Prometheus ontboeid: Een lyrisch drama in vier bedrijven
Chapter 6
Breekt den dans en verstrooit nu het koor, Laat enklen blijven en andren gaan. Waar wij ook vlieden, wij leiden aldoor, Aan banden als stralen van sterrenschijn Die teeder maar onverbrekelijk zijn, De wolken met liefderegen belaên.
*PANTHEA.*
Ach! zij zijn heen!
*IONE.*
Maar voelt gij toch geen vreugd Door de voorbije zoetheid?
*PANTHEA.*
Als de naakte En groene heuvel lacht met duizend droppen Van zonnig water naar den open hemel, Wanneer een zachte wolk verdwijnt in regen!
*IONE.*
Juist wijl wij spreken rijzen nieuwe noten. Wat is dat machtige geluid?
*PANTHEA.*
De diepe Muziek der wentelende wereld is 't, Die in de snaren der gegolfde lucht Aeolische geluidsschakeering wekt.
*IONE.*
Luister, hoe iedre rust ook is gevuld Met onder-noten, klare, zilvren tonen, IJzig en hel en die ontwaken doen, Die door de zinnen boren naar de ziel, En daarin leven; als de scherpe sterren Boren door de kristallen winterlucht En staren naar zichzelf in zee weerspiegeld.
*PANTHEA.*
Maar zie, waar door twee poorten van het woud,-- Hangende twijgen overwelven die,-- En waar twee aadren van een stroompje maakten Tusschen het dichte mos, vol van viooltjes, Hun zangrig pad (gelijk een zusterpaar, Scheidend met zuchten, dat ze in lachjes weer Vereenen mogen, makend tot een eiland Van lieflijk leed, een woud van zoete, droeve Gedachten, hun beminnelijke scheiding),-- Twee vizioenen, wonderbaar van straling, Aandrijven op den zee-gelijken toover Van machtgen klank, die nog geweldger, heller, En dieper schijnt te stroomen onder de aard En door de lucht waarin geen wind beweegt.
*IONE.*
Ik zie een wagen als die smalste boot, Waarin der Maanden Moeder wordt gedragen Bij ebbend schijnsel naar haar grot in 't Westen, Als ze opspringt uit haar tusschen-maansche droomen; Waarover buigt een cirkelend gewelf Van teeder duister, en geboomte en heuvels, Goed zichtbaar door dien donkren luchten sluier, Lijken gedaanten uit een tooverspiegel. Zijn raderen zijn vaste wolken, blauw En goud,--de geesten van den donderstorm Stapelen zulke op den verlichten zeevloer, Wanneer de zon daaronder snelt; zij wentlen, Bewegen, groeien aan, als door een wind Die hen inwendig drijft. Er binnen in Zit een gevleugeld kind, met wit gelaat Gelijk de witheid van de heldre sneeuw. Zijn wieken zijn als zonnig ijs-gevedert, Zijn leden lichten blank door de op den wind Golvende vouwen van zijn blank gewaad, Weefsel van hemel-paarlen. Ook zijn haar Is wit, de glinstring van wit licht verdeeld In draden; maar zijn oogen zijn twee heemlen Van vloeiend duister, dat zijn godlijkheid Schijnt te doen stroomen, evenals een storm Uit kartelige wolken wordt gestort, Uit hun pijlvormige wimpers, temperend De koude en stralende atmosfeer in 't rond Met vuur, dat toch niet helder is. Zijn hand Zwaait een trillenden manestraal, wiens punt De macht heeft om den steven van den wagen Te sturen op zijn wielgelijke wolken; Die, wen zij wentlen over gras en bloemen En waatren, klanken wekken, even zoet Als zilvren dauw zijn zangerige regen.
