Proza

Chapter 16

Chapter 163,907 wordsPublic domain

Na den zang waren de gasten luidruchtiger geworden en in groepjes tot elkaâr gegaan; bij het buffet onder het licht stond Arturo, de guitarra in den arm; hij kibbelde met Frasquetito over moeilijke grepen. Vol belangstelling stond de dentiste er bij, zijn haren stekelachtig overeind, omdat hij er altijd met zijn vingers doorheen streek en zijn snorren bibberden, bekantlicht door de lamp, in het getril van zijn praatgragen mond. Af en toe gonsde uit hun midden, als een vierde prater, het gezoem der guitarra. Bij het deurgat, nog in den lichtcirkel, keuvelden Don Juan en Consuela; zij snoepte almaar door gebrande boontjes uit haar zak en knabbelde die op tusschen het praten door.

Maar, van het licht af, in den donkeren hoek, zaten de drie vrouwen; de roode tricot van Carmela was er stil kleurend midden in het zij-zwart der japonnen. Zij sprak weinig, nu en dan een woordje met de Andaluze. Rechts van haar leunde de padrona weêr lui achterover, maar haar gezicht stond strak, alle plezier was er in eens als op bevroren geraakt.

Den korten wand langs dan, volgden de twee oude heeren; ze hadden het blijkbaar over politiek, want telkens kwamen de woorden «gobierno" en «republica"[107] boven hun twistgepraat uitspringen; de oude mijnheer, wiens kaal hoofd een groote vage lichtplek in den schemer was, schermde met zijn armen, gedroeg zich druk en ondeftig in zijn opwinding. De madrilena verveelde zich opvallend, de extrangero zat alleen.

[107] Regeering en Republiek.

Maar de dentiste, wien alles te lang scheen te duren, ging de senora vragen of het gepermitteerd was te rooken. «Si, si, fiumad, caballeros,"[108] riep ze den comedor in, naar al de gasten te gelijk.

[108] Rookt, heeren!

Dat was een uitkomst. Uit een breede van havanastroo gevlochten koker presenteerde de dentiste sigaretten. Arturo stak het witte rolletje dadelijk tusschen zijn lippen. Frasquito gedachteloos door de muziek, lei het op de bewaarplaats achter zijn oor. Goedgeefsch liep de dentiste vervolgens naar den vreemdeling, terwijl het overal rondom begon stil te worden en de gesprekken stremden.

--«Quiere Usted?"[109] In een stijve verlegen buiging stond hij voor den schilder met den strooien koker in de hand vooruit; maar goedig keken zijn oogen neêr als van een trouwigen hond, er was een warm lachje welwillend onder zijn vooruitstekende snor, toen hij nogmaals vroeg: «Quiere Usted?"

[109] Belieft u?

De andere nam het dingetje en bekeek toen, toegevend aan de behoefte hem plezier te doen, zijn mooien koker: hij zag dat er een hart op geborduurd was van roode zij met een witten pijl doorstoken.

--«Lo gusta?"[110] vroeg de dentiste dadelijk.

[110] Bevalt het u?

--«Si, si, mucho!"[111]

[111] Ja, zeer.

--«Esta a la disposicion de Usted."[112]

[112] Hij is ter uwer beschikking.

Maar de vreemdeling wist wel beter. Gisteren had don Rafaël hem zijn meerschuimen pijp die hij toevallig bewonderd had, tot gebruik aangeboden, een glimmende doorgerookte tabakspijp, zwart van tabaksvuil. Dat was maar een gewoonte en niet zoo bedoeld, eene nationale hoffelijkheid was het, anders niet. Hij bedankte dus beleefd.

De drukke man drentelde weêr naar 't buffet. Daar stond Frasquetito, den kop schuin, te kijken naar het handige gedoe van zijn eigen vingers. Hij rolde de korte blaadjes der tabak over in een nieuw papiertje; dat papier van den Estanco[113] stonk, meende hij, seguro, het stonk. Daarna gaf hij bedaard kneepjes in de uiteinden van het rolletje, boog het papier om zooals dat behoorde, want anders valt de tabak er uit. Vervolgens stofte hij zijn handen tegen elkaâr af, en vroeg vuur; de twee anderen vonden dat hij gelijk had, dat monopolie op de tabak was een barbaridad.[114]

[113] Winkels waar de staat tabak laat verkoopen.

[114] Schande.

--«Caballero," riep Carmen eensklaps, «un cigarillo?"[115]

[115] Een sigaret.

