Chapter 14
En toen zette hij de kan aan zijn mond en zoop met de lippen tot een tuit gehold een forschen slok van het vieze vocht. Zijne oogen lachten triomfantelijk boven zijn vetten mond, hij draaide met het gezicht naar de deur, vervolgens streek hij de lucifer aan. En langzaam, en nogmaals omkijkend, ging zijn arm met het brandende stokje tot vlak boven zijn kin, en toen spoot hij in eens, met een blaas van zijn wangen, met een klein voorover- en teruggeruk in de schouders, de olie met de lippen poederend, het stille geel en blauwe houtvlammetje in.
En als een garf van fijn vuur vloog er een roode vonkenvlam, een meer dan een meter lange pluim van vlammend gesprankel voor zijn mond uit. 't Was alsof het leven vuurlaaiend braken kwam uit zijn strot; met schrik om het hart, met kloppende keel stond ik het aan te staren. 'k Zag zijn wild dartele oogen blikkeren van genot, witlichten in het vuurleven boven den bundel van poederend vonkengoud. Hij kneep de lippen dicht alsof hij de vlam afbeet, ze was uit; ik hoorde het als ver lachen spoelen in zijn vollen mond, maar om hem was het een oogenblik donker.
Maar alweêr een sproeisel van laaiend licht, een schoof licht; een gulp van zijn heeten adem geleek het in brand gevlogen, zijn beestennatuur ontploft als een vuurpijl, uitsissend uit zijn kokende binnenste.
Had ik me vergist? Had ik onder de vonkenkolom dóor mijn poes niet zien schuiven uit haar sterfhoek? Had ik niet een klein donker geslinger gezien naar het open buiten? Maar de jongen bleef vlammen spuwen, zij vlogen en stoven de deur uit, want met een laatste inspanning van zijn longen en wangen spoot hij zijn bek leêg. In vonkengewervel, in kort gebrok van roode vlammetjes, flakkerend als vurige vlinders in het poeder van stuivende lichthitte, in zwart rookgekrinkel vlogen ze door het gat tot in het kleine portaal.
En toen.... een gesmoord klots, klots, een dof bonkend gecadanseer van een week ding, vallend en stuitend in den val langs het hout van een trap, kwam stommelend naar binnen.
.... Doodsvlammen, doodsvlammen....
Maar daar was een lach al aan het bulderen begonnen, een bezeten lach, een hard gehort van uitgestooten gelach, en ik zag bij de bovenste trede den jongen staan, voorover gebogen over het trapgat met de handen op den buik, krimpend en buigend en wringend en trappend met de voeten in zijn dol plezier. 't Bloed zwol in zijn hals en ooren en hij sloeg met den kop, zijn oogen hadden het benauwd in hun holten; maar van zijn olievette opengebarsten lippen druischte zijn lach, schaterde zijn lach, bonkte en blèrde en hooggilde zijn lach, rauw als het geschetter uit een triomf-blazende trompet.
--«O, o!" proestte hij. «O, God, o, Jezus, kijk nou, menheertje, ze wier levend, maar nou is z' er geweest. O, kijk toch, kijk"....
En ik keek, ze was dood. Heel beneden lag ze, schuin neêrgekomen na den tuimel, gevallen op de goorgele biesruiten van de vloermat onder aan de trap; plat lag ze zoo, plat op haar zij, donker, met den staart achter zich aan, als was ze doodgebleven in een bangen sprong.
En weêr als een ontdekking plotseling, zooals men iets zien kan voor de eerste maal, drong zich uit de laagte haar kleinheid naar mij op, zag ik weêr nu hoe ellendig klein en mager dat ze was.
En langs de treden ging ik omlaag en ik bukte en raapte haar op van het vloermatje, terwijl boven door de trapholte het geweldige lachen van den jongen buitelen bleef en neêrvallen kwam over haar en mij, daar waar hij hoog op de trede nog stond uit te stuipen in een kramperig gehik van heetschokkende ademstooten.
--«Ga maar weg, Louis," zei ik, toen hij beneden was, «hier is je geld."
--«Mot ik morgen weêrom komme, menheer?" vroeg hij, uit zijn nat gezicht nog lachend.
--«Nee."
--«Overmorgen?"
--«Nee."
--«Niet? Dan zal u me wel weêr kommen halen."
Hij draafde weg, met het geld rammelend. In de verte van het pad hoorde ik hem nog aangaan tegen de kinderen met zijn luidruchtige jongensstem; maar in huis was het opnieuw stil.
