Chapter 12
De trein was nog altijd niet in Alcazar de San Juan, het centrum van La Mancha, waar ik naar toe op weg was. Mijn boer slaapt met gesloten vuisten en open mond, zooals Sancho slapen kon als zijn buik vol was; en de vlakte gloeit.
Met reinen spot van een superieuren geest die een geheele periode belachen wil en kàn, dacht me zoo, heeft Cervantes de groote kale armoede van La Mancha, die nuchtere werkelijkheid, gezet tegenover den pronkzuchtigen smuk en de onzinnige krullerijen, het gekozen tot strijdperk voor zijn dolenden ridder, tegenover den leugenbombast der ridderromannenschrijvers die hij belachen wou. Maar hij heeft niet kunnen ontkomen aan de wet der natuur, die hij zelve leeraart in zijn proloog, dat elke gelijke zijn gelijke voortbrengt, en zoo dolen nu die twee uitingen van zijn hooge persoon, zijn twee gelijken, zijn twee geesteskinderen die hij gevoed heeft met zijn roode hartebloed, door die roode vlakte.
En Cervantes zal niet sterven ook zonder die wet boven zich te hebben erkend, als hij, oud en op, zijn «pequena pluma" aan den wand hangt en zijn belagers in de ooren schreeuwt zijn fier woord, en een oorlogswoord voor elke oorspronkelijke daad:.... «Blijft daar staan, schelmen! dat niemand er aanrake, want voor mij alleen werd Don Quijote geboren en ik voor hem."....
De locomotief gilde en de vlakte werd weêr bestreept met geel koren; de grond golfde tot heuvels en er kwamen weêr molens; aan den eenen kant stippelde Campo de Criptano met de fameuse Sierra de los Molinos, aan den anderen kant ligt Tobosa met haar aardwoningen in het zand, de residentie van Dulcinea.
De trein stopte, de boer werd wakker en zocht naar zijn wijnzak. Bij een hek, langs de lijn, zag ik een oud, mager paard staan droomen in gezelschap van een grijzen ezel. Kameraadschappelijk druilden zij bij elkaâr, het oude knollebeest met den langen hals op den hals van den ezel, Rossinante en Sancho's grauwtje.
Ik was in Alcazar de San Juan....
De Dood van Mijn Poes.
DE DOOD VAN MIJN POES.
't Vroor dat het kraakte. Van buiten uit de laagte van het pad kwam het voorbijgaand gepraat van een paar late mannen opstijgen langs het gladde vlak van mijn atelierraam, met hun schoenzolenslag kwam het ijlpunten door de lucht, bevroren tot fijn gespitste geluidjes, geslepen door de kou, rein geworden als hoog jongensgestem. En ik zag hoe op mijn raam de barre winternachtvorst haar bedriegelijk naaldwerk van ijsbloemen aan 't spinnen begon, van onderen uit de hoeken der ruiten op. Naast me ronfelde en laaide de kachel met heerlijken gloed, ik had er mijn ouden leunstoel zoo dichtbij gerold als maar mogelijk was en zóó de warmte indrinkend met mijn heele lichaam, zat ik te kijken vooruit, naar dat broze gefantaseer op mijn groot glas.
