Prometheus ontboeid: Een lyrisch drama in vier bedrijven

Chapter 4

Chapter 43,651 wordsPublic domain

Wie heerscht? In 't eerst was er de Hemel, de Aarde, Het Licht, de Liefde; dan Saturnus, van Wiens troon, als een naijverige schaduw, De Tijd viel. De eerste schepselen der aard Leefden, toen hij regeerde, als in de vreugd, De kalme, van gebloemt en levend loof, Voordat de wind of zon het welken deed, En half-levende wormen. Maar hij wilde 't Geboortrecht van hun wezen hun niet geven: Kennis en macht, de kunst die de elementen Handelbaar maakt, gedachte die als 't licht Dit donker Al doordringt, zelfheerschappij, En majesteit van liefde; en zij verkwijnden Van dorst daarnaar. Toen schonk Prometheus wijsheid, Dus kracht, aan Jupiter, en met deze eisch Alleen: "Zij 't menschdom vrij," bekleedde hij Hem met de macht over den wijden Hemel. Te kennen trouw noch wet noch liefde, almachtig Maar zonder vriend te zijn, is heerschappij. Jupiter heerschte nu; want op 't geslacht Des menschen viel eerst honger, toen gezwoeg, Toen ziekte, strijd en wonden, en de dood, Spookachtig, en voorheen nimmer aanschouwd; De ontijdige getijden dreven toen Met wisselende schichten: ijs en vuur, Hun onbeschutte bleeke benden heen Naar bergspelonken; in hun leege harten Zond hij heevge begeerten, zinlooze onrust, En ijdle schaduwen van onwerklijk goed, Die onderlingen oorlog stichtten, 't leger Verwoestend waar ze in raasden. Maar Prometheus Zag het, en deed der Hoop legioenen rijzen, Die in 't gevouwen elyseesch gebloemt, Bloesems die nooit verwelken, Amarant, Nepenthe en Moly, sluim'ren, dat hun dunne Regenboog-wieken Doods gedaant' verborgen; En Liefde zond hij dat zij binden zou De uiteengescheurde ranken van dien wijnstok Die 's levens wijn doet rijpen: 't menschenhart; Hij temde 't vuur dat als een roofdier speelde, Vreeslijk doch lieflijk, onder 's menschen frons; En naar zijn wil martelde hij het ijzer En 't goud, de slaven en 't symbool der Macht, Juweelen en vergiften, al 't verfijndste Dat onder bergen en in golven schuilt. Hij gaf den Mensch de taal, taal schiep gedachte, Die van 't heelal de maat is; kennis schokte De tronen van den hemel en van de aard, Die trilden maar niet stortten; en de ziel Vol harmonie uitte zich al-profetisch In zang; muziek hief, tot hij zorg-bevrijd, Godgelijk schreed over de klare golven Van zoet geluid, den luisterenden geest; En menschenhanden bootsten na, bespotten Ten laatste, met gestalten geboetseerd Lieflijker dan hun eigne, 's menschen vorm, Totdat het marmer godlijk werd, en moeders Die het beschouwden er de liefde dronken Die menschen in hun kroost weerspiegeld zien En 't ziende sterven. Van gewas en bronnen Zei hij wat kracht zij bergen, en de Ziekte Dronk en vond slaap. De Dood werd slaapgelijk. Hij onderwees de veel-vervlochten banen Geweven door 't wijd-zwervende gestarnt, En hoe de zon van plaats verandert, hoe De bleeke maan, door een geheimen toover, Wisselt van vorm, wen haar breed oog niet staart Op de onverlichte zee. Ook leerde hij, Als 't leven ledematen stuurt, te heerschen Over de storm-gewiekte zeeëwagens, En Kelt en Indiaan kenden elkaar. Steden verrezen toen, en door hun sneeuw- Gelijke zuilen vloeiden warme winden, En scheen de azuren lucht en zag men 't blauw Der zee en schaduwige heuvlen. Dit Werd door Prometheus aan den mensch geschonken Tot een verlichting van zijn toestand, daarvoor Hangt hij en kwijnt in opgelegde pijn. Maar wie regent het Kwaad neer, de ongeneesbre Plaag, die wijl godgelijk de mensch zijn schepping Beschouwt en ziet haar heerlijkheid, hem voortjaagt, 't Wrak van zijn eigen wil, de spot der Aarde, De eenzame, de verlaten uitgestootne? Niet Jupiter. Terwijk zijn frons den Hemel Nog schokte,--en hem zijn tegenstander vloekte, In diamant geketend, trilde hij Gelijk een slaaf. Zeg mij, wie is zijn meester? Is hij een slaaf, ook hij?

