Chapter 15
Langzamerhand geraakten de gasten op hun gemak, de comedor begon te gonzen van gezelligheid. Frasquetito had herhaaldelijk willen praten met den extrangero, maar 't kon niet vlotten. Zijn buurman, afgezonderd in zijn hoek, bleef of hij iemand wachtte, stiller en stiller geworden in dat rondgezwerm van vreemde spraakgeluiden, van veel woorden, niet tot hem gezegd, aanspoelend in zijn ooren, veel woorden die hij niet verstond. Hij hoorde het lispelen om zich, rustloos als het gezwatel van bladeren in een boom, een gegons als een ruimtewind van geheimen vol, een loom lippengebabbel als van water dat eeuwig loopt, vertrouwelijk gezeur en geleuter, gaande van mond tot oor; maar opschietend als vinnige visschen uit 't vlakke water van 't gefluister, kwamen tot zijn bevatting de hooger gezegde woorden in het gehinnik van het gelach en het geklank der taal, wanneer een bedoeling natrilde in het levende geluid; hij hoorde het uitsissen en uitzeggen, hij zag de woorden aankomen van achter de gesloten tanden, het optillen van het lippenvleesch en buitjes van spathagelend geluid den mond uitgaan, scherp als een gezegden hoon uitgestooten, dan als met een beet afgeknapt, nijdig. En stemmengegrom kwam overal vandaan, klanken opdoemend als uit de diepte van den buik, een kelderachtig geknor gorgelend door de keel, wanneer uit een wijd opengeganen mond een woord kwam met de zware Arabische jota[81], die als een stuk Noordsche ernst gromt door het gesuizel van de zuiderspraak.
[81] De Spaansche j wordt uitgesproken als een zware g, als onze ch.
Stil zat de vreemdeling, verloren in dat wonder van een gesproken spraak en meêdrijven liet hij zich op dat groote mysteriënmeer, dat hij om zich hoorde ebben en spoelen al breeder en zwoeler, een geluiddrang die de wanden zou uitzetten, te groot geworden voor den comedor. Een waas van vocht begon te nevelen in zijn dichte oogleden, als een vlies cirkelde het zich voor den oogbal; hij voelde de saâmdrukking der pupil en de rimpeling boven de brauw, als wanneer hij zich tot kijken moest inspannen, tot turen zijn oogen vernauwde. Toen was 't een oogenblik of alles wat hij om zich wist, schijnen kwam binnen in de luiken van zijn oogen, verinnigd en vereenvoudigd.
Maar Frasquetito begon zijn snaren aan te slaan en «musica, musica," joolde de meisjesstem van Consuela uit een hoek van den comedor.
Hij keek op. Een valscherm van licht gelijk, sloeg de lamp in zijn oogenzien, hoog, als zwevend boven den vloer; en langs den witten schemerwand zag hij de donkere menschen zitten, zwarte spoken, vaal-lampzwart, met handen en koppen begloeid van een doovig rood; in het natte oogwit spritste het licht en er was naglimmend gefonk in hun gouden sieradiën.
Ze zaten allen stil, leunend naar elkaâr nog, half pratend naar elkaâr nog, in onbewuste spreekbewegingen gebleven, onderbroken in hun gesprek door de eerste akkoorden der guitarra.
Over den vloer, tusschen de stoelen vandaan, zag hij de poes sluipen, stil-donker levend op het strak wachtende plankenveld, dat tusschen hem en de menschenrij kaal en leêg lag, doorploegd met stijve naden en met de bloemen van het nervige hout.
Maar bij den ingang der deur was de lichtcirkel van de lamp rossig op den grond en daar midden-in stond op de voeten wijd vaneen geplant, maar hoogerop leunend tegen het buffet vol glazen, de dentiste in zijn leverkleurig pak, lachend uit zijn wijnrooien kop, met het licht brandend in zijn geel haar en in zijn vlamkleurige snorren.
--«Cantemos, cantemos!"[82] daverde zijn stem.
[82] Laat ons zingen, laat ons zingen.
--«Olé, olé," schreeuwde Consuela dadelijk klaar; ze begon in de handen te slaan.
--«Quien sabe cantar el flamengo?"[83]
[83] Wie kan er flamengo zingen?
--«La senorita."[84]
[84] De juffrouw.
--«Don Juan."[85]
[85] Mijnheer Jan.
--«Excusame Usted."[86]
[86] Verontschuldig me.
