Prometheus Geboeid

Part 1

Chapter 13,848 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (This file was produced from images generously made available by The Internet Archive)

WERELD BIBLIOTHEEK

Onder leiding van L. Simons

UITGEGEVEN DOOR:

DE MAATSCHAPPIJ VOOR GOEDE EN GOEDKOOPE LECTUUR--AMSTERDAM

AISCHYLOS'

PROMETHEUS GEBOEID

UIT HET GRIEKSCH DOOR P. C. BOUTENS

MET VOORWOORD EN ENKELE AANTEEKENINGEN

HET RECHT VAN VERTOONEN VOORBEHOUDEN VOLGENS DE WET OP HET AUTEURSRECHT

VOORWOORD

Zooals bekend is volgden de Atheensche treurspeldichters steeds de gewoonte, niet éen, maar drie drama's tegelijk voor het publiek te brengen. Tusschen de trilogie bij Aischylos echter en bij zijn opvolgers bestaat een wezenlijk verschil. Aischylos voelde de zoogenaamde eenheid van tijd op het tooneel niet als noodzakelijk. Daardoor wordt het hem mogelijk om in den beperkten duur van éen drama een reeks gebeurtenissen samen te dringen, wier opeenvolging in het reëele leven slechts met ruime tusschenpoozen denkbaar is. Zijn trilogieën omvatten om dezelfde reden steeds een grootsche jaren-overspannende handeling, en de afzonderlijke deelen zijn als bedrijven van dat geheel te beschouwen. De latere dramaturgen, die, om aan den eisch van eenheid van tijd te voldoen, enkel handelingen ten tooneele brachten, welke met den reëelen tijdsduur samenvielen, gaven den onderlingen samenhang van de deelen der trilogie prijs en meteen Aischylos' tijdelooze weidschheid.

Een drama als "Prometheus" behoort dus in de eerste plaats beschouwd te worden als onderdeel van de trilogie waar het toe behoort, en het is daarom vooral te bejammeren dat de beide andere stukken op eenige weinige fragmenten en aanwijzingen na verloren zijn gegaan.

Het komt mij voor dat in de trilogie waarvan "Prometheus geboeid" het eerste bedrijf vormt, geteekend wordt de geleidelijke vestiging van Zeus' wereldbestuur.--Van het tweede stuk, "Prometheus bevrijd", zijn fragmenten over, die ons omtrent den uitwendigen gang der handeling voldoende kunnen inlichten. De hoofdfiguur die aan het einde van het eerste drama door Zeus met rots en al in den Tartaros was geslingerd, stijgt weêr in het daglicht op aan een uithoek van den Kaukasos. Bij zijn oude kwalen is nu nog een nieuwe foltering gevoegd: de adelaar van Zeus komt hem om den anderen dag een stuk uit den lever scheuren. Maar het verzet van den Titan blijft ongebroken. Zelfs de vermaningen zijner stamgenooten, de andere Titanen, die door Zeus uit den Tartaros zijn losgelaten en die hier optreden als rei, kunnen hem niet tot onvoorwaardelijke onderwerping bewegen. Eerst nadat de god plechtig beloofd heeft hem uit zijn boeien te zullen bevrijden, openbaart Prometheus zijn voor Zeus zoo gewichtig geheim. Met de komst van Herakles en de verlossing sluit het tweede drama.--Van het slotdrama der trilogie weten wij weinig af. Naar alle waarschijnlijkheid was de naam "Prometheus vuurdrager", en werd de inhoud gevormd door de naderbevestigde verzoening van oppergod en titan, een verzoening waaraan het menschelijk geslacht, de beschermelingen van Prometheus, een groot en natuurlijk aandeel neemt. Niet verwerpelijk lijkt het vermoeden dat, evenals de Oresteia eindigt met de bevrediging der Erinyen tot Eumenieden, de instelling van het Prometheus-feest, de Prometheia, blijvend aandenken aan den herstelden wereldvrede, ten slotte den zwaar beproefden Prometheus als middelaar tusschen God en menschen in verdiende eere herstellen moest.

