Chapter 18
De bleekgloeiende letters folteren zich door den mist van den licht wordenden regen. Suis-zingend, 't bruisen nabij staat er de Bar. Ze houdt de kandelaars-armen verwelkomend uitgestoken bijzijden den kapel, die dragen nog de gekroonde kooien van het ouderwetsche gas of 't leêge bekers waren. En een paar mannen, gekomen uit het donker van de winkelpuien der tegenover-gerichte dwarsstraat, treden er recht op aan, over de gladde baan; zoo nacht-insekten 't licht, verteert hen de Bar.
De regen glibbert; de natte nacht verwerkt de geluiden niet. De Bar bestookt uit de licht-kolven, hangt festoenen op in het hout boven de zweeterig beslagen spiegels; door de zwarte nacht-wildernis schreit een metalen gil, en onder de kaarsvlam van de straatlantaren staat nu _a soul_ onbeschermd in den regen en houdt een monoloog.
Een Wandeling.
EEN WANDELING.
De drachtige akker ligt bemarmerd van sneeuw; in het land staat er de mestkar als vergeten. De tijd is stil. De zon, een schim, wijlt hoog-weg boven de wereld, schijnt te rooven en te geven niet, en moeielijk streeft de weg de voeten vooruit als naar een verheveling onder de heemlen.
De aarde zoo aandoenlijk ligt; vergezichtloos en heimlijk zich vertoonend; uit de drassige dooi en de oude waden der lucht losgewikkeld, gelijk een pop die het spinsel ten halve verliet, te vroeg; want de wolken onbetrouwbaar zijn in hun gedaanteloosheid.
Sintelige vooglen klapwieken over.
* * * * *
Ontlating er is. Als groeizaamheid dreint uit de wolken daar neêr over het benaderde bosch en beweging verdeelt de nevelen. En opener broeien zich de voren in het land, waar zienderwijs de dunne sneeuwing smelt. O, niet zoo ras versmelt de kilte neêrgelaten in een open ziel. Een greep zaadkorrels, zaaien zich vogeltjes weg in de voren, er dwarrelen er voor den dissel der mestkar die gebaart naar den mist; ontlating is overal, slootwater doet of het wil te rooken beginnen en boven de weêrschijnen van verguldingen vol, drijft parelig kroos vrij van den molmigen wal.
* * * * *
In-sidderend van knopjes als water-gedrop en waterdroppels als knopjes staat er het suizelende bosch. Het broze gebruisch van leeking groeit aan als het leven van weldoenden regen, en eensklaps, tusschen uit het geraamte van het vrozene hout kwam de wedervinding: de lucht als te parelen meê aanvangt van de volheid der vogels.
* * * * *
Hoor, uit het bewoonde, uit de boomtoppen, het gedak der laatste omsjilpte huizing overbeurend, gaan ze, naar de van sintelige vooglen omstommelde kruinen, de lange halen van de regenfluiters, naar den bosch-zoom over. En gansch een vlucht wegzwermde van den akker, streek licht-streepig wiekend in de lage takken-raggen neêr, tot vele keeltjes er blozen.
* * * * *
Uit de schemeringen zoeken de geluiden hun weg; hoe wonderlijk is nu het binnene van het bosch. De stammen zich bouwen blijven uit het vochte moer, ze werken zich op naar waar de stemmen drijven. 't Is onverdrietelijke aarzeling toch boven al dit opgaan en dalen; de ruige struiken overal, doode vreugden beklaag ze niet, behangen van bladerlijkjes zijn, waar mossen fonkelen als schatten die verzonken.
Hoor, hoe de halen der regenfluiters zich heen komen buigen over deze vergetenheid waar het zingen wil.... het pinkt en piept, het tutert er en kwinkelt en twinkelt, genood en teeken van tegenwoordigheid wiekt henen en weêr door het teêr redetwistende hout. Een keeltje vleide, vervloog ginnegappend, sliept verder op uit, fluit ver-weg en toch dichte-bij, weêr slaat een aan en hoog-óp tiereliert het: o zomer, o.... maar, knappende snaar, het wijsje breekt af, ver fleemt het lokken en de verweeuwde zanger jaagt. Nog worden de melodieën niet volzongen in het van glazene schilfers overal wiebelende bosch.
