Part 3
Der sproke langen voorsleep laat ik achterweeg, En keer mij tot het uiteind uwer dolingen.-- De velden der Molossen hadt gij reeds bereikt; Uw weg ging opwaarts naar Dodona's steilen rug: Daar is Zeus' zetel en Thesprotisch heiligdom, En 't ongelooflijk wonder van der eiken stem. Die heeft in stralend-klare klanken u begroet Met de' eernaam van toekomstge gemalin van Zeus... De erinnring, zie ik, streelt nog laaiend door uw hart... Waanzin-gestoken joegt gij toen langs 't strand der zee Naar Rhea's wijden waterboezem van wiens zoom Uw storm van heen-en-weêrschen wedloop hier verwoei. In later tijden draagt die inhoek van de zee, Wees daarvan zeker, uwen naam, de Ionische, Al stervelingen van uw tocht gedachtenis. Dit zijn bewijzen voor u van mijn zienerschap Dat schouwt wel verder dan de zon van heden schijnt.
(tot de REI:)
Tot u en haar tezamen komt mijn verder woord, En volgt van vroegre reednen weêr het oude spoor.-- Daar ligt een stad Kanobos aan Aigyptos' rand Vlak bij de monding en de slibben van den Nijl: Daar schenkt weêrom u Zeus uw ongerept verstand, Vrees-leengend streelt zijn hand u, en gij wordt bevrucht, En baart een zoon hem, die naar zijn verwekkers daad "Streeler" genaamd wordt, zwarten Epaphos, den heer Van al 't land dat bevloeid wordt door den breeden Nijl. 't Vijfde geslacht na dezen keert naar Argos weêr. 't Zijn vijftig zustren die gedwongen vluchten voor 't Verwante huwlijk dat haar met haar neven dreigt. De bruîgoms volgen, door den hartstocht opgejaagd, Op korten afstand, achter duiven haviken, Een zwerm van jagers jagend het verboden wild Van 't huwlijk; want de godheid gunt den buit hun niet. Pelasgia dekt hen, overweldigd in den nacht Met moord waartoe der bruiden wake zich vermant; Want vrouw aan vrouwe rooft mans leven in den slaap, 't Dubbelgewette lemmet vervend in hun bloed--: Moog Kypris zoo bezoeken mijne vijanden!-- Eén enkle maagd verteedert harts verlangen om Haar bedgenoot te sparen; vastberadenheid Verweifelt; tot de keus gebracht, verkiest Den naam van laf zij boven dien van bloedbevlekt. Zij zal in Argos baren koninklijk geslacht... Dit grondig uit te duiden eischt een lang verhaal; Doch uit haar bloed geboren wordt de nazoon koen, Roemruchte schutter, die uit mijne nooden mij Bevrijdt.--Zulk een voorspelling heeft mijn moeder mij, Oeroude Themis de Titane, uiteengezet. Doch 't hoe-en-wat te zeggen eischt een lang verhaal, En 'k zie niet wat gij bij 't vernemen winnen zoudt.
IO:
O jammer en wee! Daar vangt opnieuw te doorschroeien mij aan Waanzins koudvuur, ziel-schokkende vlaag: 't Ongestaalde geweer van de horzel mij spoort; Aan mijn borstwand bonst onder vreezen mijn hart; Als raderen kolkt mijner oogen gezicht; Ik verdool uit mijn spoor onder 't grimmig geblaas Der verbijstring, mijn tong ontstijft aan mijn macht; 't Stuurlooze besef gaat blindlings te keer Tegen golven van bittere ellende.
(Af naar links.)
ACHTSTE TOONEEL
PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN.
REI:
Wijs en dubbel wijs was hij Die het eerst deze waarheid lichtte in zijn hart en in menschenspraak verwoordde: "'t Beste deel kiest hij die zich onder gelijken verzwagert: Nimmer streev' naar een huwlijk met wie zich in rijkdom verweeldden, Of wie op adel en afkomst groot gaan, Die zijn brood in armoê wint."
Moogt gij nimmer nimmer mij, O ontzagbre Moiren, als bruid het bed van Zeus zien deelen; Moge ik nooit den gemaal eener hemelsche naken! Want mij huivert te zien hoe de bruîgom-schuwe Jeugd van Io door Hera verwelkt en verschrompelt In kwaadzwerfsch dolen Door eindloos wee!
Bij mij in eere 't huwlijk dat gelijken vreezeloos vereent... Nimmer moge de liefde van machtiger goden Naar mij richten Den onontkoombren oogstraal: Oorlog zonder tegen-oorlog, Middlen zonder tegen-middel... 'k Weet niet wat uit mij zoû worden. Want ik zie niet hoe ik ooit Zeus' overleg ontgaan zoû!
PROMETHEUS:
Toch deze Zeus wordt, of zijn hart in trots nu zwelgt, Eens nog vernederd: zulk een huwlijk neemt hij voor Te sluiten, dat hem eerlang uit zijn heerschappij En troonstoel spoorloos wegwerpt. Dan zal onverkort Aan hem voltrokken worden vader Kronos' vloek En wraakbeê toen hij neêrviel uit de' alouden troon.-- Uit zulk een net van onheil zoû geen enkel god Hem veilgen uitweg kunnen wijzen: ik alleen, Ik ken gevaar en middel. Laat hem nu dan vrij Zeetlen in stout vertrouwen op zijn bovenaardsch Gestommel, drillend in zijn hand de vuren lans. Niets baten eens hem deze waapnen, dat hij niet Eerloos zoû vallen met een niet te dragen val. Zoo'n worstlaar is hij bezig uit te rusten zelf Tegen zich-zelven, onbestrijdbaar machtgewrocht, Die feller vlam zal vinden dan de bliksem is, En luid gedaver dat den donder overschalt. Poseidoons speer, den drietand die de zee beheerscht En schokt der aarde vesten, strooit in stukken hij. Op zulk verderf gestooten, leert Zeus mettertijd Hoe zeer verscheiden heerschen is van slavernij.
REI:
Den wensch uws harten roept ge op uwen vijand in!
PROMETHEUS:
Neen: wat vervuld wordt, spreek ik--schoon ik 't óok begeer.
REI:
Moet ik verwachten dat een aêr Zeus overheert?
PROMETHEUS:
Ja, en nog zwaarder lijden kromt zijn nek dan 't mijn.
REI:
Hoe kunt gij vreesloos zulke reednen slingeren?
PROMETHEUS:
Wat zoude ik vreezen, wien geen sterven is beschikt?
REI:
Nog smartelijker kwelling brengt hij over u!
PROMETHEUS:
Dat laat hem brengen: 'k ben op alle ding bedacht.
REI:
Die nederbuigen voor Zeus' Wrake, noem ik wijs.
PROMETHEUS:
Den wisselenden heerscher eer, aanbid en vlei-- Mij kan uw Zeus niet deren, minder nog dan niets. Laat hem begaan en heerschen dezen korten tijd Naar zijn behagen--lang stiert hij de goden niet!-- -- Doch stil--daar zie ik zijnen loopslaaf naderen, Den dienstknecht van den jongen overweldiger: Die komt met zeker nooit gehoorde boodschap aan.
NEGENDE TOONEEL
PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN, HERMES.
HERMES:
Gij daar, de wijzaard, overvol van bittre gal, Die aan de goden u vergreept, de' eendageling Hun eerrecht wegschonkt,--u bedoel 'k, den dief van 't vuur! Mijn vader port u uit te spreken wat gij pocht, Het huwelijk waardoor hij aan 't gezag ontvalt. En zóo wel, dat niets raadseligs gij overlaat, Maar punt aan punt hem uitduidt. Dring mij ook niet op Een dubble reis, Prometheus; want gij ziet dat Zeus Door zulke listen toch zich niet verweeken laat.
PROMETHEUS:
Aanmaatgend plechtig en vol hollen eigenwaan Uw taal, als bij een dienaar van de goden past. Jong zijt gij goden, jong uw almacht, en gij waant Te wonen in leedvrije burchten... Nam 'k niet waar Reeds twee tyrannen uit die hoogten neêrgestort? Zoo zal ik, snelst en schandlijkst, ook den derden zien, Die nu bewind voert. Dacht gij soms dat ik In vreeze weg zoû duiken voor de nieuwe goôn? Daar komt nog veel, nog alles toe te kort.--Doch gij Rep weêr in ijle 't pad dat gij gekomen zijt; Want niets verneemt gij van de dingen die gij vorscht.
HERMES:
Zulke eigenzinnigheden loodsten vroeger al U in de haven van dit zelf verkozen leed!