*PANTHEA.*
En zie, uit de andere oopning in het woud Snelt aan, met luide en wervlende muziek, Een bol: duizenden bollen zijn 't in éen, Vast als kristal, maar 'lijk een leedge ruimte Geheel doorvloeid van melodie en licht: Tienduizend cirkels vlechtend en vervlochten, Purper, azuur en blank, gulden en groen, Kring binnen kring; en ieder vakje ertusschen Bevolkt met onverbeeldbare gestalten Als geesten droomen in het lamploos diep, Doch alle zijn doorzichtig. En zij wervlen Over elkaar in duizendvoud bewegen, Op duizenden onzichtbare assen wentlend; En met de kracht van snelheid die zichzelf Tegenstreeft, rollen zij, geweldig, langzaam, En statig; zij ontsteken met een mengling Van klank en meengen toon verstaanbre woorden En wilde melodie. Met machtge wervling Doorsnijdt, verstuift de wemelende bol 't Heldre riviertje in een azuren mist Van opgeloste fijnheid, licht-gelijk; En van het boschgebloemt de wilde geur, Muziek van 't levend gras en van de lucht, 't Smaragden licht van stralen in 't gebladert Vervlochten, schijnen om zijn machtgen spoed, Die toch zichzelf bestrijdt, samengekneed Tot éen etherische zelfstandigheid, Waarin de zinnen zwijmen. In den bol, Op zijn albasten armen, als een peluw, Gelijk een kind door lieflijk werk vermoeid, Ligt op zijn eigen toegevouwen vlerken En golvig haar de Geest der Aard te slapen, En gij kunt zien zijn lipjes die bewegen In van hun eigen glimlach 't wisslend licht Als een die droomend spreekt van wat hij liefheeft.
*IONE.*
Hij doet alleen uit scherts de melodie Van zijn bol voertuig na.
*PANTHEA.*
En van een ster Die op zijn voorhoofd schijnt schieten er stralen, Als zwaarden van azuren vuur, goudsperen Met loof van myrten, dat tyrannen temt, Bevlochten als symbool dat aarde en hemel Nu éen zijn; machtge stralen, die als spaken Van een onzichtbaar wiel in 't ronde draaien, Gelijk de bol draait, sneller dan gedachte, Den afgrond vullend met hun zonnebliksems,-- En nu loodrecht, dan dwars, den donkren grond Doorboren, en terwijl zij 't doen, ontblooten Van 't diepe hart der aarde al de geheimen;-- Eindlooze mijn van diamant en goud, Waardloos gesteent en onverbeeld juweel, Holen gestut op kristallijnen zuilen, Van een plantaardig zilver overspreid, Bronnen van peilloos vuur, en waterwellen De groote zee voedend gelijk een kind, Wier dampen 't vorstelijk gebergt van de aard Met prinslijk hermelijnen sneeuw omkleeden. De stralen schieten voort, en doen verschijnen Droeve ruïnen van verdwenen tijden; Ankers, snebben van schepen, en in marmer Verkeerde planken, pijlkokers en helmen, Speren, en schilden met medusa-hoofden, Wielen van zeisenwagens, en blazoenen Van standaarden, trofeeën en heraldisch Gedierte, waaromheen de lach des Doods klonk, Begraven teekens van verwoesting, dood nu, Verwoesting in verwoesting;--en ernaast Bouwvallen van veel uitgestrekte steden, Waar de bevolking, overgroeid door de aarde, Sterfelijk, maar niet menschlijk was. O zie! Daar liggen hun barbaarsche werken en Lompe geraamten; beelden, huizen, tempels; Monster-gedaanten door elkaar gesmeten In kleurlooze vernietiging, gespleten, Beklemd in 't harde zwarte diep; daarboven Riffen van onbekende vleugelwezens, Visschen: eens levende eilanden van schubben En slangen, beenge ketens rond-omkrinklend De ijzeren rotsen, of in hoopen stof: De kronkelige kracht van hun laatst lijden Vermorzelde tot stof de ijzeren rotsen; Daarboven, de getande krokodil, En 't machtig nijlpaard, dat eens de aarde schokte, Voorheen monarchen van 't gediert, voortteelend Op slijmige stranden, wildernis-begroeide Vastlanden van deze aard, als zomerwormen Op een verlaten lijk,--tot, als een mantel De blauwe bol rond zich een zondvloed sloot, En zij luid huilden, hijgden, en vergingen; Of wel, een God, wiens troon in een komeet was, Kwam de aard voorbij en riep tot hen: "Vergaat!" En als mijn woorden, waren zij niet meer.
