Proza

Chapter 13

Chapter 134,191 wordsPublic domain

Zoo had ik hem gezien en zoo was ik hem begonnen, dwalend van uitzicht, mak als een wilde zomervogel in den ontbering-brengenden winter; maar toen 't geld gekomen was, 't geregelde geld, toen verdween dat alles; dan kwam hij 's morgens aanzeulen, hunkerend naar meer geld, opgeblazen, met de uitspatting in de oogen van den vorigen avond, met het zwelgen nog zwellend in zijn wangen en hals. 'k Zou hem maar weêr een poosje de wei in sturen; maar hoe kreeg ik hem dan terug; hij woonde met zijn moeder in een kermiswagen en driemaal op een dag sprak hij er van om soldaat te worden en dan weêr naar zee, en dan weêr wat anders, uitvliegen, uitvliegen, 't was een ellende.

Stil zat voor me, toen ik mijn palet neêrlag, mijn poes met ingezakten rug, met de bekkenschonkjes en schouderplaten stekend door het vel, tot een bangelijk hoopje saâmgehurkt in het mousselien van het stoelkussen. Ze had de pootjes opgetrokken, weggeborgen onder het haarvel en de staart als kouwelijk om zich getrokken. En ze was zoo stil, men merkte niet dat ze er was; alles aan haar was stil, het kopje met den bleeken bloedloozen neus, stil; en de oortjes steil, aan de randen droog en dor, zonder een knipje beweging; ze was een doodstille zieke zóo; alleen achter in haar halftoeë oogen donkerde en schroeide de levende koortspijn. Ik had haar een legertje gemaakt bij de kachel, denkend dat ze 't koud had, maar sluipstappend en kleinlijk klagend was ze de warmte ontloopen en teruggekomen onder de frischheid van het raam. Toen had ik haar maar aan haar lot overgelaten, men kan zich toch niet altijd bezig houden met een zieke kat.

--«Neen! 'k wil ze niet meer!" spuugstemde de jongen met zijn kop naar den grond.

Hij zat wat te frommelen met zijn zwarte vuilvingers aan het dotje van een rouwstrikje op zij van zijn pet, toen kwam hij overeind, eerst de eene arm, dan de andere.

--«Ik kan er anders wel teugen, ziet u, maar twintig borrels dat is toch te veul, wat zegt ú nou?"

--«Jij liever dan ik."

--«Wat?" schoot hij snoeverig uit, zich ferm en recht makend, «de broer van Jan drinkt er wel dertig."

--«Wie is Jan?"

--«Wel Jan, dat is de baas van het danshuis waar ik wel es speul, u weet wel."

--«O ja."

--«Een goeie man die Bram, die houdt veel van me, maar hij heeft al twee maal een toeval gehad; hebt u dat wel eens meer gehoord, menheer, de vlam sloeg hem de keel uit, van de hitte van binnen, van de brandende jenever!"

Er ging een ribbeling door het vel onder zijn oogen en zijn woorden kwamen uit zijn mondholte zacht en bang, toen hij nog eens zei:

--«Nee, 'k wil ze niet meer."--

Maar dadelijk zijn angst verjagend, verzette hij zijn dunne beenen en kletste voort:

--«We hebben samen al wat een lol gehad, want 't is wat een goeie man. Hij mag me graag. Ze magge me allemaal graag. Weet u nou hoe dat komt?"

--«Nee? Ziet u, dat komt omdat ik altijd zoo vroolijk ben. Ik ben altijd vroolijk, ziet u. Ik maak m'n moeder altijd aan 't lachen, ziet u. Laatst toen mijn vader zaliger stierf, heb ik er nog aan 't lachen gemaakt. Ze zei teugen me: «Louis, wil je nou nog niet eres je ouwe vader voor 't laatst gedag zeggen".... en ze huilde zoo.... ik zei, ja moeder.... en toen ben ik naar zijn bed gegaan bij ons in de wagen.... ziet u.... en ik heb gezegd, «nou dag, vader, 't ga je goed." Toen is mijn moeder beginnen te lachen. O god, ze lachte zoo.... ik dacht dat ze mijn ouwe weêr heelemaal levendig lachte. Ziet u, daarom maggen ze me nou allemaal zoo graag."