Sprenkelingen van zang, het gesprokkel nog niet uit is in het rot-riekende. Zijn de vogeltjes voorbarig? Maar zingen is worden en nooddruft ook. Het spa getij mag tronen nog en de gezangen kortwieken telkens, nauw is er krieking van vroeg-jaar of het bosch is van ze vol. En wel een stem is brekelijk, gezang is als jeugd, als vriendschap en liefde, gedragen van wasemen en adem, en de winter is de ouderdom van het àl. Wat weten de vogeltjes van dit alles, wat van voorbijgaan, wat van de kou der ervaring, nauw is er krieking van vroeg-jaar of de hemel is aan hun.
Boven de alomme verweering en verkeering werken ze met d'ontbonden banden van hun keeltjes. Hoor, hoe de zangen knoppen, hoor naar den wildzang van het bosch en verlang niet meer. Als eenmaal de schutsels zullen vallen en welige schuilingen, de blaâr-tenten staan, zullen ook stemmetjes genoeg zich hebben leeren voegen naar elkander. Dan zal er de zanger zijn die der dagen volheid doorproefde en om de nachten zingt.
Het klagen is om het zijnde. Hoor, hier in het middene komen de roepen der regenfluiters alle samen, en staat het bosch te parelen onder de onzienlijke togen van het geluid.
* * * * *
Het stronkige akkermaalshout glinstert boven de rooie molm der aarde. Vogeltjes gulden groen als 't geschijn uit knoppen en blauw als de opene, vochtvolle hemel stroopen de twijgen af. Hun vlerkjes proesterig snorren.
En der uiterste boomen wichtige takken zwenken weêr over den weg. Waar wijd in de stilte dezer dag, het werkland zich gelaten aanlegt, paarsch-zwart en bijna schrijnend open, van de gevleugelde wondertjes bestoven.
Boekbeoordeeling.
BOEKBEOORDEELING.
Atlas van Nederlandsche planten en detailplaten, bewerkt door Th. Nieuwenhuis onder redactie van Prof. Dr. J. Ritzema Bos.
Wanneer men de grof-bonte prenten kent, welke tuinbouw-blaadjes, zaad-catalogen enz., waarlijk het aanbod is groot, zoo vaak vergezellen, en de stomp-duidelijke afbeeldingen voor leerboeken en schoolgebruik, de vraag er naar schijnt grooter nog dan het aanbod, wanneer men die kent, dan is het een vreugde voor een bewonderaar van het mooie plantenleven, nu eens een prent te krijgen die een gewaarwording wekt, evenredig prettig aan het gevoel dat het aanschouwen der planten zelve hem geeft. Maar behalve dit gevoel geeft de Heer Nieuwenhuis ons in deze eerste plaat van de reeks, welke opsteller en uitgever der Vragen van den Dag ons met bijschrift van Prof. Dr. J. Ritzema Bos beloven, nog wel wat anders ook, dat te bewonderen en een dankzegging waard is.
Eerstens om de wijze waarop hij in dit eerste nummer het begrip toont van het doel, waaraan deze reeks, lijkt ons, beantwoorden wil.
Pl. I heeft tot onderwerp «de Gewone-wilde of paardekastanje (Aesculus hippocastanum L.)"
Boven uit den linkerhoek van het plaat-vierkant, ons als dadelijk vingerwijzend hoe de boom gemakkelijk aan zijn blâren kan worden herkend, komt de bladsteel of hij afstak van een onzichtbren tak en spreidt het blad met de zeven stralige midden-nerven naar alle kanten uit. Een blad uit een _herbarium_ is noch gaver, noch zuiverder, en de noodzakelijke afsnijding door de grenzen van het te beteekenen vlak, vermindert in het minst niet de kloekheid van het volgroeide blad.
Langs de gansche rechtsche zijde komt dan de blanke bloemkaars, de staande tuil der bekoorlijke snipperige bloemetjes van onderop, tusschen uit de voetingen van twee bladstelen--steunblaadjes? knopjes? zijn in de oksels--en links naar de richting òp van den bladsteel van het volwassen blad, draagt de eene steel, een ander, een jong, wat saâmgevouwen blad, dat krachteloos nog van nerven, gaat afhangen naar d'ondersten linkerhoek.
En in den rechter hoek van onder is de plaats der vrucht, van den stekeligen opengesprongen bolster houdend het gladde zaad.