En toen heb ik haar gedragen naar boven, en stil heb ik een laken genomen, een schoon linnen van mijn bed, en ik heb dat zorgvuldig gespreid, glad over het mousselien van het stoelkussen.
En zooals ze was in de strakke strekking van haar dood-zijn, heb ik haar nedergelegd, den staart hoog in de blanke plooien.
En op mijn veldstoeltje heb ik mij over haar gezet toen, en ik ben haar aan gaan zitten kijken zoo ze daar lag, wel wat weggezakt in het kussen, maar niet zoo klein meer als straks, zóo ze daar lag, mij aankijkend met het oog open en vol verwijt, uit het witte getreur van het armelui's lijkenlinnen.
Een Tango.
EEN TANGO.
In de Casa de Huespedes[53], welke Senora Leona tot padrona had, zou het op den avond na San Isidro[54] feest zijn. Toen het diner afgeloopen was en de eters weggeslenterd naar hun kamertjes, druk nog door al het praten dat ze gedaan hadden aan tafel, was de senora dadelijk in den comedor[55] aan den gang gegaan; ze had haar dik lichaam druk gemaakt, ze ging dribbelend rond, haar groote borsten klokkebengelden op en neêr in haar wit soepel jak, en klap, klap, gingen haar muiltjes op den grond, haastig en kort bewegend onder het duister van haar zwarte degelijke rokken.
[53] Spaansch kosthuis.
[54] Patroon van Madrid.
[55] Eetzaal.
Toen al het eetgerij van de tafel weg was, ging ze de stoelen één voor één zetten tegen den witten kalkmuur, de zaal was toch al niet groot, mopperde zij; ze wilde alles zelve beredderen, ze had het heel druk met haar zware spierronde armen die van onder uit haar opgestroopte mouwen puilden, rood en vol van bloed. En als ze aandribbelde en een oogenblik staan bleef onder den lichtkring der lamp, dan kwam haar welgedaan gezicht stralen en glimmen als was het besmeurd door de pomade die glansde op haar kapsel; jong zwart haar nog, sierlijk geplakt om haar voorhoofd en om haar slapen, in een reeks van kleine krulletjes, 's morgens zoo éen voor éen gemaakt met al de ijdele zorgvuldigheid die Spaansche vrouwen geven aan haar knutseligen haartooi. Dan was haar wangengezicht licht, een beetje gehit door de haastigheid, en daarin doesde een klein rond neusje lodderig weg, tusschen een paar prikkelende oogjes die er steenkoolzwart uit boorden en boven een breed bloeienden mond, een paar slurpende lippen, omgeschulpt in hun geplooi, krullend tot twee donkere groefjes naar de hoeken, vaag onder het donsje van een teêr knapenkneveltje.
Doch in haar kissebissige haast drentelde ze gauw weêr rond en snauwde ze tegen haar dochter Consuela die haar opgejaagd en verward in de voeten liep; van alle kanten te gelijk kwebde haar mond en zwermden en zwatelden haar hooge woorden; ze schold de oude dienstmeid die werkeloos stond te schemeren in het donker van de gangdeur, voor animala[56], maar de meid bleef staan, de handen onder het blauwe keukenschort, eventjes geniepig lachend om haar dunne, ingevallen lippen.
[56] Beest.
En al maar pruttelend had de senora toen de zware pootige mesa[57] dichtgeklapt, haar met een til naar achterover aangepakt en in haar armgespan genomen, het houten gevaarte tegen haar geweldigen buik opgebeurd, en zoo, met den bobbel op het tafelblad en de handen er stevig omgekromd, zeulde zij voetje voor voetje vooruit, stenend boven haar buik, schommelend met de tafel waarvan de vracht een donkeren spierslinger trok onder in haar arm. De tafel plompte neêr met een harden bonk, en de senora, doodaf, viel als een zwaar pak neêrgesmeten op den stoel die 't dichtst bij was.
[57] Tafel.
