Prometheus Geboeid

Part 2

Chapter 23,849 wordsPublic domain

Deels prijs ik, houd u nimmermeer te prijzen op; Want in bereidheid schiet gij niets te kort. Toch laat Uw moeite: zonder mij te baten zoudt vergeefs Ge u moeien, als gij u al moeite geven wilt. Maar houd in rustig toezien zelf u buiten schot. Want ik, al ben 'k rampzalig, zoû daarom niet graag Zoovelen mooglijk naast mij zien met leed bedeeld. O neen ik--diep genoeg al schrijnt mij 't ongeluk Mijns broeders Atlas die ter avondlandsche steê De zuil des hemels en der aard te stutten staat Met zijne schoudren, kwadelijk te wiegen last. Met deernis ook zag 'k hoe de reuzge burchtheer van Kilikia's grotten, het strijdbarnend monster met Zijn honderd koppen, door geweld beteugeld werd, Grimmige Typhoon die al goden weêrstand bood, Uit grouwelijke kaken sissespreidend vrees. Hij bliksemde uit zijn oogen schrikstijvenden gloed Als ging zijn oerkracht nederhalen Zeus' bewind. Maar op hem neder voer diens slapelooze lans, De steilgetrede bliksem blazend vuur en vlam, Die midden in de grootspraak zijner blufferij Hem stom smeet. Want vlak in het middenrif geraakt, Werd hij versinteld; donder sloeg zijn krachten murw. En nu, een hulpelooze werktuiglijke romp, Ligt hij ter zijde van de nauwe straat der zee Onder de wortlen van berg Aitna neêrgedrukt; En boven op de toppen zit en smeedt zijn staal Hephaistos. Toch eens zullen breken vandaar uit Rivieren vuur, die vreten in haar wilden muil De vlakke bunders van vruchtbaar Sikelia Met heete beten van onnaakbren vlammevloed. In zulk een toornen ziedt nog eenmaal Typhoon op, Al ligt hij door den bliksem nu van Zeus verkoold.-- Gij hebt genoeg ervaring, onderwijs van mij Is u niet noodig: red u-zelf zoo goed gij kunt. Ik stuur alleen wel tegen 't huidig onheil op, Tot Zeus bezonnen af zal laten van zijn toorn.

OKEANOS:

Ziet gij, Prometheus, dan niet in dat redenen Voor ziel die ziek van toorn is, als heelmeesters zijn?

PROMETHEUS:

Ja, als men tijdig 't hart met zalf te streelen weet, Maar niet als men ruwhandig 't zeer gemoed nog kneust.

OKEANOS:

Wat mooglijk nadeel ziet gij--geef mij onderricht-- In bereidwillge vriendschap die het uiterst waagt?

PROMETHEUS:

Moeite overbodig en lichtzinnge onnoozelheid.

OKEANOS:

Gun dat gebrek mij: die verstandig is, behaalt Het grootste voordeel door den schijn van onverstand.

PROMETHEUS:

U wordt de dwaasheid aangerekend--mij de schuld.

OKEANOS:

Uw woord zendt me onverholen weêr naar huis terug.

PROMETHEUS:

Uit vrees dat mij bejammren u in onmin stort.

OKEANOS:

Met hem die nieuwlings op den stoel der almacht zit?

PROMETHEUS:

Wees op uw hoede dat gij nooit zijn hart vergramt.

OKEANOS:

Dat leert, Prometheus, mij uw eigen ongeluk.

PROMETHEUS:

Haast u ter reize: red het inzicht dat gij wont!

OKEANOS:

'k Ben onderweg al, nu uw roep mij manen komt. Zie, de effen baan des aithers veegt met vleugelen 't Viervoetig rijdier. Blijde, denk ik, zal hij zijn Zijn knieën weêr te buigen in gewenden stal.

ZESDE TOONEEL

PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN.

REI:

'k Beklaag u om uw heilloos lot, Prometheus! Droppel na droppel pleng ik uit mijn oogen Der tranen milden stroom. Zijn vochte dauw bevloeit mijn wangen. Want dit onbenijdbaar lijden Dat naar willekeurge wetten Zeus beschikt, Dreigt al vroegren goden samen Overmoedge dwinglandij.

