Prometheus ontboeid: Een lyrisch drama in vier bedrijven
Chapter 5
Ga, door uw wervelwind-voetige paarden Over de steden van den mensch gedragen; Snel nu nog eens rondom de ronde wereld De zon voorbij, en blaas, terwijl uw wagen De ontgloeide lucht klieft, in die bochtge schelp, Zoodat haar machtige muziek bevrijd wordt: 't Zal zijn als donder, menglend met klare echo's. Kom dan terug, en woon naast onze grot. En gij, o Moeder Aarde!--
*DE AARDE.*
Ik hoor, ik voel. Uw lippen raken mij, en hun beroering Stroomt langs mijn zenuwen van marmer neer Tot, middenin, het diamanten duister; 't Is leven, vreugd,--en door mijn oud, verwelkt En ijzig lijf schiet nu in kringloop weer De warmte van onsterfelijke jeugd. Voortaan zullen de vele schoone kindren, Omstrengeld in mijn leven-gevende armen, Alle gewassen, kruipende gedaanten, Insecten regenboog-gevleugeld, vogels, Dieren, visschen en menschlijke gestalten, Die ziekte en pijn mijn droge borst ontzogen Drinkend het gif van wanhoop,--van mij krijgen En onderling uitwisselen zoet voedsel. Als zuster-antilopen zullen zij Mij worden, die éen schoone moeder voedt, Sneeuwblank en snel gelijk de wind, waar 't wemelt Van lelies naast een boordevollen stroom. De dauwge mist van mijn zonloozen slaap Zal onder het gestarnt als balsem vlieten, 's Nachts opgevouwen bloemen zullen zuigen Terwijl zij rusten onverwelkbre kleuren; Wijl mensch en dier in blijden droom zal zaamlen Kracht voor den dag die komt en al zijn vreugd. Dood zal de laatste omhelzing zijn van haar Die 't leven dat zij schonk herneemt: een moeder Die spreekt, haar kind omarmend: "Blijf thans bij me."
*ASIA.*
O moeder! waartoe noemt den naam des doods gij? Houden zij op te lieven, te bewegen, Te ademen en te spreken, zij die sterven?
*DE AARDE.*
Wat zou het baten of 'k u antwoord gaf? Gij zijt onsterflijk, en dees taal verstaan Enkel de doôn die nooit iets mededeelen. Dood is de sluier dien de levenden Het leven noemen, en een slaap bevangt hen, Dan wordt hij opgetild. En onderwijl Zullen in lieflijke verscheidenheid De lieflijke seizoenen, met hun buien Van regenboge' omboord, en geurge winden; En lange blauwe meteoren zuivrend Den doffen nacht; en pijlen, die het leven Ontbranden doen, van de al-klievende boog Der helle zon; en dauw-vermengde regen Van kalme manestralen, zacht van werking,-- De wouden en de velden kleeden--ja, De rots-gebouwde woestenijen zelfs Van 't naakte diep--met steeds-levende blaadren, En vruchten, en gebloemt.--En gij! Er is Een grot waaruit mijn ziel zich opwaarts zuchtte In foltring, wijl uw pijn mijn hart verdwaasde. Zij die haar aêmden werden ook verdwaasd, En bouwden daar een tempel, en zij spraken Orakeltaal, en lokten de misleide Volken in 't rond tot wederkeergen krijg, En trouweloosheid, gelijk Jupiter U heeft betoond. Die adem rijst ook nu, Maar als violengeur in het hooge onkruid, Vullend met klaarder licht en roode lucht, Hevig doch zacht, de rotsen en de wouden In 't rond. Hij voedt den snel-groeienden wijnstok, Slangachtig kronklend, en de donkre klimop, Vast aan elkaar wild vlechtende, en de bloesems, Knoppend, ontbloeid, of welkende van geur, Die wen de wind erdoor stroomt hem besterren Met stippen kleurig licht; en heldre gouden Vruchtbollen, hangende in hun eigen hemel, Die groen is; en, door aderige blaadren En amberkleurge stengels, het gebloemt Welks purpren en doorschijnge bekers altijd Te schuimen staan van hemeldauw, den drank Van geesten. En hij kringt in 't rond, gelijk Van middagdroomen zacht-wuivende wieken, Kalme en gelukkige gedachten wekkend, Gelijk de mijne, nu ge in eer hersteld zijt. Dees grot zal de uwe zijn.--Verrijs! Verschijn!