Waar zou mijn poes zijn; al drie dagen was ze nu weg. Uren had ik haar loopen zoeken, wat kon zoo'n beest er in godsnaam aan hebben nu, in zulk een getij aan 't vagebondeeren te gaan, te blijven slenteren in zulk een metaalharde nachtkou, die alles wat teêr was en onverzorgd, wel vermoorden zou. In het land voor de deur was nu toch niets te halen, het oude gras stond er bevroren, wit als oude haren, dood met het doode land, en in den tuin hiernaast was 't niet veel beter; was zij bij de buren, bij den zwarten kater? Misschien was ze wel vermoord, de jongens van het pad schieten met katapulten, tusschen de rasters door, op de katten, die in 't land snuffelen, ze verkoopen de huiden dan, en zij hád zulk een mooie huid;--God, als die snotneuzen haar eens vermoord hadden. Waar zat zoo'n beest anders zoo lang, en nu juist, nu ik haar bij me hebben wou, nu 'k me zoo alleen voelde, zij zoo vroolijk met haar gespeel; nu ik haar eigenwijs wel zou willen zien rondloopen over mijn zolder, of onhoorbaar van haar nest op den luien stoel naar me komen zien aanzetten, den geringden staart hoog dragend, als een pluim ijdelheid die ze genoegelijk boven zich zelve opstak. Ik wou haar achter de kachel zien gaan liggen nu, al knipoogend tegen den rooden gloed, ik wou haar de leedjes zien gaan rekken in lui welbehagen, en dan lekken haar lang lijf glimmend met de roode gespouwen tong. Kijk, dan begonnen de zwarte ringen in haar vel te glimharen dat het een lust was, onder den onverpoosden arbeid der elastieke tong, die met lange vegen, in rugveeringen, het vlugge lijf rein streek. Soms hield ze dan in eens op, lang liggend nog, maar de kop was geheven en spits geoord; de oogen wijd gespalkt sloegen als barnsteen aan 't starlichten, en de staart klopte dik en boos-zwart den grond. Hoorde ze het leven van een muis, of een vogel rommelen in zijn gootnest? Maar 't zwarte rondtetje der pupil was al weêr als een gordijntje tot een donker strookje saâmgeschoven, ze lag al weêr languit op den grond, en het snorren kwam zelf-tevreden tusschen de witte snoetsnorren uitbrommen; kijk, zoo zou ik haar weêr willen zien liggen nu, op den rossen vloer van oud plankenhout, in weelderig uitgerek, net doende zóo als een miniatuur van een koningstijger op een roode rots, die zich heet stooft, geslagen liggend door 't zat vreten, vuurkijkend nog uit de zwarte ringen van zijn geweldigen kauwkop en die gaapt en rekt en knipoogt naar de zon.
Op mijn groot tralievenster was het een gewirwar, een heen en weêr gesnel en gespoel van ijle ijsdraden, vooruit en terug, zigzaggend, pijlrecht en hoepelkrom, krimpend en brekend en doorschietend als flinten in geborsten glas. Op den matten grond van den waterdampaanslag was het als etsgespeel, aan alle kanten schoten de ijsbloemen uit, ruit na ruit bebloeiend.
Hoorde ik daar niet het miauwen van mijn poes uit den vriesnacht komen; blauw staalglansde het buiten achter het gekristalliseer op mijn raam; verstijven voelde ik rondom mijn huis den nacht tot een hooge kou, een droog pegeldek van ijs en witte ruigte strekken gaan rondom mijn pannendak, wijl hoog uit den hemel almaar meer blauwe koude neêrduisterde, almaar méér witte kou opijsnaalde uit den klinkenden grond, tot al de levenslucht ervan krimpen en saâmschrompelen zou, en het laatste klein leven vermoord, meedoogenloos onder het hooge gepraal, onder het ver-affe gekilklink der streng starende sterren. Hoorde ik daar niet het miauwen van mijn poes, kreungeklaag komend van een kind in koorts....