Vroegere uitgevers van Aischylos, die ons drama als een op zich-zelf staand stuk beschouwden, lieten zich vaak verleiden in den strijd van Prometheus tegen den nieuwen oppergod niet meer te zien dan de tegenstelling van den willekeurigen hartstochtelijken tyran met den grooten waarachtigen volksvriend, een transpositie dus van menschelijke toestanden op goddelijk terrein. Anderen weêr vonden in Prometheus de menschheid verbeeld in haar kamp tegen onverbiddelijke natuurmachten en vroegen tragische bewondering voor de grootschheid der onvermijdelijke nederlaag, of ook wel verwijdden zij de handeling tot een verheerlijking van het alles en allen beheerschende noodlot. De nieuweren daarentegen leggen misschien te veel gewicht op den uitsluitenden zegepraal van Zeus. Zij beroepen zich op Aischylos' diep gevoel van vroomheid, waarvoor zij uit andere drama's kenmerkende uitspraken aanhalen. Aischylos zoû van zulk een eerbied voor den oppergod doordrongen zijn geweest, dat bij hem een kritische houding tegenover Zeus gelijk zoû moeten geacht worden aan godslastering. Maar de vroomheid van een Griek is een andere dan de christelijke. Zijn goden zijn in hoogste instantie geen onaanrandbare persoonlijkheden. Zij blijven de dragers en vertegenwoordigers eener evenwichtige wereldorde. En als zoodanig is Zeus niet geboren; ook hij is door leering geworden de alwijze en milde god die hij is. Hoe Aischylos bidt, kan men lezen in de "Agamemnoon":

Zeus!--wie hij ook wezen moog', Zoo die naam bij hem bemind zij, Roep ik zóó hem aan, enz.

En eenige regels verder:

Zeus die paden tot verstand Stervelingen leidt, Die "door lijden leering" Wettig wijdt: In den slaap nog weegt op 't hart Angst van wroegings eeuwigwakkre smart, Zelfs de onwilligen bereikt bezonnenheid, Wel genâ van god die zelf door worstling 't Statig stuurgestoelt bezeten houdt.

Den groei van dezen Zeus heeft Aischylos willen teekenen in zijn Prometheusdrama's, zijn groei tot den vader van goden en menschen, den derden oppergod in de rij, maar die niet meer als zijn voorgangers ten val kan worden gebracht, omdat hij in zich heeft weten te vereenigen, met de onverwelkbare heerlijkheid der volkrachtige jeugd, de bezadigde wijsheid der ervaring die zijn voorgangers niet voor zich, maar voor hem van de eeuwen hadden geleerd. De Zeus van het tweede drama is een andere geworden naar blijkt uit zijn boden en daden, een aan wien Prometheus zich zonder gevaar onderwerpen kan. Zoo worden voor een Griek zijn goden.

PERSONEN:

HEPHAISTOS, KRATOS, BIA, PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN, OKEANOS, IO, HERMES.

Het tooneel stelt voor een rotsgebergte in de nabijheid der zee aan de grenzen van het land der Skythen. Een door pieken gekroonde rotswand rijst, in het midden tegenover de toeschouwers, achter een kloof. Rechts is uitzicht op de zee. Links voert het bergland, dat met een enkele stortbeek is gestoffeerd, op naar het hooger gelegen midden. De handeling vangt aan in den morgen.

EERSTE TOONEEL

KRATOS, BIA, HEPHAISTOS, PROMETHEUS.

KRATOS:

Wij zijn gekomen tot der aarde grensver plein, De baan van Skythia, de onbetreden eenzaamheid. Nu past, Hephaistos, u de zending aan te gaan, Die vader Zeus u opdroeg: dat gij jokken zoudt Ter hoogkanteelge rotsen dezen euvelaar In stalen banden, boeien onverbrekelijk. Uw eigen bloem toch, 't barnen van 't alkunstig vuur, Stal hij en schonk het aan de stervers. Dus dient hij Boete af te dragen aan de goôn voor zulk misdrijf, Opdat hij onderwezen worde Zeus' beheer Te lieven en te laten van 't menschminnend doen.