Ik was geduldig over hem gaan zitten en liet hem zijn praatzucht uitbuiën. 't Waren juist de dagen als hij den vorigen avond gezwendeld had dat hij zoo doorsloeg, om 't werken te ontkomen. En hij had een slag van verhalen doen, hij kon me soms aan 't luisteren zetten naar de echo van zijn wild leven. Uit zijn ongeleerd hoofd spon hij soms tafereelen, waarbij 'k mijn studie en mijn werk vergat.

Hij kon me vertellen hoe hij ging zoodra de kou voorbij was, met zijn wagen, zijn gewielde woning, en zijn moeder, die hij zijn _kokkerol_ noemde, zijn vader: _stérestan_, en met zijn hit, gaande van kermismarkt tot kermismarkt, levende in de groote lucht, in de groote zon. Hij kon me vertellen van zijn bivakken aan de straatwegen, met het paardje grazende aan den kant van een trekvaart, hij deed 't ho.o.o.... ho.... van de schippers tegen de schuitjagers na. Hij kon vertellen van warme zomerdagen met gestolen aardbeien verfrischt, en van zoel wasemende nachten met hooilucht vol. En hij vertelde graag, al snoevend, van zijn jongensvechtpartijen en van de groote die hij had gezien, nadruk leggend op het mooiste en bloedigste, in het meêgaan met zijn verhaal. En ze waren soms wel wat bont zijn geschiedenissen en vol van noodkreten uit houten reiswagens, angstkreten uitgestooten in den nacht, van onder de neêrgeslagen zeilen der veldtenten, om hulp roepend, en van onder de hangende nachthuiven om mallemolens, waar 's morgens vroeg, mannen met woeste nachtharen elkaâr nazaten met bloote messen om een vrouw, zoekend elkaâr te steken en te dooden in het morgendonker, tusschen de houten paarden door en tusschen het stijve geschommel der geel geverfde leeuwen van het caroussel.

En hij wist te verhalen, en hij deed het graag, van dichtbij geziene bacchanalen, van menschen in troepen en 't keurslijf uit. Dan leefde hij op, dan begon hij te stappen en met zijn armen te doen; met een ruk had hij zijn pet schuin gezet, en met grooter oogen kijkend naar mij om, riep hij, «kijkt u, zóo!" Hoe hij ging in den roodwalmenden kermisnacht, in de bolle opwinding van muziek overal vandaan, in het vette gegeur van goedkoop oliegebak, overal in de lucht, een lollenden menschentroep vooruit; bezetenen van vrijheid en jenever als hij, die op zijn harmonica zagend, in de ruimte zijn hoog heesche jongensstem voor zich uitstuurde, zingende: «Och meissie, wà bè je lief en skoon." En dan zag ik hem weêr, dan sprong en rees er uit zijn afgestompten jeneverkop, uit zijn winterdofheid, zijn loutere jonkheid op, soms als een straal spattend uit een aangeslagen vuursteen, soms tot een breedheid van vlammende verbeelding gaande om hem, komend voor het geslobber uit van zijn luien gang; en er was iets heel ongewoons, iets heel frischs in zijn vuile stem, als hij dan neêrviel op zijn stoeltje en zijn groot verlangen naar den ruimen zomer uitzuchtte: «'k wou dat 't maar weêr voorjaar was."

Maar als hij, zooals nu, aan 't vertellen sloeg van zijn gezwerf, van zijn nachtbraken en van zijn gauwdievenhistories uit de stad, dan schoof er vaak tusschen hem en zijn naar diefstal en jenever ruikende vertelling, plotseling als een staak uit den grond, zijn groote angst voor de politie; dan bleef hij in de war gebracht staan, stom, met nog pratenden mond, alsof een vuist hem had gegrepen van achteren in den nek, en hij zweeg, zweeg, begon nog eens stotterend, maar sloeg dan aan 't liegen dat hij 't zelve geloofde.