*DEMOGORGON.*

Al geesten zijn 't, Die 't slechte dienen: en of Jupiter Zoo'n geest is, ja of neen, dat weet gij zelf.

*ASIA.*

Wien noemt gij God?

*DEMOGORGON.*

Ik sprak slechts gelijk gij, Want Jupiter is de opperste van al Wat leeft.

*ASIA.*

Wie is de meester van den slaaf?

*DEMOGORGON.*

Als de afgrond zijn geheimen uit kon werpen.... Maar er ontbreekt een stem, de diepe waarheid Is beeldloos; wat zou 't helpen of 'k u 't wentlen Der weerld aanschouwen deed? of spreken liet Lot, Toeval, Tijd, Kans en Verandering? Aan deze is alles onderworpen, enkel De eeuwige Liefde niet.

*ASIA.*

Zoo veel vroeg 'k reeds Voorheen, en 't antwoord dat gij gaaft, gaf ook Mijn hart; van zulke waarheden moet elk Zichzelf 't orakel zijn. Nog éen ding vraag ik; Antwoord gij mij gelijk mijn eigen ziel Antwoorden zou, wist zij maar wat ik vraag. Prometheus zal verrijzen en voortaan De zon zijn van deze opgetogen wereld: Wanneer zal de bestemde stond verschijnen?

*DEMOGORGON.*

Zie!

*ASIA.*

De rotsen spleten, door den purpren nacht Zie 'k wagens, regenboog-gewiekte paarden Trekken ze en treden op de duistre winden: In iedren staat een voerman wild van blik, Hun vlucht aanhitsend. Enklen zien naar achter, Of duivels hen vervolgden, toch zie 'k niets Dan 't schitterend gestarnt: met brandend oog Buigen zich andren over, die den wind Van de eigen vaart met greetge lippen drinken, Alsof dat wat zij minden voor hen vlood En nu, juist nu, zij 't grepen. Heldre lokken Ontstroomen hun gelijk het flikkrend haar Van een komeet: zij allen haasten verder.

*DEMOGORGON.*

Dit zijn de onsterflijke Uren waar ge om vroegt. Eén wacht op u.

*ASIA.*

Een Geest, vreeslijk van aanblik, Beteugelt bij de rotsge krocht zijn wagen, De donkre. Uw broedren ongelijke voerman, Spookachtige, wie zijt gij? Waarheen woudt gij Mij dragen? Spreek!

*GEEST.*

Ik ben de schaduw van Een vreeselijker noodlot dan mijn aanblik. Eer gindsche ster verzonk, zal 't met mij stijgend Duister des Hemels koningloozen troon In eeuwgen nacht omwikklen.

*ASIA.*

Wat bedoelt gij?

*PANTHEA.*

Die vreeselijke Schaduw vliegt omhoog Van zijn troonzetel, als de doodsche damp Van steden die de aardbeving heeft verwoest Over de zee. Zie! hij bestijgt den wagen; De paarden rennen als ontzet! Aanschouw Zijn pad tusschen de sterren, nacht-verduistrend!

*ASIA.*

Zoo word ik beantwoord: vreemd!

*PANTHEA.*

Zie, bij den zoom Een andre wagen,--een ivoren schelp, Doorvloeid van purper vuur dat komt en gaat Binnen haar rand, gebeeldhouwd vreemd en fijn Van lijnensier. De jonge Geest, haar sturend, Heeft de oogen van de Hoop, de duif-gelijke. Hoe haar zacht lachen lokt de ziel! als 't licht Vliegende insecten door lamplooze lucht.