HEPHAISTOS:

Kratos en Bia, voor u beiden heeft de last Van Zeus hiermede een einde: niets bezwaart u meer. Maar ik, hoe waag ik aan verwanten god 't geweld Van hem te boeien aan den stormbezochten rots? ... Toch dwingt de nood mij dat ik daar den moed toe vat; Want vaders woorden licht te tellen wreekt zich zwaar... O rechtberaden Themis' listensteile zoon, Weêrzinnig ga ik u, weêrzinngen, naaglen met Onlosbre smeedsels aan dees menschgeschuwden piek. Waar van geen stervling gij de stem of de gedaant Speurt, maar geblakerd in de helle vlam der zon Den bloei uws lijfs verwisselt. Als een lafenis Komt nacht u 't daglicht bergen in haar tintelwâ, En zon opnieuw vervluchten morgenlijken rijp. Doch staâg verteert u de erger van 't aanwezig kwaad; Want nog is niet geboren, die u lossen zal.-- Dat zijn de winsten die uw menschenmin behaalt. Zelf god, schonkt gij der goden eerrecht tegen recht, Zonder hun toorn te duchten, aan den stervling weg. Daarvoor nu gaat gij hoeden dees vreugdloozen rots Rechtstandig, zonder knie te knikken, slapeloos. En vele klagen en weeroepen zonder baat Slaakt gij; want zwaar vermurwlijk is de zin van Zeus: Een ieder is hardvochtig, die aanvanklijk heerscht.

KRATOS:

Welaan, wat draalt gij met uw nutteloos beklag? Hoe kan u deren dees meest godgehate god Die gaf uw eigen eerrecht stervelingen prijs?

HEPHAISTOS:

't Verwante bloed en de omgang oefnen hoog gezag.

KRATOS:

Dat is zoo. Maar staat ongehoorzaamheid u vrij Aan Vaders woorden? Wat van twee heeft meer gezag?

HEPHAISTOS:

Gij kent geen meêlij, zijt altoos van snoodheid vol.

KRATOS:

Hem te bejammren, immers, brengt geen heul. Ook gij Spaar de vergeefsche moeite van wat toch niet nut.

HEPHAISTOS:

O menigmaal verfoeide handenvaardigheid!

KRATOS:

Waarom haar schelden? Immers, aan dit huidig wee Heeft, eerelijk gesproken, uwe kunst geen schuld.

HEPHAISTOS:

In ieder opzicht wenschte ik haar een aêr als deel!

KRATOS:

Elk ambt heeft zijn bezwaren buiten de oppermacht Over de goden: geen is vrij dan Zeus alleen.

HEPHAISTOS:

Dat zie 'k voor oogen, en weêrspreken kan 'k het niet.

KRATOS:

Kom dus en haast u hem de boeien om te slaan; Want anders mocht uw vader u aan 't talmen zien.

HEPHAISTOS:

Ziehier, de armboeien houd ik klaar, als elk kan zien.

KRATOS:

Sla ze om de polsen henen, en met stoere kracht Zwaai uwen hamer, nagel ze in de rotsen vast.

HEPHAISTOS:

Dit werk wordt al voltrokken, slepen doet het niet.

KRATOS:

Klop harder, nijp de boeien, laat geen speling toe. Zijn groote list vindt uitweg waar geen uitweg is.

HEPHAISTOS:

Deze arm zit onbeweeglijk: vaardig die hem lost.

KRATOS:

Knel nu onwrikbaar de andre vast, opdat hij leer' Dat zijne wijsheid dwaasheid is bij die van Zeus.

HEPHAISTOS:

Geen kan met recht mij laken, of 't moest deze zijn.

KRATOS:

Nu drijf dwars door de borstkas met uw volle kracht Der stalen wigge mededoogenlooze kaak.

HEPHAISTOS:

...Wee, wee, Prometheus, 'k steen om wat gij lijden moet!

KRATOS:

Weêr zie 'k uw ijver flauwen, weêr zucht ge over Zeus' Vijanden? Als ge u later zelf maar niet beklaagt!

HEPHAISTOS:

Gij schouwt een schouwspel zwaar voor oogen aan te zien.

KRATOS:

Ik zie hoe deze zijn verdiende loon erlangt. Leg nu om zijne lendnen de ijzren gordels aan.