Zóo, uit een strikt gevoel voor de nobele groei-wijze der aftebeelden plant is Pl. I geheel gevuld geworden.
En de kleur, teruggebracht tot het allernoodzakelijkste, doet meê tot den vriendelijken schijn. Het groen der blâren, op den achtergrond zwart als niets anders te doen hebbend dan het verheffen van het blank der bloemtuil, is saâmstemmend verzeld alleen en aangevuld door het sober rood van het zaad.
En ten andere is zeker nooit genoeg te loven, de geest die uit dit werk naar ons toekomt. Er gaat zoo een ontvankelijkheid naar ons van uit, een stille blijdschap om het mooie werk dat te doen is, en een trachten om de eenvoudigheid, en een ontdekking om de frischheid en ook, om het begrijpen van de eeuwige struktuur. Wanneer wij de aandoening hier zouden willen zeggen, welke van af deez' wetenschappelijke plaat, dit jonge, heelemaal opengaan willende blad, ons plantenbeminnaars verschaft, wel, wij zouden er hemel en aarde voor kunnen gaan bewegen in dezen kouden vries-tijd.
Ten laatste ook iets dat op een aanmerking gelijkt; want, 't mocht eens gebeuren dat deze planten-reeks (wel jammer dat zij vastgehecht zijn in het boek) werden opgehangen in schoollokalen en kinderkamers. Dan zou 't gebeuren kunnen, dat een dreumes de «dolle" kastanje die hij gretig raapte in park of tuin--wat later in den tijd raapt hij er de «paardepooten" en maakt er brillen van en bitten--opdiepte uit zijn broekzak en poetste op zijn mouw, dat zij glom, glom, en hij zijn kastanje, met reden, mooier vond dan die doffe van de plaat.
De Heer Nieuwenhuis zal zeggen: ja maar, het paste niet in mijn prent-geheel. Best.... maar een _eigenschap_?
Zoo'n kastanje-bolster is een nijdig ding en prikt aardig van zich af. Dikwijls verwonderde het ons, hoe dit mildvallende, wrange, wansmakelijke zaad,--«geen beest wil 't vreten," zeggen de buitenlui, die nog altijd kastanjes tegen rheumatiek in hun zak dragen--met zoo'n afwerend schild is beschermd geworden. Misschien, nu er de herten niet zoo veel meer zijn, verbergt het voor ons ook nog een groote waarde. Ook om dergelijke verwonderingen en de vragen die er in den wilde door kunnen in ons ontstaan, zal Prof. Ritzema Bos ons wellicht wat meer «populair" willen tegemoet komen, wanneer hij maar weet dat er onder zijn lezers zijn, die luisteren graag.
Februari 1897.
Gedichten van Jacques Perk met Voorrede van mr. C. Vosmaer en Inleiding van Willem Kloos. Versierd door Th. Nieuwenhuis. Uitgave van S. L. van Looy, Amsterdam.
Alweêr, het is al de tweede maal na nieuwjaar, kwam met Nieuwenhuis' kunst het voorjaar bij ons in. 't Leek of er wezenlijk het raam mocht open en of die zachte lucht naar binnen kwam waar al de knoppen op wachten. Als die er is, dàn zal er getjuik van vogeltjes zijn van overal, alle geluiden worden opener, de menschen beroepen elkander of zich hun zielen ontpopten. Want de lente-bekoring is onwederstaanbaar en waar zij komt is er ontwaking zomerwaarts. Zoo was het toen wij dit boekje kregen; en voor ik er toe overging de verheuging daarom hier wat uit te vieren, uit te laten schieten tot een zodeke wel op 't papier, en er het krinkeltjes blasende zoeltje van mijn genoegen om dit dubbele present, over durfde laten gaan, tot er was 't maar éen meizoentje in bloeide, heeft het in mij omgegonsd als van een vroege bij.
En nu, schoon 't buiten vriest weêr, maar het geuren der daags geplukte viooltjes de gedachtenis om dit boek als komt bewierooken, herdenk ik hoe de winter is voorbij toch en hoe dit zelfde boek, lang geleê, mij ook eens het geschenk van een vriend was, toen anders, nu in een kaftje donker, maar als een onsomber geworden rouw om het vroege verbloeien van den dichter,... dit zelfde gedichten-boek, waarover ik een andere hand vòor mij, als streelend zag gaan nu, en waarom ik wel wenschen zou deze lente-bode te mogen begroeten in de mooie roke der bewondering van haar wier boodschapper ik hier ben.