De dentiste draafde al, trok met tienmaal meer haast dan noodig was den koker weêr uit den achterzak van zijn jas en presenteerde.

--«La senorita tambien?"[116] vroeg hij.

[116] De juffrouw eveneens?

De Andaluze reikte uit haar achteroverliggen, en rolde toen de sigaret vochtig tusschen haar volle lippen.

--«Fuego!"[117] commandeerde Carmen leuk.

[117] Vuur!

Ze zoog den brand over van de sigaret die de dentiste haar voorhield, bedankte met een hoofdknikje en blies als een jongen of als iemand wiens gedachten dwalen, gulpjes rook tegen het vuureinde aan; daarna gaf ze vuur aan haar buurvrouw; de twee vrouwen verschemerden langzaam achter lange sluierdraden van rook, waardoor de brandende kooltjes van hun cigarillos telkens boorden, vurig, met kleine kransjes van licht er om heen.

Al de mannen smookten behalve Don Juan. De extrangero die een hartstochtelijk rooker was en wien een sigaret niet voldeed, haalde toen hij zag dat de twee oude heeren ieder een groote puro[118] zaten te rooken, al gauw een sigaar uit zijn zak, gelukkig, na de vrij lange ontbering weêr volop te kunnen genieten van zijn geliefd kruid. Hij zat den rook in te drinken met volle teugen en blies ze door zijn neusgaten uit, dampend als een hijgend paard in den winter. En de lampschemer in den comedor verviolette zich soms in het blauwen van den rook, een wolkachtige laag bleef er van drijven, loom boven de hoofden der sprakelooze menschen, om weêr weg te trekken door de open deur. De wierook der tabak dreef breed, doorkrinkeld soms met het kwade reukje van het papier der sigaretten, bijtend aan den neus, als de walm van een even aangestoken fidibus.

[118] Sigaar, letterlijk: een zuivere.

Ratelend joeg de klok zijn hijgenden tikketak de stilte door. 't Was of er iets broeide. Consuela lachte, een harde lach, koud klinkend en alleen. Frasquetito slungelde weêr naar zijn stoel, de guitarra nam hij op zijn knieën, wel bewoog zijn hand, maar geen geluid zoemde.

De stilte werd bepaald storend. Toen Arturo's sigaret op was, kwam hij weêr naast den extrangero zitten. Deze voelde wel dat er iets niet in den haak was; want schuin over zich zag hij de senora, dik en tronend, maar knorrig en mokkend als een vet slachtoffer. De dentiste ging voorbij, mistroostig met een ongelukkig gebaar haalde hij de schouders op.

--«Que es?" vroeg de schilder aan zijn buurman.

--«Ma femme s'est fâchée parce que Carmen ne veut danser."

--«Elle aime à se faire prier?"

--«O, non, monsieur, elle est fatiguée, tout simplement."

--...... «Mais allez le demander vous même," vervolgde hij, «vous êtes artiste, vous aussi, possiblement elle le fera pour vous."

--«O, non, monsieur, je ne sais m'exprimer."

--«Ça ne fait rien, elle comprendra, elle est très intelligente."

Doch de ander bleef zitten, aangepakt door de domme vrees, een mal figuur te zullen maken voor het heele gezelschap.

Al zachter fluisterend begon Arturo toen Carmela ridderlijk te verdedigen tegen de heerschzucht zijner vrouw. Was 't dan zoo onredelijk moe te zijn. Hij wilde zijn vrouw wel eens zien dansen als ze moe was, zoo'n vette koe, dat zou er mooi uitzien, «mio Dios! quel spectacle." En een groote artiste was het, die maar naar Parijs behoefde te gaan om schatrijk te worden. Ze was arm, maar fier als een koningin, «une vraie Espagnole". Ze leefde alleen van haar werk, niemand kon zich beroemen in haar gunst te hebben gestaan. En dat was den geheelen avond in 't theater, zwaar werk doende voor een onverzadelijk publiek.... «vous le verrez, nous irons ensemble".... dat is een geschreeuw daar, van: «Carmela un' pettenera.... Carmen, toujours, toujours;.... y que palmas;".... de zaal davert er van.... en wat een regen van hoeden, ze trekken zelfs hun jassen uit en gooien die voor haar voeten; driemaal, viermaal moet ze dansen, telkens teruggeroepen.... men zou haar laten doodvallen als men haar maar lang kon zien dansen. Was het dan zoo vreemd, dat ze thuis geen lust had tot dansen.... «Ça coûte des forces, oui, monsieur, du sang et des nerfs...." En ze kende alle dansen, er was geen karakter dat ze niet danste, maar vooral haar pettenera, «o, monsieur, sa pettenera!.... je voudrais voir encore sa pettenera!"