Toen naar beneden en rond gaan zien in den nacht op het pad; maar van mijn poes geen spoor, er was niemand, er was niets, er was alleen koud duister en klare kou; er was een ijsblauwe lucht, een wijdweg strekkend glazuur, bekrast en bepriegeld met sterren, veredelsteende vonken, als bevroren lichtdroppels zoo koud, tinkelend om den fosfoorstroom van den melkweg, die als een veel bereden ijsbaan, beroofd van harden glans, dwars door het luchtveld ging. Gelijk de koepel van een geweldige ijshal stond de hemel boven het lang-uit-geschuif van het land, boven de rij grenshuizen der laatste nieuwe-wijkstraten, massale schimmen van staand donker voor de uitgebluschte aureool van het licht der stad, een dof steenduister, waarin twee of drie venstervierkantjes eenzaam waren van warm rood leven. En boven duistere loodsenhokken boog de hemel klaarder en killer om en op, die waren weggeschaduwd in het warrig geblok van een fabriek, waar middenin, als een reusachtige ijskegel het hooge gestijg van den schoorsteen klom; boven het zwartverkleumde padzand met de dorpershuisjes laag staande in de kou, met krampachtig gesloten venstertjes, aan elkaâr geleund, stomp, nietig en zwaar duister, Samojedenwoningen in een geruischloozen noordernacht, zóó verloren in de ontzettende verstijving.
En in dat groote buiten-dood-zijn waren de pad-lantarens vreemde dingen, schril kindergespeel in een sterfhuis, stille, rood afschijnende kaarsen, door vreezende handen gezet bij het lijk van een dooden machthebber.
Maar de meêgenomen warmte van boven was allang verloren en de kleêren uitgedampt, met naaldprikken begon de kou in mijn huid te steken tot diep in het vleesch; den vriesdood voelde ik opkruipen door mijn schoenzolen heen, naar boven, naar mijn hart, waar ik stond; huiverend en vanzelf begeerend naar warmte en licht leven, keerde ik om op het pad, maar riep nog eenmaal, zag onder het geschijn van een lantaren een rood wolkje van rook, mijn adem om mij, hoorde het geluid van mijn stem klanken weêr en bauwen als teruggestooten op metalen wanden, toen was ik binnen in 't donker der trap en ging ontevreden naar boven.
Mijn groote lamp hing als een zon midden in de zoldering, sloeg haar licht tegen de achterzijde van een doek, dat afgewend op een ezel stond, en smeet een vlaag donker de zoldering in. Ik wierp de kachel met kolen vol, want gloeiend moest zij blijven, en toen schurkte ik weêr in mijn stoel, met al het genot van de warmte tusschen de knieën te hebben. Waar zou dat beest zijn, als ze nog leefde vroor ze bepaald dood, dat kon niets weêrstaan, niets dat zoo klein was als mijn kleine kat.
Maar stil blijven, onmogelijk; onrustig was ik aan 't heen en weêr loopen begonnen en telkenmale in den op-en-neêr-tred, zag ik hoe op mijn raam het gebloemte der kou groeide, almaar dóor ging het geheimvol gevirtuoos zijn gespeel. De ruitbladen waren nu dik bevroren, elk blad was een veldje met wit onkruid bewoekerd. De nacht buiten was weg, het lamplicht stuurde glansspritsen henen, deed gele gouddraden fonkelen in het zilveren ijsgespin.
Dat was een vreemde flora: daar waren bloemen, geheele tuilen bloemen van kristallen en rijk gerank van naaldijs; daar waren wintertulpen met lippende bladen, gestreept als zomeranjelieren, gekarteld en gesplitst; daar waren bekerbloemen als vischbekken open, windekelken uit ertsen opkomend, droog geneeskruid, wit ijsloof; daar was een wild opgeschiet van niets-waard-zijnd onkruid, en het rijke gebluf en gewring van kas-orchideeën; daar waren gestekelde distels, gansche bossen harige brandnetels, en daar wilde kervel. 't Was allemaal wild gewas, verwaaid klein goed, door elkaâr gewoekerd; 't zag er uit als ruig veld er uit kan zien waar wieders door gingen, mannen met zware klompenvoeten; gestroopt en verfomfaaid was de bohemenvegetatie, verpletterd, als wilde planten worden door een wilden wind.