Reeds galmt het gansche wijde land van klachten: Ik hoor den westerling bejammren Van u en van uw bloedgenooten Hoogheerlijke edeloude macht.

Al de stervers die bevolken Heilige Asia's ruime woonsteê, Deelen met u in het zwoegen Van uw zuchtenluide wee: Die in 't land van Kolchis huizen, Maagden nimmer strijd ontdeinzend, En de drom van Skythen die der Aarde verstgelegen streken Om 't Maiotisch meer bezetten,--

Aria's manhafte bloesem, Die de hooggetinde vesting Naast den Kaukasos bewonen, Strijdbre benden die rumoeren Met de scherpgeboegde lansen----

Eén enklen andren god zag ik tot nu, Eén Titan, eveneens In lijden overweldigd: Atlas die onverpoosd 't Ontzaggelijk hooge gevaarte der aard Saam met de hemelsche as Boven zijn zuchten torst--:

De roep der zee valt ruischend in; de diepte kreunt; Het donker ruim van Hades rommelt onder de aard; Der heilige rivieren bronnen stenen vloeibre deernis.

PROMETHEUS:

Wijt niet aan ingebeeldheid of aan ijdlen trots Mijn zwijgen. Diepgevoelde wrok verteert mijn hart, Dat ik met zulke smaadheid mij mishandeld zie... En toch, wie anders in-den-grond wel wees dan ik Aan deze nieuwe goden hun eerrechten toe? Doch daarvan zwijg ik. Waartoe zoude ik wat gij weet Bespreken? Luistert liever welke ellende ik vond Onder de stervers, hoe zij reêloos waren eer Ik hen bedeelde met bewustheid en verstand... Niet daar 'k den menschen iets verwijt, verhaal ik dit-- Der gaven goed bedoelen stel ik in het licht... Zij keken eertijds ziender-oogen zonder zien, En hoorden zonder hooren; 't lieve leven lang Gelijk droomschimmen warden ze alles hulpeloos Dooreen; hout te verwerken noch uit tichelsteen Zon-open huizen op te trekken wisten zij; Maar onder de aard vergraven in het zonloos diep Van holen woonden ze als het wriemlend mierendom. En geen beproefd kenteeken duidde hun de komst Van winter of van bloemenvollen voorjaarstijd Of vruchtenrijpen zomer; al hun doen ontbrak Begrip en inzicht, tot ik hun heb wijsgemaakt Der starren zwaar te kennen op- en nedergang. En verder vond ik de getallen voor hen uit, Den sleutel van al weten, en het letterschrift, Al dings gedachtnis, zoogster aller moezenkunst. Het eerst ook temde ik onder 't jok het wilde vee, Dat, slaven van het trekzeel en het zadelpak, Zij van de stervers overnamen 't zwaarst gezwoeg. Ook spande ik aan de waagnen 't leidselvolgzaam ras Der paarden, overrijker weelde schoonen pronk. En niemand anders vóor mij heeft der schipperen Zeezwervend zeilbevleugeld voertuig uitgedacht... Ik die den stervers diergelijke middlen vond, Ben, zelf rampzalig, tot geen enkle vondst instaat, Waardoor ik zoude ontkomen aan dit huidig wee.

REI:

Smaadlijke kwelling! Dolen doet gij, van verstand Verbijsterd, als geneesheer die tot krankheid komt En in onmachtge wanhoop voor zich-zelven niet Het middel weet te vinden, dat genezing brengt.

PROMETHEUS:

Nog meer zult gij bewondren, als gij verder hoort Wat kunsten en uitwegen ik verzonnen heb. Al daadlijk: als er vroeger een van hen verviel Tot krankheid, kenden zij geen leenging, zalf noch drank Noch eetbaar kruidsel; door gebrek aan middelen Verdorden hunne lijven vóórdat ik hun wees Hoe te bereiden pijnstillende mengselen, Waarmeê voor elke ziekte zij zich veiligen. De vele wijzen ook der waarzegkunst heb ik Begrond. Ik onderscheidde van de droomen 't eerst, Welke in vervulling treden; duidde hun de zwaar Schiftbre geruchten, de onderweegsche teekenen. De vlucht der kromgeklauwde vooglen heb 'k gebaakt In zuivre grenzen: welke gunstig uitteraard Zijn, welke ongunstig, en de levenswijs van elk, Wat vijandschappen en bevriendheên onderling Hen deelen of tot samenkomsten gaderen. Der ingewanden gaafheid leerde ik hun: wat kleur De gal moet hebben, die den goden meest behaagt, De bonte wissling van der leverlobben vorm. Ik hielp op weg hen in de moeizame offerkunst: De zware heupen en de schenklen vet-omwoeld Verbrandde ik, en der vlammen teeknen, die voordien Starduister waren, heb 'k verzichtbaard voor hun oog. Zoo waren dees mijn gaven.... En wat onder de aard Den menschen aan hulpmiddlen weggeborgen ligt, Brons, ijzer, goud en zilver--wie kan zeggen dat Hij hen heeft uitgevonden eer dan ik het deed? 'k Weet zeker, niemand, die niet ijdel bluffen wil.-- Verneem dan alles in éen bondig woord vervat: Geen kunst die niet den stervers van Prometheus stamt.

REI:

Gij die den stervers boven mate hebt gebaat, Besteed aan eigen rampspoed thans uw zorg; want ik Ben goeder hope dat, uit deze banden los, Gij eens nog even machtig wezen zult als Zeus.

PROMETHEUS:

Nog niet gewezen is 't vervullingdragend lot Dat dit zóo zal geschieden. Door oneindge pijn En smart gekromd eerst, mag 'k ontkomen aan den boei. Want alle kunst blijft machtloos bij noodwendigheid.

REI:

Wie dan wel stuurt de roerpen dier noodwendigheid?

PROMETHEUS:

Gedachtge Erinyen, met der Moiren driegedaant.

REI:

En is Zeus dus de minder machtge dezer zes?

PROMETHEUS:

Ook hij zoû niet ontkomen aan 't bestelde lot.

REI:

Wat aêrs dan eeuwig heerschen is Zeus voorbeschikt?

PROMETHEUS:

Dat zoudt gij niet vernemen: dring er niet op aan!

REI:

Een schrikkelijk geheim is 't, wat gij ons verhult?

PROMETHEUS:

Gedenkt een andre rede. Thans is 't niet de tijd Dit te verluiden. Dieper moet ik het dan ooit In stilte domplen. Want door dit bewaard geheim Ontkom ik mijnen smarten en der banden smaad.

REI:

Moge nimmer Zeus die alle ding bestiert, Aan mijn wil zijn macht vijandig overstellen! Moge ik nimmer ook vertragen In het dienen van de goden Bij de heiige runderslachtende offermalen Aan den oever van Okeanos', mijn vaders, Niet te dempen stroom! Moge ik nooit met woorden mij bezondgen, Maar laat onvervaagd beklijven Deze wijsheid In de taaflen van mijn hart:

Zoet is het aaneen te rijen Al de dagen van zijn leven Tot een snoer geruste hoop, Wijl het hart aan stralende geneuchten Zich verkwikt en nooit verzaadt-- Maar uw aanblik doet mij huivren, Hoe door kwalen gij vermaald wordt, Niet te tellen, zelf-gekozen... Immers zonder Zeus te duchten Viert uw eigendunk te zeer den sterveling, Prometheus!

Zie nu hoe zonder dank de weldaad blijft, mijn vriend! Zegt wat verweer en waar? Wat helpt de bijstand der eendagelingen? En ziet gij niet De krachtelooze droomgelijke Onmacht waarin belemmerd Het blind geslacht der stervelingen rondtast? Geen kans dat ooit der menschen raadslag ga Zeus' wereld-evenwicht tebuiten!

Dit leerde ik uit den aanblik van uw heilloos lot, Prometheus. ... Hoezeer verscheiden klinkt het lied dat in mij opwelt, Van vroeger lied dat 'k hief ter viering van uw huwlijk Naast bruîgoms bad en bed, Toen gij door overreding van geschenken Hesiona, mijn vaders dochter, Voerde als uw vrouw tot bijslaaps zoet geweld.

ZEVENDE TOONEEL

PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN, IO.

IO (zij komt op van links, van de landzijde):

Wat land? Wat volk? Wat man is dees Dien 'k weerloos zie tegen regen en zon Aan de rotsen gehaakt?-- Zeg boetend voor wat misdrijf gij versmacht! Der ellendige duid, Waarheen ik ter wereld verdoold ben!