PROMETHEUS:
Toch zoude ik met uw knechtschap, wees daar zeker van, Niet garen ruilen dezen mijnen boozen staat.
HERMES:
't Is denklijk beter knecht te zijn bij dezen rots Dan vader Zeus' vertrouwde bode zooals ik.
PROMETHEUS:
Dat is een antwoord als men van een slaaf verwacht, Die tegen zijne honers zich met hoon verweert.
HERMES:
Gij schijnt zelfs weeldrig in uw tegenwoordig doen!
PROMETHEUS:
Ik weeldrig? Mocht ik eenmaal nog zóo weeldrig zien Al mijn vijanden! U ook reken 'k onder die.
HERMES:
Stelt gij zelfs mij aanspraaklijk voor uw ongeluk?
PROMETHEUS:
In-éen-woord haat ik de gezamenlijke goôn Die mijne weldaad loonen met onoorbaar kwaad.
HERMES:
'k Hoor wel, uw ziekte is waanzin van de zwaarste soort.
PROMETHEUS:
Ziek ben ik, als zijn vijand haten ziek-zijn is.
HERMES:
Gij zoudt niet zijn te dragen als gij voorspoed hadt!
PROMETHEUS:
Wee mij!
HERMES:
Wee mij!--dat is een uiting waar Zeus niet van weet.
PROMETHEUS:
Niets of wij leeren 't van den ouderenden tijd.
HERMES:
Toch, gij weet nog altijd niet van verstandig-zijn!
PROMETHEUS:
'k Zoû anders 't woord niet richten tot een slaaf als u.
HERMES:
Gij zult niets zeggen, lijkt het, wat mijn vader wenscht.
PROMETHEUS:
Ik ben hem immers dank verschuldigd,--ik betaal!
HERMES:
Gij wilt met spot mij tergen, zie ik, als een kind.
PROMETHEUS:
Zijt gij geen kind dan, en nog dwazer dan een kind, Als gij van mijne zijde 't minst bescheid verwacht? Daar is geen krenking te bedenken, waarmeê Zeus Mij af zoû martlen, dat ik dit hem openbaar Aleer dees smadelijke banden zijn gevierd. Vrij laat hem slingren zijn roetrosse bliksemvlam, Met onderaardschen donder, witgeveêrde sneeuw Keere en beroer' hij onderstboven het heelal--: Geen middel vindt hij mij te krommen dat ik zeg Wat oorzaak hem zal storten uit zijn heerschappij!
HERMES:
Bedenk of dees hardnekkigheid uw voordeel blijkt!
PROMETHEUS:
Reeds lang beraden en bedacht is alleding.
HERMES:
Waag eindlijk eens, onnoozle, waag het eindlijk eens Uw lijden aan te blikken met gezond verstand!
PROMETHEUS:
Gij wilt de zee bepraten: ijdele overlast! Verbeeld geen oogenblik u, dat de vreeze voor Zeus' oordeel overmannen zoude mijnen geest, Dat ooit in vrouw-gebarend handgehef ik smeek Den meest gehaten vijand dat hij mij bevrijdt Uit deze boeien. Wereld-ver ben 'k daarvandaan!
HERMES:
Ik spreek vergeefs wel, spreek ik verder nog zooveel. Gij laat uw hart niet vochten en niet kneden door Mijn pleiten. Als een veulen voor het eerst gejokt Bijt gij den breidel, volgt geen leidsel, slaat op hol. Een zwak beginsel blijkt in uw onstuimigheid; Want niets is zoo zwak als bij wien verstand niet ment, Het stuurloos-losgelaten eigenzinnig hart. Zie, als gij door mijn woorden u niet winnen laat, Wat noodweêr en wat hoos van rampen niet te ontgaan Tegen u opsteekt. Aanstonds zal mijn vaders hand Met donder en met vlam van bliksem klieven gaan Dees rouwe klove. Hij begraaft u in haar diep. Daar ligt de lijfromp in der rotsen arm gebed. En zoo voleindt gij eindeloozen duur van tijd--: Dan stijgt gij weêr aan 't daglicht. Zeus' gevlerkte hond, Moordgierige aadlaar, vaart als stormvlaag op u neêr, En rijt uw lichaam tot éen groote bloedelomp, En keert, een ongenoode dagelange gast, En maaltijdt van zwart-aangevreten leverrest. Van zulke ellende wacht geen einde vóordat éen Der goden opsta, die uw lijden overneemt, En voor u af wil dalen in de lichtloosheid Van Hades en den donkren kuil van Tartaros. Hiernaar beraad u; want dit dreigement is niet IJdel-verzonnen, maar onfeilbaar aangezegd. Want leugen-spreken, daarvan weet Zeus' mond niet af, Maar alle woord vervult hij. Gij van uwen kant Bedenk u alomzichtig: eigenzinnig doen Gaat nooit, geloof mij, boven welberadenheid.