--«Si, si."
--«Toca, toca, Frasquetito."[87]
[87] Speel, speel, Fransje.
Allen riepen tegelijk. In het gehaspel der stemmen stemde Frasquito zijn guitarra die hij als een kind op zijn schoot had, de hals stak hem hoog boven den schouder uit.
Arturo, die zijn zoontje had naar bed gebracht, kwam weêr binnen en nam den stoel naast Frasquetito.
--«Venga par aqui, caballero!"[88] stoorde bevelend bijna de soldatenstem der padrona; «aqui, par aqui," riep ze met de hand op de zitting van den stoel kloppend, die nu ledig was aan haar zij.
[88] Kom hier, mijnheer.
Boven het klankgat van zijn guitarra gebogen loopend, den jukbeenigen kop schuin, den jongensmond open, verstrooid door aandacht, luisterend naar het timbre van het geluid dat zijn hand uit de snaren tokkelde, zoo liep Frasquito over naar den stoel aan den anderen wand.
En de comedor was geheel stil geworden van menschengepraat; de klok tikketakte met klein droog geratel boven den jongen, die het zich gemakkelijk maakte, zoo hij dat in zijn kamertje gewoon was. Hij schuurde met zijn hoofd langs den muur om een goed plaatsje te vinden. De Andaluze, die zingen zou, kwam op uit haar behagelijke keuvelhouding met Don Juan, leunde naar den kant van den speler om beter met hem samen te gaan.
--«Un momento,"[89] vroeg deze.
[89] Een oogenblik.
Hij wrong een paar der schroeven boven in het schopje aan den zwarten hals van zijn guitarra nog wat vaster, ze knerpten onder het weêrgestreef der snaren die wit voorbij het donkere klankgat zich spanden, vervolgens beproefde hij nog even met zijn duim, de toon zoemde, toen lei hij het hoofd achterover.
--«Pronto, que tocar?"[90]
[90] Klaar, wat spelen?
--«Un tango, un tango!" riepen drie, vier stemmen.
--«Bueno, un tango."[91]
[91] Goed, een tango.
En als het geluid van een gong in een oostersch huis begon het. Zijn hand, slap in het polsgewricht, flapte heen en weêr, met slierende vingers sloeg hij de snaren over. Het klaagklankte en trilde uit den hollen buik van zijn instrument, ernstig en zwaar, den toon van een violoncel nabijkomend was het snaargeluid, en het weende en zoemde na als het sterven van een gongslag in een oostersch huis.
En meteen daarop, hoogkeelde de Andaluze een aanroependen tweeklank uit, den verren kreet van een dwaler in de bergen geleek het, toen ze zong:
[Muzieknotatie: Ja- - -a Ja- - -a.]
--«Olé, olé!" blèrde Consuela weêr, ze sloeg de handen holklappend op elkaâr, hard bij de guitarra-tonenreeks beginnend, die dadelijk volgde op den aanroep. Joedelend neuriede de Andaluze er bij meê:
[Muzieknotatie: _Ad libitum._]
De uitpsalmende klank zieltoogde, zwoel, veel geluid in zich dragend, donker, en ging toen dood.
't Was even stil, toen begon de guitarra opnieuw. Frasquetito's hand ging streelend nu over de snarenbaan, met loomen greep, gedachteloos, zooals een mannenhand streelt over vrouwenhaar. En onder het liefkoozen van zijn dwalende vingers, zwol weg een zwerm van week tonengebruis, soms met een klein waterhelder opgetokkel van de duimsnaar aan het einde; een groot rumoer van veel ver trillende peessnaren was het, vaag als vliegende insecten in heiren gonzend, treurig als het zwaarmoedig gestem van oosterlingen klaagzingend door hun neus. 't Was of de speler met zijn dichte oogen zichzelven er mede sussen wilde tot den slaap, zoo gedoofd was 't geluid en de rust die eruit op zich drong.
En voor dat achtergeluid van dommel en droomen, geluidjes aan elkaâr, zooals de gebronsde kleurtonen gebonden zijn in een oud wandbehang van arabesken vol, tjingde het hooge nootje van den duim als een goud zonvonkje op een hoogsel van het ornament en stemde het levende liedje dat de Andaluze met een zachte altstem zong:
[Muzieknotatie:
Un mar de pe-nil-las ten-go, -- -- -- -- -- Un mar de pe-nil-las ten-go, In el fon-do de mi al-ma, Cu-an-do su-be la ma-re-a, Ni-no de mi co-ra-zon. Cu-an-do su-be la ma-re-a De los o- -jos sa-le el a-gua Cu-an-do su-be la ma-re- -a De-los o- - -jos sa-le el a-gua.[92] ]
[92] De vertaling van het liedje is:
Een zee van smarten heb ik In de diepte van mijn ziel Wanneer de vloed stijgt, --Jongen van mijn hart-- Springt uit mijn oogen het water.