*DE AARDE.*
O vreugd, o zegepraal, o wellust, o verdwazen, O blijdschap grenzenloos, uitbarstend, overstroomend, Niet te beperken juiching gelijk ijle wazen; Heil! heil! 't verheugen dat mijn ziel heeft ingenomen, 't Omhult me: een atmosfeer van licht, en 't draagt gezwind Mij voort, gelijk een wolk drijvend op eigen wind!
*DE MAAN.*
Broeder, die reist in kalm genucht, Zalige bol van land en lucht, Gelijk een straal schoot gij een Geest tot mij, Die mijn bevrozen lijf doorklieft Met warmte als van een vlam, en liefd' En geuren stuwt en diepe melodij, Door mij, door mij!
*DE AARDE.*
Heil! heil! hoe mijn gespleten vlammenkraatren, De holen van mijn hol gebergt, en jublende fonteinen, Lachen met onbegrensd en onuitbluschbaar schaatren! De zeeën en de afgronden en woestijnen En van de diepe lucht de onmeetlijke domeinen, Echoën 't na van al hun wolken, al hun waatren!
Zij roepen luid als ik. Vloek, die den schepter tildet, Die heel ons groen en blauw heelal wel wildet Met donkren ondergang omwikkelen rondom, Zendend een vaste wolk, om heete donderklooten Te reegnen, en 't gebeente van mijn kindren stuk te stooten, Al wat ik baar kneedend en kneuzend tot éen massa, leeg en stom,--
Tot iedere vermaarde zuil en toren rotsgelijk, Paleis en obelisk en tempel plechtig-rijk, Mijn keizerlijk gebergt bekroond met wolken, vuur en gloeden, Mijn zee-gelijke wouden, ieder sprietje, en iedre bloesem, Die de eerste koestring en zijn graf vindt in mijn boezem, Waren vertreên tot zielloos slijk door uw geweldge woede,--
Hoe zijt gij nu gezonken, weg, bedekt, en opgezogen Door 't dorstig niets, gelijk de brakke togen Gedronken door een karavaan--maar weinig voor elkeen!-- En 't vullend van omlaag, omhoog, rondom, en binnenin Barst nu de liefde in 't Leêg van uw vernietiging, Gelijk het licht in holen, die de bliksem spleet vaneen!
*DE MAAN.*
De sneeuw smelt op mijn doode kruinen In stralend-levende fonteinen, Mijn vaste zeeën vloeien in zang en schijn: Een geest springt uit mij op met kracht, Hij kleedt met schepping onverwacht Mijn koude naakte borst; o het moet de uwe zijn Op mijn', op mijn'! Starend naar u voel en besef ik nu Dat groene stengels rijzen, helle bloemen bloeien;-- Levende wezens op mijn borst bewegen, Zangen de zee, de lucht doorvloeien, Gewiekte wolken, donker van den regen Waarvan de knoppen droomen, drijven wijd uiteen-- 't Is liefde, liefde alleen!
*DE AARDE.*
Hoe dringt door mijn granieten lichaam zij; Door wortels dicht-vervlochten en vertreden klei Tot in het fijnst gebloemt en 't uiterste gebladert; Winden en wolken maakt zij tot haar woon, Een leven wekt ze in de vergeten doôn: Een ziel wordt uit hun zwartste holen opgeädemd;
En als een storm met wervelwind en donder Splijtend zijn wolkenkerker, rees ze--o wonder!-- Uit grotten onverlicht van ongedroomd bestaan;-- Met schok of de aarde beeft en snelheid die den stillen Gedachte-chaos, steeds bewegingloos, doet trillen; Tot haat en vrees en pijn als schaûw voor 't licht vergaan,
Den Mensch verlatend, die een grilge spiegel was, 't Waarachtig schoon heelal verminkend in zijn glas Tot menig drogbeeld, nu een zee weerkaatsend liefde, Die over heel zijn ras--gelijk de hemel glijdt Op zuivren oceaan, rimpelloos uitgespreid-- Beweegt, en licht en leven schiet uit sterge diepten;
Den Mensch verlatend--als een kindje dat melaatsch Verlaten wordt, en een ziek dier nagaat tot naar de plaats Waar de geneeskracht van een bron door warm een rotskloof dringt,-- Dan gaat het onbewust naar huis.... zijn moeder vreest Een oogwenk, om zijn rozigen glimlach: 't is een geest.... Maar dan herkent zij 't en zij schreit op haar herstelde kind.
