Prometheus ontboeid: Een lyrisch drama in vier bedrijven
Chapter 3
Innig voorwaar. Maar zie, De ster van 't Oosten is verbleekt, en Asia Wacht in dat ver-verwijderd Indisch dal, 't Oord van haar droeve ballingschap, eens ruw, Eenzaam, bevrozen, gelijk dit ravijn, Doch nu gehuld in schoon gebloemte en kruid, Vol zoete winden en geluiden zwevend In 't woud en langs den vloed, door de atmosfeer Van haar herscheppend bijzijn, die zou kwijnen Als zij niet éen met de uwe waar'. Vaarwel.
*TWEEDE BEDRIJF.*
*EERSTE TOONEEL.*
_Morgen. Een liefelijk dal in den Indischen Caucasus._
*ASIA.*
_alleen._
*ASIA.*
Uit al des hemels vlagen daaldet gij! Ja, als een geest, als een gedachte dringt Naar hoornige oogen ongewone tranen, En het verlaten hart met kloppen kwelt, Dat rust moest leeren, zijt gij neergedaald, Gewiegd in stormen; wordt gij wakker, Lente, O veler winden kind! Zoo plotseling Komt ge als de erinring van een droom die nu Verdrietig is omdat hij eenmaal zoet was; Gelijk bezieling, gelijk vreugde, oprijzend Van de aarde als 't ware, kleedend in goudwolken De leegheid van ons leven.-- Dit is het jaargetij, de dag, het uur; Bij 't rijzen van de zon zoudt, zoete Zuster, Gij komen, kom, te lang verwachte, nu! Te lang vertoeft gij! Hoe de vleugellooze Seconden traag gelijk doodswormen kruipen! Nog steeds trilt van éen witte ster de stip Diep in de' oranjen lichtschijn van den morgen Die zich verwijdt voorbij de purpren bergen: 't Donkerder meer weerkaatst haar door een spleet Van wind-gedeelde mist. Nu flauwt zij heen, Maar blinkt weer, wijl de golven bleeker worden En wijl de gloênde draên van wolkenweefsels Verrafelen in bleeke lucht. Ze is weg! En door dier toppen wolk-gelijke sneeuw Trilt het rozige zonlicht. Hoor ik niet De Aeolische muziek van haar zeegroen Gevedert, dat de roode daagraad klieft?
_(Panthea verschijnt.)_
Ik voel, ik zie die oogen brandend door Geglimlach dat in tranen flauwt, als sterren Half uitgedoofd in mist van zilvren dauw. Beminde en schoonste, die de schaduw draagt Dier ziel waardoor ik leef,--wat zijt gij laat: De ronde zon beklom de zee; mijn hart Was ziek van hoop, voor de indruk-looze lucht Het naadren voelde van uw late veedren.
*PANTHEA.*
Vergeef mij, groote Zuster! maar mijn wieken Waren zoo traag door zaalge erinnering Van wat ik droomde, als 's middags het geveêrt Van zomerwind, verzaad met zoete bloemen. Ik was gewoon aan storeloozen slaap, En ik ontwaakte steeds verfrischt en kalm, Eer's heilgen Titans val, en uwe liefde, De onzaalge, door gewoonte en medelij Bei liefde en smart mijn hart gemeenzaam maakten, Gelijk ze uw hart al werden, 'k Sliep voorheen In grotten blauw van de' ouden Oceaan, In scheemrige prieelen, waar het mos Groen was of purper,--onzer jonge Ione Teedere en melkwitte armen sloten zich Toen, gelijk nu, achter mijn haren donker En vochtig, wijl 'k mijn wangen en dichte oogen Drukte in gevouwen diepte van haar boezem, Die leven ademde; maar niet als nu,-- Sinds ik de wind ben, zwijmend onder tonen Die 'k draag van woordeloos verkeer met u; Sinds, opgelost in het gevoel waarmee De liefde spreekt, mijn rust onrustig was En lieflijk toch, en de uren die ik waakte Te vol van zorg en pijn.
*ASIA.*
Licht óp uw oogen, Dat ik uw droom daar leze.
