Prometheus ontboeid: Een lyrisch drama in vier bedrijven

Chapter 1

Chapter 13,522 wordsPublic domain

Produced by Miranda van de Heijning, Valère Swinnen and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net

PROMETHEUS ONTBOEID

WERELDBIBLIOTHEEK

ONDER LEIDING VAN L. SIMONS

SHELLEY

PROMETHEUS ONTBOEID

EEN LYRISCH DRAMA IN VIER BEDRIJVEN

VERTAALD DOOR ALEX. GUTTELING

HET RECHT VAN VERTOONEN VOORBEHOUDEN VOLGENS DE WET OP HET AUTEURSRECHT

UITGEGEVEN DOOR DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR--AMSTERDAM

*INLEIDING*

Tot dit gedicht van Shelley is de lezing van Aeschylus' "Prometheus Geboeid", waarvan het vervolg: "Prometheus Ontboeid" verloren is, de aanleiding geweest. Talrijke regels en brokstukken in het engelsche drama herinneren aan het grieksche, wat men reeds voldoende kan zien, al kent men, zoo als ik, hiervan alleen de vertaling van Elisabeth Browning. Wat meer is: de grootsche figuur van Prometheus is bij Aeschylus geen andere dan bij Shelley. Aeschylus zag in zijn daad ook het nuttelooze, hij liet het koor hem toeroepen: "O vriend, schouw en zie! wat is al de schoonheid van het menschdom?--kan het schoon zijn? Wat is al zijn sterkte?--is het sterk? En wat voor hoop kunnen zij dragen, deze stervende levenden; die éen dag leven? En ziet gij niet, mijn vriend, hoe zwak en traag, en als een droom, dit arme blinde menschdom gaat, afgedreven van zijn doel? En hoe geen menschetwisten kunnen verwarren de harmonie van Zeus?"--maar toch rijst uit dit drama, dat door dit besef van het wanhopige van Prometheus' streven wezenlijk een drama is, bewonderenswaardig reusachtig de gestalte van hem, die de menschen zoo liefhad, dat hij om hen den toorn van Zeus trotseerde.

Prometheus is de grieksche Heiland. Door zijn hulp werd Jupiter (Zeus) de opperste der Goden, op voorwaarde dat hij den mensch zou ontzien. Jupiter brak zijn belofte en Prometheus alleen weerhield den tyran, het menschdom te vernietigen. Hij eindelijk stal uit den hemel het vuur, dat het in staat stelde een gelukkiger leven te leiden. Alles wat het tot troost en hulp kon krijgen, ontving het van Prometheus, die tot straf aan den Kaukasus geketend en gemarteld werd. Maar hij wist een geheim: op welke wijze Jupiter eenmaal zou vallen en hij bevrijd worden. Jupiter trachtte hem dit geheim te ontrukken. In het tweede gedicht van Aeschylus moet het onderwerp geweest zijn, hoe hij erin slaagde zijn val te voorkomen tegen den prijs van een verzoening met Prometheus en diens bevrijding. Shelley heeft deze oplossing, die hem weinig verheven voorkwam en in strijd met Prometheus' karakter in Aeschylus' eerste drama, versmaad en voorgesteld, alsof Prometheus nu nog lijdt en lijden zal tot Jupiters ondergang, waarna hij het menschdom verlossen zal uit alle ellende.

Shelley heeft het moderne verlangen naar een vrije, liefdevolle menschenwereld uitgestort in dit beeld: Prometheus: de onbedwingbare "Moed," "Wijsheid" en "duldende Liefde," lang geboeid door Jupiter: den wereldregeerder, éen naam voor duizend Goden, waarvoor de menschen ooit knielden, tot Demomorgon: de Eeuwigheid, dezen neerstort en Hercules: de Kracht, Prometheus bevrijdt, die zich dan hereenigt met Asia: de "schaduw van onaanschouwde Schoonheid," waarna de wereld en de gemeenschap der menschen gelijk worden aan een paradijs.

De schoonheid van deze schepping ligt in de titanische kracht ervan, die samengaat met de wonderbare fijnheid en innigheid die Shelley altijd kenmerken; in de macht van verbeelding en de grootschheid van gedachte; in de zuiverheid van geluid en den zeldzamen, misschien nooit geëvenaarden rijkdom van zang. Er is een stijging in, die eindelijk gejubel wordt; het is na de verschrikkingen in den aanvang, de openbarsting van een verrukkelijke lente: men voelt er de heerlijkheid in van het italiaansche voorjaar, waarin het geschreven werd.

Daarentegen is alles, wat tot den vorm in engeren zin behoort, van een opmerkelijke losheid. Shelley's poëzie is een fontein die zijn bekken overstroomt, een vulkaan van onberekenbare uitbarstingen, maar geen bouwwerk. De compositie van zijn "Prometheus" is zelfs zwak te noemen. Alles hangt er af van den val van Jupiter, en hoe schetsmatig wordt deze behandeld, terwijl bijkomstige tafereelen een groote ruimte beslaan! In maat, strofenbouw en rijmen gebruikt hij vele vrijheden, die evenwel nooit aan de schoonheid der verzen afbreuk doen en haar zelfs vaak verhoogen, omdat die schoonheid berust op de ritmische vaart en den zang van Shelley's verzen, op de levende bewogenheid van zijn stem dus, en niet op de kunst-verfijning, waarmee sommigen die bewogenheid bedwingen in de strakste beperkingen. Zoo is ook zijn woordenkeus niet, zooals o.a. die van Poe, bepaald door een onverbiddelijke noodwendigheid, maar hij stelt zich wel eens tevreden met een ietwat retorische uitdrukking mits zij den stroom van vers en gedachte niet belemmert. Zijn woorden zijn druppels, die men niet een voor een, maar altijd in die strooming beschouwen moet.

Bij het vertalen vergemakkelijkten deze eigenschappen mijn taak. Wie eenmaal Shelley's toon met den zijnen heeft weten te benaderen, en den geest van het werk goed verstaat, mag zich menige vrijheid veroorloven. Als er iets van den geweldigen gang en tevens van de verrukkelijke teerheid van het oorspronkelijk in mijn Hollandsch is overgegaan, ben ik tevreden. Aan hem, wiens vertaling van "Shelley's Gedichten van 't jaar 1816" mij tot voorbeeld was, draag ik dit werk op.

*OPGEDRAGEN AAN ALBERT VERWEY*

PERSONEN:

PROMETHEUS. DEMOGORGON. JUPITER. DE AARDE. OCEANUS. APOLLO. MERCURIUS. HERCULES. ASIA | PANTHEA | DOCHTERS DER ZEE. IONE | DE SCHIM VAN JUPITER. DE GEEST DER AARDE. DE GEEST DER MAAN. GEESTEN DER UREN. GEESTEN, ECHO'S EN FAUNEN. FURIËN.

*EERSTE BEDRIJF.*

*PLAATS:*

_Een ravijn van ijsrotsen in den Indischen Caucasus. Prometheus is zichtbaar, aan de steilte gebonden. Panthea en Ione zijn aan zijn voeten gezeten. Tijd: nacht. Gedurende het tooneel breekt langzaam de morgen aan._

*PROMETHEUS.*

Monarch van Goden, Demons, alle Geesten-- Op Een na--waar die werelden van weemlen, De stralend-wentlende, door u en mij Alleen van al wat leeft met slaaplooze oogen Aanschouwd! Zie hoe deze aard krielt van uw slaven Die gij voor knieval, prijs, gebed, gezwoeg En offrand van gebroken harten loont Met vrees en zelfverachting, hooploosheid; Terwijl gij, blind in haten, mij uw vijand Deedt heerschen, triomfeeren, u tot hoon, Over mijn rampspoed en uw ijdle wraak. Drieduizend jaar van uren onbeschermd Door slaap, en oogenblikken steeds gekloofd Door felle pijnen, tot zij jaren schenen, Foltring en eenzaamheid, wanhoop en smaad, Die zijn mijn rijk:--eindloos roemruchtiger Dan de gebieden, die gij overschouwt Van onbenijden troon, o Machtge God! Almachtig, had de schande ik willen deelen Dier snoode dwinglandij, hing ik niet hier Genageld aan dees bergwand aadlaar-tartend, Zwart, wintersch, dood, onmeetlijk; zonder kruid, Insect of beest, vorm of geluid van leven. Wee mij! helaas! pijn, pijn, eeuwig, voor eeuwig!