Och, liegen, dat wist hij niet wat het was, hij loog uit gewoonte en uit lust om te liegen; als een artist te midden van zijn materie, stond hij vaak midden in zijn jokkerijen. Dan verstrikte hij in zijn eigen verzinsels, en eer het verhaal gedaan was had hij zich wel tienmaal versproken. Deed ik dan maar, en dat was voor het werken het verstandigste, of ik alles geloofde, dan voelde hij dat niet, sloeg door, almaar meer meêgesleept door zijn fantasieën. Maar soms gebeurde het dat ik het kriebelen van den lust niet weêrstaan kon en hem zei hoe hij loog, dan werd hij kort en norsch, of wel lachte me driest in 't gezicht uit; of zooals meestal, hij maakte zich sentimenteel, lei het hoofd op zij, begon te klagen, schijnheilige woorden, fraseerend zoo zijn grootste leugen, de leugen van zijn bestaan, de leugen die hij met de moedermelk had ingezogen en de leugen van zijn gansche ras en soort: «och een mensch mot al wat doen om zijn broodje te verdiénen; wat zegt ù nou?"

Het rusten had nu lang genoeg geduurd en ik zei:

--«Wil je?"

--«Ja, menheer," maar hij bleef zitten.

--«Neen, ga nu staan. Als je 't goed doet krijg je een sigaar."

--«Hè, twee, dan heb ik er van avond ook nog een."

--«Twee."

--«Ik geloof dat er maar weinig jongens zijn die 't bij u zoo goed hebben als ik."

--«Kom, ga nu maar staan."

--«U bent een goeie menheer."

Hij hielp zich op, schokkend in een korten, als een plotselinge hoeststoot, hortenden lach, kwam heelemaal overeind en slobberde in alle vadsigheid vooruit.

En het werken werd hervat onder het luide gegeeuw van den jongen, die met een wijd kakengegaap omdraaide op zijn plaats en me toen kijken liet in zijn open mond met wreede, stompe tanden; als een apenbek, bleek-rood van binnen, klepte de holte toe.

--«Allemaal lust."

Na het geworstel kwam al gauw het krachten slopende geploeter, om het leven te geven, het leven dat alleen leven voortbrengen zal. En het gewerk bezat me weêr, dat alleén maar mijne groote behoefte voldoen kan naar dadengeleef.

--«Kijk, kijk ze wil er af. Kan je wel, poes?" spotte de jongen. «Wil ik je een gatje geven?"

De kat was opgekomen en probeerde voorzichtig te dalen van het kussen, 't lijf stijf voorover geheld, den staart slap achter haar aan; zei haar instinkt haar dat ze er morgen niet meer zou kunnen afkomen? Ze aarzelde, tastte met de pootjes onder zich en liet zich eindelijk zoo gaan. De nagels haakten en krasten weêrstrevend langs 't afgezak van 't stoelkussen; maar ze viel zacht op den vloer, zonder geluid begon ze dadelijk te stappen, maar niet wankelend, de pootjes nog klauwend aan den grond.

En als een slaapwandelaar die niet ziet of hoort, maar recht voor zich uit gaat in de zekerheid van zijn droomen-visioenen, ging ze, op den grond bewegend, onder mijn hooge oogen voorbij, tusschen den jongen en mij door, den ezel langs, recht naar de deur.

--«Ze wil er uit," zei hij.

--«Neen, ze zoekt de frischte."