*GEEST.*

Mijn renpaarden voedde het weerlicht, Zij drinken van 's wervelwinds vloed, En zij baden in 't purperen meer zich, 't Frisch meer van den morgenzon-gloed. Hun sterkte volstaat voor hun spoed;-- Stijg dan op met mij, Zeegeboorne! Ik verlang,--door den nacht vaart een lichtschijn; Ik vrees,--zij ontvlieden de' orkaan; Eer de wolken om de' Atlas gezwicht zijn, Omcirklen wij de aarde en de maan. Dat wij rusten wen 't werk is gedaan:-- Stijg dan op met mij, Zeegeboorne!

*VIJFDE TOONEEL.*

_De wagen houdt stil in een wolk op den top van een sneeuwigen berg. Asia, Panthea, en de Geest van het Uur._

*GEEST.*

Op de grens van den daagraad en 't duister Zijn mijn paarden veraadming gewend; Maar van de Aard hoorde ik juist een gefluister Dat sneller dan 't vuur dient gerend: Drinkt verlangen en vaart ongekend!

*ASIA.*

Op hun neusgaten blaast gij, maar mijn adem Zou hun meer snelheid geven.

*GEEST.*

Kon dat maar!

*PANTHEA.*

O Geest! vertoef; zeg, waar is 't licht vandaan Dat deze wolk vult? Nog verrees geen zon.

*GEEST.*

De zon zal niet verrijzen voor den noen. Verwondring houdt Apollo in den hemel, En 't licht dat dezen damp doorvloeit, niet anders Dan van de rozen die een bron aanstaren Doorzichtge tint het water vult, ontstroomt Uw machtge Zuster.

*PANTHEA.*

Ja, ik voel 't--

*ASIA.*

Wat is er, Zuster? Gij zijt zoo bleek.

*PANTHEA.* O hoe veranderd Zijt gij! 'k durf u niet aanzien, ik gevoel Maar zie u niet. Ternauwernood doorsta ik De straling van uw schoonheid. Zeekre goede Verandring werkt in de elementen, die Uw tegenwoordigheid ontsluierd dulden. De Nereïden zeggen, op den dag Toen 't heldre zeekristal bij uw verrijzen Spleet, en gij stondt in een dooraarde schelp, Die aandreef op den kalmen zeeëspiegel Tusschen de Egeïsche eilanden en langs Den oever die uw naam draagt,--barstte er liefde, Als de atmosfeer van zonvuur 't levende Al Vullend, uit u, dat aarde en hemel straalden, De diepe zee en de zonlooze holen, En al wat daarin woont; tot leed verduistring Wierp op de ziel waaruit dat schijnsel kwam. Zoo zijt gij thans; en ik ben 't niet alleen-- Uw zuster, gezellin, uwe uitverkoorne-- 't Is heel de wereld, die uw liefde zoekt. Hoort gij geen klanken in de lucht die uiten Liefde van al wat stem heeft? Voelt gij niet Hoe de onbezielde winde' op u verliefd zijn? Luister!

(_Muziek_)

*ASIA.*

Uw woorden klinken zoeter mij Dan wat ter wereld ook, behalve zijne, Wier wederklank zij zijn: doch alle liefde Is zoet, of men haar schenke of zelf ontvang'. Liefde is als 't licht voor iedereen en al, En haar vertrouwde stem verveelt niet, immer. Gelijk de wijde hemel en de lucht Die alles leven doet, maakt zij 't reptiel Den God gelijk. Zij die haar 't meest doen voelen Zijn zalig, gelijk ik thans, maar wie 't meest Haar voelen, zijn nog zaalger, na lang lijden,-- Als ik gauw zijn zal.

*PANTHEA.*

Luister! Geesten spreken.

*STEM IN DE LUCHT, DIE ZINGT.*

Levens Leven! doen uw lippen Niet van liefde uw adem gloeien? Van uw lachjes, voor zij glippen, Brandt de koude lucht,--dan vloeien Ze in die blikken waar wie lazen Zwijmen warrende in hun mazen.