Hij sprak vlug uit, de kleurige gezegden van zijn eigen taal mengende in het Fransche gebabbel.

Rondom zijn gefluister bleef 't ongezellig en 't werd al stiller, de gasten ondergingen de kwade luim der senora. Maar caramba, ze had dan ook aan iedereen verteld, dat Carmen zou dansen, en die had het beloofd ook.... waarom was ze dan gekomen als 't niet was om te dansen?.... En zoo zat zij, de padrona, nu in haar hoek met een onverzettelijk wrokkend gezicht, donker kijkend en het voorhoofd gefronst.

Ook Carmen, nu haar sigaret verrookt was, scheen blijkbaar niet op haar gemak; ze kroop weg, mager tusschen de twee welgedane vrouwen, met haar spits gezicht waaruit de lange, amandelvormige oogen stil blikten, weifelend van licht. 't Was een zenuwachtig, stijfhoofdig kopje, waarin de lippen geknepen waren tot een tartend lachje. De Madrilena verveelde zich, de beide heeren rookten hun puros.

Maar de dentiste, die overal zijn geluk met praten had beproefd, troonde eindelijk Frasquetito meê naar het buffet, waar hij hem dadelijk een nieuwe sigaret presenteerde.

.... «Mais elle ne résistera pas longtemps à ma femme," vervolgde Arturo fluisterend, «et savez-vous pourquoi?... Non?" Hij boog zich naar zijn buurmans oor om nog stiller te fluisteren.... «parce qu'elle a des dettes, comprenez-vous, elle doit à ma femme trois mois de loyer."

Hij had nog niet uitgezegd, of de stem der actrice ging door den comedor:

--«Musica, musica a bailar, toca, caballero."[119]

[119] Muziek, muziek om te dansen, speel, kavalier.

De jongen liet den dentiste in den steek, sprong naar zijn stoel, boog met de sigaret bibberend tusschen het vel van zijn lippen, naast zich naar zijn guitarra, en zei leuk en in zijn schik:

--«Pronto."

Carmen was opgestaan, zonder verder iets te zeggen.

--«Su sombrero, caballero,"[120] schreeuwde Consuela naar den dentiste, van wien ze wist, dat hij een flambard droeg.

[120] Mijnheer, uw hoed.

Maar Carmen weigerde met een driftigen knik van het hoofd; neen, dat kon wel zonder.[121] Ze liep naar het midden der zaal, terwijl ze haar keurslijf glad trok en duwtjes gaf in de plooien van haar japon. De padrona keek triomfantelijk van uit haar hoek, de handen gevouwen op den buik, 't gezicht toeschietelijk, lacherig met een schapemondje.

[121] Bij het flamengo-dansen in theaters, zetten de danseressen een manshoed op, meestal van een der toeschouwers.

--«Olé, olé," blerde Consuela.

Maar in het midden van den vloer was Carmen in eens neêrgedoken, saâmgekrompen tot duister, de roode tricot laag bij den donkeren grond; als een gitana neêrgehurkt bij een openluchtsvuur of voor de deur van haar grothuis van rots, op de hakken steunend zat ze, de handen op de knieën vlak, te wachten op den uitval der guitarra.

En de muziek barstte in eens uit, in volle en stoute akkoorden nu onder de hand van Frasquetito uithortend, als een bui, gelijk een hoos van passieklanken, in korte en gedrongen maten sloeg de speler nu den wilden slag des dans, en het trippen en het klappen van de voeten.

Een rilling schokschouderde Carmela, tartend keek ze nog om, maar toen schudde ze het hoofd met het hooge haar, als wilde ze het vrij hebben van de hechtsels der spelden. Vervolgens kwam zij.

Ze rees uit de kniebuiging op, breed opschommelend op den breeden golfslag der muziek, waardoor het rauwe olé, olé, krijschte van Consuela almaar, en de houtachtige slag joeg van haar kleppende handen.

Carmen rees recht, langzaam in een loom gewring, de lenden hol, de borstpunten vooruit, terwijl haar armen dartel langs haar gingen, zich oproeiend van den grond; toen steeg ze snel gelijk een boot tegen een golftop op.