*PANTHEA.*
'k Zeide reeds, Hoe 'k aan zijn voeten sliep met ons Zee-zuster. De neevlen van 't gebergte, op onze stem Onder de maan verdichtend, hadden zacht Hun sneeuwge vlokken uitgespreid, beschermend Onzen vervlochten slaap voor 't snijdend ijs. Twee droomen kwamen toen. Een is me ontgaan. Maar in den andren vielen van Prometheus Zijn bleeke, wond-verminkte leden af; De azuren nacht werd stralend van de glorie Van die gestalt' die onveranderd leeft In hem, en o zijn stem viel als muziek, Die duizlen doet het donkre brein, bezwijmd Door de bedwelming van zoo helle vreugd: "Zuster van haar wier stappen de aard bespreien Met lieflijkheid--schoonste behalve haar Wier wederschijn gij zijt--zie op tot mij." Ik hief mijn oogen. 't Overweldgend licht Van die onsterflijke gestalte zag 'k Gansch overschaduwd door de liefde die Zijn zacht-vloeiende leên, lippen half-open In hartstocht, vurige doch droomrige oogen, Ontstoomde als dampend vuur; een atmosfeer Die in haar al-smeltend geweld me omsloot, Als warme lucht, van morgenzon omhuld, Eer zij haar drinkt, een wolk zwervende dauw. Ik zag niet, hoorde niet, bewoog mij niet; Maar voelde alleen zijn tegenwoordigheid Vervloeien en vereenen met mijn bloed, Tot het zijn leven werd, en 't zijne mijn. Zoo was 'k als opgeslorpt,--maar 't ging voorbij; En, als de dampen, wen de zon verzinkt, Zich weer in dropplen zaamlen op de pijnen, En sidderend als zij, verdichtte zich Mijn wezen in den diepen nacht; en wijl De stralen der gedachte langzaam weer Verzameld werden, kon 'k zijn stem nog hooren, Wier tonen talmden voor zij henenstierven Gelijk voetstappen van een zwak geluid. Uw naam hoorde ik alleen, in tal van klanken, Van het misschien-verstaanbre, ofschoon 'k bleef luistren In 't duister, toen er geen geluid meer klonk, Ione ontwaakte toen, en zei tot mij: "Kunt gij soms raden wat mij verontrust Vannacht? Ik wist voorheen steeds wat ik wenschte En vond geen vreugde ooit in vergeefschen wensch. Maar nu kan ik niet tolken wat ik zoek: Weet ik het zelf? 't is zoet, want zoet is 't al Om te begeeren. 't Is, trouwlooze zuster, Een spel van u; ge ontdekte een ouden toover, Wiens ban mijn geest stal toen ik sliep en met Uw geest vereende: want, toen straks wij kusten, Voelde ik de zoete lucht die mij deed leven In uwer lippen kier, en o de warmte Van 's levens bloed, door wier gemis ik zwijm, Beefde in den boog onzer vervlochten armen." 'k Antwoordde niet, want de Oosterster werd bleek, Maar vlood tot u.
*ASIA.*
Gij spreekt, maar ach, uw woorden Zijn als de lucht: ik voel ze niet. O! licht Uw oogen op, dat ik zijn ziel, daarin Geschreven, leze!
*PANTHEA.*
'k Hef ze, schoon zij zinken Onder de zwaart' van wat zij spreken wouden: Wat kunt gij zien dan uw lieflijkste schaduw Daar afgebeeld?
*ASIA.*
Uw oogen zijn gelijk De diepe, blauwe, grenzenlooze hemel, Tesaamgedrongen tot twee cirkels onder Hun lange fijne wimpers: donker, ver, Mateloos, kring in kring en lijn in lijn Vervlochten.
*PANTHEA.*
Waarom kijkt ge, of er een geest Voorbijging?
*ASIA.*
Anders wordt het: achter 't diepst Dier diepte zie 'k een schaduw, een gestalte: 't Is Hij, gekleed in van zijn eigen glimlach Het zachte licht dat om hem henen spreidt Als straling van de wolk-omkringde maan! Prometheus, het is de uwe! Vlied nog niet! Zegt niet die glimlach dat we elkander eens Weer zullen vinden in die heldre tent Die zijn gestraal bouwe op de woeste wereld? De droom is uitgezeid!--Wat schim is dat, Tusschen ons? Zijn ruig haar verwart de wind Die 't opwaait, wild en levend is zijn blik, Toch is 't een wezen van de lucht: er schijnt Door zijn grijs kleed de gouden dauw wiens sterren De middag niet gebluscht heeft.