Den Mensch--o! niet de menschen! maar één keten van gedacht' Aaneengeschakeld, en onscheidbre liefde en macht, Drijvend met diamanten sterkt' natuur haar krachten: Als met tyrannenblik de zon beheerscht De onrustge staat van de planeten, die om 't zeerst Naar 's hemels vrije wildernis te worstlen trachten.
Den Mensch, één harmonieuze ziel van vele zielen saam, Wier godlijke aard het is, zichzelve na te gaan, Waar alles vliedt tot alles, als naar zee de stroomen;-- Liefde vermooit het dagelijksche doen, Arbeid en pijn en leed, in 's levens groen plantsoen, Spelen als tam gediert--wie kon zoo zacht hen droomen?
Zijn wil,--met lagen hartstocht, slecht genot, En zelfsche zorgen, die hem dienen als een god,-- Een geest, slecht als hij heerscht, als hij gehoorzaamt machtig, Is als een stormgevleugeld schip, en Liefde stuurt het voort Door golven die niet durven breken overboord,-- De wildste levensstranden dwingt ze in haar regeering krachtig.
Alles bekent zijn sterkte. Door het koude marmer gaan, En door de doffe kleur, zijn droomen: heldre draên, Waarvan de moeders kleedren voor haar kindren weven; De taal is een oneindig Orfeus-lied: Beheerscht haar harmonie, de kunstge, niet Ontelbre vormen en gedachten, anders zonder leven?
De bliksem is zijn slaaf; 't diepst van den hemel Toont hem zijn sterren, langs zijn oog gaat hun gewemel Gelijk een kudde schapen, en hij telt hen een voor een, De storm is als zijn paard; de luchten hij beschrijdt; En de afgrond roept ten hemel, uit zijn diepten, blootgeleid, "Hebt gij nog éen geheim? De mensch ontfloerst me: ik heb er geen."--
*DE MAAN.*
De schaduw van den witten dood, Die als een lijkkleed mij omsloot Van vaste vorst en slaap, week van mijn weg in 't eind; Door nieuw-geweven looverpaên Volzalige beminden gaan,-- Zoo machtge niet, maar even zachte zijn 't, Als zij wier schoonheid in uw diepre dalen schijnt.
*DE AARDE.*
Gelijk de warmte van den ochtendgloed Een half bevrozen dauw-bol smelten doet, Kristal en groen en goud, tot, een gewiekte mist, Hij opzweeft in den blauwen dagezaal, Den noen doorleeft, en op den laatsten zonnestraal Hangt boven zee, een vlies van vuur en amethyst.
*DE MAAN.*
Gij ligt neer, omhuld in schijnen Van het licht dat niet zal kwijnen Van uw vreugd en van den hemel die zoo godlijk lacht; Alle zonnen, alle sterren, Regenen op u van verre-- Uwen bol bekleedend,--leven, licht en macht. Maar úw schijnen regent gij Op mij, op mij!
*DE AARDE.*
Ik wentel voort onder mijn piramide Van duister, spitsend in de heemlen,--droomen bieden Mij wellust, in mijn tooverslaap murmel ik zegepralend; Eevnals een jongling, in een liefdedroom gesust, Zacht zuchtend in den afglans van zijn schoonheid rust, Gelijk een wacht van warmte en licht zijn sluimering omstralend.