Kijk, daar in de hoogte was een ruit bevaagd met schimmen van bloeisel, zooals ik dat buiten dikwijls zag, diep schemeren onder water, op den grond van een vijver; ik kon ze hier zien groeien, en worden tot de ragteêre karkassen van boomloof bewaard tusschen de bladen van een oud boek; en naar lager, daar was het een forsch gestengel, een geslier en gescheut dwars over het glas, in neêrhangend bladgewapper, gelijk pluimriet, als flakkerend lies, als lang gladiolussengroen. Klein gevlok, sneeuwklokjes, groeiden er verborgen tusschen. Daar was een ontbloeien van kristal-metriek en plantenlenigheid, metrieke bloemen, prisma's en octaëdertjes aan varens gewonnen, mineraal-rijkdom gegroeid aan duizendnaaldige dennen of aan het fijne getak van rendiermos; daar waren pluimen pronkende pauweveêren en daar een bezemig gehaar en gestekel als borsteltjes kattesnorren. O, 't was een mooie flora, het witte ijsgebloei in den wintertuin op mijn ruiten, dat tot ruigten worden ging in gester en gestengel, in geblader en gekristalliseer.
Zou het toch niet kunnen, dat mijn poes was in den tuin hier naast, ze hield van boomen en verzot op vrijheid als ze was, hield ze er van te zitten in het hoog takkengearm om daar te loeren naar vogels; ze hield van dat hoog zitten in den wind, stevig gezeten in den haak van stam en tak; ze was wel eens zóo hoog geklommen, dat ze niet meer omlaag durfde komen, stijf bleef onder de hagelbui van steenen die haar opjagen wilde en er toen uitgehaald worden moest. Toen had ik haar geslagen, en als zij nu weêrkwam zou ik haar weêr slaan en haar die kuren wel afleeren van altijd weg te loopen en mij te laten alleen.
Bah! zoo'n beest, waarom niet; 't was als de rest, 't zocht zijn pleizier en haar eigen goed leven. Bah, zoo'n beest, waarom niet?
Maar met dat al had ik toch maar niets geen macht iets te doen. Rondloopen bleef ik, op en neêr, van het wit koude raam naar de roodheete kachel en dan weêr naar het wit bebloemde raam, op en neêr, als een beer in zijn hok. Ik had wel willen lezen, maar jawel, op iedere bladzij kwam een kattekop, en.... werken.... maar werk eens, werk eens als ge wat liefs verloren hebt! Bah! werken, was alles hier óm me geen werken? Scheen 't lamplicht niet in een werkzolder, arbeid belichtend, geploeter overal. Bah, werken. God, god wat was het koud hier. 't Begon hier al even hard te vriezen als buiten; kom, nog wat kolen in het vuur en dan....
Hoor! daar komt de schorre schreeuw van een nachtboot in den Amstel, nu is het al laat. Hoe laat? ik hoor het galopje van den klokketik niet, de klok staat stil; maar die boot zal het ijs wel scheuren, denk ik, hij zal den boel om zich heen stuk slaan, 't moet wel. Hoort, daar gilt ie weêr, wat een neusgalm, 't rochelt de pijp uit, 't lijkt wel of zijn gelawaai door een mist komt. Zou 't zijn gaan misten? Vorst en mist dat is schelvischweêr, en schelvischkoppen dat is al eten voor mijn poes, en dat is de trek waarom ze 't huis uitloopt.
Drie dagen was ze nu al weg, de Bohémienne.
Waar zou ze zijn, waar, waar?
Wat was het hier goed, wat was de kachel goed, de warmte goed. Ze gaat lustigjes langs 't hard ijzer der pijpen op, teêr aan te zien trillert ze op, snel ijlend kringelt ze fantasieën om de pijparmen; ze stijgt in het laag gebalk, ze wemelt tot een rookje in het goud geschijn om de lamp. Zoo vult ze den zolder, mijn domein, met loom gedroom, zóó wekt ze begeerten naar voortbestaan in zoel gemak, waarbij men zich de handen wrijft; wat zou mij de groote dood buiten maken kunnen, wat de winter met zijn tirannie van ijs, weefde hij daar niet in een gril van zijn opperste bekoring mijn huis met bloemen vol?...
Waar zou ze zijn, waar?...
Zou ze liggen tusschen de stammen der boomen, tusschen de stammenmasten in den tuin hiernaast; of zou ze liggen in het droog-knappend gekreupel, dood gevallen uit een hoogen boom; zou ze daar liggen, krom op de aarde of weggezakt in het vaalrotte loof? Dood, dood, gevoelloos voor kou en naar weder, en voor mijn roepen doof....
Of zou ze liggen, lang uit, plat in het leêge land, in het witte gras; zóó klein, zóó niets, dat niemand haar meer zal vinden; dood gestrekt in de al-koude winden, in een kuil, dien een paardenhoef sloeg toen 't nog zomer was.
Vermoord....
O, mijn kleine, mijn koningskat, als ge zóó dood zijt, als ge zoo moet verdwijnen, dan zal ik u bouwen uit mijn harteschat een ruim rein graf, een mausoleum van ijslijnen.
Daarvóor is heel de hemel mijn, zoo hoog en koud hij mag schijnen, ik zal er van nemen ijslijnen en weven een wade om uw kleinheid fijn. Met gebloemt van de kou, met sneeuwgeontblader, met dons van rijp en met briljanten van ijs, kom ik u dekken, zal ik u strekken in mijn doodenpaleis.
Daar is 't gewulf van blauw kristallijn, en dáar zullen sterren en doodsvlammen zijn....
Wat was dat? Neen, deze maal bedroog ik mij niet.
Dat was miauwen en dat kwam van dichtbij, van achter de deur. Opgesprongen, de deur opengerukt. Br... wat een ijskou, de wanden zijn wit, de straatdeur staat aan. Opengelaten. Maar daar zat ze op 't vloermatje. O, klein, wat klein. Brr... wat een ijskou. Ze staat niet op. Ze knipoogt tegen het helle licht uit den zolder. Wrevelig en een beetje haastig stap ik over haar heen en geef haar een stootje met de punt van mijn schoenvoet. A là. Zacht, ze gaat al, naar binnen, mager, enkel vel.... Ze gaat onhoorbaar, met kleine schokjes in 't gebeentetje der schouders, net als een arme slokkerd doet die een zwaar geladen handkar voor zich opduwt. Brr.... Holderdebolder de trappen af, de deur met een smijt toe, dat de glazen rinkinken in den vriesnacht.
Boven. Daar zat ze, midden op den vloer, de door de kou geslagene, ijselijk in het licht, de twee voorpootjes naast elkaâr geblokt op den grond. Rechtop zat ze op den zoom der schaduw van het doek op den ezel.
Was dat mijn poes, mijn kleine poes? Neen, neen, dat was een vreemd beest, een oud beest, een verloopen beest. Waar waren haar jonge oogen, haar klein kinderronde oogen? waar haar mooi vel met de glimmende runen? waar haar ijdele staart, en waar, waar het heerlijke fluweel van haar oortjes? Neen, verdoemd, dat was een vreemd beest. Dat keek niet meer, dat schuwoogde, dat waren de vage oogen van een zielig mensch, overgeplant in een vreemde omgeving. Dat was ziek gekijk, niet dat van mijn beestje,.... verdoemd.
Miauw!.... wat een vèr geluid.... Dat kwam nog uit het land, dat kwam nog van de straat, en 'k had het wel gezien, het bekje van binnen was niet rood meer, maar blauwwit, nachtwit, winterwit, doodwit....
.... Miauw!.... «Schei uit, beest. Schei uit, of 'k jaag je weg"....
In mijn stoel en aan 't redeneeren: «waar kom je van daan? waar heb je zoolang gezeten hé?"....
--«Heb je geen honger? Al drie dagen staat daar vleesch en brood en melk, waar ben je geweest in al die kou, naar beest."
--«Kom dan maar hier. Ben je koud, daar is de kachel. Kom je niet?"
Toen heb ik haar opgenomen, getild naar mij op en op mijn knieën heb ik haar gezet. Ze woog bijna niet meer. Ze was enkel koud vel, met een armzalig levenden kop er aan, het haar voelde stug en koud.... het zachte gedons onder den buik was aan elkaâr gekleefd en tot piekjes bevroren.
Wat was ze stil, wat was het stil, wat was de nacht groot en de kou overal....
Zacht voelde ik mijn hand gaan over het vel van mijn beestje en toen is stil een groot leed komen opzwellen naar mijn oogen.
II.
--«Kom, Louis, sta nu eens een beetje stil."
--«Ja, mijnheer Ko," zei hij onderworpen.
En 't was weêr een poosje werkstil in mijn atelier. Onder het daklicht, tegenover mij, stond de jongen poseerend voor zich uit te kijken, de handen in den zak. Zoo had ik hem eens voor de deur zien staan als straatventer van lampeglazenwisschers en komfoor-treeftjes, en ingepakt dadelijk door zijn mooi openluchts-uiterlijk, had ik hem overgehaald bij mij als model wat geld te verdienen. Dat deed ik nu al een tijdje, 't was wel een goedkoop model, maar 't ging maar niets.
Nu stond hij daar. Hij haalde met een luien ruk zonder de handen te gebruiken, zijn broek die met een touw om zijn heupen hing, op, en keek vervolgens uit de blauwe oogen schuin, op zijn gemak het raam uit, naar de groote lucht, in de wittige zon, waarin droge sneeuwpluisjes als losgestoven donsveêrtjes, men weet niet vanwaar zij komen, voorbijgingen aan het raam.
--«Neen, Louis," zei ik.
De jongen keek den zolder in naar mijn gewerk en een onnoozel-slimme lach spleet het rood van zijn zinnelijken jongensmond vaneen, de wangen poffend; maar eer ik goed opkeek was die lach weggemoffeld met een lippenbeweging alsof hij hem snel inzoog en stond hij zoetsappig voor zich uit te kijken. Ik wist al lang dat de schooier me uitlachte. In zijn vlagen van losbandige onverschilligheid had hij me meermalen gezegd, hoe zot hij het vond zich zoo af te beulen op zijn bakkes.
Maar opnieuw zochten zijn oogen verstrooiïng en hij zei:
--«Ze hèt 't leelijk te pakken."
Hij sprak van de poes, die in elkaâr gekrompen zat in de kussens van den rieten stoel onder het raam. Gisteren was ze den geheelen dag onrustig geweest en had haar bedorven maag en ziek lichaam rondgesleept door den zolder; maar nu bleef ze stil, wilde niets eten en drinken; suffend zonder slapen zat ze kleintjes, soms met lustelooze oogen kijkend naar mijn bewegen.
--«'t Is toch een lief beestje, 't is toch jammer."
De schelm. Zooeven had hij mij gezegd dat ik haar maar dood moest slaan; hij wou 't wel doen, hij wist de huid te verkoopen voor zestien stuivers.
--«Kom, poes, gaap eres," zei hij, in eens uit zijn onbewegelijkheid schietend, en met het gele borsteltje van een lampewisscher begon hij 't beest aan den neus te kittelen.
Ze schoof stom achteruit, bang voor het gele gedrocht.
--«Wil je het gauw laten, hè."
Een wreed lachen schoof kort hortend den jongen den mond uit. Hij was voorover gevallen van plezier, den krulharigen blondkop met de ruige petkluit van oud bont vooruit, saâmgevallen schaterde hij 't uit, de handen op den buik, onder het blauwe gezwabber van het bijna plooilooze vest.
--«'k Mot altijd zoo lachen als u kwaad wordt," zei hij, toen 't eindelijk gedaan was; «maar 't is toch een lief beest, 't is toch jammer."