_(Een Geest rijst op in de gedaante van een gevleugeld kind.)_
Dit is mijn fakkeldrager, die zijn lamp In ouden tijd liet uitgaan door te staren Naar oogen, waar opnieuw hij haar ontstak Aan liefde, die als vuur is, dochterlief, Want die in de uwe is zoo.--Loop, koppige jongen, Leid dit gezelschap langs den top van Nysa, Den Bacchus-berg, waar de Maenaden huisden, Voorbij den Indus en schatplichtge stroomen Tredend de bergriviere' en glazige meren Met voeten onbevochtigd, onvermoeid, En nergens poozend; dan het groen ravijn op, Dwars door het dal, naast den kristallen vijver, Waarop geen wind waait en waar altijd stil Het door geen golven uitgewischte beeld Ligt van een tempel op den top gebouwd, Duidelijk zichtbaar met zijn kapiteelen Als palmen, architraven, zuilen, bogen, En overal bewerkt en weemlend van Het levendst beeldwerk, zoo Praxiteles Eens schiep, wier marmeren geglimlach vult Met eeuwge liefde de gestilde lucht. Hij is verlaten nu, maar eenmaal droeg hij Uw naam, Prometheus. Daar werd u tot eer Door de naijverige jonglingschap De lamp--uw zinnebeeld--door 't heilig duister Gedragen; eevnals zij die door den nacht Van 't leven naar het graf de toorts der hoop, Die zij niet afstaan, torsen; eevnals gij Die hebt gedragen--schoonste zegepraal!-- Naar dit ver doel der Tijden.--Gaat. Vaartwel. De grot, voor u bestemd, ligt naast dien tempel.
*VIERDE TOONEEL.*
_(Een bosch. Op den achtergrond een grot. Prometheus, Asia, Panthea, Ione, en de Geest van de Aarde.)_
*IONE.*
Zuster, hij is niet aardsch! Zie hoe hij glijdt Onder de bladeren! hoe op zijn hoofd Een lichtschijn brandt gelijk een groene ster Wier stralen van smaragd vervlochten zijn Met zijn blond haar! hoe, als hij gaat, de glans In vlokken op het gras valt. Kent gij hem?
*PANTHEA.*
Het is de fijne geest, die de aard geleidt Door 't hemelruim. De volkrijke gesternten Noemen, van ver, dat licht het lieflijkste Van de planeten;--en somwijlen ook Vliegt over 't schuim hij van de zoute zee; Of maakt zijn wagen van een mistge wolk; Of wandelt door de velden of de steden Terwijl het menschdom slaapt, of over toppen Van bergen, of stroomafwaarts op rivieren, Of door de groene, woeste wildernis, Als thans, verbaasd om al wat hij aanschouwt. Voor Jupiter regeerde, minde hij Ons beider zuster Asia; elk vrij uur Kwam hij om uit haar oogen 't vochtig licht Te drinken, waar hij zóo naar dorstte, zei hij, Als een die door een dipsas werd gebeten; Hij schonk aan haar zijn kinderlijk vertrouwen En al wat hij te weten kwam of zag (Want hij zag veel, maar wat hij zag verklaarde Hij vaak verkeerd) vertelde hij aan haar, En noemde haar--want hij wist evenmin Als ik zijn afkomst--"moeder, lieve moeder."