En onverwacht stond ze, de roode buste recht op het piedestal der zwart omrokte voeten, het hoofd kantelde tusschen de schouders, onderzoekend, aandachtig keken haar oogen de lange gestalte langs; ernst was om de lippen.

Maar als wilde ze zich hooger hebben nog en almaar grooter, zoo kronkelden terwijl de serpentlijnen van haar armen op naar hun hoogste rekking met wringende en keerende polsen, met krullende en opzwiepende vingers.

--«Leche, que buen cuerpo!"[122]

[122] Leche, wat een mooi lichaam.

De lippen der danseres krulden bij den uitroep van den drukken dentiste in zijn leverkleurig pak. Toen terwijl haar wuivende armen nog opriepen de beweging, gaf ze in eens een geweldigen knip met de vingers in de lucht, als 't kleppen van kastagnetten sloeg het boven haar hoofd, en met een «anda".... «anda" begroette zij den komenden rhythmus in haar bezielde voeten. Frasquetito beukte de snaren, de Tango-melodie begon heftig, korte en woeste tonen hamerden ziedend onder 't wilde gesla van den jongen vandaan.

--«Venga, venga mujer!"[123] klaterde weêr de vervaarlijke keelstem van den dentiste die zich stond op te winden met klakkenden handenslag, zelven hij overstort door het licht der lamp.

[123] Kom, kom, vrouw.

Carmen danste; donker en groot bewoog ze zich voor den schemerenden wand, vooruit en dan terugspringend als op den afdruk van haar voeten, die uitwipten en het duister weêr inschoten van haar fladderkrinkelende rokken; of in een wippenden hooggang, wiegelende als een kat die mooi spinnend bij beurten zijn klauwtjes in en uit haalt, stond ze voor het kijken van den extrangero, die verloren in dat feest voor zijn oogen, ternauwernood hoorde hoe Arturo zei, dat het eigenlijk een dans was «à deux," voor een man en een vrouw.

Want toen Carmen was komen opvaren van den grond, was plots met een schok een huivering in hem gevallen, hij had de beroering der emotie koud voelen rillen langs zijn rug. Vast met oog en ziel aan die dansende vrouw, genoot hij het wenden van haar rood lijf en het wieken en strengelen van haar armen waaraan de handen in de polsen wrongen.

Gekluisterd, loerend vooruit op zijn stoel, volgde hij de artiste, die in hare beweging, en in het vertoonen van haar puur lichaam, de passie voor hem vertolkte, de begeerte van mensch tot mensch.

Hij zag haar armen loom streelend, slangig elastisch langs haar heupen dalen, haar eigen schoon aanduidend, liefkoozende haar eigen mooi, en dan weêr klimmen, slangig sluipend, en omtoeren gaan het hoofd waarop de spelden pronkten, en heen klimmen boven den haartooi, en het wufte gespeel der vingers, hun noodigend uitknippen in de lucht. En wanneer zij waren dan weêr in hun laagsten val, zag hij haar handen grijpen in de voorbanen van den japonrok; als waren het de einden van een gazen sluier, zoo vatte zij schalks, luchtig met fijne vingertoppen de plooien voor de punten der voeten weg, speelsch doende als een meisje zoo dat zich kijken laat, zich mooi maakt voor haar liefste, voor hem haar schoon vermenigvuldigt.

--«Hya del sol! que bailas bien,"[124] kreet in eens van uit zijn zwijgen de mijnheer van beneden.

[124] Dochter van de zon, wat dans je mooi.

Doch toen de snaren aanvingen het «Nina de mi corazon", stoof de danseres met een vaart een paar springstappen vooruit; als in toorn stampte haar voet daar den grond en met doorgezakte knieën ging ze, terwijl haar armen afwerend wuifden en kruisten; doch als verlangend keek het neerschuddende hoofd nog telkens naar achteren om, totdat het neêrzeeg op haar borst.

--«Venga, tesoro de mi alma,"[125] juichte Juan, opschreeuwend tegen Consuela, die almaar «olé, olé" gilde, boven het barbaarsche kleppen van haar handen.

[125] Kom, schat van mijn ziel.