Het gezang zweeg, uitsuizend in het geschemer van den comedor. De Andaluze zakte gemakziek in de plooien van haar japon terug, terwijl Frasquetito voorovergekomen, met grootere aandacht nog in de snaren greep, als een echo de laatste maten naämend van het gezongen lied. Stil stierf onder zijn handen het akkoord, sober als vaak het gebaar is waarmeê een mensch een droefheid besluit.
--«Brava, muy bien, bonita,"[93] schreeuwden de gasten.
[93] Zeer goed, mooi!
De dentiste draafde naar de tafel, schonk zich een glas water, draaide lollig de punten van zijn snor met het vocht op en ging naar den hoek waar de senora troonde.
Daar werd het druk. Don Juan maakte er complimentjes aan de senorita over haar mooie stem. De wijnkooper praatte bedaard en fatsoenlijk met de madrilena, terwijl haar man nietig en wezenloos op zijn stoel zat. Met halven toon tokkelde Frasquetito voor zichzelven.
--«Il joue très bien le flamengo[94] ce garçon," zei Arturo tot den schilder.
[94] Flamengo = Vlaamsch = distingué. Men beweert dat Karel V wanneer in zijn hofomgeving, hem iets trof door zijn mooiheid, gewoon was zijn tevredenheid te betuigen: «het is of 't Vlaamsch is." _Nu_ is 't woord populair.
--«Si, si, ça sonne bien."
--«Et ça vous plaît?"
--«Beaucoup."
--«Savez-vous," hernam Arturo in zijn nationaliteitsijdelheid geprikkeld, hij draaide op zijn stoel bij «savez-vouz, c'est absolument espagnole....e." (Hij hield ervan, wanneer hij Fransch sprak, de woorden wat te liefkoozen.) «Ce sont des airs très antiques... d'origine arabe... ça nous est venu des Maures."
--«Aha!"
--«Oui," ging hij voort, met een fijn mondje, een weinig doceerend, een beetje van uit de hoogte pochend: «Oui, de chanter et de jouer le flamengo, c'est bien difficile... Ça ne s'apprend pas á l'école, comprenez-vous, cette musique est toute de tradition vocale.... C'est comme l'art de taureau, om naît avec cela... il faut avoir.... Cómo se llma," hakkelde hij, het fransche woord in zijn hoofd zoekend, «como se llama?... il faut avoir... la gracia,[95] comprenez-vous?"
[95] De genade.
--«Oui, monsieur, je comprends, le don."
--«Preciso... le don... oh, comme j'aime le français.... Moi," (hij zei dat, als had hij den mond vol aan het woordje) «moi, je voudrais vivre toujours à Paris.... oh, Paris, oui, monsieur, Paris."
--«Vous connaissez Paris?" vroeg zijn buurman.
--«Pas encore.... mais, j'espère.... écoutez, monsieur," vervolgde hij geheimzinnig, «je suis en train de faire une grande découverte.... une invention, vous comprenez?.... je rêve, oui, monsieur, je rêve un nouveau système télégrafique, ce sera pour la grande exposition!"....
De ander keek hem in de afgematte oogen en hij vond hem bijna onnoozel met zoo te bluffen, want in zich zag hij hem dadelijk terug, 's avonds laat nog, tot overmiddernacht, zittend aan de tafel in den comedor, in zijn witte hemdsmouwen onder de lamp, bezig met het calligrafeeren van statistieken voor zijn dienst om een sigarettenduitje te verdienen. Hij zag hem weêr knutselen met liniaal en pen, van allerlei soort lagen ze voor hem, pennen voor rondschrift, voor groot en klein, en voor de zwierige krulletters die door ieder in huis oprecht werden bewonderd; maar hij zei niets, naast hem wond de man zich al meer en meer op, met veel ah's en oh's.