Kind van Licht! Uw leden schijnen Door de plooien die ze omspreiden, Als de helle morgenlijnen Door de wolken ongescheiden, Deze hemelsch-teedre glans, Waar ge ook blinkt, omhult u gansch.

Schoon zijn andren; geen aanschouwt u. Maar uw stem zacht-lieflijk ruischt er Als de schoonste,--hij onthoudt u Aan 't gezicht, die vloeibre luister,-- Ieder voelt, maar ziet u nimmer, Als thans ik, vergaan voor immer!

Lamp der Aarde! Uw stralen doopen Oovral donkre vorme' in klaarte, Zielen die gij liefhebt loopen Op de winden zonder zwaarte. Tot zij zwijme' als ik, verslagen, Duizlig, zwijm, doch zonder klagen!

*ASIA.*

Mijn ziel is een bekoorde kaan, Die als een sluimerende zwaan Drijft op de zilverzee van uw zoet kweelen; Engelgelijk zit de uwe daar Neven het roer geleidend haar, Wijl melodiên door alle winden spelen. Zij drijft, naar 't schijnt, immer, voor immer: De waatren staken 't kronklen nimmer Tusschen ravijnen, bergen, wouden-- 't Wildst paradijs dat 'k ooit aanschouwde! Tot, als een die sluimring bond, Naar de' oceaan gedragen 'k neerdrijf in het rond, In diepe zee van klank die eindloos opwaarts bront.

Nu heft uw geest in reinste rijken Van zang zijn vleuglen, en zij grijpen Winden, die in dien zaalgen hemel beven; Wij zeilen voort, ver weg, zoo ver, Zonder een koers, zonder een ster, Slechts door den drang van zoeten klank gedreven; Tot ge eindelijk door eilandgaarden, --O schoonste loods!--te schoon voor de aarde, Waar nooit een sterflijk scheepje glijdt, De boot van mijn begeerte leidt; Liefde is wat we aadmen hier, liefde volkomen, Bewegende in den wind en op de stroomen, Makend deze aard gelijk aan 't geen we omhoog ons droomen.

Ouderdoms ijzge holen varen Voorbij we, en ruwe donkre baren: Volwassenheid; en de effen zee der Jeugd, Glimlachend maar bedrieglijk; langs den spiegel Der Kindsheid vlieden wij, vol schaûw-gewiegel, Door Dood, Geboorte, naar volmaakter vreugd:-- Daar welven zich prieelen tot een Eden, Verlicht door bloemen starend naar beneden, En waterpaden die zich windend spoên Door wildernissen kalm en groen, Bevolkt door wezens, al te stralend klaar Om aan te zien, onverontrust,--bijna als gij voorwaar-- Die schrijden op de zee, en zingen wonderbaar!

*DERDE BEDRIJF.*

*EERSTE TOONEEL.*

_De Hemel. Jupiter op zijn troon, Thetis en de andere Godheden verzameld._

*JUPITER.*

Gij hemelmachten hier verzaêmd, die deelt De glorie en de kracht van wien gij dient, Verblijdt u! want voortaan ben ik almachtig. Ik onderwierp al 't andre, alleen de ziel Des menschen, dat onuitgebluschte vuur, Brandt nog den hemel tegen, fel verwijtend, Twijflend, weeklagend, in gebed weerstrevend, Ophuilend muiterij, die ons oud rijk Wankelbaar maken kon, al is 't gebouwd Op oudst geloof en vrees, hel's evenouder. En schoon mijn vloeken, gelijk vlok bij vlok De sneeuw op onbegroeide kruinen valt, Dalen door zwevende atmosfeer en kleven Aan haar,--schoon ze in het duister van mijn toorn Stijgt op des levens rotsen stap na stap, Gelijk het ijs den ongeschoeiden voet Haar wondend,--tòch blijft zij de ellende meester, Strevend, niet onderdrukt;--maar weldra valt zij. Juist nu baarde ik een wonder, een vreemd wonder-- 't Noodlottig kind, de schrik van de aard, slechts wachtend Tot de bestemde stond verschijnen zal (Dragend van Demogorgons leedgen troon De vreeselijke macht van eeuwge leden, Die ongezien dien schrikbren geest bekleedden) Om, weer gedaald, dien sprankel te vertreden.