Consuela stond met de lamp in de hand niet wetend wat te doen. 't Licht door de wit-steenen lampekap omlaag gestuurd, viel op de onderhelft van haar bakvischachtig meisjesgezicht, liet de oogen in schaduw, maar gleed afstroomend langs den sluiken rok van haar daagsch japonnetje. Doch de moeder schreeuwde haar toe de lamp op het buffet te zetten. Por Dios, ze kon daar toch niet eeuwig als een kerkkandelaar blijven staan; er moest nog zooveel gedaan worden. Zij was alweêr overeind; de brasero[58] moest nog weg; was 't niet al warm genoeg na al dat eten. En met hetzelfde aangepak van haar machtige armen bukte ze naar den vloer, ze beurde den wichtigen houten ring met koperen bak vol gloênde asch den grond af en dribbelde er meê vooruit en gaf aan de kat, die er zich bij te koesteren zat, een schopje met haar zwart-gepantoffelden voet; schrikspringend en met den staart in de lucht, hoepte het beestje voor zijn sjouwende en blazende meesteres de gangdeur uit en de keuken in.
[58] Verwarmingstoestel.
De senora bleef toen in de keuken, de comedor was in orde. De matte stoelen, alle vóor aan de zittingen vochtig donker geworden van het veel bezeten zijn en glimmend door het lange gerij der beenen, stonden langs de muren gedrongen, stijf, sportig en leêg, zielloos de gasten wachtend. Op het buffet, hoog zooals Consuela haar gezet had, in den hoek 't dichtst bij de deur, stond de lamp groengoud schitterend op het oude brons der fijn gefigureerde oliepeer; eenzaam brandde de vlam boven het stortbad van haar eigen licht. En 't was er omheen op de buffetplanken en waterglazen een stil en innig geglans, beweêrlicht door het snel opgeflikker der karaffen en waterglazen, die ondersteboven gekeerd om het stof, de planken vulden met het waterachtig donker van hun glaslichamen.
Aan den anderen kant doesde de lichtcirkel der lamp over het deurgat heen tot in de gang en daar verschemerend, kwam dan terugkrommend op de eerste stoelen, maar liet het groote kale veld van den witten kalkmuur in de dun uitgespreide schaduw van het goudene lampgeschijn. Zoo was de comedor weggevaagd achter het weinige licht. In een hoek tegenover het buffet aan den wand geschoven, schuilde de tafel, en daar stonden nog meer stoelen onder de geluikte ramen, die overdag uitzicht gaven in het patio[59]; twee schuine ijzeren bouten kruisten daar den wand, de luiken klemmend in het binnenzicht der kozijnen. De meid was even naar binnen komen sloffen; ze zette een karaf met glazen op een rood gelakt presenteerblad klaar op de tafel en slofte toen weêr heen, de handen dadelijk onder de schort. En in den wachtenden comedor was daar de klok het eenige levende ding, zooals zij zwart midden op den muur haar slinger heen en weêr stuurde, die dof-gloeiend glansde in zijn eeuwig gaan.
[59] Binnenplaats.
* * * * *
Van uit de keuken kwam in een wadem van warm water en lauwe etens-geuren, een door-elkander-slaan van vrouwenstemmen, tegen elkaâr oppratend, een holderdebolderachtig gekijf, verbrijzeld door het geklikklak van steen slaande tegen steen, kwaad bewogen borden in een vaatwerk, het onverschillig gedoe der meid die almaar krieuwende met de senora en Consuela, den etensboel wegwaschte. Dan klepten er deuren in de gang, voeten stapten er, en stemmen zeiën: «buen paseo, buenas noches."[60] Twee mannen gingen het deurgat voorbij, een er van pakte het licht op den witten handboord van zijn bewegenden arm. Ze bleven wat lachen in de keuken, kwamen weêr terug, zacht met elkaar pratend. En even daarna kwam de stem der padrona hun weggaan nagalmen: «Non llegad esta noche tanto tarde, caballeros, vienen muchas gentes."[61] Een jongensstem met den baard nog in zijn keel praatlachte wat terug; toen kwam de witgejakte padrona voor het deurgat staan; ze had de armen opgestoken als een wanhopende en almaar lachend riep ze: «Si, si.... o, estos perfidos muchachos, o. o.. o... o!"[62] Ze deed een paar stappen vooruit om beter verstaan te worden: «Si... si.... mujures tambien, puedo asegurar a Ustedes!"...[63] «Si.. si!" herhaalde ze met de hand als een roeper aan den mond. «Volved pronto Senor Juan y Frasquetito"[64] toen met een: «Toma!"[65] smeet ze haar laatste woorden hun achterna: «Carmela va bailar!"...[66]
[60] Prettige wandeling, goeden avond.
[61] Komt van avond niet zoo laat thuis, heeren, er komen veel luidjes.
[62] O, wat een slechte jongens!
[63] «Ja, ja, vrouwen ook... ik kan het u verzekeren."