HEPHAISTOS:

Helaas, ik moet wel--gij, laat uw bevelen na.

KRATOS:

'k Zal u naar lust bevelen, en nog hitsen ook! Ga nu naar onder: ring zijn enkels met geweld!

HEPHAISTOS:

Ziedaar: het werk is zonder veel bezwaar volbracht.

KRATOS:

Drijf nu nog kloek de klinken in de boeien aan; Want die uw werk zal keuren, is een grimmig heer.

HEPHAISTOS:

Uw tong schalt klanken aan uw uiterlijk gelijk.

KRATOS:

Wees gij flauwhartig--van mijn onverstoorbaarheid En onvermurwden ijver maak mij geen verwijt.

HEPHAISTOS:

Nu, laat ons heengaan: ongekluisterd bleef geen lid.

(Hij verwijdert zich met BIA; KRATOS blijft bij PROMETHEUS achter.)

TWEEDE TOONEEL

KRATOS, PROMETHEUS.

KRATOS:

Vier nu en hier uw moedwil, roof en schenk der goôn Eerrechten aan de eendagelingen. Wat vermag De stervling om u te verlichten van dees nood? Prometheus, den Voorziener, noemen u de goôn-- Met leugen: een voorziener toch behoeft gij zelf, Hoe ooit te ontglippen aan de grepen dezer kunst.

(Hij gaat HEPHAISTOS en BIA achterna.)

DERDE TOONEEL

PROMETHEUS ALLEEN.

PROMETHEUS:

O goddlijke aither, en snelvleuglige ademen, En bronnen van rivieren, en van 't zeegestrook Het talloos lachen, en almoeder aard, En 't alziend rond der zonne roep ik aan: Ziet welke dingen ik, een god, van goden lijd!

Ziet, door de krenking van wat kwalen Vermaald, ik zwoegen zal Den tienmaalduizendjaargen tijd! Zoo smadelijke banden Heeft tegen mij bedacht Der zaalgen nieuwe vorst. Wee wee! ik steen om 't huidig en 't toekomend wee: Hoe ooit van deze ellenden Het eind mag opgaan!

En toch, wat spreek ik?--Zonneklaar weet ik vooruit De gansche toekomst. Nimmer onvermoed zal mij Een leed genaken.... Zijn beschikte lot moet men Naar 't kan gelaten dragen door het inzicht dat De macht van 't noodlot toch niet te bekampen is... Maar zwijgen of niet zwijgen van dit ongeval-- Ik heb geen keuze. Stervers schafte ik goderecht, En ben, rampzaalge, nu in dezen dwang gejokt, 'k Ving in de holte van het tondelriet van 't vuur De steelsche bron die aller kunsten meesteres Den stervelingen en een machtge helpster bleek. Voor zulk een misdaad boet ik de verbeurde straf, Den smaad van deze banden onder de' open dag...

Ah ah! Wat klank vliegt mij toe? Wat onzichtbre geur-- Van god? van mensch? van gemengd geslacht?-- Reikt tot den aardebegrenzenden rots? Wie komt, mijn leed te aanschouwen? of waar anders toe? Ziet den rampspoedgen, den in boei geslagen god,

Mij, vijand van Zeus, en bij alle de goôn Die betreden de vloeren van Zeus' hoog hof, Tot het uiterst gehaat om te machtige min Tot het sterflijk geslacht.--

Wee wee! wat hoor ik voor keerend gerucht In der vooglen gebied? Op den aither vergonst Het gezwinde geklep van der vleugelen slag... Vrees brengt al wat mij nabij komt...

VIERDE TOONEEL

PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN.

(De rei bestaat uit twaalf Okeanieden, dochters van Okeanos en Thetys. Zij verschijnen rechts, van den zeekant, op gevleugelde wagens, en zijn voor den toeschouwer eerder zichtbaar dan voor Prometheus, die niet terzijde zien kan.)

REI:

Niets te vreezen: deze schare Naakt met vriendelijk bedoelen-- Niet dan nauwlijks overreedde ik vaders onwil-- Op der vleuglen vluggen wedstrijd Tot de hoogten van den rots. 't Lichte geleî van den luchtstroom droeg mij.