Ze was al bij de deur. Daar stonden twee schilderijkisten als armelui's doodkisten, wit houten plankenbakken, ruw en ongeschaafd. Ze stonden schuin geheld tegen den wand daar, met de losse deksels, geleund voor elkaâr. En zij schoof de donkere sleuf in, in de gaping er tusschen, de staart stak er nog uit, doch ook die verdween. Maar even daarna kwam haar kopje weêr schemeren, ze had zich omgedraaid, zooals een kat dat doet in zijn nest.

--«Laat haar maar met rust," zei ik tot den jongen.

--«God ja, 't is wat een lief beest; 't is toch jammer."

Ik zette een schoteltje water voor de kisten-opening, zieken zijn dorstig,--maar toen weêr aan 't werken, men kan zich toch niet altijd bezig houden met een zieke kat.

Buiten voor het raam was de sneeuw aan 't dwarreldansen begonnen, in een schuin-gekruis, in een opgezweef en neêrgewemel van witte vlokken, en een bleek geschemer kwam schaduw sproeien in de ruimte van den zolder, sluierend het raam, als een scherm van dun gaasdoek dat doet voor de lichtschuwe oogen van een doodzieke.

III.

Twee dagen zat ze daar zoo in den donker, zonder beweging, zonder een geluidje van lijden, klachtloos te sterven in haar zelfgekozen hoek. En ik moest wel dikwijls naar haar komen zien, al wist ik toch wel telkens hetzelfde te zullen vinden; het schemerende hoopje, het ziek haargeglim in het kistendonker en het smartgeglimp van haar vèr naar binnen schouwende oogen die stom in zich zelve leden.

Eenmaal nog, den derden dag van haar ziekte, had ik haar gestoord en haar opgebeurd met de hand zacht onder haar borst, en haar gezet bij het raam op haar oude plaats. Er was een goed buurvrouwtje komen kijken en die had het oude hoofd in het zwart wollen winterkapje boven haar geschud, en gemeend had ze: het zouen misschien de tanden zijn, daar gingen veel poesen en ook veel kinderen aan dood; en gezegd had ze: van de natuur die haar loop moest hebben, want je wist toch maar niet wat je aan zoo'n beest moest doen. Maar wat later, ze was al weg, was de poes opgestaan en had beproefd te dalen van het kussen, maar 't ging niet meer; dus had ik haar moeten zetten op den grond, voorzichtig, bang om haar zeer te doen. En dadelijk was ze aan het loopen gegaan, wankelend nu boven haar klein gestap, en halsstarrig was ze teruggekropen tusschen de kisten, koppig saâmgehurkt in haar sterf hoek, norsch gesloten in al haar kleinheid, maar klachtloos als een sterke man die onverzettelijk in den toorn om zijn lijden gesloten loopt.

En buiten lag al dien tijd de sneeuw die de geluiden meêneemt en de voorbijgangersvoetstappen tot onhoorbaarheid dooft. 't Was een Zondag, de vierde dag van haar ziekte. Als ik beneden kwam zag ik het pad lang gaan, rein verdwijnend tusschen zijn boompjes en huisjes, met de glinsterende sporen der voetzolen en der wagenwielen, want het vroor nog immer. In de buurt was niemand, maar in de verte van het pad kwam een boerenvrouwtje donker aandribbelen, haar zondagskleertjes schikkend zooals ze kwam uit haar huis, 't kerkboek met gouden slot in de hand. En de huizen stonden alle blank overhuifd en de rook der donkere schoorsteenen was weekelijk blauw in de warmwitte lucht, van sneeuw nog vol. Breed bleek lag het land achter de zwarte rasters, het zwol weg onder het malsche sneeuwdek in de witte winterstilte van den Zondag, en van de zijde des Amstels relde dan soms een gaande of komende tram haar gerel; het kwam, zuiver klepelgeklank in de ruimte leêg van geluiden, als het schellen dat een priester vooruit gaat in een roomsch land, wanneer hij het laatste oliesel brengen komt aan een verren stervende.

En ook in mijn huis was het stil, stil door de sneeuw, stil door de zondagseenzaamheid van het huis, en door mijn raam zag ik op lichte daken, doodsbaren onder witte lakens.