Was dit boek eens mijn geluk en heb ik het hooge:
O zomer, met uw lokken glanzend gouden En met uw oogen blauw gelijk de wanden Van 't rondend hemeldak,
in me laten neêrzijgen als een regening louter goud, en het wijde:
Stil--Duizendoogig spiegelt zich in 't meir De nacht en laat haar bleeken luchter beven,
in me voelen glazuren tot een diepte van toen ongekend blauw nog en het uit den blijden jubel omzwevende vers-einde nagestaard:
Die zon en zomer te beminnen leeren,
en 't treuren gehad:
Al vlecht ik rozen saâm en lelies, wit en rood, En leg ze op den bemosten steen,
en d' ademloosheid der droefheid die wil terug herkennen:
Zie 'k zijn gelaat: nu maneschijn Zweeft--als mijn liefde--over zijn doodeschrijn.
thans zijn al deze zelfde schoonheden weêr teruggekomen, en van de mooie erkenning als van een nieuwe lente vergezeld.
Deze tweede uitgave van Jacques Perk's gedichten zal een succes blijken te zijn voor den modernen uitgever door wiens edel zorgen mede dit boekje zoo mooi tot stand kwam. Is het vertoon: te voelen wat voor een ding een boek eigenlijk is, reeds een volmondige lof waard, het zal hier niet de kleinste verdienste mogen zijn geheeten er zulk een frissche kracht voor te hebben gezet aan den arbeid. Er bewoog zich in alle opzichten veel jongs om dat jonge boek. Laat mij dus hier nog maar eens mogen herhalen hoe ik den versierden bundel, deze verzen gesloten tusschen d' als loover en spruiten lichtgele groene schutbladen, iets als van de lente hoorde noemen en er daarom nog wat over praten.
* * * * *
Voorrede en Inleiding beschouwend als de tijd-eer om den dichter, dan is, dacht me zoo, dit versieren geen verbeelden juist naar d' eigen beeldenschat des dichters, zelfs de Iris-apotheose is dat juist niet,--zegt niet Kloos, dat van achter dit gedicht de tragedie wenkt van een menschenhart,--en ook geen ingaan in de stemmingen van den klankvollen zanger der Mathilde sonnetten en daaruit verkiezen naar eigen toon-aard; dit is een meêgaan, een als kinderlijk ondergeschikt blijven, en een verhooging geworden, want dit is een voelen hoe elke dichter in zijn wezen, het neêrgeschreven gezang, door de teeken-taal kan worden vergezeld. En er spreekt daarom misschien deze reine onnoozelheid ons uit aan, die ook elke dichter botviert na 't gedaan hebben van een blij-makende vondst. Dit is een natuurlijk dichten geworden om dichten, zooals een goed kind de beeltenis van zijn vêr-vereerden vader zou omlijsten en met bloemen tooien, en toch een weidsche begeleiding, gelijk een zuiver begrepen geïnstrumenteer een heerlijk alleene zangstem niet aanklinkt, doch tevreden schijnt wanneer de stilte onder de stem maar van leegte is geroofd. Zoo stijgt er en drijft er de ziel van den dichter, waar hij stormt en juicht en weent en mijmert, eenzaam onder de blauwe oneindigheid, wijl om hem, en langs hem en onder hem, de rijkdommen zijn, veelkleurig, veelvormig, maar onder zijn hooge stemming verzonken en schier vergaande, gelijk de zoovele gebrokenheidjes geworden van het leven binnen in hem. Was het een zandkorreltje, een gepluisd zaadje, een scheutje, een lobje; een knopje, een drieblaadje, een onkruidje; het eitje van een mier, een larfje, een popje, een rupsje, een motje? Was het 'n air-sprietje, een varentje, een paddestoel, gras? 't Spiraalhorentje van een slak, een gehaft insekt, een goud-haantje? Was het een madeliefje, een takje lelietjes van dalen, gezien, «in the pavilions of tender green" een koekoeksbloem, een wilde ranonkel, kamperfoelie; was 't een foksia voor een raam, een mosrooske in een hof, of aan een vijver een iris;--'t zijn haast alle vroege bloemen die er de teekenaar bloeien laat, de erica zou er zijn om de lente der hei.--Of was het 'n appelbloesemen, 't slierten van een jonge hop-rank door een heg, of de scherm-bloemen van den wilden kervel onder 't hooge hout? Was het een geruchtende vogel, het aansturen eener zwaan, of een gevlinderte boven gevlindert'? Waren het waterlijnen of zwieringen van wolken, was het de voorbijgaande wuiving eener vrouwe beweging.... het laatste is een ster.