REI:
Ons lijkt dat Hermes woorden niet-onreedlijk spreekt. Hij dringt u af te wijken van uw eigendunk En 't spoor te volgen van verstandig overleg. Geef toe; want voor den wijze is falen schandelijk.
PROMETHEUS:
Reeds wist ik de boodschap, lang vooruit, Van zijn ijdel geroep. Niets eerloos is 't Dat een vijand van vijanden kwaad ondervindt. Laat vrij de tweesnijdende vurige slang Op mij neder zich slingeren; de aither verzink' Onder donder en ijzend geloei van den wind Woest-kolkend ineen; laat rukken 't geblaas Uit haar voegen met wortlen en al dees aard; Laat 't schuim van de zee met verdoovend gebruis Overstroomen de banen van 't hemelsch gestarnt; Laat lichten omhoog hij mijn hulploozen romp En slingren omlaag hem in Tartaros' nacht Met duizlende draaien van ijzeren dwang-- Hij heeft geen kans mij te dooden!
HERMES:
Die zulke overwegingen denkt en verwoordt, Is, zeker te hooren, geraakt van verstand. Wat laat hem zijn grootspraak over om niet Krankzinnig te zijn? Wat waan die ontbreekt?-- Doch gij die in 't leed van zijn zwoegende pijn Deelneming betoont, wijkt ijlings van hier, Uit de buurt dezer plaats naar een veiliger streek, Dat aanstond niet uwe geesten verdwaaz' Het ontembaar geloei van den donder!
REI:
Iets anders verluid en vermaan waartoe Gij me ook overreedt; want nimmer verdraagt Mijn gemoed het ontijdige woord dat gij spreekt. Waarom mij bepraat om het slechte te doen? 'k Ben bereid wat moet met den vriend te doorstaan! Van een kind af heb ik te haten geleerd Den verrader: ik ken Geen kwaal die ik feller verafschuw!
HERMES:
Onthoudt gij dat ik u gewaarschuwd heb! Geeft straks in uw val, door ellende geprooid, Geen schuld aan het lot, rept nimmer een woord Dat u Zeus in een afgrond onvoorzien Deed struiklen van leed. Hij draagt geen schuld. Gij zelven verkoost het met wetenden wil. Niet plotsling gevat, niet heimlijk belaagd, Overstrikt uwe reddlooze dwaasheid zich-zelf Met het mateloos net der ellende!
(De REI trekt zich langzaam en met blijkbaren tegenzin terug, terwijl ook HERMES zich verwijdert.)
TIENDE TOONEEL
PROMETHEUS ALLEEN.
PROMETHEUS:
Zoo waar: met de daad, niet langer in woord, Deinwaggelt de grond! Het gebreideld rumoer zet loeiluid in Van den donder: in zengende kronkelen laait Van den bliksem het vuur; op den wervlenden storm Rolwentelt het stof; al winden te hoop In een alzijdsch oproer hijgen ten dans Van vijandig geblaas, wederkeerig gedreig; In elkander teloor stort aither en zee-- Klaarblijklijk van Zeus en gericht tegen mij Zulke aanval, zulk een verwekken van vrees... O ontzag mijner moeder, o aither die straalt In uw wentlen het allen gemeenzame licht, Gij aanschouwt wat gruwel ik lijde!
(PROMETHEUS zinkt, samen met den rotswand, weg in de diepte.)
AANTEEKENINGEN
EERSTE TOONEEL.
De groep komt van links op en wordt gevormd door Hephaistos, den godsmid, die de werktuigen zijner kunst draagt, Kratos van wien men moet aannemen dat hij met de benoodigde boeien belast is, en de stomme figuur Bia die Prometheus aansleept. Deze laatste wordt in effigie aan den rots geklonken.