Geen wissling, rust noch hoop! Toch houd ik vol. Ik vraag aan de Aard, voelden de bergen 't niet? Ik vraag den Hemel, heeft de alziende Zon Dit niet gezien? De Zee, in stilte of storm, 's Hemels nooit eendre Schaûw omlaag-gespreid, Hoorden haar doove golven niet mijn nood? Wee mij! helaas! pijn, pijn, eeuwig, voor eeuwig!

Gletschers, aansluipende, doorboren mij Met speren van kristal in maan bevrozen; De helle ketens vreten me in 't gebeent Met kou die brandt; 's Hemels gevlerkte hond, Met gif niet van hemzelf, van uwe lippen, Zijn bek bezoedelend, verscheurt mijn hart; En vormlooze gezichten zwerven aan, Spookge bevolking van het droomenrijk, Spottend met mij; de Aardbeving-demons moeten De spijkers uit mijn sidderende wonden Loswringen, wen de rots splijt en weer sluit; Wijl uit hun luide afgronden huilend zwermen Stormgeesten, 't razen van den wervelwind Opzweepend, treffend mij met scherpen hagel. En toch, hoe welkom zijn mij nacht en dag, 't Zij voor den een de morgenrijp verdwijnt, 't Zij sterrig, donker, langzaam, de ander stijg' In 't loodblauw Oosten; want dan leiden zij De wiekloos-kruipende Uren, waarvan een-- Gelijk een sombre priester 't weigrig offer-- U, wreede koning, sleuren zal om 't bloed Te kussen van dees voeten bleek, die dan U trappen konden, als zoo'n slaaf in 't stof Niet werd veracht door hen. Verachten! Neen! 'k Heb medelij met u. Welk een verwoesting Jaagt onbeschermd u dan door wijden hemel! Hoe zal uw ziel, van schrik ten kern gespleten, Hel-gelijk in u gapen! 'k Spreek in leed, Niet juichend, want ik haat niet meer, als toen, Eer 'k door ellende wijs werd. 'k Zou den vloek, Eens geâdemd over u, herroepen willen. Gij Bergen, wier veelstemmige Echo's wierpen Door mist van cataracten 't dondrend doemwoord! Gij ijzge Bronnen, stijf, rimplig bevrozen, Die trildet toen gij 't hoordet en dan kroopt Siddrend door Indië! Gij puurste Lucht, Waardoor de Zon schrijdt brandend zonder stralen! En snelle Wervelwinden gij, die hingt Op evenwichtge vlerken stom, beweegloos, Boven verstilden afgrond, toen een donder Luider dan die van u, de ronde wereld Schokte! Als mijn woorden toen een kracht bezaten, Schoon 'k zoo veranderd ben, dat in mij stierf Iedere kwade wensch, en 'k niet meer weet Wat haat is,--laat hen thans niet krachtloos zijn! Hoe was die vloek? gij allen hoordet mij.