--«Ah, si vous voulez, je vous montre demain tous mes préparatifs.... au bureau.... mes chefs me tiennent en grande considération, vous savez.... o, comme je serai heureux à la fin de quitter Madrid.... cette vilaine ville.... qui m'étouffe, qui m'ennuie.... soy cansado de Madrid, mucho.... mucho!"[96]
[96] «Ik ben erg moe.... erg, erg."
Door zijn fatterig gepraat was een wrok komen trillen, en als een paard dat opmerkzaam de ooren spitst op het fluitje van zijn menner, begon de extrangero te luisteren naar dat levende geluid; want naast hem sprak Arturo al drukker, zijn borstlijdersgezicht gloeide op de koonen, af en toe moest hij kuchen en zijn weekblauw oog werd nat.
....... «Je voudrais vivre loin de Madrid, à Paris, ou.... n'importe où.... mais loin d'ici. Madrid me fait mourir. O, si j'étais riche.... j'irais vivre à la campagne, seul avec mon petit, loin, bien loin de cette vilaine maison. Voyez-vous, vivre dans un beau pays.... avec beaucoup d'arbres.... avec une grande verdure, toute peuplée d'oiseaux.... le matin nous chevauchons à travers bois, le petit et moi, nous mettons le fusil a l'épaule, ou nous pêchons à la ligne, si toutefois le désir ne nous prend de monter en l'air de gros cerfvolants,[97] tout de papier d'or, brillants au soleil.... et despues[98].... hij klakte met den mond.... bien manger et bien dormir dans notre petit château"....
[97] Vliegers oplaten is ook door groote menschen in Madrid een zeer gezocht tijdverdrijf. Op Zon- en Heilige dagen, kan men heele familiën zien zitten buiten op den grond, etende en drinkende, rondom een in het zand gestoken ijzeren pen waaraan een haspel met touw draait; hoog in de lucht staat dan de vlieger.
[98] Après.
--«En Espagne" moest de andere spotten.
Maar zijn buurman hoorde het niet, opgegaan als hij was in zijn luilekkerlandachtige fantasie.
--«Et en hiver.... j'irais m'amuser à Paris, passer mes jours au café à lire des journaux.... et mes soirs au théâtre ou mieux encore, avec de jolies femmes.... mon petit aura de bons instituteurs, ça sera parfait."
--«Musica, musica!" 't Was Consuela weêr die uitjuichte boven 't gegons der menschen en boven het getokkel der guitarra waarin Arturo's stem zich wiegde; ze was opgesprongen en had den dentiste om het middel gepakt, klaar tot dansen.
Maar ze moest als gekastijd weêr naar haar plaats; want «'sta quieta, mujer!"[99] galmde, bang voor te vroege drukte, de padrona van uit haar hoek. Als het geblaat van een geit sleepte ze de laatste lettergreep in haar mond na.
[99] Hou je stil!
--«Comme elle crie cette femme," minachtte Arturo, en even daarna: «ah! attention, nous allons chanter une ronde."
Juan zat al naast de guitarra te wachten tot hij moest invallen. Hij sloeg de maat met zijn hand tegen den kant van zijn stoelzitting, bij gebrek aan een stokje. Beverig kwam de aanroep, toen 't olé, olé en het kletsende klappen van holle handen. Improviseerend begon hij, onderweg de woorden schikkende naar de melodie, almaar door bevallig zat hij, als een hond die mooi opzit, een zingende mooie man:
A una piedra de la calle Mis penas lo conto yo...
Zoo zong hij, keurig, met een vrij zuivere tenorstem; maar voor het donkere geklank der guitarra verwaterde zijn aanstellerig gevibreer, zwak en toonloos werd het als een slappe kleur op een grond van goudgloed.
Como serian las penas...
Onder het zingen van zijn liedje, schudde hij aldoor het hoofd in kleine korte rukjes, zooals de flamengo-zangers van beroep dat doen, wanneer ze al zingend, met een gebaar van vrijheid en onafhankelijkheid het hoofd achterover gooien in den nek;
Nina de mi corazon,
viel hij wat hooger uit.
Como serian las penas, Que la piedra se partio.[100]
[100] De vertaling van het liedje is ongeveer:
Aan een steen van de straat, Vertelde ik mijn smarten De smarten waren zoo veel, --Meisje van mijn hart,-- Dat de steen spleet.
Hij keek sentimenteel-smachtend even naar de Andaluze om; toen gonsde de guitarra alleen.
Allen vonden het liedje prachtig. Juan ging de senora zeggen dat 't haar beurt nu was.