*DE DROOM.*
Volg, o volg!
*PANTHEA.*
Het is mijn andre droom.
*ASIA.*
Zie, hij verdwijnt.
*PANTHEA.*
Hij komt nu in mijn geest. 'k Verbeeldde mij, Wij zaten hier, en open sprongen al De knoppen, bloem-omwikklend, van daarginds De' amandelboom, dien bliksem heeft verzengd, Toen snel van witte Scythische woestijn Een wind aanvlaagde, rimplend de Aard met vorst. Ik keek,--al bloesems waren neergewaaid, Maar op elk blaadje stond--verhalen zoo De blauwe hyacintheklokjes niet Apollo's daar geschreven leed?--"Volg, volg!"
*ASIA.*
Terwijl gij spreekt, vullen uw woorden, poos Na poos, ook mijn slaap dien 'k vergeten was, Met beelden. 't Scheen me of wij tesamen schreden Onder de jonge grijze dageraad Over grasperken, en een menigte Van zware, witte, wolge wolken dreef In dichte kudden langs de bergen heen, Geherderd door den trage' onwilgen wind. De witte dauw op 't nieuw-ontsproten gras, Even de donkere aard ontschoten, hing Heel stil. En er was meer dat me is ontgaan. Maar op de schaduwen der morgenwolken, Dwars op de purpren helling van 't gebergt, Stond ook geschreven: "Volg, o volg!" en wijl ze Verdwenen, en op elken halm waarvan De dauw des hemels neergevallen was 't Zelfde gedrukt werd als met welkend vuur, Rees wind tusschen de pijnen; die ontschokte Gerank van melodieën aan hun twijgen En toen hoorde ik geluiden, laag, zoet, zacht, Als het vaarwel van geesten: "Volg, volg, volg!" Toen zei 'k tot u: Panthea, zie mij aan: Maar in de diepte van die dierbare oogen Zag ik nog altijd: "Volg, o volg!"
*ECHO.*
"O volg!"
*PANTHEA.*
De rotsen, op dees klaren voorjaarsmorgen, Spotten met onze stem, als spraken geesten.
*ASIA.*
Het is een wezen zwevend rond de rotsen. Wat fijne heldere geluiden! Luister!
*ECHO'S.*
_(onzichtbaar)._
Echo's wij, luister! Wij wijlen niet: Als dauwdrups luister Ge kort maar ziet-- Zee-geboorne!
*ASIA.*
Hoor! Geesten spreken! Vloeiende echo's klinken Nog van hun hemelstemmen na.
*PANTHEA.*
Ik hoor.
*ECHO'S.*
Volg, o volg! Wen ons lied dreigt te zwijgen, Waar een grot ons verzwolg-- Waar wouden stijgen--
_(meer verwijderd)_
Volg, o volg, Waar een grot ons verzwolg. Ga ons na als 't lied versuist, Waar de wilde bij nooit ruischt, Door het diepe middagdonker, Langs het nachtgebloemte loom, Geuren aadmend in zijn droom, Langs de golfjes, waar geflonker Van een bron in holen blinkt, Wijl onstuimig en toch zoet Ons gezang speelt met uw voet Die zoo zacht ter aarde zinkt, Zeegeboorne!
*ASIA.*
Zullen wij 't zingen volgen? Zachter wordt het En verder.
*PANTHEA.*
Hoor! het koor komt nader nu.
*ECHO'S.*
In het onbekende Slaapt een ongesproken stem; Slechts als gij u daarheen wendde, Wekt gij hem; Zeegeboorne!
*ASIA.*
Hoe op den wind die ebt de tonen zinken!
*ECHO'S.*
Volg, o volg, Waar een grot ons verzwolg! Ga ons na als 't lied verflauwt; Door het dauwig middagwoud, Langs de meren en fonteinen, Bosschen door, en grilge lijnen Van gebergten, naar de spleten, Diepten, scheuren, waar 't vaneengereten Lijf van de Aarde rustte van zijn lijden Op den dag toen Hij en Gij Zijt gescheiden-- Paar dat nu hereenigd zij;-- Zeegeboorne!
*ASIA.*
Mijn lieve Panthea, kom, geef mij uw hand, En volgen we, eer de stemmen zijn verruischt.