*EERSTE STEM, VAN DE BERGEN.*

Driemaal drieduizend keer honderd jaren Staande boven Aardbevings bed, Trilden onze tallooze scharen Vaak als menschen vrees-ontzet:--

*TWEEDE STEM, VAN DE BRONNEN.*

Bliksemstralen zengden ons water, Door bitter bloed werden we ontwijd, Tusschen moordkreten zweeg ons geklater In een stad en een eenzaamheid:--

*DERDE STEM, VAN DE LUCHT.*

Ik die sinds de Aard verrezen is kleedde Verwoesting in kleuren, haar eigen niet, Voelde dikwijls mijn zuiveren vrede Splijten door scheurende kreet van verdriet:--

*VIERDE STEM, VAN DE WERVELWINDEN.*

Ons die beneden dees bergen vlogen Rustlooze eeuwen, hadden de dondren, Vulkanen die vlammenfonteinen spogen, Of welke macht ook van boven of ondren, Nimmer verstomd in verwondren:--

*EERSTE STEM.*

Maar nooit, nooit boog onze sneeuwige kam, Als toen ze de stem van uw smart vernam.

*TWEEDE STEM.*

Nimmer tevoren droegen wij Naar de indische golven zulk een schrei. Een loods in slaap op het huilende diep Sprong op van het dek in wanhoop en riep Toen hij het hoorde: "o wee mij, wee!" En stierf ontzind als de wilde zee.

*DERDE STEM.*

Nooit mijn stil rijk zoo vreeslijke kreten Van de Aarde tot den Hemel doorspleten: Toen de wond was gesloten, stond er een gloed Duister over den dag als bloed.

*VIERDE STEM.*

En wij schrikten terug: verwoestingsvizioenen-- Wij vliênd naar ijsholen--vervolgden ons toen en Deden ons zwijgen--zuchten--zacht-- Zwijgen, door ons een hel geacht.

*DE AARDE.*

Der rotsge heuvlen spraaklooze Spelonken Schreeuwden toen: "Wee!", de holle Hemel riep Tot antwoord: "Wee!", der Zee purperen golven Bestegen 't land, huilden 't zweepende winden Tegen, de bleeke volken hoorden 't: "Wee!"

*PROMETHEUS.*

'k Verneem geluid van stemmen, niet de stem Die klonk uit mij. Moeder, gij en uw zonen Hoont hem zonder wiens al-doorstaanden wil Onder de wreede almacht van Jupiter Niet zij alleen, ook gij vergaan zoudt zijn Als dunne mist, op morgenwind ontrold. Kent gij mij niet, den Titan? hem, die tegen Uw anders al-veroverenden Vijand Zijn lijden slagboom zijn deed? O in rotsen Schuilende weiden, sneeuw-gevoede stroomen,-- 'k Zie u heel diep dwars door bevrozen dampen-- Door wier beschaduwende wouden 'k eens Met Asia liep, het leven drinkend uit Haar dierbaar oog; waarom versmaadt de geest Die u bezielt, nu het verkeer met mij, Met mij alleen die intoomde, als wie demon- Getrokken voerman stuit, de kracht en valschheid Van hem die oppermachtig heerscht, en vult Daldiepte en waterige wildernissen Met kreten van rampzaalge slaven? Broeders, Antwoordt gij nóg niet, hoe?

*DE AARDE.*

Zij durven 't niet.

*PROMETHEUS.*

Wie durft? Want ik begeer dien vloek te hooren. Ha! welk een vreeselijk gefluister stijgt! 't Lijkt nauwlijks klank: het tintelt door het lijf Als bliksem tintelt, aarzlend eer hij slaat. Spreek, Geest! want door uw lichaamlooze stem Weet ik alleen dat gij mij nader komt, En liefhebt. Hoe vervloekte ik hem?

*DE AARDE.*

Hoe kunt gij, Die niet de taal der dooden kent, het hooren?

*PROMETHEUS.*

Gij zijt een geest die leeft, spreek zooals zij.

*DE AARDE.*

'k Durf niet als 't leven spreken, want des Hemels Grimmige Vorst zou 't hooren, aan een rad Van pijn zou hij mij kluistren, foltrender Dan dat waarop ik wentel. Gij zijt wetend Zoowel als goed, en schoon de Goden niet Deze stem hooren--gij zijt meer dan God: Vriendlijk en wijs zijnd,--hoor aandachtig nu.