*DE GEEST V. D. AARDE.*
_(op Asia toesnellend)._ Moeder, o moederlief, mag 'k dan weer spreken Met u, als ik gewend was? Mag 'k mijn oogen In uw zachte armen bergen, als uw blikken Ze moe van vreugde maakten? Mag 'k dan spelen Naast u, den langen middag, wen geen werk Te doen valt in de heldre stille lucht?
*ASIA.*
Ik min u, teederst wezen, en voortaan Zal u te koestren mij niet éen misgunnen. Toe, spreek: uw simple taal die eens mij troostte, Vervult mij nu met blijdschap.
*DE GEEST V. D. AARDE.*
Ik ben wijzer Geworden, moeder (schoon een kind niet zóo wijs Kan zijn als gij) vandaag, en ook gelukger. Gelukkiger en wijzer allebei. Gij weet, dat padden, slangen, vieze wormen, Vergiftige en kwaadaardige gedierten, En takken, schadelijke bessen dragend, In 't woud, mij altijd stoorden bij mijn tochten Over de groene wereld, en dat ook, Waar 't menschdom woont, mannen met hard gelaat, Of trotsche en booze blikken, of met kouden En starren gang, of valschen, hollen glimlach, Of dommen grijns van ijdle onwetendheid, Of andre leelke maskers waarmee slechte Gedachten 't schoone wezen dat wij geesten Mensch noemen, gansch verbergen,--en ook vrouwen, Afzichtelijkst van al wat leelijk is (Schoon lieflijk, in een wereld zelfs waar gij Liefelijk zijt, wen zij oprecht en vrij, Vriendlijk en goed zijn, dus op u gelijken), Wanneer zij valsch of stuursch zijn,--als 'k voorbijging Ofschoon zij sliepen en 'k onzichtbaar bleef-- Mijn hart ziek maakten.--Nu, mijn pad leidde onlangs Dwars door een groote stad naar bosschige heuvels Die haar omringden, en een schildwacht vond ik Sluimerend aan de poort; toen er opeens Een klank gehoord werd, zoo geweldig luid, Dat in het manelicht de torens trilden, Doch zoeter dan ooit stem, behalve de uwe, Die 't allerzoetst is, klonk; een lang geluid, Zoo lang, alsof het nimmer eindgen zou; En al de inwoners sprongen plotseling Op uit hun rust, bijeengaande in de straten, Verwonderd opziend naar den hemel, wijl Nog altijd de muziek voortgalmde. Ik borg mij In een fontein op 't openbare plein, Waar 'k lag als de weerspiegling van de maan Gezien in 't water onder groene blaadren. En weldra vloeiden die onschoone vormen En aangezichten van de menschen heen,-- Waarvan ik zei dat zij mij leed aandeden--, De lucht door, en verwelkend in de winden Die ze verstrooiden, zij van wie zij weken Schenen zachtmoedge, lieflijke gedaanten Nadat een leelijke vermomming viel. En allen waren eenigzsins veranderd, En na kortstondige verwondering En groeten blij-verbaasd, gingen zij allen Weer slapen.--En, toen 't daagde,--kondt gij denken Dat padden, slangen, salamanders, ooit Schoon konden zijn? En toch waren zij schoon,-- Met weinig wijzging van hun vorm of kleur. En alles had zijn slechten aard verloren. Ik kan mijn vreugd niet zeggen, toen ik zag Boven een meer, op een gebogen twijg Omrankt van nachtschaduw, twee blauwe ijsvogels, Hangende naar omlaag en etend van Een heldre tros van amberkleurge bessen Met snelle lange snavels, en in 't diep Zag ik die lieflijke gestalten spieglen, Als in een hemel. Zoo, met mijn gedachten Vol van die heerlijke veranderingen, Vinden we elkaar--zoetste verandring!--wêer.
*ASIA.*
En scheiden nimmer, tot uw kuische zuster, Die de bevrozen, wisselende maan leidt, Op uw gelijker, warmer licht zal zien Totdat haar hart ontdooit, als vlokken van Aprilsneeuw, en ze u liefheeft.
*DE GEEST V. D. AARDE.*
Wat, als Asia Prometheus liefheeft?