Ze liet zich niet bidden. Zonder voorover te komen, lui blijvend in haar donkeren hoek, begon ze. Dommelig kwam haar stem de schaduw uit, evenals 't gekoer van een doffer rolde het zangetje uit haar overvloedig vleesch...
* * * * *
Madre de mi corazon...[101]
[101] Moeder van mijn hart.
* * * * *
Haar mond ging bijna niet open. Ze zong haar zuchtend liedje met een stemmetje dat ze teeder en zacht wist te maken voor de gelegenheid.
En een luid bravo bekroonde haar, van alle stoelen stegen de bijvalskreten.
Ieder moest zingen, daar hielp niets aan.
De dentiste, altijd vol grappen, schaterzong met veel gebibber van zijn snor en midden in de zaal druk gesticuleerend, «over de tanden van zijn hart;" zoodat de menschen dol aan 't lachen sloegen.
Maar de oude wijnkooper verontschuldigde zich, stribbelde tegen: «No, no, dispénseme Usted, no sé cantar yo,"[102] maar 't hielp niets. «Canta, no importa--fa nada, canta... Usted como nosotros."[103] Hij kuchte, bedacht zich. 't Scheen dat hij niet te improviseeren wist; hij waagde dus maar een liedje dat hij onthouden had van een café flamengo, een verdacht mopje, een beetje dubbelzinnig. Arturo stootte zijn buurman even aan, «comprenez-vous," terwijl de mijnheer zong met zijn versleten, als verroeste stem.
[102] Neen, neen, pardon ik kan niet zingen.
[103] Zing maar, 't doet er niet toe, zing, Uwe Edelheid even goed als wij.
't Werd nog al goed opgenomen. De pret maakte vergevensgezind; de mannen hadden er plezier van, Consuela durfde er hardop om lachen. De senora schudde: «o este perfido hombre."
Daarna zong Consuela, met haar hoog meisjesorgaan blérrend zoo hard ze maar kon, verrukt zich zelve zoo te hooren, te kunnen gillen zoo hard 't haar lustte. Ze klapte met haar handen, tripte de maat met klakkenden voet, terwijl haar mond in 't zingen opgespalkt, donker gaapte.
En Frasquetito sloeg en tokkelde, onverschillig naar het scheen voor wat de menschen zongen, geleund tegen den wand in het schemerlicht, koppig, met dichte oogen begeleidde hij den een na den ander.
De madrilena volgde, ze zong een onverstaanbaar liedje, onhoorbaar bijna, schuw, vreesachtig als een zucht die den mond niet uitdurft.
De guitarra klankte toen alleen. Het klagen der maten kwam vol, in stroomende modulaties, van de snaren af; onder de grijpende hand van den jongen vandaan, huiverde en weende weêr de oude melodie, met zijn echten toon als van oud goud. 't Was als een doodgaan van vreugde, een uitruisching in smart, gemijmer van gelatenheid die uitbreekt weêr in smart, terugkeerende opborrelingen van leed, leed keerende tot leed, dat zoeken gaat in oude smarten, wetend dat er vreugde te puren valt uit pijn.
En in de ooren van den extrangero kwam dat intense rhythmen-geween zonder het leêge spel der woorden; herhaaldelijk was het komen vallen tot in zijn ziel als een regen van neêrdruppelend verdriet. En het gezegde van Arturo: «Ça nous est venu des Maures," was in hem teruggekomen en soezend was de herinnering verschenen aan een schilderij, ergens gezien, bruine mannen leunend bij een duinrand; ze keken melancholisch over zee, over blauw water heen, uitziende naar een verre, verloren kust. De melodie klaagde: een gedachte vlotte er meê zijn denken binnen, een ergens gelezen frase over de grootheid der kunst, troosteresse en wreekster van een volk, dat om zijn verloren erfgrond treurt.
De zware maten weenden. Frasquetito, geen stem hoorend, sloeg zijn snaren forsch, en in de verbeelding van den schilder kwam toen binnenrijden een wit-gemantelde moor, 't hoofd hoog op den ranken hals. Recht stond hij in de stijgbeugels boven zijn witten hengst. In den donkeren kop waren de oogen zwart, schroeiend van haat, en zijn smalle lippen waren wrokkend dicht, strak van 't geweld om het niet uit te kreunen. Hij had zijn handen op zijn borst berustend in gebed gekruist, maar de vingers krompen en woelden in den witten burnoes. De maten vergingen; in de fantasie van den schilder ontstrakte het gelaat van den moor; hij boog het hoofd, zijn mond ging open als een granaat die rijp splijt, terwijl hij prevelde het begin en het besluit van zijn fanatisme: «God is groot."