Pleng 's hemels wijn, o Ida's Ganymeed, Doe hem als vuur de kunstge bekers vullen, En van den bloem-doorweven godenvloer, Verrijs, al-zegevierende muziek, Als dauw van de aard onder der scheemring starren! Drinkt! dat de nectar door uw aadren cirklend De ziel der vreugde zij, gij eeuwge Goden, Tot jublen uitbarst in één wijde stem, Als melodie van de Elyseesche winden.

En gij, stijg naast me, omsluierd in het licht Van het verlangen dat u eent met mij, Thetis, o stralend beeld van de eeuwigheid! Toen ge uitriept: "God, niet-te-verduren macht! Spaar me! ik doorsta de snelle vlammen niet, 't Doordringend bijzijn; heel mijn wezen smolt, Als dat van hem die tot een dauw vervloeide Door 't gif van de Numidische haagdis,-- Zinkende door zijn grondvest;" toen juist maakten Twee machtge geesten saâm vereend een derden, Machtger dan bei, die onlichaamlijk nu Tusschen ons zweeft, gevoeld schoon niet aanschouwd, En de gestaltenis verbeidt die stijgt (Hoort gij den donder van de vuurge wielen, Snijdend den wind?) van Demogorgons troon. Zegepraal! Zegepraal! Voelt gij niet, wereld! De aardbeving van zijn wagen die de' Olympus Opdondert?

_(De Wagen van het Uur verschijnt. Demogorgon stijgt af, en gaat naar den Troon van Jupiter)._

Vreeslijk wezen, spreek! wat zijt gij?

*DEMOGORGON.*

De Eeuwigheid. Vraag niet een gruwbrer naam. Daal van uw troon en volg me in d'afgrond neer. Ik ben uw kind, als gij Saturnus' kind, Machtger dan gij. En samen moeten wij Voortaan in duister. Licht uw bliksems niet. De dwinglandij des hemels moog' voortaan Niet een zich nemen, krijgen of behouden Na u: doch wilt ge--daar 't het noodlot is Van wormen daar me' op treedt dat ze zich kronklen Totdat ze dood zijn--toon wat ge vermoogt.

*JUPITER.*

Vloekbre misboorte! zóo dan treed ik u Neer onder diepte van Titanen-holen-- Draalt ge nog? O erbarmen! o erbarmen! Geen deernis, geen bevrijding, geen respijt. Maakte mijn vijand ge tot rechter mij, Hemzelf, die hangende aan den Caucasus Door mijn langduurge wraak verdord is--Hij Zou mij niet zóo verdoemen. Is hij niet, De zachte en vreeslooze en rechtvaardige, De koning van de wereld? Wat zijt gìj dan?-- Geen toevlucht, geen verhooring! Zink dan mét mij! Verzinken beiden we in de wijde baren Van ondergang, gelijk een gier en slang, Ontkracht, in onontwarbren strijd vervlochten, Neerstorten, in een strandlooze' oceaan. De hel ontsluit' nu haar omwalde zeeën Van stormend vuur, en overstelpe daar In 't boômloos leeg deze verlaten wereld, En u, en mij, verwinnaar en verslaagne, En 't wrak van dat waarom zij streden. Wee! Wee! De elementen zijn mij niet gehoorzaam! Duizelend zink ik neer, eeuwig, voor eeuwig! En, als een wolk, verduistert met zijn zege Mijn vijand van omhoog mijn val! Wee! Wee!

*TWEEDE TOONEEL.*

_(De mond van een groote rivier in het eiland Atlantis. Oceanus is zichtbaar rustend bij het strand, Apollo staat naast hem.)_

*OCEANUS.*

Hij viel onder den frons van zijn verwinnaar, Zoo zegt ge?