Maar tegen den avond van dien stillen dag, toen ik nog eens kijken kwam hoe het haar ging, zat ze vooruitgekropen, den kop boven het schoteltje met water. Wilde ze drinken? Ik reikte haar het schoteltje toe, maar er bewoog geen een begeerte meer uit haar klein lichaam. Was 't om de koelte dat ze zoo hurkte boven het koude water? Brandde de doodskoorts binnen in haar hoofd? Wat kon zoo'n grove man doen voor zoo iets kleins van zijn liefde? Een schoteltje sneeuw zou nog frisscher zijn. Naar beneden en het wit steenen plakje geschept vol frissche sneeuw, en dan de kachel uit en haar zoo gelaten in de kou van de werkplaats.

* * * * *

Maar den volgenden dag was 't pad een poel, het vroor niet langer, het dooiwater lekte en rikketikte om mijn huis watergestraal en gesijpel klutsten kuiltjes in de sopperige brij van sneeuw en modder, en groeven de voegen tusschen de gele straatklinkers uit. En er was binnen een gezuig en gezucht van ontlatende kou, en op het dak en uit de boomen in den tuin was 't een voorjaarsleven alsof er veel katten leefden; maar met plomp geruisch, met den gedoofden slag van schoppen aarde op een kist, vielen de plakken sneeuw langs de pannen op de aarde neêr. En er was een lucht van ontbinding en overgang overal, de lauwe geuren van wegterend wintermooi, lucht van dooiwater en van rottend ijs en van sneeuw die vergaat. Nattig ook kwam het licht treuren naar binnen, blauwend als een waas om gebroken oogen, zóó de ruimte nemend voor haar week geschijn.

Nog leefde de poes; ze zat klein maar vast in haar hoek gehurkt, tusschen de kisten zonder een geluidje van lijden, den kop laag, de oogen in een booze doodstrakte, boven het schaaltje met gesmolten sneeuw.

't Was wel al twaalf uur toen de jongen schelde. 't Leven uitsnaterend kwam hij binnen, hij had niet vroeger kunnen komen, hij had zich moeten aangeven voor de militie. 't Dooiwater droop uit de rafels van zijn broekspijpen bij elken tred dien hij hooger klom achter me op de trap; hij droeg de modder neêr van zijn gedool door de slijkstraten, overal waar hij zijn slofvoeten schoof. Hij slobberde heelemaal naar binnen, als altijd met de handen in zijn zakken, duwde de deur met een achteromstoot van zijn elleboog dicht en schreeuwde toen dadelijk, mij bij de kisten ziende:

--«Heere Jezus, ze leeft nog; nou hoor, da's een taaie."

Zijn blondkop slingerde op zijn schouders, hij droeg daarop een nieuwe pet, schuin, losjes op het rechteroor; 't was een blauwe zeemanspet met recht glimmende klep, met een glad gelakt stormriempje aan twee koperen knoopjes, waarin geel-glimmende ankertjes blonken. Ook zijn das was nieuw en niet als een touw meer om zijn hals gedraaid, maar met zorg behaagziek gevouwen en dan met een loopenden matrozenknoop onder het strottenhoofd dicht gehaald.

Dadelijk was hij thuis en neêrgevallen op zijn stoeltje.

--«Waar is je pet?"

--«Hier."

Als een oud vel en dichtgevouwen in vieren kwam het ding zijn zak uit.