Een gezang stemde weêr samen met het gebruis der guitarra, en de vreemdeling peinsde er over, hoe mooi het was dat dit mooiste leven van een doodgegaan volk, van een uiteengejaagde populatie, van een samenleving tot nomaden verbrokkeld en toen gestorven, als een camée gesneden, in harden steen bewaard, gegrift bleef in de logge stof, in de trage bevatting van een vijandig volk. Ja, machtiger dan macht, dat mooiste leven van een volk, zijn kern, zijn ziel. Hoor, hoe de adem nog leeft waar de borst lang reeds stierf, levender dan het leven, een niet te smoren stem, een niet te dooden natuurgroei, dat groeit, dat groeit, dat laat zich niet delgen. 't Zaad is er, de grond wordt er van bevrucht en men weet niet hoe. Vliegt het op den slag van den geweldigen wind, wordt het aangedragen in de bekken van zwervende vogels? 't Doet niets. 't Zaad is er, en 't valt en kiemt en 't schiet wortel. Roeit het uit hier, 't baat niet, want 't komt elders op, dat groeit, dat groeit, voortvegeteerend, almaar, almaar, in den mest van rotte en halfvergane aardstof.
Luisterend zat de vreemde man, spinnend zijn gedachten in het geroes der snaren; maar in den roodenden schemer van den comedor viel weêr een gongslag en naast hem steeg de aanroep; als een cikadenzwerm gonsde het snarenleven, de lange maten zoemden met hun donker geluid als van een violoncel; Arturo zong en improviseerde:
* * * * *
Hyo de mi corazon,[104]
[104] Zoon van mijn hart.
Hij had een goede stem, wel wat zacht, maar hij wist dat hij graag gehoord werd.
Voor het gat der deur schemerde de luisterende meid, de handen onder de schort. Ze ging op zij, plaats makend voor een jonge vrouw, die in het lamplicht naar binnen kwam.
--«Olé," blérde Consuela, die om den hoek der deur zat.
--«Buenas noches," zei Carmela, zacht groetend om niet te storen.
--«Buenas noches, senorita," riep de padrona hard door de muziek heen, «cómo esta?"[105]
[105] Hoe gaat het.
--«Gracias, que Dios conserve la salud à Usted."[106]
[106] Dank u, dat God u de gezondheid beware.
.... De muziek brak. Frasquetito opende zijn oogen, zijn hand bleef op de snaren stil. Arturo, gestoord, zat boos met een gekweld gezicht.
Carmela ging recht door naar de senora. Slank, hoog op de beenen, schreed ze in een leuk, onverschillig, op de heupen schommelend voortbewegen. Ze liep met het hoofd in den nek als was het zwaar van het haar, dat gelijkend aan een Japansch kapsel, hoog was opgemaakt en met naalden doorstoken, goedkoope spelden met knoppen van zwart glinsterend glas. En haar slankheid rekte zich nog door het sluike van haar kleedij, een rood tricot was gespannen om haar dunne meisjesachtige armen en om den vaasvorm van haar buste die bijna borstloos scheen. Onder het smalle middel hing de tricot met kleinen val over de hooge heup, over een zwart satijnachtigen rok, die glad en strak voor den schoot, naar lager met dwarse strijkplooien de knieën drapeerde. Telkens bij het gaan drukte daar zich het volle been in af: onder de knieën strekten zich de plooien dan, die naar achteren verliepen, opgenomen werden in een hooge poef, een groote «queue de Paris", statig als een wippende hanestaart. Lange banen zakten uit de poef neêr, guirlandeerend achter tegen de dijen. Angstvallig paste het kostuum om haar vormen, haar hals schoof uit een wit plooiseltje dat tot dicht onder de kin, als geregen, haar lichaam wegsloot. Maar overal, en door het strakke tricot en door het plooienstel van haar rok, liet zich het zuivere lichaam volgen, men kon haar naakt zien gaan in het omhulsel der stof. Om den pols van haar linkerhand hing wijd een breede vergulde bracelet met een rinkelend kettinkje er aan en een straal zwart glazen knoopjes streepte vóor over haar buste, als een regenstraal van drupjes.
Zij ging bij de padrona zitten, die haar een stoel toeschoof.