[64] Kom gauw terug.
[65] «Pak aan."
[66] «Carmen gaat dansen."
* * * * *
Laat in den avond kwam Frasquetito binnenstappen in het gebabbel dat uit de open deur van den schemerenden comedor feestelijk hem te gemoet kwam. De lamp was voor mogelijke ongelukken blijven staan in de hoogte op het buffet. Er waren nog niet veel menschen en er moesten er zooveel komen: el caballero de abajo[67] nog en zijn vrouw, en de dokter, maar die zou wel laat komen, en dan Carmen nog die dansen zou, zeker, o, ademas muchos[68]. Zoo snoefde de padrona. Ze was nu deftig in het zwart. Prettig en zelfvoldaan blonk haar vet gezichtje in haar neêrgezegen zwart zijdene voornaamheid. Ze had al haar gouden ringen aan haar vingers en boven op den knoedel van het hoog opgekamde haar, met een rijkdom van krulletjes als een vlechtwerkje op haar voorhoofd geplakt, was de speldeknop voor de mantilla pronkend als een gouden knikkerbal. Ze zat achterover, met de hand steun zoekend aan de zitting van den stoel, om meteen zoo haar ongemakkelijk lichaam een beetje te helpen verzetten. Zoo keuvelde ze met een ouden, deftig uitzienden mijnheer, een rijken wijnkooper, die voorover gebogen, deed of hij erg luisterde, op haar knieën keek, speelde met zijn zwaar gouden horlogeketting, aldoor gewichtig knikkend met zijn kaal en glimmend hoofd.
[67] Mijnheer van beneden.
[68] «O, een heele boel nog."
--Mire[69] daar was Frasquetito al... Caspita, hij had zijn guitarra bij zich,... en olé!... «musica y alegria!"[70] jubelde de meisjesstem van Consuela uit een anderen hoek van den comedor.
[69] Kijk.
[70] Muziek en vroolijkheid.
't Was een lange slungel met een schonkigen jongenskop, een boersche verschijning, die met sloome beenen naar binnen kwam. Hij was geboortig uit Huelva en beproefde hier in Madrid zich bekwaam te maken voor Toledo, voor de militaire akademie; want hij zou eenmaal officier zijn. Omdat hij nog zoo jong was en al zoo veel praats had, werd hij door zijn tafelgenooten, plagend, Fransje genoemd in plaats van Frans. Maar wat zou dat? Zou je dan denken dat Napoleon geen praatsmaker geweest was? Hoe wou je anders in tijd van oorlog de soldaten aanvuren? Geen beter dan hij kon uren schetteren over de Carolinakwestie, en stokstijf hield hij vol dat geen Pruisisch soldaat het uithield tegen een Spaansch, die, matig, uren kon marcheeren met pak en zak, op water en brood, en die bovendien allen valiente[71] waren. Hij zat bij 't comida[72] naast Dr. Avilar, die echt Castiliaan, deftig, bijna nooit iets zei, geen wijn dronk--Frasquito beweerde uit armoe--een donker ernstig man, overtuigd revolutionair, die dadelijk na den eten zijn diario[73] uit den zak haalde en begon te lezen.
[71] Dapper.
[72] Middagmaal.
[73] Dagblad.
Aan zijn andere zij zat 's middags een vreemdeling, een schilder, die in 't museum van het Prado copieën maakte naar Velasquez; hij noemde dien zijn amigo[74] en probeerde zijn weinigje Fransch aan hem te luchten.
[74] Vriend.
Overdag zat hij in zijn kamertje studentikoos sigaretten te rooken, waarvan hij er altijd een als een pennenhouder had zitten achter zijn oor en die 't vel van zijn rechterhandsduim hadden bruin gebrand, en tokkelde dan, lui met het hoofd tegen den muur, op zijn guitarra, de stores van het patio-venstertje neêr, zoo de uren doorlevend in het lommer der binnenkamer, soezerig in het gemurmel van zijn zwaarmoedige landsliederen. Maar soms leerde hij, en dan kon ieder in de gang van het kosthuis hem hooren leeren: «el padre.. le père. en... de las madres... des mères... à la hya... à la fille.. las hermanas... les soeurs"... of wel hij begon voor de zooveelste maal het begin van den «Télémaque" op te dreunen: «Calypso ne pouvait se consoler du départ d'Ulysse" omdat hij dat kennen moest voor zijn admissie.
In huis deed hij altijd zijn guttapercha-boord af, dat was luchtiger, en dien lei hij dan om weêr wit te weeken in zijn waschwaterkom.
Nu ook had hij het zich gemakkelijk gemaakt, thuis, zonder stijfheid aan zijn jongenshals kwam hij binnen, overdreven buigend met een gewilde snaakschheid. De senora vroeg hem of Don Juan nog niet kwam, hij bracht haar, «o, este perfido muchacho," met een aardigheidje over vrouwen aan het lachen. Vervolgens maakte hij zijn compliment voor de dame die naast de padrona zat. Met zijn guitarra achteruit gestoken, langs de beenen strak gestrekt, stond hij, een troubadour op een oud prentje gelijk, zijn grimassen te maken voor de knieën der terugknikkende schoone. 't Was een mooie Andaluze, een jongere zuster der padrona, met de feestdagen over. Achteruit geleund zat ze op haar stoel, vol komend zoo met haar zwart glimmend corsage uit het mat-glanzende plooien- en krookengeschik der zwaar zijden japon, die overal over den stoel hing en bij elke beweging kraakte. Achter van haar hoofd, omdalend langs haar gave ronde wangen, vielen de plooien der uit de mode rakende mantilla; een gespin van kantrag omwolkte het ovaal van haar gezicht en een strooisel van fijne gaasbloempjes borduurde in de plooien en brokkelde over haar schouders. Ze bewoog de handen zacht in den schoot, wolkjes frischheid zoo opjagend naar boven met haar rooden, zacht wiegenden waaier, en kleintjes lachte haar mooie mond, terwijl ze verwonderd keek onder de loome oogleden vandaan naar den grappig doenden Frasquetito.
Allen hadden schik in hem; de dentiste die op de tweede piso[75] woonde, een luidpratende, zich veel bewegende man, een blonde Arragonees met roode wijnwangen, een goede vent al zag hij er wat bar uit, vertelde Frasquetito, met een gezicht dat bijna enkel snor was (twee dikke wreedharige snorbossen van een koperdraadkleur had hij als een valsche karnevalsknevel geplakt zitten onder zijn neus) bulderde bravo en deed zijn lippenvlaggen wapperen en trillen en sprong en reed op zijn stoel alsof de zitting ervan betooverd was. Consuela giegelde en riep den geestigen Frasquito bij haar te komen, maar juist had de dentiste hem bij den knoop van zijn jasje vastgekregen, dus knikte hij maar even naar haar om, koddig, met de hand op de plaats waar zijn hart zat.
[75] Verdieping.
--«Buenas noches!" zei Arturo, de man der senora en kwam witgevest in het lamplicht binnen. Hij zag bleek en lijdend, vermoeid en schuw school het blauw van zijn oogen in den belangstelling-vragenden kop. Hij hield zijn zoontje aan de hand, een mooi aangedrild kereltje, vier jaar ongeveer, gestoken in een wit uitstaand gestreken jongenspakje, met een brandroode sjerp er over heen. Het ventje stond er stijf in, naast de knieën van zijn vader, heelemaal in de schaduw van een buitensporigen wandelhoed, die als een kolossaal boomblad schuttend zich omboog over zijn kleinheid. Hij werd bewonderd. Consuela sprong op en begon haar broertje te zoenen en te knuffelen, zoodat de vader riep: «Hombre! je verkneukelt hem heelemaal!" De kleine plakte zijn handje in het gezicht van zijn zuster, de gasten lachten om den bijdehanden Arturito.
Pruttelend ging Consuela naar haar plaats, de hand aan de wang, kijkend met zwarte oogen, donkerder nog van den toorn, haar broertje na, die in de laagte van stoel tot stoel ging op aanraden van zijn dikke mama. De vader was in zijn mooie houding bij de deur blijven staan, leunend op zijn wandelstok, wachtend om zijn jongen zelf naar bed te brengen.
Maar Frasquetito was naast den extrangero[76] gaan zitten die ook gevraagd was. Hij vond dezen met zijn rug tegen de tafel, zeker in zijn hoek. 't Was een klein persoon, een beetje stevig, een beetje rossig, een bril op zijn neus, een man die zich blijkbaar vreemd voelde en stil in zich zelven voortleefde. De eerste dagen dat hij in de Casa was, hadden de studenten getracht een loopje met hem te nemen; 't scheen dat hij er niets van gemerkt had. Frasquetito voorop, deed zijn best; zij spraken vrijuit over hem, in de zekerheid dat hij 't wel niet verstaan zou. Hij gaf zich dan ook al heel weinig moeite; meestal bracht hij aan tafel een boek meê, lei het naast zijn bord en las er uit tusschen het kauwen door. De eenige met wien hij soms wat praatte, was Arturo, die wel Fransch sprak, maar die at meestal niet meê of kwam pas bij het dessert.
[76] Vreemdeling.
Arturo was telegrafist; hij was vroeger, evenals de studenten, slechts kostganger geweest, maar nu sinds eenige jaren leefde hij met de padrona die weduwe was. De kleine Arturo was uit hen geboren. Maar men nam in 't huis niet veel notitie van hem. Frasquito had den schilder al gauw verteld dat hij onder de plak zat, en dat hij een zwakke man was en dat die vrouw zijn geheele gestel had ondermijnd. Maar zonder die inlichting had de vreemdeling zelf veel kunnen zien; alle dagen hoorde hij het paar twisten en het stemmetje van den telegrafist ondergaan in het forsch-ademend gepraat der padrona. De heeren aan tafel maakten onder elkaâr gekheid om 't geval. Don Juan wist zeker dat zij van Arturo genoeg had, Doctor Avilar goed aankeek, maar die zou zich wel niet zoo gauw laten inpalmen... och wat, een vrouw was altijd sterker dan een man... en Consuela, haar dochter.... maar die was ook niet zoo onnoozel als ze er uitzag.... had Don Rafaël niet gezien dat ze zich door den brievenbesteller op den mond liet kussen, achter de deur. En ze vonden dien altijd lezenden schilder «demasiado franco,"[77] niet beleefd genoeg, vervelend, en «bruto como todos los temperamentos del Norte."[78]
[77] Te vrij.
[78] Grof als alle Noordsche temperamenten.
Doch op een goeien dag had de vreemdeling zich in eens met een kort gezegde in hun spreken gemengd; ze waren er beteuterd een oogenblik van, verlegen dat hij hun gesprek begreep, verbaasd, waar hij toch, caramba, que cabeza[79] dat Spaansch vandaan gehaald had. Dr. Avilar had plots opgekeken toen boven zijn krant vandaan en geschaterd had hij van uit zijn zwarten snorbaard met een ongewoon kort harden lach. Na dien tijd werd de schilder ontzien en was het ijs gebroken; Frasquetito vooral, beschaamd geworden, noemde hem nu zijn «amigo", vroeg de uitspraak van moeielijke Fransche woorden, deed zijn best te bevallen, was niet zoo snaaksch meer jegens den vreemdeling.
[79] Wat een hoofd.
De gezelligheid in den comedor werd telkens grooter, er kwamen immer nog gasten bij. Zoo pas was het de mijnheer van beneden geweest, een nietige man, die achter zijn statige vrouw aanging, een bleeke Madrilena. Omdat ze toch de straat niet over behoefde te gaan, kwam ze zonder hoed, ongekleed in een havanabruin huiskostuum met een groote poef van achteren. Nu was het de huisgenoot Don Juan, die staakrecht door de deur kwam, in de puntjes verzorgd, zoo hij kwam van de paseo; 't was een Aranjuees, doctor in de rechten, die in Madrid zijn carrière zocht, royalist als Frasquetito en een politiek twistzoeker met Dr. Avilar. Maar zijn groote passie, dat waren de toros. Zondags aan tafel, na elke corrida, overstroomde hij de eters met zijn verrukt-zijn om een mooie overwinning of met zijn luidruchtige kwaadheid over het mislukken van zijn geliefd genot.
Hij groette beleefd, maakte zijn compliment voor de Andaluze, en, mooie man, praalde hij voor haar met zijn witte tanden, die aaneengesloten blonken als het gebit van een neger tusschen uit zijn zwarte en zuiver geknipte knevel en puntbaard. Frasquetito vertelde dat hij een vrouwengek was, die allerlei buitenkansjes had. Juan bleef bij de Andaluze zitten praten, almaar bevallig, spitsend aan het puntje van zijn baardje, of onder het causeeren dóor knipte hij met den langen nagel aan den pink van zijn witte rechterhand.
Bij den stoel van den dentiste was een kleine opschudding, de mijnheer van beneden weigerde met «muchisimas gracias"[80] de hem aangeboden plaats, maar de senora gaf van uit haar hoek hard lachend raad; de dentiste liep weg, drentelend ging zijn rustelooze vroolijkheid van den eenen hoek naar den anderen.
[80] Veel bedankjes.