Want het dreunen van den moker Op het staal doorklonk de diepte Der spelonken, en de schrik dreef uit mijn hart weg Zedigschuchtre schaamte: Ongeschoeid snel ik aan op 't gevederd voertuig!

PROMETHEUS:

Aai aai! Dochtren, door vader Okeanos Die in den keerkring van zijn slapeloozen stroom Heel de aarde omvat, Verwekt uit kinderrijke Thetys-- Aanziet, aanschouwt in welke banden Ik vastgehecht hoog aan de pieken Van dezen rotswand Een onbenijde wacht ga voeren.

REI:

'k Zie, Prometheus--voor mijn oogen Trekt de duistre nevel samen Zwaar van tranen bij den aanblik Van uw lijf dat gaat verdorren Aan den zongeblaakten rots Waar deze stalen hoon u ketent.

Op de' Olympos immers heerschen Nieuwe stuurders aan de roerpen: Zeus, naar ongekende wetten, Is er meester zonder toezicht. Hij verduistert al vorig geweld.

PROMETHEUS:

Och had hij mij onder de aarde en Beneden der dooden huisvest Hades Gestort in mateloozen Tartaros, Geslagen daar in wreede onlosbre boeien, Dat god noch ander wezen Zich over dit mijn leed verblijdde... Nu, wankel tusschen aarde en hemel, lijd ik Rampzaalge mijner haatren welbehagen.

REI:

Wie van de goôn is zoo verhard van hart, Die hierin leedbehagen heeft? Wie deelt niet de' erger om uw kwalen-- Behalve Zeus? Hij, in aanhoudend wrokken, Met onverzettelijk gemoed, Oefent geweld aan 't hemelsche geslacht: Hij houdt niet op vóor hij zijn hart verzaad heeft, Of éen bij nieuwen staatsgreep rooft de zwaar te rooven almacht.

PROMETHEUS:

Toch zal nog eens, al hang ik thans te hoon In boeien zwaar, naar mij in nood geraken Der zaligen bestuurder, Dat ik hem duid' den nieuwen aanslag Die staf en waardigheid hem uitschudt. Dan zal hij mij met honingtalig Gevlei van overreding niet bekoren, En nooit uit angst voor strafst bedreigen Laat ik het woord los vóor hij slaakt Dees wreede boeien en mij boete Van dezen smaad betalen wil.

REI:

Gij geeft in uw vermetelheid Aan felste smarten niets gewonnen; Uw mond leert nimmer deemoed... Maar mij doorpriemt het hart de stekel van de vrees, Ik ducht om wat u staat te wachten: Hoe ge ooit uit deze zee van nooden Moogt landen en haar eind aanschouwen... Want niet te vinden is 't gemoed, niet te beroepen 't hart van Kronos' zoon.

PROMETHEUS:

'k Weet dat hij hard is, dat hij 't recht Stelt naar zijn eigen hand. Toch zal hij, denk ik, straks Wanneer die nood hem slaat, Weekmoedig wezen: Dan baant hij starren toorn tot effen pad, Dan treedt om vredebond en vriendschap Zijn ongeduld mijn ongeduld tevoren.

REI:

Ontvouw en openbaar ons heel den samenhang, Op grond van wat betichten Zeus u grijpen liet En u zoo smaadlijk en zoo bitterwreed kastijdt. Leer ons de waarheid--of 't uitspreken mocht u schaên...

PROMETHEUS:

Wel zijn dees dingen te verhalen smartlijk mij, Doch smart ook is 't verzwijgen--: alzijds ongeval! Vandat partijhaat uitbrak bij de zaligen En onderlinge tweedracht deelend zich verhief, Daar de éenen Kronos wilden werpen van den troon En Zeus de heerschap geven, de andren ijverden Dat nooit of nimmer Zeus de goden zoû gebiên,-- Heb den Titanen, Oeranos' en Gaia's kroost, Ik daadlijk besten raad geschaft, maar niet vermocht Hen te overreden. In hun stoeren eigendunk Verachtten ze alle list als middel: met geweld Dachten zij te overmogen zonder slag of stoot. Maar mij had mijne moeder Themis meer dan eens, En Gaia, 't éene wezen onder namen veel, Voorkondigd hoe de toekomst zich vervullen zoû: Dat de overwinning niet aan kracht of aan geweld Zoû komen, maar aan wie in list had overmocht. Dat heb ik hun met zooveel woorden uitgelegd, Maar zelfs tot aandacht hebben zij zich niet verwaard. Bij dezen staat van zaken scheen mij veiligst toe Om saam met mijne moeder, reede en welkom, mij Te scharen bij de medestanderen van Zeus. En naar mijn raadslag bergt nu 't donkerdiepe ruim Van Tartaros oerouden Kronos samen met Zijn bondgenooten. Zulke diensten heeft van mij Der goden overweldger ondervonden en Op zijn beurt hen vergolden met dit booze loon. Want dat is wel de krankheid die al tyrannie Aankleeft, dat men zijn vrienden geen vertrouwen schenkt. Doch wat aangaat uw vragen, om wat oorzaak hij Mij hoont en tuchtigt, geef ik garen u bescheid. Zoodra Zeus was gezeten op zijn vaders troon, Wijst hij onmiddlijk aan een elk der goden toe Zijn eigen eerrecht, deelt en regelt het bewind. Maar met de armzaalge stervelingen hield zijn plan Geen reekning. Ja, hij wilde hun geheel geslacht Verdelgen tot het scheppen van een ander nieuw. Hiertegen in verzet kwam niemand. Ik alleen, Ik waagde 't. 'k Heb de stervers van hun doem gered Om reddeloos verdorven Hades in te gaan. Daarom is 't dat ik onder deze pijnen krimp, Die smartlijk zijn te lijden, deerniswaard te zien. Mijn daad was deernis tot de stervers, doch ik-zelf Werd die niet waard bevonden, maar meêdoogenloos Verwezen tot dit Zeus-onteerend schouwtooneel.

REI:

Diens hart is ijzer in zijn rotsgehouwen borst, Die niet, Prometheus, de' erger om uw nooden deelt. Ik toch, hoe garen had ik nooit dit aangeschouwd! En nu ik 't aanzie, wordt mijn hart door pijn geprangd.

PROMETHEUS:

Ja, wel ben ik mijn vrienden deerniswaard te zien.

REI:

Als maar uw stoutheid niet nog verder ging dan dit...

PROMETHEUS:

De stervers heelde ik van den dood vooruit te zien.

REI:

Wat middel tegen deze krankheid vondt gij uit?

PROMETHEUS:

De hoop, die blind is, heb ik in hun borst behuisd.

REI:

Een groote winst was deze uw gaaf den sterveling.

PROMETHEUS:

Maar buitendien nog heb ik hun het vuur verstrekt.

REI:

En nu bezit de eendaagling den vlamglans van 't vuur?

PROMETHEUS:

Ja, en in vele kunsten onderwijst het hem.

REI:

Zeus dan om oorzaak van geen zwaarder schuldverwijt--

PROMETHEUS:

Straft met zijn hoon mij, laat van geene kwelling af.

REI:

En is geen einde van uw zwoegen u beschikt?

PROMETHEUS:

Geen ander dan het tijdstip dat aan hem behaagt.

REI:

Hoe mag 't behagen? Is er hoop? Ziet gij niet in Dat gij misdaan hebt? Dat gij hebt misdaan, is mij Een grief te zeggen... U is 't smart... Ook weegt dit niet Ter zake ... Zoek naar eenige' uitweg uit uw nood!

PROMETHEUS:

Voor wie zijn voeten buiten leed heeft, is het licht Te sporen of te gispen wien het boos vergaat... Doch ik, alle gevolgen wist ik lang vooruit. Bewust, bewust misdeed ik--ik ontken het niet: Den stervling helpen hielp mij-zelven in ellend. Toch kon 'k niet denken dat in zulk een straf als dees Ik zoû verschromplen aan de tinnen van den rots Op dezen alverlaten nabuurloozen piek... Laat me af van jammren om dit oogenblikklijk wee! Doch daalt ter aarde en luistert wat al ongeval Nog dreigt, opdat gij alles tot den einde leert. Geeft toe, geeft toe mijn bede: deelt de ellend van een Die nu in nood is: eender op zijn tijd tot elk Komt lijden in zijn zwerfgang om een onderdak.

