Chapter 10
En in eens herkende hij waar de droom hem gebracht had. Hij was in de hoofdstad en de hoofdstad vierde feest. Hij herkende de straat waar hij was, hij voelde het asfalt ervan gladgeslepen onder zijne voeten. Tusschen de elkaâr opstootende menschendrommen waarin hij zich meê voelde gaan, zag hij stukken van den vloer, geelrose vlekken onder het net van lichtjes, die een stralend dak vlochten boven zijn hoofd. Want overal zag hij lichtjes, kleine, weinig glans gevende lichtjes, maar die in hun duizendtallig zijn gloeiden tot een gewelf van vuur; over de straat vlogen ze in kruislijnen, guirlandes ervan hingen zwaar gebogen over de geul der smalle straat, van den donkeren muur tot den donkeren muur. Opwaarts en over elkaâr heen, torsten ze in hun samentreffing, kronen van dubbele rijen gloeiende pitten, rood en wit en blauw geschilderde glazen; het dikke vet lag er troebel op den bodem in, en één voor één hingen ze in een ringetje van gevlochten draad, zwart streepje op den lichtenden wand van elk glas. De winkels waren weg, de deuren en uitstallingen gesloten, gebarrikadeerd en dichtgespijkerd met planken als bij een oproer. De ondergevels en winkelpuien geleken stomme, strakke dijken, die versterkt en opnieuw gelapt, den woedenden stroom moeten binnen houden.
Maar naar boven, boven de lichten en geluiden uit, daar gloeiden de vlaggen en trofeeën, ópbrandend. Donker kwamen ze dalen, neêrgelaten uit den donkeren nachthemel; de roode banen zakten bloedrood aan en verschroeiden boven de guirlandes tot een rauw oranje, de wimpelstrooken verbrandden tot licht rood, het blauw vergroezelde tot groen en het schemerend wit purperde, met bleek rose op de plooien. Op den luchtstroom van beneden bewogen al die kleuren zich als op een licht geblaas.
En overal over de in lichtheid wegwolkende lengte der straat, tusschen de festoenen en lichten door, boven en tusschen de banen der vlaggelappen, die een schijn kregen als waren het de hoog opgetrokken decoraties van een tooverballet, boven en tusschen de donkere lijnen van lijsten en kozijnen, waar het licht brandig langs vloog en die oppijlden en wegschoten naar den nacht toe, in de gevels die soms als brokken waren van een verbrande buurt, met hun door den nacht opgeslokte kappen en daken, zag hij de donkere gaten der opgeschoven vensterramen bebloemd en befeest met tuilen rooskleurige menschengezichten; ze tuurden alle naar beneden; met levende oogen staarden ze door de guirlandes en festoenen van lichten heen omlaag in de geul der straat.
Als door een zwaar loopende, drabbige rivier opgestooten en meegevoerd, voelde hij zich gaan. Hij zag voor zich niets dan ruggen, zwarte, benauwde, stomme ruggen. Soms was het of de zwarte rivier rondwentelde in de smalle bedding der straat; dan smeet de stroom hem rechts tegen de huizen aan en hij voelde zich opgaan in het gedonder van lawaai-makende menschen, en dan weêr links, waar hij tegen een anderen menschenstroom aankwam die teruggolfde. Dan zag hij een oogenblik zoo'n stoet voorbijgaan; 't waren krachtige mannen en opgeschoten jongens, allen met oranjestrikjes op de borst, of tusschen het lint van den in den nek gezakten hoed; er waren veel vrouwen bij, opgedrild met omslagdoeken of burgerlijke mantels. Ze hiha-den met de mannen meê. Een oogenblik zag hij ze in de dronken en bevlamde gezichten, ze waren vertrokken en misvormd door de opwinding, vuile zweetstralen daalden onder de hoeden vandaan, de haren plekten en kleefden en waren in de war, de oogen glommen wellustig, de monden waren opengeschreeuwd tot donkere gaten. Met geluiden van verschrikking gingen ze voorbij. Hi! ha! dreunden de zweetende mannen, ze hielden de vrouwen aan de gebogen armen en stieten elkaâr in de ruggen op. Hi! ha! hijgden ze als moesten hun longen te bersten, voort donderden ze, stampend daverden hun voeten op het asfalt en ze sloegen een bres in het gedrang, op den hamerenden rythmus van hun wild gezang.