*APOLLO.*

Ja, bij 't einde van den strijd, Waardoor de bol dien ik bestuur verduisterd' En 't vast gestarnte trilde, werd de hemel Beschenen door de ontzetting van zijn oog Met bloedrood licht, door dichten flardenzoom Van 't zegepralend duister, wijl hij viel: Gelijk de laatste glans van rooden doodsstrijd Des daags, die door een spleet der vuurge wolken Ver brandt over het storm-doorgroefde diep.

*OCEANUS.*

Zonk hij naar de' afgrond, naar het donker Leêg?

*APOLLO.*

Gelijk een aadlaar op den Caucasus Gevangen in een wolk die splijt; zijn vlerken Waarmee de donder spot, in wervelwind Verward; zijn oogen die de zon aanstaarden Zonder verblind te zijn, door 't witte weerlicht Verbijsterd; wijl de zware hagel slaat Zijn worstlende gestalt', die eindlijk zinkt Voorover, en het hemelsche ijs omklemt haar.

*OCEANUS.*

Voortaan zal 't hemelspieglend zeeëveld-- Mijn rijk--opdeinen, door geen bloed bevlekt, Onder de winden die het rijzen doen Als 't graanveld golvende in de zomerlucht; Mijn stroomen zullen rijkbevolkte kusten Omvlieten en gelukkige eilandrijken. En van hun glazen tronen zullen Proteus, De zeeëblauwe, met zijn vochtge nymfen, De schaduw zien van schoone schepen (zoo Zien menschen, hoe de licht-beladen maan: Drijvende bark, saam met die witte ster: Kroon van onzichtbren loods, wordt meegedragen Op zee die ebt: snelle zonsondergang--); Volgend hun pad niet meer door bloed en klachten, Verwoesting, en dooreengemengde stemmen Van slaafschheid en bevel--maar door het licht Van golf-weerkaatst gebloemt, drijvende geuren, Zachte muziek, en vriendelijke en vrije, Zachtmoedge stemmen: lieflijkste muziek, Waarvan de geesten houden.

*APOLLO.*

En ik zal Niet meer op daden staren die mijn geest Verduisteren met smart, gelijk de eclips Den bol dien 'k leid verdonkert.--Luister! 'k hoor De kleine, klare, zilvren luit waarmee De jonge Geest speelt in de Morgenster.

*OCEANUS.*

Nu moet gij gaan. Uw paarden zullen rusten Vanavond--tot zoolang zeg 'k u vaarwel. Het luide diep roept mij juist nu naar huis, Om het te voeden met azuren kalmte Uit de smaragden urnen, die voor eeuwig Gevuld, neven mijn troon staan. Zie de Nymfen, Onder de groene zee, 't beweeglijk lijf Gedragen op den wind-gelijken vloed, Haar armen blank boven haar stroomend haar Getild, met kransen bont en sterge kronen Van zeegebloemt, zich haastende om te sieren De vreugde die haar machtge zuster beidt.

_(Een geluid van golven wordt gehoord.)_

't Is de ongeweide zee hongrend naar kalmte. Monster, wees stil; ik kom. Vaarwel.

*APOLLO.*

Vaarwel.

*DERDE TOONEEL.*

_(De Caucasus. Prometheus, Hercules, Ione, de Aarde, Geesten; Asia en Panthea, in den wagen met de Geest van het Uur.)_

*HERCULES* _ontboeit_ *PROMETHEUS* _die neerdaalt_.

*HERCULES.*

Roemruchtigste der Geesten! zoo dient Kracht Wijsheid en Moed en lang-duldende Liefde, En u, die 't wezen zijt dat zij bezielen,-- Gelijk een slaaf.