Hoe makkelijker men zich eigen voelt in de houding van dezen werker, van hoe 'n vriendelijker jonkheid het alles wordt. Na de Iris-verbeelding: de figuratie van de ontbinding van het gulden licht in het diepe water-blauwen (eeuw'ge tragiek, maar geen dichter is 't, die de aarde zou wenschen woest en ledig) komt er met de verspreide «Overige gedichten en fragmenten" ook iets verspreids in hem zelven. Is dit zich als even verraden een schade voor 't boek-geheel? Maar dieren zijn toch niet minder passend dan bloemen tot mooi-making van het dichterleven; al veroorzaakt een dier meer last, ook aan den eerbied van den teekenaar. Ze komen zoo onverwacht, al die jolige dieren bij elkaâr en men glimlacht eer men 't zelv' weet.... Kom, wanneer een dichter ligt te droomen in het gras, komt er ook wel eens een leuk beest plotseling voor den dag, een eekhoorntje of zoo; en dichters zijn ook menschen, ze hebben een thuis; soms; want wat niet te ontkennen is, er zijn marabouts onder; al zijn er ook wel bij die een grooten gevlekten hond kunnen houden en zich 't lidmaatschap koopen van Artis. Daar, wanneer de kiezel-tredende voeten rond de concert-tent hem gaan verdrieten, of 't Ewig-Weibliche er hem tè modieus is, gaat hij naar de roosvleugelige flamingo's, die vlerk-kleppend voor hem zingen naar de zon van hun ver vaderland, en hij droomt er van Ganges en Nijl. Of wel hij vergeet zich voor de aquarium-glazen waar de visschen zijn en in hun element. Alle dichters worden bespookt van herinneringen; de ooievaar vliegt bij hen even goed over 't dak als de roekeloerende duiven en al is gezegd dat groote mannen niet geestig zijn, ze houden toch allemaal erg veel van katten, is het niet?
Er is nog wel een Hollandsch boek dat wij graag eens zoo ten geschenke zouden ontvangen. Mei. De jeugd, de lente, de illusie, die, de eeuw'ge jeugd van 't leven, als d' adem zelve der schoonheid is die over den dichter gaat. Mei, in zoo een boek; de ook uit water gesteeg'ne, de het land ingedraag'ne op zonne- en luchtewolken en dragende als een geuren-vracht de volksgeboortenis aan; Mei, zóo te hebben, omstoet van alles wat maar den vroegen zomer doorbloost.
Zeg, lieve lezeressen dezer Mei-aflevering, zou dat goed zijn; zou het goed zijn, minnaars van liefde en lente.
April 1897.
Uitgaven van S. L. VAN LOOY
AMSTERDAM
Werken van Jac. van Looy:
PROZA. 4e druk. Ing. f 2.40; geb. f 2.90; op Holl. papier in perkament f 15.--.
FEESTEN. 2e druk. Ing. f 2.40; geb. f 2.90; op Holl. papier in perkament f 15.--.
DE WONDERLIJKE AVONTUREN VAN ZEBEDEUS. Ing. f 2.90; geb. f 3.50; op Holl. papier in perkament f 15.--.
REIZEN. Met 8 teekeningen van den schrijver. Ing. f 2.40; geb. f 2.90; op Holl. papier in perkament f 15.--.
GEKKEN. Ing. f 1.50; geb. f 1.90.
Uit het werk van Jac. van Looy. BLOEMLEZING, bijeengebracht door G. Bolkestein. Ing. f 0.90; geb. f 1.25.
SHAKESPEARE-VERTALINGEN:
MACBETH. Ing. f 1.--; geb. f 1.50.
HAMLET. 2e druk. Ing. f 1.--; geb. f 1.50.
ROMEO en JULIA. Ing. f 1.--; geb. f 1.50.