*TWEEDE TOONEEL.*
_Een bosch, afgewisseld door rotsen en holen. Asia en Panthea gaan het in. Twee jonge faunen zitten luisterend op een rots._
*HALFKOOR I VAN GEESTEN.*
Het pad waarlangs dat lieflijk paar Schreed onder ceder, taxis, pijn, Al donkre boomen die er zijn, Scheidt van den hemel wijd en klaar Een ondoordringbaar loofgordijn Wind, regen, zon- noch maneschijn Vindt zich een weg door die geweven Prieelen, slechts een wolk van dauw Drijft somtijds langs de stammen grauw Op winden mee die de aard bezweven, Doet overal een parel beven In bloesems bleek, opnieuw ontbloeid, Van 't lauwergroen, en buigt de kroon Van een teer-lieflijke anemoon, Waarna ze stil vervloeit. Of wen een ster, van velen een, Die stijgt en drijft in steilen nacht, De eenige kloof vond waardoorheen Nog dalen kan der stralen pracht,-- Voordat zij vliedt voorbij, voorbij: De heemlen, nimmer rusten zij,-- Sprenkelt zij droppend gouden schijnen Als nooit vereenende regenlijnen:-- En 't heilig duister is in 't rond; Omlaag is de bemoste grond.
*HALFKOOR II.*
Daar zijn den heelen heldren noen Verliefde nachtegalen wakker. Wen een bezwijmt van heil of smart En zinkt door 't windloos klimopgroen Stervend van zoete liefde op 't hart, Het toon-doortrilde, van zijn makker; Verheft een ander die daar wachtte, In bloesems heen en weer bewogen, Het kwijnende eind der laatste klachten Om in te vallen, plots ten hoogen De wieken van den weeken zang,-- Tot eigen lied uit nieuwen drang Van voelen rijst,--en 't woud wordt stom; Men hoort alleen door donkre lucht Van vlerken 't ritselend gerucht, En evenals fluiten, wen rondom Een meer zich spreidt, bedwelmen 't brein Klanken zoo zoet dat vreugde zweemt naar pijn.
*HALFKOOR I.*
Als tooverkolken spelen daar Zoet-stemmige echo's en zij tijgen Door Demogorgons machtge wet, Smeltend verrukt of zoet ontzet, Langs 't heimlijk pad een geestenschaar; Als stroomen die van bergdooi stijgen Schepen uit land naar zee toe voeren. Tot wie door slaap of zacht gepraat Geboeid zijn eerst een fluistren gaat; 't Wekt de verkoornen; zacht ontroeren Trekt hen en stuwt hen voort. Ja, zwoeren Niet zij die 't zagen dat een wind Achter hen stoomt van de aadmende aard, Die veedren optilt en wiens vaart Hen verder drijft gezwind, Terwijl zij denken dat hun voet En eigen vleuglenpaar zoo snel Gehoorzaamt aan hun wenschen zoet? Zoo drijven zij--tot, lieflijk wel Nog steeds, maar krachtiger en luid De storm van klank zwelt voor hen uit, Haastend, als opgeslorpt; zij volgen, En weer verzaamlen zich zijn golven, Die naar den berg van 't noodlot dragen Als wolken de wijkende lucht doorjagen.
*EERSTE FAUN.*
Kunt ge u verbeelden waar die geesten leven, Die in het woud zoo fijne melodieën Doen klinken? In de minst bezochte holen En dichtste lommerlegers wonen wij En kennen deze wildernissen wél, Doch hen ontmoeten nooit we, ofschoon wij vaak Hen hooren: waar toch, denkt ge, schuilen zij?
*TWEEDE FAUN.*
't Is zwaar te weten. Wel heb ik gehoord, Dat andren meer bekend met geesten zeiden: De bellen die de zonnetoover zuigt Uit bleeke, teere waterbloemen die Den slijkgen bodem van de heldre meren En plassen overspreiden, zijn de tenten Waarin die wezens wonen en doorzweven De groene en gouden atmosfeer, ontstoken Door 't middaguur onder het blaadrenweefsel; En wen die barsten en de dunne lucht, De vuurge, die zij aêmden in die helle Gewelven, stijgt om meteoorgelijk Te vliegen door den nacht, rijden zij dáarop En sturen hun onstuimge vaart en buigen Hun flonkerende kuiven, en in vuur Glijden zij weer onder der aarde waatren.