In het geheele stuk treden, naast de rei, slechts twee sprekende tooneelspelers op, de protagonist en de deuteragonist. De protagonist, die straks achter de vastgenagelde figuur van Prometheus diens rol spreken zal, vervult in dit tooneel de rol van Hephaistos. De deuteragonist speelt achtereenvolgens Kratos, Okeanos, Io, Hermes.
Kratos (Kracht) en Bia (Geweld), die hier dienaarsrollen vervullen, zijn kinderen van den gigant Pallas en van Styx, en hebben met hunne ouders in den Titanenstrijd de zijde van Zeus gekozen.
TWEEDE TOONEEL.
Doordat Kratos, voorgesteld door den deuteragonist, bij den geboeide achterblijft, wint de protagonist den tijd zich achter de Prometheus-figuur op te stellen.
DERDE TOONEEL.
Evenmin als in mijn vertaling van Aischylos' "Agamemnoon" heb ik hier getracht de maten der lyrische partijen voet voor voet te volgen. Alleen van de strofen in regelmatige anapaisten (\_/ \_/ -- afgewisseld met -- --), een maat die steeds het op- en aftreden vooral van de rei begeleidt, is de oorspronkelijke bouw overal behouden.
VIERDE TOONEEL.
De dochters van Okeanos zijn Prometheus' schoonzusters, Okeanos is zijn schoonvader. Het kan den modernen lezer een oogenblik vreemd toeschijnen dat zij zich als volslagen onwetenden laten inlichten omtrent haar schoonbroeders lotgevallen. Dezelfde opmerking kan men maken over het feit dat zij van de toestanden onder de menschen en den invloed van Prometheus daarop niet schijnen af te weten, terwijl in den reizang die het zesde tooneel opent, een uitgebreide kennis van de woonplaatsen en de karakters dierzelfde stervelingen aan den dag komt.
ZESDE TOONEEL.
pg. 29: Maar uw aanblik doet mij huivren, Hoe door kwalen gij vermaald wordt, Niet te tellen, zelf-gekozen.... Immers zonder Zeus te duchten enz.
Hier wordt door mij in het Grieksch gelezen:
phrissô de se derkomena myriois mochthois diaknaiomenon kauthairetois Zêna gar ou tromeôn ktl.
ZEVENDE TOONEEL.
Io, die volgens de overlevering door Hera uit naijver in een jonge koe werd veranderd, draagt als aanduiding daarvan een masker voorzien van hoornen.
pg. 40: Met wie? Godin of stervling? Zeg het zoo gij 't moogt.
Zeus was voornemens te huwen met Thetis die bestemd was een zoon te baren sterker dan zijn vader. Zij werd daarom later door de goden aan een sterveling, Peleus, uitgehuwelijkt en baarde dezen den bekenden Achilleus, den grootsten Griekschen held voor Troia.
pg. 40: Na tien geslachten die de derde is in geslacht.
1. Io (dochter van Inachos), bevrucht door Zeus. | 2. Epaphos | 3. Libya, bevrucht door Poseidoon. | 4. Belos +-----------+ | | 5. Danaos en Aigyptos } Zie aangaande Danaos, Aigyptos, | +------------+ } Hypermestra, Lynkeus de | | } volgende aanteekening. 6. Hypermestra gehuwd met Lynkeus +--------+---------------+ | 7. Abas | 8. Akrisios | 9. Danaë, bevrucht door Zeus. | 10. Perseus | 11. Alkaios Elektryoon | +------+ | | 12. Amphitryoon gehuwd met Alkmene, bevrucht door Zeus. | 13. Herakles.
Pg. 43: 't Vijfde geslacht na dezen keert naar Argos weêr, enz.
Bedoeld is de vlucht van Danaos met zijn vijftig dochters uit Aigypte naar Argos. De vijftig zonen van Danaos' broeder Aigyptos achterhalen daar hun beloofde bruiden, en Danaos staat, door den nood gedwongen, toe in de bruiloft, maar spreekt met zijn dochters af, dat dezen haar mans in den eersten huwlijksnacht zullen dooden. Alleen Hypermestra spaart haar jongen gemaal Lynkeus. Deze mythos was vroeger door Aischylos behandeld in zijn nog aanwezig drama "de Smeekelingen" (Hiketides).
Pelasgia is hier een andere naam voor Argos.