O o! Weêr steekt onzaalge mij de horzels-angel... Weêr zie ik--weer het, Zeus!--het spook van Argos, Der Aarde zoon, mijn oogen-overzwermden hoeder: Met loerend-valsche blikken sluipt hij nader, Dien in den dood zelfs de aarde niet kan bergen. Hij stijgt omhoog uit de' afgrond. Hij jaagt de armzalige, hij drijft mij In dorst en honger voort langs 't eindloos zand der zeekust...

Daar zet het deunen van het schelle was-gevoegde riet Zijn slaapwekkende wijzen in... Wee wee! tot waar wel voeren mij de gangen Van 't doelloos-verre zwerven?-- Wat schuld, wat zonde, o zoon van Kronos, Hadt gij in mij ontdekt, Dat gij mij, lacy! in dit lijden jokte, Mij dus met brems-gedreven vreezen Rampzalig en verbijsterd afslooft?... Verteer met vuur, verdoe mij onder de aarde, Werp mij als aas den muilen voor der zee-- Maar laat door mijn gebeden U eindlijk, Heer, verteedren! Ziek tot den dood heeft mij gekweld Dit zwervebonte dolen,-- En nog kan 'k niet vernemen Hoe 'k ooit ontkom aan mijnen leedgang...

Verstaat gij 't roepen van de koe-gehoornde maagd?

PROMETHEUS:

Hoe zoude ik doof zijn voor de brems-vervolgde bruid, Inachos' dochter?--die het hart van Zeus verwarmt Met liefde, en daarom door de haat van Hera nu Noodschiks tot eindeloozen wedloop wordt geplaagd.

IO:

Hoe komt gij te roepen mijn vaders naam? Wie zijt gij? Verhaal het der zwaar-beproefde. Wie zijt ge, onzalige, die mij onzalige Zoo zeer naar waarheid toespreekt? Ook hebt gij het god-gedrevene lijden genoemd, Dat stekend--wee mij!--met zijn rustelooze prikkels Mijn jeugd verschrompelt. Door Hera's wrokkende listen verweldigd, Vlied ik in smaad en honger Met storm-ontstuimge sprongen... Wee, Wie anders is zoo god-verlaten, Die zwoegen moet als ik? Stel me, als gij kunt, éen duidlijk teeken. Wat wacht mij nog te lijden? Wat middel blijft? Wat kruid voor deze krankheid? Duid het, indien gij 't weet. Wijs het, verluid het aan de zwervenskranke maagd!

PROMETHEUS:

Ik zeg u eerlijk al wat gij te weten wenscht, Niet raadselen-doorvlochten, maar met 't simpel woord Dat vriend te hooren recht heeft uit bevrienden mond.-- Gij ziet Prometheus die het vuur den stervers schonk.

IO:

Gij die den stervers als gemeen solaas verscheent, Dulder Prometheus, om wat oorschuld lijdt gij dit?

PROMETHEUS:

Nauw hield ik van mijn rampen te bejammren op.

IO:

Dus zoudt gij mij niet willen toestaan deze gunst--?

PROMETHEUS:

Wat gunst verzoekt gij?... 'k Zeg u alles wat gij vraagt.

IO:

Beduid wie u gejokt heeft boven deze kloof.

PROMETHEUS:

Van Zeus deed het de raadslag, en Hephaistos' hand.

IO:

En wegens welk vergrijpen boet gij deze straf?

PROMETHEUS:

Zooveel als ik verklaard heb, en niet meer, volsta.

IO:

Toch, wijs mij buitendien nog van mijn zwerven aan Het einde: wat de duur zal wezen van mijn nood.

PROMETHEUS:

Beter dat gij dees dingen niet dan wel verneemt.

IO:

Waartoe verheimlijkt wat ik eenmaal lijden móet?

PROMETHEUS:

Gering geschenk begeert gij. Het begroot mij niet.

IO:

Draal dan niet langer. Openbaar al wat gij weet.

PROMETHEUS:

Niets let mij--doch te schokken schroom ik uw gemoed.

IO:

Niet meer dan zelf mij lief is, wees om mij bezorgd.