*PROMETHEUS.*

Donker gaan door mijn brein, als doffe schaduwen Gruwbre gedachten, snel en dicht opeen. Ik voel me of ik bezwijm, als wie in liefde Vereenend zich omstrenglen, maar geen vreugd is 't.

*DE AARDE.*

Neen, gij kunt niet verstaan: gij zijt onsterflijk, Dees taal is enkel stervelingen bekend.

*PROMETHEUS.*

En wat zijt gij, o weemoed-volle Stem?

*DE AARDE.*

'k Ben de Aard, uw moeder, in wier steenen aadren Tot 't laatste nerfje van den hoogsten boom, Wiens dun geblaart trilde in de ijskoude lucht, Vreugd stroomde, als bloed stroomt in een levend lijf, Toen gij haar schoot gelijk een gloriewolk Ontreest--een wezen van geweldge vreugd! En bij uw stem hieven haar kranke zonen 't Gebogen hoofd op van 't bezoedlend stof; En onze almachtige Tyran werd bleek Van felle vrees,--totdat zijn donder hier U vastklonk. Toen,--zie die millioenen werelden Rondom ons brandend, wentlend,--hun bewoners Zagen mijn ronde licht in wijden hemel Slinken; de zee hief zich in vreemden storm; Nieuw vuur uit helle sneeuwgebergten, die De aardbeving spleet, schudde zijn dreigend haar Onder gefronsden hemel; bliksem, vloed, Kwelden de vlakten; blauwe distels bloeiden In steden, voedsellooze padden kropen Zuchtend in weelderige kamers rond, Toen Pest en Honger mensch, beest, worm beviel; En zwart bederf planten en boomen; 't koren, De wijnstok, 't weidegras, krielde van onkruid, Ondelgbaar, giftig, en hun groeikracht zuigend,-- Want mijn vervallen borst was droog van leed; De dunne lucht, mijn adem, was bezoedeld Met de besmetting van een moeders haat, Dien ze op den pijniger aêmde van haar kind. Ja, 'k heb dien vloek gehoord, dien, moogt dan gij Hem kwijt zijn, mijn tallooze zeeën, stroomen, Bergen, holen en winden, wijde lucht, En 't onverstaanbaar doodenvolk, bewaren;-- Gelijk een schat is die bezwering ons, Wij overpeinzen in geheime vreugd En hoop die vreeselijke woorden, maar Durven ze niet te spreken.

*PROMETHEUS.*

Waardge Moeder! Alle andre levenden die lijden, krijgen Van u eenge vertroosting: bloemen, vruchten, Blijde geluiden, liefde--al vliedt die snel. Dit 's niet voor mij:--mijn eigen woorden,--'k smeek u. Weiger die niet aan mij.

*DE AARDE.*

Gij zult ze hooren. Eer Babylon tot puin verging, ontmoette Mijn doode zoon, de Magiër Zoroaster, Zijn eigen beeltnis wandlend in den tuin. Hij enkel zag van 't menschdom die verschijning. Want weet, twee werelden bestaan, van leven En dood:--een, die ge aanschouwen kunt, maar de andre Is onder 't graf, daar, waar de schimmen wonen Aller gedaanten met gedachte en leven, Tot dood hen eent en nimmermeer zij scheiden; Droomen, lichte verbeeldingen der menschen, Al wat geloof schept of wat liefde hoopt, Vreeslijk, verheven, vreemd en schoon van maaksel. Daar zijt ook gij, en hangt, wringend een schim, In wervelwind-bevolkte bergen. Al De Goden zijn daar; al de Machten van Naamlooze werelden, reusachtge schaduwen, Geschepterd, en heroën, menschen, dieren; En Demogorgon, een schrikwekkend Duister; En hij, de Opper-Tyran, zit op zijn troon Van brandend goud. Zoon, een van hen zal uiten Den vloek dien ieder kent. Roep wien gij wilt, Uw eigen geest, den geest van Jupiter, Hades of Typhon, of wat machtger Goden Uit over-vruchtbaar Kwaad, sinds uw verderf, Rezen en trapten mijn geknielde zonen. Vraag, en zij moeten antwoorden: de wraak Des Hoogsten raze dan door holle schaduwen, Als regenwind door de verlaten poort Van een verwoest paleis.