«'k Heb hard geloopen," begon hij te liegen met een hik, «want 't was al laat; we hebben veel lol gehad, we waren wel met zijn twintigen jongens.... he.... maar die heeren die hebben altijd de tijd, ze hebben me lang laten wachten, wel.... wel.... drie uren. Ze mosten me opzoeken in de boeken, wanneer ik geboren was, ziet u. Nou weet ik 't meteen.... mijn ouwe vrouw wou 't nooit zeggen, dan hoeft ze niet te trakteeren als 'k jarig ben, ziet u.... maar nou weet 'kt.... den zeuvenentwintigste Mei van het jaar een en zeuventig.... Weet u nou hoe oud of ik ben?.... Nee?.... achttien.... de heeren hebben 't gezegd, van 't jaar één en zeuventig.... een mooie leeftijd.... as 't m'n ouwe maar wou, dan ging ik naar zee, naar den Oost.... maar 'k ben al twee keer teruggehaald.... m'n moeder geeft 't telkens an.... één keer was ik in Harderwijk. Je kan teugenswoordigs niks meer doen, wat zeg ú nou.... maar ik word toch afgekeurd, ik heb een springaar in mijn oog, hier in mijn rechter.... een springaar"....

Dat beloofde wat. Het geslenter van den ochtend, het de-held-zijn van een troep wilde jongens, allen dapper omdat ze zich hadden aangegeven voor den soldatendienst, het schetteren onder elkaâr over oost en zee en mooie kleêren, het getrakteer, het telkens er nog ééntje pakken, het luidruchtig geboemel van jeneverkroeg naar jeneverkroeg, had hem losgemaakt in het geontdooi van den winter en het leven in hem wakker gegeeseld.

En hij was dien middag onwederstaanbaar. Gelijk het bruis op de lippen van een bezetene borrelde het leven over zijn lippen: het spoog uit zijn oogen, het schuimde in zijn mond, het leefde uit zijn losgeraakte armen en beenen; met zijn handen, niet lui meer, begeleidde hij in de lucht zijn vaag gevisionneer. En in het opgeblazen durven, in het zelfgevoel van zijn dapperheid was hij aan 't tabakspruimen begonnen.... «een man mot kenne pruimen wat zegt ú nou, ja.... want wie geen slokkie lust.... dat 's geen kerel.".... En hij stond half te kauwen of dan weêr de heete pruim in zijn mond heen en weêr te gooien; er kwam een klein vies optrekken van het wangenvleesch om de neusvleugels, de mond viel een beetje open, want 't overvloedige sap kwelde hem en kwijlde zijn mond vol. Dan liep hij van zijn plaats, in 't fatsoensbegrip van bij een heer niet op de planken te mogen kwalsteren en hij spoot het tusschen zijn scherpe tanden door sissend in den kachelbak, of wel, dikwijls als hij niet durfde wegloopen van zijn plaats, slokte hij met een weêrstrevend gewring van zijn heele keel het bittere sap naar onder.

Zoo ging de middag voorbij, van werken geen sprake; telkens bovendien liep ik even kijken naar de kisten, in de spanning van het wachten op haar sterven. Zijn luidruchtigheid ging heel veel over mijn hoofd heen, ik was met mijn gedachten niet bij hem.

Dus deed hij wat ie wilde; met zijn wildebeesteninstinkt voelde hij dat hij de baas was; de enkele malen dat ik hem verbood, lachte hij slim of hield zich sentimenteel; maar dan rommelde op den zolder weêr zijn genot rond en zijn luidruchtige pretstem kletste voort; hij rakelde al zijn kennis en kunstjes bij elkaâr, opsnoevend tegen zich zelven bedacht hij nieuwe dingen, om mijn aandacht te hebben, om het werken, het stilstaan te ontkomen.