*DE MAAN.*
Als in de eclips, teeder en zoet Wanneer de ziel een ziel ontmoet Op lieve lippen, hooge harten stil En helderste oogen wazig zijn,-- Zoo, valt uw schaduw op mijn schijn, Ook ik, gestild, niet spreken wil, Door u bedekt, en van uw liefde, o schoonste Bol, Vol, ál te vol!
Om de zonne spoedt ge u snel, Helderste wereld van 't heelal, Groen-en-blauwe bol die straalt Met een licht waar geen bij haalt: Geen der lampen die de heemlen Licht en levensvol doorweemlen Komt uw godlijkheid nabij. Ik, gedreven aan uw zij-- Uw kristallen lief--door kracht Als der minnaarsoogen macht: Lokkende magneet-gewijs Naar dien pool, dat paradijs; Ik, een maagd verliefd zoozeer Dat de liefdevreugd haar teer Denken overlaadt, omstrijk u Als van zinnen, en bekijk u-- Als een bruid die niet kan scheiden Van 't genot, aan alle zijden Haren bruigom te beschouwen; Als verdwaasde Bacchus-vrouwen Rond den beker, opgetild Door Agave in Cadmus' wild En betooverd woud. O broeder, Waar ge ook henenzweeft, ik moet er Volgen, haastig, wervelend, Door de heemlen zonder end, Voor het hongrig Leêg beschermd Daar uw ziel mij warm omarmt. 'k Drink, wijl ik u voel en zie, Majesteit, macht, harmonie,-- Als op dat waar zij naar kijken Minnaar en kameleon lijken; Als de teedere oogjes schouwen Van viooltjes naar den blauwen Hemel, tot hun kleuren zijn Als 't azuur zoo puur en fijn; Als een grijze vochtge mist Gloeit gelijk vast amethyst Tegen den berg in 't West dien hij omhult, Wen de zonsondergang bleek-guld Slaapt op zijn sneeuw, en 't teedre daglicht schreit Om eigen eindigheid.
*DE AARDE.*
O teedre Maan, uw stem vol zaligheid Valt op mij als uw licht dat klaar omspreidt, Streelend en teer, den zeeman die doorglijdt, In zomernacht, eilanden eeuwig-vredig; O teedre Maan, die uw kristallen zingen In diepe holen van mijn trots doet dringen, Temmend den tijger vreugd, wiens wilde trappelingen Mij wonden sloegen, die uw balsem lenig'.
*PANTHEA.*
Ik rijs--als uit een bad van schittrend water, Een bad van blauwen schijn in donkre rotsen,-- Uit die rivier van klank.
*IONE.*
O! zoete Zuster, De stroom van klank is van ons weggevloeid; En uit zijn golven zegt gij op te rijzen, Omdat uw woorden vallen als de dauw, De heldre, zachte, die een woudnymf schudt, Nadat zij baadde, van haar lijf en haar.
*PANTHEA.*
Stil! stil! Een machtge Geest, gelijk het duister, Stijgt op uit de aarde, en regent van den hemel, Als nacht en barst van binnen uit de lucht, Als een eclips, verzameld in de poriën Van 't zonlicht. En de heldere vizioenen Waarin de Geesten die er zongen, dreven En schenen, glimmen, bleeke meteoren Door vochtgen nacht.
*IONE.*
Mijn oor voelt iets als woorden.
*PANTHEA.*
Een algemeen geluid als woorden. Luister!
*DEMOGORGON.*
Aard, van een zaalge ziel de kalme staat, Van godlijkste gedaante' en zangen vol, Verzamelend in 't wentlen, schoone bol, De liefde die plaveit uw hemelstraat!
*DE AARDE.*
Ik hoor: ik ben een dauwdrup die vergaat.
*DEMOGORGON.*
Maan, die verbaasd de nachtlijke Aard bestaart, Gelijk hij u, terwijl gij beiden zijt Voor menschen, dieren, vooglen die gij baart, Rust, kalmte, harmonie en lieflijkheid!
*DE MAAN.*
Ik hoor: ik ben een blad: doorsidder gij 't.