ASIA.
Stil, lichtzinnige jongen, Je bent nu nog niet oud genoeg. Wat denk je, Door 't staren in elkanders oogenlicht, Je lieve wezens te vermenigvuldgen En den maanloozen hemel te doen weemlen Van vuurge bollen?
*DE GEEST V.D. AARDE.*
Moeder, als mijn zuster Haar uitgebrande lamp verzorgt, is 't dan Niet hard dat 'k duister zijn moet?
*ASIA.*
Luister; zie!
_(De Geest van het Uur verschijnt.)_
*PROMETHEUS.*
Wij voelen wat gij hoorde en zaagt; maar spreek!
*DE GEEST VAN HET UUR.*
Na 't eindgen van den klank, wiens donder vulde De afgronden van de lucht en de wijde aarde, Was er weldra verandering: de ontastbre, Dunne atmosfeer en 't al-omrondend zonlicht Werden vervormd, alsof 't gevoel van liefde Daar opgelost, zich om de ronde wereld Gewikkeld had. Mijn oog werd helder toen, En de heelal-geheimen kon 'k doorzien. Duizelig als van wellust zweefde ik neer, Waairend de heldre lucht met loome vlerken. Mijn paarden zochten in de zon het oord Van hun geboorte, waar zij voortaan vrij Van arbeid zullen leven, bloemen grazend Van een plantaardig vuur; en waar mijn wagen, Gelijk de maan, zal staan binnen een tempel, Bestaard door beelden, als van Phidias,-- Van u, en Asia, en van de Aarde, en mij, En u, lieflijke nymfen, die de liefde Die wij gevoelen in uw blikken draagt,-- Als een gedachtnis van de tijdingen Die hij gedragen heeft,--onder een koepel, Versierd met beitelwerk dat bloemen nabootst, In evenwicht op twalef zuilen van Schittrend gesteent, en open naar den hemel, Die hel en lieflijk is. Daaraan geboeid Door een aan beide zijden in een kop Eindgenden slang, zal 't beeld dier vleugelpaarden Den spoed waarvan zij rusten als bespotten. Helaas! waarheen zwierf mijn eenzijdig praten, Wijl al wat gij woudt hooren ongezegd blijft? Zooals ik zeide, vloog ik neer naar de aard: Het was, als 't nù nog is, de bijna pijn Lijkende zaligheid van te bewegen, Te aadmen, te zijn. En zwervend ging ik naar De huizen en verblijven van het menschdom, En was in 't eerst teleurgesteld, daar 'k nergens Zoo machtgen omkeer zag als ik gevoeld had Vanbinnen, uitgedrukt in het uitwendge. Maar weldra zag 'k nauwlettender, en zie! De tronen waren koningloos, en menschen Zag 'k schrijden met elkaar als geesten doen. Minachting, vrees, zelf-liefde of zelf-versmading Stonden op 't menschenhoofd niet meer geschreven, Als op de hellepoort: "Laat alle hoop Varen, gij die hier intreedt."--Geen was toornig, Geen beefde, niemand staarde naar eens andren Koud en bevelend oog met felle vrees, Tot het slachtoffer van tyrannenwil Veracht werd (erger noodlot!) door zijn eignen, Die hem ter dood spoorde als een krachtloos paard. Geen boog zijn mond in lijnen die de waarheid Verstrikten en den leugen die zijn tong Niet wilde spreken door een glimlach uitten. Geen die met harden grijns in 't eigen hart De sprankelen vertrad van liefde en hoop, Tot daar die bittere asch bleef van een ziel Die door zichzelf verteerd is, en de ellendge Gelijk een vampier onder 't menschdom kroop, Alles besmettend met zijn leelke kwaal. Geen sprak die algemeene, valsche, koude, Ledige praat die het hart ontkennen doet Het _ja_ dat 't ademt, en die nochtans maakt Dat het die ongemeende huichlarij Nog ondervraagt met naamloos zelfmistrouwen. En vrouwen ook, oprecht, vriendlijk en schoon, Gelijk de vrije hemel die frisch licht En dauw op de wijde aarde regent, zag 'k Voorbijgaan,--stralende, lieftalge wezens, Gezuiverd, vrij, van der gewoonte smet, De wijsheid die zij eens niet konden denken Uitsprekend, en gevoelens die zij eens Vreesden te voelen in haar blikken dragend, Tot alles wat zij eens niet dorsten zijn Veranderd,--nu zij 't waren, maakten zij Van de aarde een hemel. Trots, naijver, nijd, Noch valsche schaamte, bitterste dier droppen Van opgespaarde gal, bedierven meer Den zoeten smaak van de nepenthe, liefde.