In een grooten kring, wiegelend op den rhythmus, wegvluchtend, ontwijkend de plaats waar ze liefkoozend had gestaan, schoof Carmela voorbij den extrangero in een desolaat algewring van haar leden, die sidderend zich stelden tegen elkaâr: de romp wringend boven het bekken, de armen in de schouders rollend, vertrokken, als in wanhoop slaande de lucht; de handen in de polsen knikkend, en aan de polsen de krimpende vingers. Het roode lijf laveerde hem voorbij, hij zag de dijen krampend strekken in de strakke stof van den rok. Toen stond ze weêr te trippen op de plaats vanwaar ze was uitgegaan.

--«Anda, luz de mis ojos,"[126] had de opgetogen stem van Arturo haar achterna gejubeld.

[126] Ga, licht van mijn oogen.

Met een ongeduldigen slag van den voet zweepte de danseres de muziek op, terwijl haar oogen nog altijd nagingen het bewegen van haar tijgerranke leden. Ze naderde tot voor de Andaluze.

Daar begon de romp als machteloos zich over te geven naar achteren, te zwijmen op de heup. 't Bewegen der armen werd stil, maar uitdagend klepte nog almaar de voet, uitschietend telkens naar voren uit het geritsel van haar omkrinkelende japonzoomen.

De heftige guitarra-maten waren gebroken in klein geklaag, en toen laag zijgend in de gebogen knieën, zoodat de lange banen kreukend op haar hakken vielen, in een vallende helling staande, greep de danseres de poef achter aan haar japon met beide handen vast, met een snel willend gestrek van haar armen. En terwijl de guitarra zieltoogde en de muziek verruischte, begon ze snel het centrum van haar lichaam te bewegen in een algeheel stil zijn van haar overige leden. De oogen loom naar omlaag, bespiedde ze den dans van den buik. Het gejaag der muziek was uit, maar nog rolde haar schoot en kromp en wrong onder het delireeren van de roepende kreten en het wilde gesla der handen.

--«Venga, venga el escandalo,"[127] tierde met zijn schorre kraakstem de oude wijnkooper; hij zat op zijn ratelenden stoel te springen. En de comedor raasde.

[127] Dat het schandaal kome.

Maar frisch op begon Frasquito een nieuwen Tango. Carmen, meêgesleept door haar kunst, danste voor zich zelve.

En in den rooden schemer van den comedor ging nog eenmaal dat wringende vrouwenlichaam, hooggaande Bayadère met hooggaande armen, donker voorbij den schemerenden wand bezet met de donkere gastenrij. De schilder zag het lijf met zijn kleur van donker bloed in naakte lijnen zwenken, boven het zwart-omhulde voetengestamp en het speldengetinkel in haar kapsel en de rij der knoopjes doorglinstrend tusschen de borsten bij het wenden, als even zoovele sieradiën. Als zij voorbijging hoorde hij het gerinkel van de braceletketting aan haar slingerenden arm en het geritsel van haar rokken en hun geschuifel langs den grond, als opstuivende bloembladerengeluiden in den dans gestrooid. Maar ook het fluiten van haar adem hoorde hij, ontsnappend uit een gaatje dat zij openhield voor het gehijg der vermoeide longen midden in 't klein stroef lippengeplooi. Oogenblikken kwamen er dat zijn zinnen verdwaalden, dat alles in den comedor voor hem meêbewoog in de schemerende beweging; dan ontdekte hij overal tegelijk beweging, moest hij op alles letten. Heftig als een woedende harteslag reed de slinger der klok boven 't geraas van muziek en menschen; meer oogen blonken voor het deurgat, de dokter, en tusschen uit de verontruste voeten der padrona, sloeg de kat, klein, met een fluweelen poot naar den voorbij dansenden rok.

En de gasten ijlden losgelaten woorden in de overspanning van hun bewondering; met gebaren van slaapwandelende menschen deden ze; als in een droom zittend sloegen ze den cadans in hun handen, volgend als hun rijvoerster Consuela, uit wier zwart-opengeschreeuwden mond het «olé, olé" durend gillen bleef, hooguit, als 't janken van een hond.

En in dat groeiende kabaal van menschenstemmen en in dat gehakkebord van het handengeklap, in heel dat duistere, onbewuste leven, zag de extrangero het artistenlichaam van Carmen gaan in den gouden lampschemer, symboliseerend voor hem in groote lijflijnen, het begeeren en het lijden der liefde, en het besluit der opperste levensdaad, den triomf der paring.

* * * * *

.... Een uur later danste al wat dansen kon in de ruimte van den comedor. Carmen alleen had verlof gevraagd zich te verwijderen. Ze was doodmoe en verlangde te slapen. Frasquetito, op zijn plaats, speelde wat men hem vroeg: een polka, een mazurka of een wiegelende wals.