*PROMETHEUS.*

Moeder, dat niets Van wat misschien verkeerd is weer mijn lippen Ontga, of die van iets dat mij gelijkt. Schaduw van Jupiter, verrijs, verschijn!

*IONE.*

Mijn wieken vouwde ik voor mijn ooren, Mijn wieken kruiste ik voor mijn oogen,-- Toch zie 'k door zilveren schaduwbogen, Toch kan ik door sussende veedren hooren,-- Een Schim, een klankenzwerm. Nadere u geen onheil nu, O veel-doorwonde, ocharm, Bij wien we, ons Zusterlief ten troost, Slapeloos waken onverpoosd.

*PANTHEA.*

't Geraas is van vuur, van wervlend geblaas Onder de aarde, van bergen die scheurend beven, De schim is vreeslijk als 't geraas. In donker purper, sterren-doorweven. Een schepter van bleek goud, Die zijn stappen schraag', trotsch over wolken traag, Zijn hand, de dooraderde, houdt. Wreed, maar toch kalm en sterk hij ziet, Als wie onrecht doet, maar lijdt het niet.

*SCHIM VAN JUPITER.*

Waartoe werd ik, een broze en ijle schaduw, Door dezer vreemde weerld geheime machten Hierheen gedreven op de wildste stormen? Wat ongewone klanken zweven er Op mijnen mond, een andre stem dan die Waarmee ons bleeke ras spookachtig spreekt In duister?--Trotsche lijder, wie zijt gij?

*PROMETHEUS.*

Ontzachlijke verschijning! gelijk gij zijt Moet hij zijn dien ge afschaduwt. 'k Ben zijn vijand, De Titan. Spreek de woorden die 'k wou hooren, Schoon geen gedachte uw leege stem beziel'.

*DE AARDE.*

Luistert! wel moet uw echo stom zijn, grijze Bergen, orakelholen, geestenbronnen, Stroomen rond eilanden, en oude wouden,-- Verblijdt u hoorend wat gij niet kunt spreken!

*DE SCHIM.*

Mij grijpt een geest, die binnen in mij spreekt: Hij scheurt me als vuur een donderwolk verscheurt.

*PANTHEA.*

Zie hoe zijn machtge blik zich heft! de hemel Donkert omhoog!

*IONE.*

Hij spreekt! Wil mij beschermen!

*PROMETHEUS.*

Ik zie den vloek, in trotsch en koud gebaar, Blikken van vaste uitdaging, kalme haat en Wanhoop die met zichzelf glimlachend spot, Geprent als op een rol. Maar spreek, o spreek!

*DE SCHIM.*

"Duivel, ik daag u uit! kalm, vast van geest,-- Zooveel gij slaan kunt bid ik u te slaan; Booze Tyran, door god en mensch gevreesd, Eén eénig wezen zult gij niet verslaan! Regen uw plagen altemaal, Krankzinnige angst, spookachtige kwaal Op mij, laat wisslend vorst en gloeden Knagen in mij, en zij uw woede Bliksem, snijdende hagel, tallooze vormen Van Furiën drijvend aan op wonden-slaande stormen!

"Ja, doe het ergste, almachtige! over 't al Behalve uzelf en mijn wil gaf 'k u macht! Zend uit dien hemeltoren 't talloos tal Onheilen snel, verzengend 't menschgeslacht. Dat uw boosaardge geest omzweef' In duister wie 'k mijn liefde geef: 'k Wil dat gij mij en de mijnen slaat Met de uiterste pijniging van uw haat; Zoo wijd 'k aan foltring, door geen slaap verdoofd, Zoolang gij heerscht omhoog dit nimmer-zinkend hoofd.