--«Eergisteren heb ik nog twee katten gevangen," praatte de jongen voor zich uit met zijn spuugstem. «Eén heb ik er op zijn kop getrapt, daar kennen ze niet tegen."
--«Niet?"
--«Nee, ziet u, ik schoot em eerst met een steen, hij liep in het land bij ons op het erf, bij de wagen van m'n zwager, ziet u, en daar begon ie te draaien, en toen dacht ik, wacht; en 'k liep naar em toe, en ratsch, mijn hiel op zijn kop. Kijkt u, zoó.... Ach, toen was ie toch meteen uit zijn lijen ook. Wat zegt ú nou?"
Zijn hals en krop was onder 't vertellen aan 't zwellen gegaan; zijn stem werd almaar natter, of 't water hem van achter kwam loopen in den mond; toen hij met zijn hiel draaide en stompen gaf in den grond op de denkbeeldige kat, had er een scheutje oogenwit woest geflikkerd, maar langzaam zakten zijn zware oogleden neêr, 't brutale smoel was weg en hij stond weêr onderworpen, 't hoofd sentimenteel op zij.
En toen zijn stem met een hap ophield was het stil, opnieuw werkstil. Beneden onder het raam trippelden kinderen voorbij, de school ging uit. Ik hoorde hun druk gekibbel, hun opgewonden-zijn in de langzaam vallen gaande sneeuw. Daar ginder kwam gillend een jongen hard aanloopen; achter in mijn werkend hoofd kwamen de frissche geluidjes, jubelend geklank, hoog lachjesgesteiger vol jonge onnoozelheid. Maar als bezeten arbeidde ik voort, worstelend om het vliedende gezicht te vatten en te hervatten op dien jongen, dat ik me telkens en telkens, dagen lang, ontsnappen zag en verder weggaan en dan weêr even aankomen, in de wisseling van het geweldige leven dat uit hem spotten kwam. Beneden uit de steenhouwerswerkplaats bomde het onder me, het dof klopgeslaag der houten hamers gruizelend den steen.
Wat een wuft gegroeide neus en 't leek wel of die vagebond honderd monden had; zoo straks was zijn hals rank als een schooljongenshals en nu was 't een krop dien hij opblies, een zak dien hij volstopte met zijn opborrelende wilde neigingen.
Maar in een geslobber van zijn oude kleedij, lui staakbeenend in de afgerafelde broek en te vadsig nog om zijn handen uit den zak te halen, liep hij van zijn plaats zonder iets te zeggen, met de voeten sloffend en zakte neêr op 't matte stoeltje dat ik voor hem had klaargezet als hij rusten wou.
--«Je krijgt zoo'n pijn in je rug van dat staan."--
--«Och kom, je hebt gisteravond zeker weêr te veel jenever gedronken, je kop is van morgen net zoo rood als een rooie kool."--
--«Heere God nee, ik ben er af."--
Hij zat al met de ellebogen op de knieën neêrgelaten, en met zijn bontpet als met een dood beest spelend, hing hij voorover, log, vierkant, een vracht op den vloer. En zoo liet hij me neêrkijken op zijn gemeenen rug, die bot kwam onder het opgestop van de vracht oude kleêren, welke arme menschen om de kou over elkander dragen. Onder het neêrstortende vallicht was die rug als een vlak stugheid, een hard klankbord, waar elke goede redeneering op afstuiten en stuk slaan zou. Er was iets zoo geweldig beestachtigs in het geglimmer van zijn ronden rug, iets zoo laags bij den grond in dien nederig gebogen slavenbast, hoe was het mogelijk dat ik in die kluit grofheid ooit had gezien en er telkens weêr inzag, eventjes, eventjes, het frissche van een openluchtskind, het losse van een vrijen lanterfanter die gaat zoo 't gaan maar wil.