En tot vèr in den nacht was daar in het geschemer van den comedor een gedraai van zwartschimmige dansende paren. Consuela met Juan, Juan met de Andaluze, Arturo met de madrilena; ook de padrona had een dansje gewaagd, eerst met den galanten don Juan en toen ook voor het fatsoen met Arturo. Zelfs de meid werd door den dentiste door het gat van de deur naar binnen gehaald en was, schaterlachend en niet in staat tot dansen, door hem rondgesleurd.

En toen wat later weêr, de nu volmaakt in haar humeur zijnde padrona een glas gelen Jerez had laten rondgaan en de gasten taartjes snoepten onder het uitblazen door, danste nog voor zijn eigen pleizier en onder veel toejuichingen, «o este perfido hombre" de oude wijnkooper, met zijn kaal hoofd 't lichtst in den schemer. Hij sprong met zijn slappe knieën rond en schermde met zijn armen in den elleboog gebogen, omdat hij een taartje almaar in zijn hand had en daar van eten bleef; ze voor zich uit bewegend zoo als een eend die met afgeknotte vleugels klept. En zijn gouden ketting bengelde op zijn lakensch vest, terwijl hij rondsprong en schreeuwde met zijn versleten oude mannenstem:--«Venga, venga el escandalo."--

Een Hengelaar.

EEN HENGELAAR.

Hij stond in zijn eentje te hengelen. Droog, lang, hoekig van magerte, maar in zijn degelijke waterproefjas, in de lenden met een trekker dichtgehaald, als in een huid voor hem veel te wijd; op het oude vlondertje thuis, stevig op zijn schuitvormige laarzenvoeten, stond hij te loeren in het natte geklots van het Amstelwater. Naar het gespoel van zijn rooden dobber, een eind ver in den stroom, hield hij zijn rustigen rentenierskop gekeerd, met kalm geknepen oogen kijkend uit een door niets van zijn stukken te brengen aangezicht, met turende oogjes uit een gelooid vel als van leêr, verdroogd door rust en veel buitenlucht. Hij had den kraag van zijn zwarte regenjas opgezet, tot over zijn oorlellen, als de kraag van een kapotjas hoog, maar de pijpen van zijn pantalon omgeslagen met een breeden zoom, lieten de dikke enkelrimpels van zijn laarsschacht bloot. 't Weêr was buiig, het regende bij vlagen, doch hij stond aldoor hetzelfde, den buik een beetje vooruit, ongevoelig voor nat of droog, als vergroeid met zijn verweerd vlondertje.

't Was een drieplankig vloertje, dat steunde op twee palen met dwarslegger, donkere oude palen, vastgeplompt in het slib van den Amsteloever, wormstekig hout, rottig van 't eeuwige vochtgeklots en glibberig omkringeld met groen geslobber en aalkroos.

En 't hinderde hem volstrekt niet als de regen tegen zijn rug aansloeg; telkens kwamen er nieuwe buien van uit het zuidwesten drijven, de wind was bijna vlak zuid, juist goed weêr om te hengelen. Over de weilanden, van den Schinkel, kwamen de buien waaien, over hem en den Amstel heen; hij begon als een paling te glimmen. Van zijn oud kaasbolletje, een hoed om meê uit visschen te gaan, droop het regenwater zijn rug langs, en op zijn óverlange, gekromde mouw, vol glimmende krooken in de buiging van den elleboog, en vandaar weêr over het paarse stukje vleesch dat van zijn hand te zien kwam die den hengel hield.

't Was een mooie stok, van glanzende stukken riet, al dunner uit-schuivend naar het einde, met blikken kokers aan elkaâr geleed. Hij bewaakte een goed onderhouden spannetje hengels zoo, want, kijk vóor hem, stil tegen het vlondertje aangelegd, met het dunne einde onder water gedompeld, voorzichtig, omdat hij bang was de visch te zullen verschrikken anders, kwam nog een hengelstok tusschen zijn beenen doorsteken. De snoer was maar half afgewonden, de dobber schommelde dichter onder den wal, een witte dobber met een rooden kop. Zoo lag de hengel onder zijn hand. Hij behoefde z'n ander gevisch niet te storen wanneer de dobber wat afdreef; hij had maar even te bukken, als hij eens verleggen wou of meende dat het daar nopte.