*EERSTE FAUN.*
Als zulke zoo bestaan, leven dan andre Weer andre levens, onder anemonen, Of in de klokjes van de weidebloemen, In de gevouwen diepte van viooltjes, Of op hun stervende zoetgeurigheid Wanneer zij sterven, of in 't zonlicht van De ronde dauw?
*TWEEDE FAUN.*
Ja, velen, wel te raden.-- Maar als wij praten bleven werd het middag, En knorrige Silenus zou zijn geiten Nog ongemolken vinden, en ons brommend Die wijze en liefelijke zangen weigren, Van Noodlot, Toeval, God, en ouden Chaos, Liefde, en den droevgen doem van den geboeiden Titan, en hoe die eens, bevrijd, heel de aard Eén broederschap zal maken: schoone liedren, Die onze eenzame schemers blij doen zijn, En die tot luistrend zwijgen zelfs bekoren De niet naijverige nachtegalen.
*DERDE TOONEEL.*
_Een rotspunt tusschen bergen._ ASIA en PANTHEA.
*PANTHEA.*
Hier droeg 't geluid ons heen, naar het gebied Van Demogorgon, en de machtge poort, Gelijk van een vulkaan de meteoor- Aadmende spleet, waaruit de orakeldamp Opwervelt, dien de eenzamen in hun jeugd Rondzwervend drinken, en zij noemen hem Waarheid of deugd, bezieling, liefde of vreugd,-- Die levenswijn die als ontzind doet zijn, Wiens droesem zij tot diepe dronkenschap Gansch leedgen, en dan heffen zij de stem, Gelijk Maenaden luidkeels "Evoë!" Uitgalmend, die de weerld besmetting dunkt.
*ASIA.*
Waardig een troon voor zulk een Macht! Hoe schoon! Wat zijt gij grootsch, o Aarde! En als gij zijt De schaduw van een geest, nog lieflijker,-- Schoon kwaad zijn werk bevlekke, en of ook hij, Gelijk zijn schepping, zwak doch heerlijk zij,-- Dan zou ik kunnen knielen en u beiden Vereeren! Ja, ook nu aanbidt mijn hart. Hoe wonderbaar! Zie, Zuster, eer de damp Uw brein beneevle. Omlaag is een wijd veld Golvende mist, gelijk een meer, plaveiend Onder de morgenlucht met blauwe golven, Barstend in zilverschijn, een Indisch dal. Zie hoe het rolt onder de stollende winden, En hoe 't den bergtop waar we in 't midden staan Aan alle zijden tot een eiland maakt, Omkringd door wouden, donker en in bloei, Scheemrige weiden, stroom-verlichte holen, En zwerfsche mist-gestalten: winden-toover; En ver omhoog werpen de scherpe bergen, Den hemel splijtend, van hun ijzge spitsen, Stralend als zonneschijn, den dageraad, Als der geheven zee verblindend schuim Omhooggespat tege' een Atlantisch eiland, Den wind bestert met lamp-gelijke dropplen. Het dal is door hun muren als omgordeld, Gehuil van katarakten, uit ravijnen, Door dooi gekliefd, verzaadt den wind die luistert, Aanhoudend, wijd, geweldig als de stilte. Hoor! 't stuwen van de sneeuw! de zon-ontwaakte Lawine! wier drievoudig door den storm Gezifte massa vlok bij vlok verzaêmd was, Gelijk in geesten die den hemel tarten Gedachte wordt gestapeld op gedachte, Totdat een groote waarheid losraakt, rondom Weergalmen dan de volken, tot hun wortels Daavrend geschud, als thans de bergen doen.
*PANTHEA.*
Zie hoe de onstuimge zee van neevlen breekt In purper schuim, en juist aan onzen voet! Zij rijst als de oceaan bij manetoover Rondom schipbreukelingen zonder voedsel Op een laag, slijkig eiland.
*ASIA.*
De wolkflarden Verspreiden zich naar boven. 'k Voel den wind Die ze optilt warren in mijn haar; de golven Drijven over mijn oogen nu, mijn brein Duizelt; ziet gij gedaanten in de mist?