Maar oogenblikkelijk rolde de bedding weêr vol en sloot de stroom zich toe.
Kalmer ging het nu voorbij, de opwandelende beweging kabbelde rustig vooruit. 't Waren rustige wandelstoeten, tevreden menschen elkaâr verdringend, huisgezinnen opgepropt achter elkaâr. Ze schoven vooruit op een luchtig danspasje... vroolijk zagen hun oogen en alles bewonderend, in de rooskleurige gezichten. En ze waren allen met oranje versierd, met geplooide rosetjes of met geverfde immortellenboeketjes. Sommigen hadden van tin gegoten medaljes aan een geel sigarenlintje op de borst gespeld of aan strikjes met de nationale kleuren. Velen hadden kinderen bij zich, ze droegen ze op den arm of sleurden ze aan de hand mede door de volte. Als een wolk van stof steeg de opgewondenheid uit hen, een vol geroezem van blijde stemmen en luchtig slijpende voeten; één gerol van uitgelaten mannenlachen ginder, hier het giegelen en gillen van een vrouw die in het gedrang gekitteld werd, daar het benauwde huilen van een verdrongen kind, dat zich den hoed voor de oogen voelt gekneld en bang wordt van het donkere leven.
Maar hi, ha! hi, ha! daar kwam weêr een andere stoet de stikvolte doorslaan en, dadelijk woest geworden en verschrikkelijk, smeet de stroom hem opnieuw tegen de huizen aan.
Weêr was hij tusschen de ruggen in benauwdheid, weêr zag hij niets dan de stomme vlekken der ruggen, de dansende en opgolvende schouders, de hoederanden boven botte achterhoofden, met de roode, uitwijkende oorzoomen er onder. Daar keek een kop even om, een rood-gloeiend hoofd met lichtglimpen in de oogen, die gediept en donkerder glommen door den hartstocht der pret, achter zich voelde hij den heeten adem van eene vrouw wademen in zijn halskuil. Daar begon een man te zingen, dat was de deun, de lijzige deun, en als aangestoken begon ieder mede te zingen: de mannen in de gekleede jassen, de vrouwen en meisjes als dames gekleed. «We gaan niet dood, we gaan niet dood!" zong het om hem, fatsoenlijk-lollig en heesch-krijschend en opgeblèrd en uitgebruld ging het van hem weg. «We gaan niet dood, we gaan niet dood!"... gerekt en onafgebroken herhaalde zich de deun over de hoofden heen, onder de festoenen van lichten door. Er liep een groote, stevige man voor hem, zijn sterke schouderbladen puilden door zijn nauwe gekleede jas, en die rug zong meê, de uitzetting der longen zwol door het laken heen. «We gaan niet dood!" zong hij met een vette stem, zijn rug wrong zich in de plooien, hij trok gezichten; dan geleek hij op een doodskop en dan weêr, als de schouderbladen bewogen, op een grooten vlinder. Maar moê zweeg het gezang, en het lange gesijfel van slijpende voeten bleef breed sluipen langs den vloer.
En eensklaps voelde hij toen zijn armen vrij worden en ruimte komen voor en achter. Een frissche gulp lucht kwam van boven neêr in de benauwing; hij zag naar de vlaggen; hij zag de lichtspatten op de vergulde knoppen en de lange snelle strepen der vlaggestokken; 't geleken groote vaste spelden die de decoraties vastprikten; toen wierp de stroom hem uit. Hij was op een plein.
Daar kon hij ruim ademhalen. De vurige monding der straat met zijn brand- en feestkleuren in de hoogte lag achter hem, en van onder braakte de zwarte vloed donkere gestaltetjes, als stukken modder, als verbrande sintels uit. Ze stoven weg over het plein of vielen weêr terug in de wielende woeling.
't Was dadelijk donker geworden. Voor zich zag hij het gevaarte van een toren opspalken, zwaar staan uit den grond en zich uitleden en wegschuiven met den kop in den nacht. «Waar ben ik?" vroeg hij zich af; hij wist het niet, al zijn plaatselijke kennis was in de war.--Want verder op zag hij andere straatmonden gapen en laaien, en vreemde poorten zag hij er pralend aan den ingang staan, donker tegen den brand der stad.--En overal, hoe hij zich keerde, daar straalden wijduit-stralende sterren; ze hingen los en laag in de lucht;.... en daar flikkerde het lichtende karkas van een gebouw omhoog;.... en dáár waren gloeiende letters geschreven of lekte vlammend cijferschrift. En hij dwaalde maar door, doelloos door, met een bang en vreemd gevoel bij zich. Dan was hij in een verlaten buurt waar het leêg rook en waar magere lichtjes arm en half uitgewaaid sidderden.... En dan was er in eens weêr een stralende pagode voor zijn oogen, als een Jaggernautsdiensthuis, opgetrokken van lijnen licht; 't zag er zwart van menschen, saâmgepakt en geschoold tot een gemeente, vereerend, stom, in geslagen aanbidding stonden ze, tot een veld vol stille houdingen geschaard om den voet des tempels; want tot achter het licht door zetten de kringen zich uit, onafzienbaar waren de rijen daar van rood-begloeide hoofden.
Toen liep hij weg, verbijsterd, uit den kleuren-brand van het tinkelende licht. Maar de ernstige grachten, ze spiegelden het vuurleven terug, het water vloeide er van, het lag tot in zijn diepste diepte er meê bedruppeld. En hij liep voort, almaar voort, als iemand die angstig in een vreemde stad holt, op goed geluk af. Drukke menschen gingen met zwaaiende armen aan hem voorbij, door straten waarin de nacht koolde. Ze zochten den kortsten weg naar het licht toe. Daar waren de huizen duister-zwijgend en onversierd, een enkele vlag gloeide er hoog boven een stille straatlantaren; en hier en daar kwam de feestkleur van het licht vierkant slaan uit een venster in het donker der straat. Dan zag hij in 't voorbijgaan door de ruiten heen, tusschen de pronkerige letters door op de glazen geschilderd, rond-opgezwollen tonnen schijnen, of dik gebuikte flesschen, of lange glimmende tinnen maten; en daarbinnen, naar buiten dringend, daar hoorde hij het feest weêr leven, kleiner; daar loeide de pret bij brokken na, daar vergloeiden de stukken plezier, gestoven, verdwaald uit het brandende hart der stad. Verder ging hij, verder, dóór en langs nauwe stegen, waar de geur van groen naaldhout vocht met den vetwalm van schoon-uitbrandende lichtjes en den gotenstank. Soms moest hij stil staan; dan zag hij mannen in overhemden en vrouwen in witte gestijfselde jakken, rauwe bleekblauwe jakken in het oranje-licht; ze zaten suf op van binnenshuis gezeulde stoelen, zat, achter hun walmende vetpotten en prieelen van bonten smuk; de leêge flesch stond in de vensterbank en nu zongen ze zalig aandoenlijke liedjes, sentimenteel geworden door den drank. Maar de stegen schenen stil, ze hadden hun bevolking geloosd naar het hart der stad. Doelloos liep hij. Hoort, hoe het er gromde, hoe vol de lucht was van de bezetenheid en de verrukking der stad. 't Was als een wagengerol, uitrollend hoog naar de wolken. Hoort, daar was de deun weêr met zijn grafgalm; vèr voor zijn oogen, daar trok een joelende troep over een brug, hij hoorde het harde trappelen der voeten op het hout; hij zag groote roode lichten, ballons aan stokken gedragen, schommelend heen en weêr als gekleurde manen; ze riepen bloedige vuurschijven op in het duister-spoelende grachtwater, onder de donkere holen der brugbogen. De troep joelde voorbij, de vuurschijven in het water sloegen tot krinkels tegen een zwarten, loggen schuitromp.
Hoort! de deun rommelde nu in een steeg. «We gaan niet dood, we gaan niet dood!" tegen de vuile muren op, tegen de blinde vensters aan. Wèg galmde de bende, maar als de naslepende rookpluim van een trein op het weiland, zoo bleef de deun er nadeunen in zijn ooren.
Rusteloos moest hij voort met de groote behoefte in zich om de volheid der vroolijkheid te zien. Hij kwam in buurten die menschenloos waren, waar alles sliep of uit was. Hij ging over de welvingen van bruggen, onder de grootstaande kleppen der ophaalbruggen door... de kettings rammelden in de stilte. Hij liep langs rasters en langs verlaten werven, waar vastgemeerde schuiten dommelden; de gereedschappen lagen verstrooid tegen den grond, als neêrgesmeten door gejaagde handen; in de donkere stilte sloop een zwarte kat sluik over lange stapels van houten planken; of een magere hond, een bleek uitziend beest, kwam uit het duister in het licht van een straatvlam, hongerig snuffelend met den neus langs den grond. Het schoof geluidloos voort op den druk van zijn zachte pooten. En hij kwam in nieuwe of in aanbouw staande wijken waar het kelderstil was. Als brokken van een fabriek stonden de zwarte huizenklompen; als een stad in puin, met dreigende silhouetten, verstrooid op de braakliggende terreinen; het rook er onhuiselijk naar kalk en naar stuivend zand; de wind maakte er leven, een stuk voddig krantenpapier, de vetgeworden omwikkeling van een werkmansboterham, rolde ritselend en kreukend over den ruwen puinvloer.
Maar waar dat hij dwaalde en hoe dat hij liep, overal werd hij vervolgd door den galm van den deun, die zich in zijn hersens had vastgeklemd om hem niet meer te verlaten. Het vervloekte refrein zong in hem, het ding kriewelde in zijn keel en drong plagend tegen de lippen op. Bezeten ervan liep hij voort door de nachtelijke buurten, met de borreling in zich, in zijn ooren hoorend hoe dat zelfde gelol opborrelde uit het hart der stad, hoe het heerschte en van de ruimte bezit nam, als een bol gewaai, met een open gedreun, dat in de verte als het diepe en onderdrukte geeuwen was van een moe stuk leven.
En langzaam aan, in de ontzettende en van verre gonzingen levende stilte, voelde hij zich een gedeelte worden, een klein uitgespuwd gedeelte van dat in vlammen en kleurenvuur feestvierende gedrocht, de stad. Een leêg gevoel van verlatenzijn, een doove loomheid begon te zakken van zijn hoofd in zijn beenen. Doodmoê werd hij, maar willoos bleef hij doorslenteren, voortgestuwd door den machinalen drang van zijn in beweging gezet lichaam; met looden voeten liep hij de straten uit, de lantarenreeksen langs en langs de stomme gevels; recht weg vloden de rijen kijk- en luchtgaten. Soms ging hij voorbij oude, dorpachtige huisjes, ze kropen laag en benauwd weg in de schaduwvlagen der groote steenen blokken. De stad had ze verdrongen, doodgekneld, verstikt. En dan weêr zag hij een onttakelden molen staan, een duisterstompen kegelromp, met een geharrewar van planken en houten als oorlogstuig in de laagte, met de verganen kapsteller in de hoogte; log en wiekenloos wankelde hij op het leêge erf, maar daar scheen hij koppig in den grond gegroeid, en stond weerbarstig met het stompe voorhoofd, donker en verwoed tegen de gladde steenen gevels der vooruitdringende stad, die hem den toestroom van wind in de hoogte afsneed en zóo gevangen hield. Nu lag het molenaarshuis verzonken, weggezakt in het zand.
Al moeier werd hij, de wandelaar, en al vager voelde hij de dingen komen tot zijn bewustzijn. Ja, ja, het feest was uit; daar ginder glom nog maar een enkel vetpotje aan een armelui's-verlichting. Hij hoorde de geluiden in de lucht vergaan, hij hoorde niets meer dan het gesoes in zich zelven, het zeuren en neuriën van den deun: «we gaan niet dood!"
Hij was bij een water, waar de nieuwe stad spoelen komt in de oude, en daar, als door een nooddruft gedwongen, schudde hij de loomheid van zich af, hij wilde terug naar binnen, hij moest er bij zijn, bij het doodbloeden der pret, hij zou de laatste lichtjes zien sterven, en dan het ronken hooren van de zatte stad.
Dus ging hij weêr op weg, om de zieltogende pret te zoeken. Ja, het feest stierf. In de eerste groote straten zag hij het vuurleven gebluscht; als naglimmende vonken knapten en sisten nog enkele lampions, met opflikkeringen van smeerkaarsvlammen. Smeulend-rood rookten ze op de vette bodems der glaasjes. Hier was het er één, en wat verder twee of drie bij elkaâr geschoold, maar soms waren lange einden al uitgebrand en daar waren de rijen glaasjes vreemde risten, als hangende flarden, en de staketsels en wimpelmasten het vervallen overschot na een grooten brand. 't Was een langzame vernietiging. Gesmoord was het laaien der vlaggen en trofeeën; alleen boven de straatvlammen lekte en vloog het brandlicht nog op, langs de oranje en roode banen.
En hij ging tusschen geknakte heggen en door gehavende eerepoorten. Ze brokten en klontten samen, laag in het duister; dofzwart waren ze nu, met raadselachtigheden en verlepte boomengroen-kleuren, met verschroeide hoogsels op de takken van het naaldhout. Soms waren er gaten, bressen in de heggen getrapt, als waren er stoeten doorgestormd van opgejaagde wilde beesten; bij de poorten dreef de grond van de afgeschuurde naalden, ze glisten onder zijn voeten waar hij ging, hij kreeg het gevoel als liep hij op een boschgrond. En overal lagen afgerukte takken, ze lagen plat en vertreden, doodgestrekt in hun rechtvingerigen groei op het pad vol naalden; een harsgeur walmde sterk rond, overal, uit de open wonden van het opengescheurde, afgereten en gekneusde dennenhout. Daar lag een bord met een klinkend opschrift als een neêrgehaald blazoen, tusschen de scherven van met stokken afgeslagen lampions, en daar groezelde de vuile strook van een oranjewimpel, tot een touw gedraaid onder het lange gemurw van de slijpende voeten.
Ja, 't feest was dood, heelemaal dood, dacht hij. Zie, hoe de nachthemel begon te klaren al, hoe het donker dun werd en hoog boven de huizen klom. Maar ginder, van uit het midden uit, daar gromde het toch nog; 't was als een broeiende wolk die geluid uitmistte boven de straten.
Langzaam wandelde hij tusschen den dooden tooi in de stille straat. En hij zag ver van zich menschen komen, zacht zingend sloegen ze zijstraten in; maar achter hen volgden anderen, en toen was hij opnieuw tusschen menschen. Groepen van naar huis keerende feestvierders gingen aan hem voorbij, mannen en vrouwen. Moê en òp sjokten ze voort; aan elkaârs armen hingen ze, saâmgeregen, steun zoekend voor de slappe knieën en zwaaiende bovenlijven. Verfomfaaid waren de gekleede jassen, de hoeden ruig en gedeukt; de vrouwen hadden hun doeken omgeslagen naar achteren over den schouder, luchtgevend waren hoedelinten losgestrikt en de mantels open voor de borsten. Als een straatvlam een rij in het gezicht sloeg, kon hij zien hoe verlept zij waren, uitgebrand ook zij; in de lijnen en gelaatsgroeven, zieltoogden de dronkenschap en de pret-passie, de oogleden waren dik gezwollen, als doppen om de puilende oogen; onophoudelijk knipten zij ze toe. Daar liep een vrouw te slapen, met gesloten oogen liet ze zich voortslepen tusschen twee mannen, haar hoofd rolde op zij en dan in den nek, de wrong van haar hair was los, en ze had een witten zakdoek, met een tuit naar achteren, voor de ochtendkou om het hoofd geknoopt. Werktuigelijk bewoog haar mond op een klein lachje, want naast haar, aan haar oor, daar zongen de mannen nog, maar hun mond wilde niet meer wijd open en de feestdeun kwam heesch tusschen de benauwde spleet der lippen vandaan.
Neen, 't feest was nog niet dood. Want zie, hoe langer hoe meer, van alle kanten, begonnen de roodgloeiende deurgaten van kroegen en koffiehuizen raaskallend de pret naar buiten te smijten, bij horden van volgedronken feestelingen, op gulpen van smook en drankwalm, tusschen het stervend leven in de slapende straat. En dan schuimde dadelijk het geweld weêr op, dan geeselde de bezetenheid het arme en weêrspannige lijf, dan won de drank het van de afmatting, en in overspanning strekten de spieren zich stijf, de armen zwaaiden, en de slag der voeten klonk forsch als in den voornacht. En zóo danste bij brokken de drukte weg en de straten uit; zij holde door het licht en de schaduwen der schuchter wordende lantarens, tusschen den dooden tooi, onder de uitgebrande flarden van het feest, met den langen galm van den deun achter zich aan, die hol nabauwde tegen de huizen.
Dan kwamen er weêr anderen, rijen en rijen, maar de straat bleef stil. Alleen groeide er de geluidschuiving der moede voeten, van menschen die stemmeloos gaan.