"Maar gij, die God en Heer zijt! Gij wiens ziel Vervult dees weerld van wee, Vijand die heerscht: Buigt niet in eerbied of in bang gekniel Voor u elk ding van heem'l en aarde om 't zeerst? Ik vloek u! Als berouw omgrijp' Eens lijders vloek zijn beul, en nijp', Totdat uw eindloosheid een kleed Gelijke van vergiftigd leed, En tot uw almacht zij een kroon van pijn, Klemmend als brandend goud rondom uw smeltend brein! "In naam van dezen Vloek staaple gij tal Van zonden op uw ziel, wees 't goede ziend Verdoemd dan, bei oneindig als 't heelal, Gij en uw eenzaamheid, zelf-pijnging biênd! Nog zit ge, een vreeslijke figuur Van kalme macht, maar kome t' uur, Waarin zal blijken wat gij zijt In allerdiepste inwendigheid, En, na veel zonden, valsche en vruchtelooze, Hoon volge uw tragen val, eeuwig, door 't eindelooze!"

*PROMETHEUS.*

Sprak ik zoo, moeder Aarde?

*DE AARDE.*

Zoo spraakt gij.

*PROMETHEUS.*

't Berouwt me: ijdel en haastig woorden zijn: Smart is een wijle blind, en zoo was mijn': Niets wat er leeft wensch ik dat lijdend zij.

*DE AARDE.*

Wee mij, wee, Dat Hij u eindlijk buigen deê! Klaagt, huilt luid, Land en Zee,-- Aarde's gescheurde hart krijt mee! Geesten der levenden en dooden, schreit! Uw toeverlaat en steun thans overwonnen leit.

*EERSTE ECHO.*

Thans overwonnen leit?

*TWEEDE ECHO.*

Verwonnen leit!

*IONE.*

Vrees niet: die huivring zal niet duren,-- De Titan is niet overmand.-- Maar zie omhoog waar door de azuren Spleet van dien sneeuwtop scherp-getand, Op hellende winden tredend zijn voet In gouden sandaal--hij straalt Onder veeren gekleurd in purpergloed Ivoor gelijk door een roos bebloed-- Een Gedaante daalt,-- Uit zijn rechterhand oprijzend blinkt Een staf door een slang omkringd.

*PANTHEA.*

Mercuur, Jupiters boô, die 't al doordwaalt.

*IONE.*

En wie zijn die met hydraharen, En vlerken van ijzer, den wind bestijgend? De God, gefronsd, weerhoudt hun scharen Achter hem stoomenden damp gelijkend, Met luid geroep, een eindlooze troep-- --

*PANTHEA.*

't Zijn Jupiters honden die hij met krijten En bloed verzaadt, zij bezweven de' orkaan, Wen zijn raadren op zwaavlige wolken gaan, En de grenzen der hemelen splijten.

*IONE.*

Of van de ijle doôn zij gezonden zijn, Zich te voeden met nieuwe pijn?

*PANTHEA.*

De Titan ziet als steeds vast, niet hoovaardig.

*EERSTE FURIE.*

Ha! ik ruik leven!

*TWEEDE FURIE.*

Laat mij in zijn oog maar zien!

*DERDE FURIE.*

De hoop van hem te foltren ruikt gelijk een stapel Van lijken na den slag voor een doodsvogel!

*EERSTE FURIE.*

Durft gij nog treuzlen, o Heraut? Verheugt u, Honden Der Hel! Hoe, als de Zoon van Maia dra Tot voedsel en vermaak ons strekken zou? Wie kan den Oppermachtge lang behagen?

*MERCURIUS.*

Terug naar jullie ijzren torens, knarst Met voedsellooze tanden, naast de stroomen Van vuur en weeklacht! Geryon, verrijs! Gorgon, Chimaera, Sphinx, de meest verfijnde Duivel, die 's hemels gifwijn reikte aan Thebe: Ontaarde liefde, en meer ontaarde haat!-- Die zullen 't werk volvoeren.

*EERSTE FURIE.*

Medelij! O medelij! wij sterven in ons smachten: Jaag ons niet weg van hier!

*MERCURIUS.*