*PANTHEA.*
't Is een gelaat--zijn glimlach wenkt--er brandt Azuren vuur in zijn goudlokken. Zie! Nog een en nog een! Luister! zij gaan spreken!
*ZANG VAN GEESTEN.*
Naar omlaag, naar omlaag, Daal, daal! Door de schaduw vaag Van den slaap, en de dampen Waar de Dood en het Leven kampen; Door den slagboom van 't zijnd' En het waas van wat schijnt, Naar de treden van troon in den versten zaal, Daal, daal!
Wijl 't geluid kolkt in 't rond, Daal, daal! Als het hert trekt een hond, Als den bliksem de damp, Als een vlinder de lamp, Wanhoop dood, liefde zorgen, Tijd beî, heden morgen, Als de geest van den steen doet gehoorzamen 't staal, Daal, daal!
Door het grijs leeg ravijn, Daal, daal! Maan noch sterren er zijn, Geen prisma de lucht is, Om de rotsen geducht, is Geen hemelsche luister Noch aardeduister,-- Doordrongen van Een is het t'eenemaal-- Daal, daal!
Naar het diepst van den kolk, Daal, daal! Als bliksem in slaap in een wolk, Als de in kolen gekoesterde vonk, Als, door Liefde herdacht, een laatste lonk, Als van een edelen steen de schijnen Op den donkeren rijkdom der mijnen, Wordt een toover gezwegen, die voor u zich vertaal'-- Daal, daal!
Wij bonden, wij leiden u, Daal, daal! Met de heldre gestalte bezijden u; Schuw niet dat ge ontkracht zijt: Zoo machtig is zachtheid, Dat de Eeuwge, de Onsterflijke, Door de poort van het Werklijke, Moet loslaten den Doem, die beneên zijn troon slaapt (in slange-spiraal, Alleen om haar.
*VIERDE TOONEEL.*
_De grot van Demogorgon._ ASIA en PANTHEA.
*PANTHEA.*
Wat voor gesluierde gestalte zit Ginds op dien ebben troon?
*ASIA.*
De sluier viel.
*PANTHEA.*
'k Zie een geweldig Donker, 't vult den zetel Dier Macht; stralen van duister schieten rond Als licht van middagzon, door geen bestaard, En zonder vorm. Leden, gedaant' noch omtrek; Toch voelen wij: het is een Geest die leeft.
*DEMOGORGON.*
Vraag wat gij weten wildet.
*ASIA.*
Maar wat kúnt Gij openbaren?
*DEMOGORGON.*
Al wat gij durft vragen.
*ASIA.*
Wie schiep de weerld die leeft?
*DEMOGORGON.*
God.
*ASIA.*
Wie schiep al Wat ze in zich sluit? gedachte, hartstocht, rede, Wil en verbeelding?
*DEMOGORGON.*
God, de Almachtge God.
*ASIA.*
Wie schiep 't gevoel, dat bij het ongemeenst Bezoek van Lentewind, of bij de stem Van een beminde alleen in jeugd gehoord, Tranen 't verflauwende oog ontwellen doet, Die, vallend, van 't niet rouwende gebloemt Den hellen blik verduistren,--dat deze aard, De dicht-bevolkte, als eenzaam achterlaat, Wen het niet weerkeert?
*DEMOGORGON.*
De barmhartge God.
*ASIA.*
En wie schiep schrik, waanzin, berouw en zonde, Die, van de schakels van den grooten keten Der dingen, tot de nietigste gedachte In 's menschen geest, regeeren en zwaar sleepen, En elkeen wankelt naar den kuil des doods Onder dien druk; hoop die men opgaf; liefde Verkeerd in haat; en zelfverachting, wranger Een drank dan bloed; leed, wiens geluid, gemeenzaam, Onopgemerkt, luid huilt en heftig krijt Dag in dag uit; en Hel, of voor de Hel De hevige angst?
*DEMOGORGON.*
Hij heerscht.
*ASIA.*
Zeg hoe hij heet! Een weerld in pijn verkwijnend vraagt zijn naam Alleen: haar vloek zal hem zijn troon af sleuren.
*DEMOGORGON.*
Hij heerscht.
*ASIA.*
Ik voel, ik weet het: wie?
*DEMOGORGON.*
Hij heerscht.
*ASIA.*