Maar dichter bij het hart der stad daar gloeiden de kleuren nog fel, daar sloeg en zwatelde het gele gaslicht nog in sterren en cijfers en letters van vuur, dáár was het feest nog in zijn hoogste opbranding. Al wat de stegen geloosd hadden, het was hier, verbrandde hier in den laten nacht; al wat in het donker leeft en het licht schuwt, leefde hier onbeschroomd als in den vollen dag; al wat in krotten broedt en soest, lange dagen lang en den nacht wacht met doffe oogen; al wat daar woekert en dommelt of droomen bouwt van woeste begeerte, zich vergetelheid voorspiegelt in razernij, en het niet-bestaan-meer verlangt in een wolk van verrukking, was hier, ziedde hier, leefde zich hier uit in de hartaderen van de stad.
Want alle kelen zongen, iedere deur was een keel, uit alle kroegen en danshuizen zwollen de deunen zwaar en breed op dikke adems aan. Hij voelde zich loopen in een gelen lichtwalm, vol en bevolkt met metaalklanken en geschetter van koper; en de houten hobo's ze klaagden er hun neusgeluiden in uit, en de afgebeulde violen snerpten smartelijk zaagtonen uit versleten longen, en een rinkelen en tinkelen, soms tot een luien groeiend, snelde dwars door het geweld, van de eene deur in de andere, het wilde barbarengetingel van ijzeren triangelen.
Ja, alle kelen zongen, alles joelde er om het laatste en hoogste lied. In het bleeke van den ochtendlijk-wordenden hemel juichschaterde en schreeuwde het oranje, wild lachte en blerde het rood, piepte en gilde het wit en bomde het donkere blauw samen met het geduister van het dennegroen en met het gepurper der schaduwen; en uit en in den gelen smook, uit en in elk dampend feesthol, door de dreunende vreugde, onder het kleurenboffen der vlaggen, en van achter de als borsten bolstaande tochtgordijnen, opgeblazen door de pret daar binnen, kwamen de snelle flaplichten vliegen van glazen en flesschen, groeiend tot een gelui van lichtjes, schielijke en korte glasflitsen op de rinkelende kristallen luchters.
En in de zingende volte der straat daar zwaaiden en ijlden losgelaten en bezeten schepsels, wilde wezens in de kleuren voort; geslachtloos schenen ze; mannen in vrouwenrokken en vrouwen als mannen vermomd, in witgestijfselde jakjassen en in onderbroeken, oranje geverfd met afkooksels van fernambuk en provinciehout. In een rammelende armelui's vermomming staken zij; met den dollen en bonten smuk van hun grove vinding was hun lijf getooid; de uitingen van hun beschaafden barbarensmaak hadden ze met het plezier van kinderen en klein gebleven geesten over hun arme lichamen uitgestrooid. Want overal hadden ze strikken en kokardes en linten en bandelieren. Tot aan de randen der broekspijpen pronkten ze met sieradiën, gekocht voor weinige centen, met oud verknipt goed, sprekend en opzichtig gemaakt in potten kokend kleursel, en toen dagen vooruit zelf geplooid en geschikt in noesten en opgetogen vlijt. Vermaakte nachtmutsen van wonderlijk fatsoen, of papieren steken als de mutsen van boetelingen met kleuren bevlamd, zwierden op hun hoofden, hingen over de tronies, schuin op de losse haren.
Zóo hadden zij den geheelen nacht gedanst en genoten en gezwermd, de straten vullend met het plezier van hun vrijheid, en in de tuchteloosheid der feestwoede hadden ze zich vertoond tot in de rijke wijken. En nu vol van drank en pret klotsten en dansten ze hier, den nacht uit. Met afgezakte kousen op de grove schoenen stampten hun voeten onvermoeid de straat. «We gaan niet dood, we gaan niet dood!" gilden ze in het georgel der deunen. En onbeschaamd, als thuis, wierpen de vrouwen het hoofd in den nek, en toonden de naakte stukken van hun keel en borsten, en lagen in de armen der mannen, vol en zalig, die, dronken als zij, bot lachten met den breeden mond, en haar bewuifden met takken van dennegroen.
Maar woest opbonkend met de hoofden vooruit, schreeuwden en brulden zij dan hun hi, ha! hi, ha! en weg donderden ze weêr. Een steeg zwolg ze in; de deun echode in de steenen gang; en boven den warrelenden klomp van oranje en wit en donkere haren, slierden en vlogen de ballons aan de stokken en trokken vurige strepen, kringels en bollen van licht tegen den uitgang der steeg die blauwde in den kil komenden morgen.