PROMETHEUS:

Daar het uw wensch is, zal ik spreken. Luister dan.

REI:

Nog even--mij ook geef mijn deel en hartewensch. Gun ons vooraf te hooren wat zij heeft doorstaan, Der lotgevallen velen kommer, uit haar mond. Der toekomst kampen mag zij leeren dan van u.

PROMETHEUS:

Uw taak, o Io, de vervulling van haar wensch Aan dezen, te eerder daar ze uw vaders zustren zijn. Want om zich jammrend uit te weenen in zijn leed Daar waar men hoop heeft van zijn hoorderen als loon Tranen te beuren, noem ik welbesteden tijd.

IO:

Ik weet niet hoe ik u vertrouwen weigren zoû. Gij zult vernemen alles wat gij van mij wenscht, In woorden duidlijk, al vernieuwt mijn smart 't verhaal Hoe deze god-geblazen stormwind, dit verderf Van mijn onnoozel jeugdschoon mij is toegewaaid.-- Voortdurend naakten tot mijn jonkheids slaapvertrek Alnachtlijk droomgezichten en vermaanden mij Met fluistersproken: o veel-gelukzaalge maagd, Waarvoor bewaart ge uw kuischheid, die verwerven moogt Den hoogsten bruîgom? Immers, door verlangens pijl Is Zeus ontgloeid in smachten om tot liefdes werk Zich met u saam te spannen.... Gij, o kind, verschop Niet zijn omhelzing. Maar naar Lerna's diepe weî Ga waar uw vaders geite- en runderstallen zijn, En koel Zeus' ooglicht van begeertes heete koorts.-- Door zulke droomen werd ik arme nacht aan nacht Niet losgelaten, tot ik mijnen vader dorst Vertellen dier schrikbeelden avond-trouw bezoek. En deze zond naar Pytho en Dodona heen Herhaalde boden om te leeren met wat daad Of woord hij 't welgevallen dienen zoû der goôn. Zij brachten van de reize orakelspreuken meê, Raadslig, onduidlijk, dubbelzinnig opgesteld. Maar in het einde kwam de boodschap zonneklaar, Bevel nadrukklijk, volverwoord, aan Inachos Om mij te stooten weg uit huis en vaderland, Offer-vrij dolend langs der aarde verste grens, Als hij niet wilde dat des bliksems stralend vuur Van Zeus zou dalen en zijn gansch geslacht verdoen. Door zulke oraaklen overreed van Loxias, Heeft hij mij uitgedreven, sloot mij buiten 't huis, Tegen ons beider opzet. Doch hem dreef de nood, Zeus' gewelddaadge breidel, zulk een ding te doen. Mij waren daadlijk menschlijk uitzicht en verstand Verstoord: gehorend als gij ziet, geprikkeld door De scherpe speer der horzel, in verwoeden sprong Joeg ik naar Lerna's kustland en den zoeten dronk Van bron Kerchneia. Als mijn hoeder met mij meê Volgde Argos de aardzoon leêg van deernis, en hij liet Nimmer zijn tallooze oogen van mijn voetspoor los. Hem heeft een onverklaarbaar noodlot onverhoeds Beroofd van leven. Mij, gestoken door de brems, Drijft goddelijke geesel voort van land tot land.-- Wat is geschied, vernaamt gij. Kunt gij zeggen wat Mij rest aan lijden, duid het. Spreek geen onwaar woord Uit meêlij dat vergoêlijkt. Want ik weet geen leed Zoo gruwlijk als het aaien van bedachten troost.

REI:

Wee wee! laat af, laat af! Nimmer nimmer kon ik droomen Dat tot mijn ooren zouden reiken Zoo vreemde sproken! Noch dat zoo kwalijk te aanschouwen, en kwalijk te dragen Beelden van leed en verderf en ontzetting Met weêrsneedsche' angel Ziel zouden ijzen! Eilaas, noodlot, noodlot! Mijn oogen huiveren, die zagen Io's leedgang Aan zich voorbijgaan!

PROMETHEUS:

Gij steent te spoedig, zijt te vroeg van vreeze vol. Bedwing u tot gij ook het oovre hebt geleerd.

REI:

Spreek: onderricht haar. Voor wie lijden, is 't wel zoet Zeker vooruit te weten 't leed dat overschiet.

PROMETHEUS:

Uw vorig wenschen kreegt gij licht van mij gedaan: Vooraf vernemen woudt gij van haar worstelgang Verhaal omstandig, woorden uit haar eigen mond. Nu hoort het oovre: wat al tegenspoeden nog Van Hera moet verduren deze jonge maagd. En gij, o Inachos' zaad, leg in uw gemoed Mijn woorden, dat gij de' eindpaal leert van uwen weg.-- Eerst wend van hier u tegen de' opgang van de zon En over de ongeploegde bunders zoek uw pad. Gij vindt de zwerfsche Skythen die in rieten huis Zweef-wonen op hun welgewielde wagenen, Met boog en pijl bewapend voor het verre doel. Treed dien niet nader: trek aan hun gebied voorbij En wijk geen voetbreed van 't zee-ruischend rotsstrand af. Ter linker huizen de Chalybiërs, meesters in Het ijzersmeden. Ook voor dezen hoed u wel; Want wilden zijn zij, vreemden ontoegankelijk. Dan komt ge aan stroom Hybristes, waardig zijnen naam. Wil hem niet overtrekken (want daar is geen wed) Vóor gij ten Kaukasos naakt, aardes hoogsten berg, Daar waar uit zijne slapen zelven de rivier Haar kracht komt balgen. Overtrekken zult gij dan Die star-nabuurge toppen. Daal vandaar het pad Naar 't Zuiden totdat ge aantreft 't mannenhatend heir Der Amazonen die eenmaal Themiskyra Rond den Thermodoon gaan bevolken tot waar gaapt Rotsruige kolk van Salmydessos, gastvrouw wreed En tweede-moeder voor al schip en schepeling. Die geven blij-reê u geleide op uwen weg. De nauwe landstraat vindt gij naar de poorten van 't Kimmerisch eiland dat gij doortrekt om aan 't end 't Maiotisch golfbed onverschrokken door te gaan. Den stervers blijft aleeuwig van dien overtocht Roemruchte konde, de engte voortaan Bosporos Geheeten. Dan verlaat ge Europa's vlakte en komt Naar 't vasteland van Asia--

(tot de REI:) Ziet gij nu soms in Hoe Hemels overweldger een geweldnaar is In ieder opzicht? Van dees stervling haakt hij god Liefde te winnen--en zulk dolen werpt hij ze op!

(tot IO:)

Een wreeden werver om uw huwlijk, jonge maagd, Hebt gij getroffen. Want bedenk dat dit relaas Dat gij gehoord hebt, nauwlijks in zijn aanhef is.

IO:

Eilaas, wee mij, wee!

PROMETHEUS:

Gij roept en jammert nu al? Wat wel zult gij doen Als ge aanstonds aanhoort uwer rampen overschot?

REI:

Gaat gij haar dan nog meerder lijden kondigen?

PROMETHEUS:

Een stormenzwaren zeevloed van schrikzalig wee.

IO:

Wat winst is mij te leven? Waarom stort ik niet Mij van dees steile rotsen onverwijld omlaag Dat op den grond verpletterd ik van rampen al Verlost zoû wezen? Beter sterven eens voor goed Dan al zijn levensdagen niets dan leed te zien!

PROMETHEUS:

Hoe zoudt gij nooden dulden zooals ik doorsta, Aan wien te sterven nimmermeer is voorbeschikt? Dat toch zoû wezen een verlossing uit mijn leed! Nu echter heb ik van mijn zwoegen grens noch eind Te wachten, vóordat Zeus der heerschappij ontstort.

IO:

Is dit ooit mooglijk dat 't bewind aan Zeus ontvalt?

PROMETHEUS:

't Waar vreugd u, denk ik, zulk een ommekeer te zien?

IO:

Hoe anders, daar mij Zeus met ongeluk vervolgt?

PROMETHEUS:

Verneem van mij dan, dat dit werklijk wezen zal.

IO:

Wie ooit ontrooft den schepter hem der heerschappij?

PROMETHEUS:

Hij zelf door eigen inzichtledig overleg.

IO:

Op wat voor wijze? Duid het, als het u niet schaadt.

PROMETHEUS:

Een huwlijk zal hij aangaan, dat hem straks berouwt.