*DEMOGORGON.*
Vorsten van zonne' en sterren! Goôn, Demonen, Hemelsche Machten, die bezitters zijt Van zaalge windlooze Elyseesche wonen, Voorbij des Hemels sterrige eenzaamheid!
*EEN STEM VAN OMHOOG.*
Ons Rijk hoort toe; zeegnend in zaligheid.
*DEMOGORGON.*
Gelukge Doôn, die 't stralendste gedicht Enkel bewolkt, nooit beeldt in schilderij, Hetzij uw wezen in die wereld ligt Die gij eens zaagt en leedt--
*EEN STEM VAN BENEDEN.*
Hetzij we, als zij Die levend zijn, verandrend gaan voorbij--
*DEMOGORGON.*
Geesten der elementen, die bewoont Van 's menschen hooge ziel tot zelfs van 't grijs, Droef lood de kern; van 's hemels ster-gekroond Gewelf, tot het traag wier, een worm ten spijs!
*EEN VERMENGDE STEM.*
Wij hooren: het vergeetne wekt uw wijs.
*DEMOGORGON.*
Geesten die huist in vleesch! vogels en dieren, Visschen en wormen; knoppen ook, en blaêren; Bliksem en wind! en gij, ontembre scharen, Meteoren, misten, die de lucht doorzwieren!
*EEN STEM.*
Uw stem is ons als wind in woudrevieren.
*DEMOGORGON.*
Mensch, eens een wreed tyran of dienaar laf, Bedrieger of bedrogene, een vergaan, Een reiziger, van de wieg tot aan het graf, In 't duister, door dees dag voorgoed verdaan!
*ALLEN.*
Spreek! uw sterk woord mag nimmer ondergaan.
*DEMOGORGON.*
Dit is de dag dat de leege afgrond wacht, Op 's Aard-geboornen ban, 's Hemels tyrannenmacht, En de Overweldger wordt gesleurd aan band Door 't opgesperde diep. Van haar geweldgen troon: Geduldge macht in 't wijze hart; van het laatste uur van hoon, Duizling en lijdzaamheid; van smallen glibberkant, Steil, van de rots-gelijke smart; springt nu de Liefde en sluit De wereld in haar wiekenpaar: daar drupt genezing uit.
Zachtheid en Deugd, Wijsheid en Lijdzaamheid-- Dat zijn de zegels die met machtge zekerheid Boven Verwoestings kracht den afgrond sluiten; En als met zwakke hand soms de Eeuwigheid, Moeder van vele dade' en uren, weer bevrijdt De slang die met zijn heele lengt' haar wilde omsluiten-- Herovert gij de volle heerschappij Over de' ontbonden doem door deze tooverij.
Smarten te lijden, wen de Hoop geen uitkomst wacht; En onrecht te vergeven, donkerder dan nacht Of dood; Macht te trotseeren die almachtig schijnt; Te lijden, dulden, hopen, tot de Hoop in 't eind Uit eigen bouwval schept wat ze in haar droom zich dacht; Noch te verandren, noch door spijt en vreeze Te wanklen; dit gelijk des Titans glorie, Is schoon en groot en blij en vrij en deugdzaam wezen, Slechts dit is Heerschappij, Vreugd, Leven en Victorie!
*VERBETERINGEN.*
Bladz. 1 r. 3 v. o. _staat_ smart _lees_ smaad " 7 na regel 11 v. b. is _weggevallen_: Ondelgbaar, giftig, en hun groeikracht zuigend,-- " 22 r. 6 v. o. _staat_ foltering _lees_ foltring " 40 r. 3 v. o. " wakker " wakker. " 60 r. 2 v. b. " gruwbre " gruwbrer " 67 r. 13 v. o. " bescheidenheid " verscheidenheid " 71 r. 4 v. o. " klonk " klonk;
Nota: Bovenstaande verbeteringen zijn reeds aangebracht in de tekst.
End of Project Gutenberg's Prometheus ontboeid, by Percy Bysshe Shelley