Tronen, altaren, kerkers, rechterzetels, Waarop, waarnaast, ellendelingen droegen Schepters, tiara's, zwaarden, ketens, boeken Beredeneerd onrecht, gevleid door domheid,-- Waren gelijk die monsterlijk-barbaarsche Gestalten, geesten van vergeten roem, Die van hun onversleten obelisken Staren in zegepraal over paleizen En tomben van wie hun verwinnaars waren, Rondom vergaande. Die verbeeldden ook-- Hoogmoed van koningen en priesters wekkend-- Een donker, sterk geloof, een macht zoo wijd Als het door haar verwoeste deel der wereld, En wekken thans niets dan verbazing meer. Zoo staan ook de symbolen en werktuigen Der laatste slavernij van 't menschgeslacht Tusschen de woningen der volkrijke aard, Niet omgeworpen, maar door geen beschouwd. En al die slechte wezens, god en mensch Tot walging; onder meengen naam en vorm, Vreemd, woest, spookachtig, duister en afschuwlijk, Jupiter zijnde, de tyran der wereld,-- En die de volken, angst-geslagen, dienden Met bloed en harten door langduurge hoop Gebroken, en met liefde die zij sleurden Voor hun bezoedelde, onversierde altaren En moordden, waar de menschen tranen weenden Niet weer-opeischend, vleiend wat zij vreesden-- Een vrees die haat was--, toornen, snel vergaand, Over hun leedge heiligdommen thans. 't Gekleurde floers--leven genoemd door hen Die wáren--dat al 't geen de mensch geloofde Of hoopte, nabootste, als met ijdle kleuren, Is weggescheurd. Het walglijk masker viel. De mensch blijft over,--schepterloos en vrij, Zonder beperking mensch: allen gelijk, En niet verdeeld in klassen, stammen, volken, Vrij van ontzag, vereering, stand, en koning Over zichzelf, rechtvaardig, zacht en wijs, Maar mensch. Hartstochteloos? dat niet,--maar vrij Van schuld of leed--die wáren, want zijn wil Schiep of verduurde ze; en nog niet bevrijd Van kans, verandring, dood, ofschoon als slaven Die trits beheerschend,--zware aanhangsels nog Van dat wat anders hooger stijgen zou Dan verste ster van de' onbeklommen hemel, Torenend scheemrig in 't geweldig Leêg.
*VIERDE BEDRIJF.*
_(Tooneel: een deel van het woud bij de grot van Prometheus. Panthea en Ione slapen, zij ontwaken langzamerhand gedurende den eersten zang.)_
*STEM VAN ONZICHTBARE GEESTEN.*
De bleeke sterren (ontvluchtend Hun herder vol ijver: De zon die ze sture Ten stal diep in de uchtend, En aansnelt in praal meteoren-verduisterend) vlieden voorbij Zijn woning, de azuren, Als herten den tijger,-- Maar waar zijt gij? _(Een stoet van donkere vormen en schimmen gaat verward voorbij, zingende)._
Zwaar, o zwaar Is de baar voorwaar Van den Vader van menig verdwenen jaar, Zie hier leit Het lijk van den Tijd, In de tombe der eeuwigheid zij het gevlijd Door ons die gaan Met die last belaên: Ons, de schimmen der Uren vergaan. Strooi, o strooi Nu lokkentooi, Geen taxisloof; en tranendooi Bevloei', geen dauw, Het doodskleed grauw; En spreidt verwelkte bloemen tot rouw Uit het ontbloot Prieel van den Dood Op het lijk van den Urenkoning groot! Gauw, o gauw! Als schaûwen grauw, Verjaagd door den dag van het hemelblauw, Smelten wij heen Als schuim der zeên Van de kindren van tijden zonder geween, Wijl de wiegezang luidt Van wind die ruischt uit, Stervend op 't hart van zijn eigen geluid.