REI:

Reeds willig, Prometheus, vindt ons uw roep Om te doen wat gij vraagt. Nu verlaat ik mijn windsnel-ijlende koets En den heiligen aither, der vooglen revier; Nu naak ik op voeten der hinde den grond Dezer grimmige rotsen: mijn hart gaat uit Om uw nooden ten einde te hooren.

(Zij stijgen van hare wagens af.)

VIJFDE TOONEEL

PROMETHEUS, REI VAN OKEANIEDEN, OKEANOS.

OKEANOS (verschijnt op een gevleugelden draak):

Ik bereik u, Prometheus, 't doel van het pad Mijner durige reize, gestegen op dees Snelvleugligen draak dien 'k enkel bestuur Met de toomen der stille gedachte.-- Weet wel dat ik deel in de smart van uw lot; Want daartoe dringt mij verwantschap en bloed; Maar ook buitendien is geen wien 'k gun In mijn achting een hoogeren zetel dan u. Dat ik waarheid spreek, dat mijn tong niet vleit Schijnwoorden om gunst, ondervindt gij terstond: Openbaar wat hulp ik betoonen u kan: Op een hechteren vriend dan Okeanos is, Zult nimmer ge u kunnen beroemen.

PROMETHEUS:

Wat is er nu weêr? Komt ook gij om toe te zien Bij mijne nooden? Hoe hebt gij gewaagd den stroom Die uwen naam voert, en uw grotten rotsgedakt Natuurgehouwen te verlaten voor dit land Drachtig van ijzer? Of zijt gij gekomen om U met mij te ergren in den aanblik van mijn leed? Aanzie dit schouwspel, dezen bondgenoot van Zeus, Die saam met hem bevest heeft zijne heerschappij, Met welke kwalen ik door hem gefolterd word.

OKEANOS:

Ik zie, Prometheus,--en al zijt gij listenbont, 'k Wil u te sporen trachten met mijn besten raad. Keer tot u-zelven, stem tot nieuwe wijzen om Uw inborst: nieuw ook is de heerscher bij de goôn. Als gij blijft slingren zulke fel gewette reên, Allicht mocht Zeus u, staat zijn stoel ook nog zoo hoog, Vernemen, en in 't einde dunkt zijn huidge toorn Met al zijn kwalen u nog kinderspel te zijn. Maar, o rampzaalge, laat van uwen wrevel af En zoek naar een verlossing uit dees kwellingen. Misschien lijkt u verouderd wat ik zeggen ga: Dit is het eenig handgeld dat men beuren kan, Prometheus, met te pralend pochen van de tong. Gij blijft hoovaardig, onder rampen bukt gij niet, En bij uw rampen zoekt gij nieuwer rampen winst. Als gij dus naar mijn onderwijzing hooren wilt, Sla tegen prikkels niet de verzenen; want gij ziet: Een grimmig heerscher zonder rekenschap regeert. En nu ga ik heen, laat geen poging onbeproefd Of ik uit deze nooden u verlossen kan. Doch gij, blijf rustig, toom uw monds onstuimigheid. Of weet gij, die terecht alwijs genaamd wordt, niet De tuchtging die der ijdle tong wordt ingeprent?

PROMETHEUS:

'k Prijs uw geluk al, dat gij straffeloos uitgaat, Die u verstout hebt deel te nemen in mijn lot. Nu laat het wezen, spaar uw zorg. Gij overreedt Hem toch niet; want voor overreding is hij doof. Wees zelf omzichtig dat uw gang geen smartgang wordt.

OKEANOS:

Veel beter maant uw aanleg andren dan u-zelf Tot rede: niet maar woorden, feiten zijn bewijs. Doch houd mij hunkrend naar de reize niet terug. Want groot maak ik mij, 'k maak mij groot dat Zeus dees gunst Mij toestaat, en uit deze nooden u bevrijdt.

PROMETHEUS: