsdos, met warme en glimmende gezichten. Vele der mannen droegen breede hoeden en hadden kleine lederen dikbuikige wijnzakken medegebracht, en onder de vrouwen, die zich onafgebroken bewuifden met hun rooden waaier, waren er velen met mandjes of dichtgeknoopte zakdoeken vol uitpuilenden mondkost; en immer kwamen er meer mannen en meer vrouwen, wier bont opgepronkte kinderen huilden van hitte en vermoeidheid; maar ook ruiters kwamen, soldaten der burgerwacht, met deftige zwarte steken en hoogroode borsten aan hun uniformen, en rijtuigen zag men aanrollen, voertuigen van allerlei soort, groote, lomp-hotsende tentwagens versierd met vlaggetjes, bespannen met zes muildieren in een druk-bont tuig, tusschen karren en gele omnibussen ingericht voor de gelegenheid, opgepropt met pleziermakend volk; en het was een jagen en rossen om het hardst, een kleurig gewriemel boven bonte, vluchtige doorkijkjes tusschen wolken van blinkend stof, een voor elkaâr schuiven met grillig geharrewar van kleuren in de zon. En uit den stofdamp dien men proefde op de tong, kwam een heir van rauwe geluiden aanjagen, korte, plotselinge zweepslagen van links naar rechts, schorre heete schreeuwen van voerlieden, die met voorovergebogen lichaam hun beesten voortranselden, onder vlagen van gejuich en gejool uit de overvolle wagens. En boven alles uit kwam dan het oorverdoovende fluiten der nieuwe drommen aanbrengende tram, met een snel naderend en aanzwellend geluid, dat de van warmte blazende voetgangers joeg op de voetpaden, achter de bestoven boompjes.

En wat later weêr kwamen de nuffige fijne uitrustingen der edelen en rijke burgers, met kroontjes en wapens op de portieren, met den pronkerigen koetsier op den bok van zijn glimmend voertuig, den kop rechtop in zijn stijven halsboord, de voeten geklemd tegen de voorplank. Maar toen reeds waren de deuren der Plaza opengezet en duwde de massa zich zelve naar binnen, om uit elkander te gaan in de koelte der gangen met het losgelaten «_oef_" van een verhitten en bezweeten hoop menschen, die elkaâr verdrongen hebben om wat frischheid.

Buiten dreunde nog lang het machinegeruisch der aanrollende rijtuigen, en in de hooge gangen der Plaza klonk het en kwam het indringen met een dreigend ondergrondsch gerommel, als het geluid van een verren donder, dat sidderingen en echo's opriep langs bogen en gewelven.

* * * * *

--«Sombra Tendido[24] 20 No....." riep een stevige boer tot een der knechten die binnen de ingangen tot het binnenste der Plaza bewaakten.--«Tendido 20 No....." klonk het onmiddellijk achter hem. De boer keek even om zag een zwierig gekleed jongmensch achter zich aankomen en zei toen onder het opklimmen:--«dan zijn we buren, Caballero."

[24] Schaduwzijde, besproken plaats.

Boven gekomen, uit het helle halfdonker der trap die als een groot keldergat achter hen terug daalde naar de gang, bleven beiden een oogenblik staan, versuft, met een onwillekeurig dichtknijpen der oogen, verblind, overrompeld weêr door het licht, dat met de gloeiing van een heet vuur hing boven de Plaza.

Voor hen uit kromde zich om de schijf van het bleekgele zandperk de zonzijde der arena. En het was of zij op hen aandringen kwam in de schaduw, met de opeenstapeling van haar naar achteren uitwijkende rijen van zitbanken. Als ringen getrokken op het ronde vlak van een omgekeerden afgeknotten kegel, ontwikkelden zij zich naar boven, met lange steeds wijder wordende ringen. Boven den uitersten ring, het gezicht beperkend, zagen zij den buitenmuur opschieten overhuifd met een door zuiltjes gedragen dak, die een galerij vormde met nieuwe rijen van zitplaatsen; en de onderste rij, binnengehouden door gespannen touwen, kwam meer dan een manshoogte te voorschijn, van achter een opstaand uit den grond rijzend cilindervlak, een met rauwe kleuren geverfde omheining die als een stevige dijk het strijdperk afsloot, een helgele schutting, bestreept met breede roode lijnen, lintvormige vierkanten van gemeen rood, die in hun midden nummers hadden en het strijdperk verdeelden in een gelijk aantal vakken; terwijl iets meer naar binnen een andere schutting was met kleiner cirkel getrokken, een smalle gang achter zich latend, een van schoren en drempels voorziene planken heining die alleen in 't zand stond met een kleur van vale bloedvlekken.

Zóó lag als het bekken van een grooten krater met het vlak van den verren blauwen hemel boven zich, de bijna nog ledige Plaza te schroeien in de zon; en een groote schaduw vulde voor een vierde de ruimte, een zware, architectonische schaduw, diep blauw, die neêrdalen kwam over de steenen ringen van zitplaatsen, een halve maan trok over het lichte zand, en weêr naar boven versprong over banken en galerijen.

--«Dat is de Toril[25], caballero," zei de jonge man en hij wees op een groote, gesloten poort die diep tegenover hen kwam uit de achterste rijen in de zonzijde, «en uit die komt de cuadrilla," vertelde hij verder, op een andere wijzend die links stond.

[25] Poort, waar de stier uitkomt.

De boer bleef voor zich uitkijken, breed op zijn plaats gezeten, met ontbloot hoofd, de handen op de knieën met buitenwaarts gekeerde ellebogen. Hij haalde bedaard rookwolken uit zijn sigaret en keek naar beneden, naar eenige mannen die bezig waren het zandperk nat te spuiten.

In de schaduw waar ze zaten begon de circus druk te worden. Uit de keldergaten kwamen ze op, de vroolijke luidruchtige menschen, die hersteld en opgefrischt in de gang, hun feestvierende gezichten hadden teruggekregen. Bij tweeën en drieën kwamen zij, klauterend over de banken, druk zoekend naar de hun aangewezen plaats, en langzaam verdwenen de steenen ringen onder de drommen menschen, immer kwamen er meer, en dikker stapelden zij zich op tot rijen van hoofden en bovenlijven, op elkaâr gepakt tot één groote rumoerige massa die met het heerschende zwart der kleêren blauw werd in de schaduw en als bezaaid lag met de gedempte kleuren van waaiers, doeken en buikbanden. En in de overdekte balkons met de gesloten koningsloge in het midden begon het te wemelen van een deftig publiek, onberispelijk gehandschoende heeren en dames prijkend in de nieuwste mode.