*IONE.*
Wat donkre vormen zongen die wijs?
*PANTHEA.*
De Uren die stierven, zwak en grijs, En zij droegen den buit Nog verzameld bijeen Uit de zege gestuit Door Een alleen.
*IONE.*
Zijn zij heen?
*PANTHEA.*
Zij zijn heen. Zij ontsnelden den wind Als een woord zoo gezwind.
*IONE.*
Doch waarheen, o waarheen?
*PANTHEA.*
Naar het donkere, doode verleên.
*STEM VAN ONZICHTBARE GEESTEN.*
Lichtwolke' in den hemel, Dauwsterren op de aarde, De zeeën vol baren; En al dat gewemel Drijft stormwind van wellust, verbijstering blij! Vreugd trilt door hun scharen, Ten reidans vergaarde,-- Maar waar zijt gij?
De pijnboomen suizen 't Oud lied met nieuw blij-zijn, Fonteinen en waatren Frisch-zangerig ruischen: Als muziek van een geest rijst van 't land en de zee melodij; De bergen beschaatren Stormdonders die blij zijn, Maar waar zijt gij?
*IONE.*
Wat wagenmenners zijn 't?
*PANTHEA.*
Waar zijn hun wagens?
*HALFKOOR I VAN UREN.*
Toen van Lucht- en Aardgeesten de stem ons riep Is 't versierde gordijn van den slaap gescheurd Dat ons wezen bedekte en ons worden ontkleurd' In het diep.
*EEN STEM.*
In het diep?
*HALFKOOR II.*
O! onder het diep.
*HALFKOOR I.*
Wij waren gewiegd ontelbare jaren In vizioenen van haat en naarheid, En ieder die wakker werd vond de waarheid--
*HALFKOOR II.*
Wreeder dan zijn vizioenen waren!
*HALFKOOR I.*
Wij hoorden de luit van de Hoop, zoo zoet En de stem van de Liefde in ons droomen zingen, Wij voelden den staf van de Macht, en springen--
*HALFKOOR II.*
Als de golven springen in morgengloed.
*KOOR.*
Weeft den dans op den vloer van den wind, Klieve ons gezang 't zwijgend licht van de lucht, Betoovert den dag, die ontvliedt te gezwind, Om vóor 't hol van den nacht te beteuglen zijn vlucht.
Eens waren de hongerige Uren honden, Die jaagden den dag als een bloedend dier, En hij hinkte en struikelde, vol van wonden, Door van 't eenzame jaar het nachtlijk revier.
Maar thans--o! weeft de mystische maten Van dans en muziek en gestalten van schijn! Laat de Uren met geesten van macht en behagen Als de wolken en 't zonlicht, vereenigd zijn.
*EEN STEM.*
Vereenigd zijn.
*PANTHEA.*
Zie waar de Geesten van de menscheziel Naadren in zoet geluid als heldre sluiers.
*KOOR VAN GEESTEN.*
De zingende rei Bereiken wij, De wervling van blijdschap draagt ons nabij; Als de vleugel-gevinden, Die 't diep niet kan binden, Zeevogels half-sluimrend in 't luchtruim vinden.
*KOOR DER UREN.*
Waarvandaan komt gij, zoo wild en met spoed? Sandalen van weerlicht zijn aan uw voet, Als gedachte uw gevedert is, zacht en snel, En uw oogschijn als liefde, naakt en hel.