Hij keerde een brandend stompje sigaar met zijn lippen in den mond om en rookte met het vuur naar binnen, en flapte het dan weêr zijn natte lippen uit, en trok en haalde met hol ingezuig van zijn elastieke wangen het natte en half uitgedoofde eindje weêr in rooden brand. Hij beet een cent door midden, het koper knauwend en wringend tusschen de klem van zijn wreede tanden. Hij maalde een stuk kool uit de kachel fijn, knersend liep het zwarte sap zijn mondhoeken uit. O.... maar hij kon nog wel wat anders.... Hij begon omgekeerd over den zolder te loopen, zijn handen met gesloten vingers als van een aap, plat op den grond, de beenen knieknikkend in de hoogte spartelend, het vuile jasje als een jak afhangend om zijn kop en handen. En daarna nam hij een stuk papier «pampier, genogt" en vouwde het in wel vijftig repen, langzaam, geduldig, als was het een gewichtig iets, precies, en begon toen: «kijkt u" er meê te draaien en te wringen, het uit te klappen en dicht te slaan, het te rimpelen en te plooien tot allerlei figuren als een volleerd goochelaar. Met een zeurige, weenerige stem begon hij er een lesje bij op te zeggen, dadelijk terugvallend in den juisten toon: «Dat is voor 't eerst, Heeren en Dames, een kleine hand-harmonica," lijmde en zong zijn kermisstem als stond hij midden op de markt onder een hoop kijkers, of voor een deftig huis met veel kinderen om zich in een wijde straat. Figuur na figuur kwam en wrong hij van 't papier, dingen met stompe gelijkenis aan de dingen die zij verbeelden moesten. «Dàt is een tràp om meê naar bóven toe te gaan; kijk nou draait ie, dat is een kerkraam.... en dàt een kokarde die de heeren postiljons op de hoeden dragen en dat een ster voor kòningen en kèizers. Dat is een zonnewaaier om te verkoelen.... en dat een époulet die de heeren officieren op de schòuders dragen.... Dat is een klein schilderhuisje en dat een wijnglas waar de heeren graag sjampànje uit drinken.... en dat een kánapee en dat een voetenbankje en dat een kinderenwieg, Suja.... Suja...."

Het stijve papier ratelde tusschen zijn vingers, frommelend en friemelend en knijpend en rekkend: «ziet u, 't pampier is te stijf, 't mot olifant wezen".... ontwikkelde hij met veel armgewerk en vingergeschik, het gevirtuoos een beetje ontwend, zijn reeks van papieren gelijkenissen. En hij liet de gewrichtjes der vingers knakken en kraken, als hij met een slag, een hokus-pokus-slag, het eene figuur uit het andere haalde, tot het vermaak der menschen die hij denkbeeldig om zich had. Het lesje liep af.... de letter K kwam, een Spaansche halskraag werd een preekstoel met een trap er aan.... en toen de raderen van een stoomboot die door het water vaart.... «Dat is een priëel," zong hij.... «en dat het mussie dat mijn zalige grootmoeder droeg, is ze niet zàlig dan is ze ten minste gelukkig uit de vòeten.... en dat is een spùugbakkie.... en dat een kuipersschaaf.... en dat een koetslantaren.... en dat, Dames en Heeren, is een Engelsch zoutvat en als je nou allemaal wat geeft dan heb ik óók wat."

Het gestrookte en beduimelde papier, grauw geworden onder het geknoei van zijn morsige vingers, had den vorm nu van twee lompe bekervaatjes met de punten vast aan elkaâr. In de kneep in 't midden hield hij de gelijkenis bijeengevat tusschen duim en vinger. Hij stak het bakje bedelend vooruit, nam met de andere hand zijn bontpet nederig af, hem van boven vattend aan den bol, als een pleister trok hij het ding van zijn kop en ging toen rond.

--«Nee, 't was maar gekheid, ziet u," zei hij even bedremmeld.... «maar ziet u, u weet nou wel veel... maar ik ken ook een heele boel.... Och, mijnheertje lief, ik kan nog wel wat anders doen.... en ziet u, u hebt nou wel veul gezien van uw leven misschien, maar dat hebt u nog nooit gezien... geef u me nou eris een slok petroleum."

--«Wat?"

Maar eer ik het beletten kon, had hij de oliekan van zijn plaats getild en ontstopt.

--«Och nee, geeft u me nou maar es een lucifertje. Nee, wees maar niet bang, 'k zal geen kwaad doen. Zet u de deur maar even open.... Toe, geef nou hier.... och bè je belazerd, 't is wat mooi."