IO:

Met wie? Godin of stervling? Zeg het zoo gij 't moogt.

PROMETHEUS:

Dit vraag niet. 't Is niet oorbaar dat ik antwoord geef.

IO:

Wordt van den troon gestooten hij door eigen vrouw?

PROMETHEUS:

Zij baart een zoon hem, sterker dan de vader is.

IO:

Blijft geen ontkomen mooglijk voor hem aan dit lot?

PROMETHEUS:

Alleen als ik eerst uit mijn boeien ben bevrijd.

IO:

Wie, tegen Zeus' wil, zal dat doen? Wie maakt u los?

PROMETHEUS:

Van uw nakomelingen eene moet het zijn.

IO:

Hoe zegt ge? Een mijner kindren redt u uit uw nood?

PROMETHEUS:

Na tien geslachten die de derde is in geslacht.

IO:

Nu klinkt uw boodschap nauwlijks meer een welkom waard.

PROMETHEUS:

Zoo spaar mij ook 't verhalen van uw eigen leed.

IO:

Eerst spiegelt gij mij winst voor--dan onthoudt gij haar.

PROMETHEUS:

Ik zal u schenken van de beide reednen de éen.

IO:

Verklaar mij, wat voor reednen. Leg de keus mij voor.

PROMETHEUS:

Ziehier. Verkies gij. Zal ik uw toekomend wee Nauwkeurig duiden of den man die mij verlost?

REI:

Van deze gunsten wil aan Io de éene, mij De andre bedeelen. Acht me uw woorden niet onwaard. En haar verkondig haren verdren zwerversgang, Mij wie u zal verlossen. Want dit derf ik noô.

PROMETHEUS:

Daar het uw uitgesproken wensch is, geef ik toe U te verkondgen alles wat gij mij verzoekt. U, Io, duid ik uwen veelbewogen gang Het eerst: in taaflen van gedachtnis schrijf hem neêr. Over de zee-pas, beider vastelanden grens, Keer u naar de Oostertransen vlammeschijnend van Het spoor der morgenzonnen, reis tot aan de zee En steek haar bruisen over tot gij weêr belandt Ter Gorgoneische vlakte aan berg Kisthene waar Huizen de aloude maagden, Phorkys' dochtren, drie Zwanegestalten, die slechts éen gemeenzaam oog En éenen tand bezitten. Haar beschijnt nooit zon Met hare stralen noch de nachtelijke maan. Nevenaan zijn haar zustren, de Gorgonen drie, Gevleugeld, slangenharig, bij den mensch gehaat: Geen stervling die haar aanziet en den adem houdt. Laat mijne woorden u een voorbehoedsel zijn. Nu hoor een ander onheil-dreigend tafereel. Vermijden Zeus' woedfelle honden moet gij dan, De scherpgebekte grijpen, en 't eenoogig heir Der paard-berijdende Arimasken huizend aan Den bovenloop van Ploetoons goud-doorstuwden stroom: Die moogt gij niet genaken. Ver bij aardes grens Komt ge aan den stam der zwarten in wier buurt de zon Heeft hare bronnen. Ook ontspringt er de Aithiops. Ga verder langs diens oevers tot gij hebt bereikt Den vloedval waar langs wanden van 't Biblisch gebergt De Nijl zijn heilig levengevend water stort. Die zal den weg u wijzen naar 't driehoekig land Neilotis, waar u en uw kindren is beschikt, O Io, uwe stad te stichten ver van huis.-- Bleef eenig ding u duister, klonk iets stamel-vaag, Verdubbel 't vragen, vorder duidelijk bescheid. Ik heb meer tijd beschikbaar dan mij lief kan zijn.

REI:

Blijft u te melden van haar onheilvollen tocht Eén verder voorval, kwam u eenig ding te ontgaan, Spreek. Is uw woord ten einde, schenk ons op ons beurt De gunst die wij u vroegen, die u zeker heugt.

PROMETHEUS (tot de REI):

Vernomen heeft zij heel heur zwerftocht tot zijn eind. Toch, opdat ze inzie 't nut van wat zij heeft gehoord, Zal 'k duiden wat zij doorstond, eer zij kwam tot hier: Den besten waarborg mijner woorden geef ik haar.--

(tot IO:)