*KOOR VAN GEESTEN.*
Wij komen van 't hart Van den mensch, eens zwart, Onrein en blind, en gebukt onder smart; Nu is 't een zee Van bewogen vree, Een heldere hemel, Maar vol ontroering en machtig gewemel;--
Uit die wondere mijn Van vreugden rein, Wier holen kristallen paleizen zijn; Van die torentransen, Waar uwe dansen-- O zalige Uren!-- Gedachte's gekroonde machten beturen;
Uit verborgenheden Vol teederheden, Waar lievende paren U poozen doen, grijpend uw losse haren; 't Blauw eilandrijk, Waar Sirenen-gelijk Zoete Wijsheid uw zeilen Door een glimlach doet wijlen;
Van de tempels gesticht Voor 't gehoor en 't gezicht Van den Mensch, hoog bewelvend zoo Beeld als Gedicht; Van de murmelingen Van bronnen die springen, Zonder dat zegel ze tegenhoudt: Waar Kennis haar kunstige wieken bedauwt.
Jaren na jaren Waadden we in scharen Door bloed en tranen, En een hel vol van haat en hoop en wanen; O zeldzaam de streken, Waar bloemen, bleeke, In knop verschroeide, Van het geluk, kortstondig bloeiden.
Thans schoeit onzen voet De vrede zoet, En de dauw onzer wieken is balsemvloed; In ons oog is de schijn Der mensch-liefde rein, Die alles wat ze aanstaart een Eden doet zijn.
*KOOR VAN GEESTEN EN UREN.*
Weeft nu het web van de mystische maten, Van de diepten des hemels en de einden der aard, Komt, snelle geesten van macht en behagen, Tot reidans en jubelzangen vergaard,-- Als de golven van duizend rivieren vliên In een zee van geflonker en melodiên!
*KOOR VAN GEESTEN.*
Wij wonnen den buit, Ons zwoegen is uit, Nu mogen wij duiken of stijgen of zweven, Waar wij ook wenschen Tot in de grenzen Die het heelal met duister omgeven.
Verder dan de oogen Der sterren-bogen Maken we in de' oerouden afgrond ons huis; Chaos, Dood, Nacht,-- Als mist voor de macht Van den storm,--zullen vliên voor ons wiekgeruisch. En Aard, Licht en Lucht, En de Geest, die de vlucht, De vuurge, in het rond drijft der sterren tezamen, Liefde, Adem, Gedachte-- Dood-temmende machten-- Zullen beneden ons oovral verzaêmen.
En ons zingen zal bouwen In de ijle landouwen Van 't Leêg, voor de Wijsheid een heilig domein, Naar 't menschenrijk richten We ons, 't nieuw-gestichte, En ons werk zal genaamd naar Prometheus zijn.
*KOOR DER UREN.*
Breekt den dans en verstrooit nu het koor, Laat enklen blijven, en andren gaan.
*HALFKOOR I.*
Wij drijven diep de hemelen door,--
*HALFKOOR II.*
Ons trekt de toover van 't aardrijk aan,--
*HALFKOOR I.*
Vurig en vrij, en rusteloos-ras, Met de Geesten die bouwen een nieuwe aarde en zee, En een hemel waar nooit nog een hemel was.
*HALFKOOR II.*
Plechtig en langzaam, vol helderen vreê, Leidend den dag en ontsnellend den nacht, Met de machten van stralende wereld meê.
*HALFKOOR I.*
Wij wervlen luid zingende rond den bol, En zijn chaos verhelderd door liefde's macht, En niet door vrees, vertoont zich in pracht, Van boomen en dieren en wolken vol.
*HALFKOOR II.*
Wij omcirklen de zee en de bergen der aard, En de blijde gedaanten van wat zij baart En gestorven weer tot zich neemt, wisselen bij de Zoete muziek van ons innig verblijden.
*KOOR VAN UREN EN GEESTEN.*