*PROMETHEUS.*

Uw vriendelijke woorden Zijn zoeter zelfs dan vrijheid, lang begeerd En lang verschoven. Asia, 's levens licht, Afglans van onaanschouwde Schoonheid; gij ook, Lieflijke zusternymfen die 't erinren Dier lange jaren van ellende zoet maakt Door liefde en zorg; nu scheiden wij niet meer. Er is een grot, gansch overgroeid met geurge Kruipende planten, die den dag afsluiten Met blaadren en gebloemte, en geplaveid Met aderig smaragd; en een fontein, Wier klank ontwaken doet, springt middenin. Van het gebogen dak hangen omneer Bevrozen tranen van den berg, als zilver Of sneeuw of lange diamanten spitsen, Waaruit een twijfelachtig schijnsel stroomt. Daar hoort men de altijd-door bewogen lucht, Erbuiten fluisterend van boom tot boom, Vogels en bijen, en in 't rond zijn zetels Van mos; de ruwe wanden zijn bekleed Met lang zacht gras:--'t is een eenvoudge woning, Die de onze zijn zal; waar wij neergezeten Veel zullen spreken over tijd en wissling, Wanneer de wereld ebt en vloedt, doch wij Dezelfden blijven. Want wat zou den Mensch Kunnen vrijwaren voor verandering?-- En, wen gij zucht, zal ik glimlachen; gij, Ione, zult zee-melodieën zingen, Totdat ik ween,--dan zal _uw_ glimlach drogen De tranen die zij wekte, nochtans zoet. Wij zullen knoppen, bloemen, en de stralen Die fonklen aan den zoom van de fontein Verwinden, en tot vreemde vormen vlechten 't Gewone, als kleine menschenkindren doen In korte onschuldigheid. Wij zullen zoeken Met blikken en met woorden onzer liefde Naar schuilende gedachten, elke schooner Dan de voorafgegane, in onze zielen, Nooit uitgeput; en gelijk luiten bevend Onder 't bespelen van verliefden wind, Hemelsche harmonieën, altijd nieuw, Uit lieflijke verscheidenheid, waar nooit Oneenigheid kan zijn, tesamenweven. En hierheen komen, op bekoorde winden Die van elk hemeleind elkaar ontmoeten (Als bijen die van iedre bloem, gevoed Door 't hemelsche Enna, bij hun eigen huizen Op 't eiland Himera tesamenkomen) De echo's aansnellen van de menschenwereld, Die spreken van de zachte stem der Liefde, Schier ongehoord, en van 't gemurmeld leed Van Medelij duif-oogig, en Muziek, Zelf de echo van het hart,--al wat het leven Des menschen, vrij nu, zachter, beter maakt. En lieflijke verschijningen, eerst scheemrig, Dan stralend,--als de geest, helder ontrijzend Schoonheids omhelzing (daarvandaan de vormen Waar deze 't schaduwbeeld van zijn) haar kleedt In stralenbundels--die zijn werklijkheid,-- Zullen daar tot ons komen; het onsterflijk Nakroost van Schilderschoon en Beeldhouwkunst En opgetogen Poëzie, en andre, Die zullen zijn, schoon wij niet weten hoe. Zwervende stemmen zijn ze en schaduwen Van al wat 't menschdom past, bemiddelaars Van liefde--'t beste dat men eeren kan-- Door hen en ons geschonken en beantwoord; Snelle gestalten en geluiden, schooner En zachter naar de mensch wijs wordt en teeder, En kwaad en dwaling storten, floers na floers. Dat is 't vermogen van de grot en 't oord.

_(Zich wendend tot de Geest van het Uur.)_

Voor u, lieflijke Geest, rest nog éen arbeid, Ione, geef haar die gebogen schelp, Die de oude Proteus gaf als bruidsgeschenk Aan Asia, ademend een stem daarin, Die zal verwerklijkt worden,--en die gij Verborgt in gras onder de holle rots.

*IONE.*

Gij van alle Uren meest begeerde, meer Bemind en minnenswaard dan al uw zusters, Dit is de tooverschelp. Zie 't bleek azuur Dat overgaat in zilver, het bedekt haar Inwendig met een zacht maar gloeiend licht: Schijnt het geen zwijgende muziek daar sluimrend?

*GEEST.*

Waarlijk, het schijnt de mooiste schelp der zee; Haar klank moet tegelijk zoet zijn en vreemd.

*PROMETHEUS.*