Proeve van Kleine Gedigten voor Kinderen
Chapter 3
Kees zou voor 't eerst naar school toe gaan, Maar was de stoep pas afgetreden, Of 't scheen, hij was niet wel te vreden; En bleef, het hoofd om hoog, een poos verwonderd staan. Hij zag de zwaluwen zo heen en weder zweeven, En zei, dat heet eerst regt op zijn vermaak te leven. Een man die zig op straat bevond, En Keesjes meening ras verstond, Trok hem, al lagchend, wat ter zijden; En zei: wel weetge niet, dat zij dit moeten doen, Zij vangen vliegjes, om hun jongen mee te voen, Die anders honger moesten lijden. Noemt gij dit slegts vermaak, neen Keesje! dat is mis, Maar weet gij wat hier uit voor u te leeren is? Zij kunnen, door dit lustig zweven, Aan u een voorbeeld geven, Hoe men met vlijt en vreugd zijn werk verrigten moet: En dat het lelijk staat, als men 't gedwongen doet.
Ik loop naar school, zei Kees: die les is zeker goed!
DE ZON.
Als ik de zon zie schijnen, Die met haar lieve stralen Deze aarde vrolijk koestert; Op dat er kruiden groeien, Om vee en mensch te spijzen; Die 't licht ons doet genieten, Om tog verheugd te werken, En vergenoegd te leven; Dan denk ik, met aanbidding, Hoe groot moet God niet weezen! Die zon heeft hij geschapen! En dat uit enkel liefde!
HET LIJK.
Mijn lieve kinders, schrikt tog niet, Wanneer gij dode menschen ziet; Zoudt gij voor lijken beven? Kom hier: deez bleke koude man, Die voelen, zien, noch horen kan, Houdt nu niet op te leven.
Hij denkt en werkt--ja meer dan gij; Maar met geen ligchaam zo als wij. De ziel is weg van de aarde. Die God, dien hij hier heeft gevreesd, Is bij hem in zijn dood geweest; En houdt dit lijk in waarde.
Al is de ziel van 't ligchaam af, Al daalt het lijk in 't donker graf, Dat moet u niet doen ijzen. Gelooft het tog, de goede God Zal zelfs dit lelijk overschot Veel schooner doen verrijzen.
Ach, lieve kinders! zegt dan niet; Wat is dat sterven een verdriet! Mogt ik maar altoos leven! Wanneer ge God bemint en dient, Dan voert de dood u, als een vriend, In 't eeuwig zalig leven.
En komt dan eens de jongste dag, Dan zal het ligchaam, dat daar lag, Zig levend weêr vertoonen. Dan voeren de Englen van beneên U zingend naar den Hemel heên, Om eeuwig daar te woonen.
Mijn lieve kinders schrikt dan niet, Wanneer gij doode menschen ziet; Zoudt gij voor lijken beven? Zegt liever vrolijk--deze man, Die hier niet zien of hooren kan, Mag in den hemel leven.
HET VOGELNESTJEN.
EENE VERTELLING.
Mietje had eens, onder 't wandlen, Een verholen vogelnestjen In een dorenhaag gevonden. 'k Heb nu, zeize, mijn verlangen: o Hoe zal ik mij vermaken, Met die lieve kleine diertjes! Aanstonds ga ik thuis wat halen, Om dit nestjen in te bergen.
Mietje liep en zag haar moeder, Die zij hijgend dit vertelde:
Lieve Mietje, zei de moeder, Stoort tog nimmer vogelnestjes! Denk maar eens, hoe de oude vogels Om dat stooren zouden treuren; Zoudt, gij, Mietje lief, niet schreien, Als men u, met Piet en Jetje, Tegen wil en dank vervoerde; Mietje lief, hebt medelijden, Met die oude lieve vogels! Zoek tog nimmer uw genoegen In de droefheid van een ander.
Neen, zei Mietje, lieve moeder! Neen dat niet! maar hoorze eens schreeuwen; Ach zij hebben zulken honger!
Denk niet meisje, zei de moeder, Dat zij juist van honger schreeuwen. Ach zij zouden zeker sterven, Als gij hun zo lang woudt spijzen, Totze niet meer konden schreeuwen. Maar wiltge u eens regt vermaken, En eens zien hoe de ouden zorgen Om hen juist zo veel te geven, Als die diertjes noodig hebben, Zet u slegts in stilte neder, En ge zult dan schielijk merken, Dat zij vliegjes, mugjes, wormpjes Vangen en in 't nestje brengen. o De goede wijze Schepper Heeft zo wel aan deze vogels Ouders, als aan u, gegeven: Dezen weten altoos beter, Wat de kinders noodig hebben, Om dat zijze 't meest beminnen. Ja die zullen nooit verzuimen, Hun têerhartig te verzorgen; Daar toe heeft hun God de liefde Voor hun jongen ingeschapen; En gij moet niet wijzer wezen, Dan de goede en wijze Schepper.
Mietje hoorde naar haar moeder; Maar ging dikwijls zagtkens kijken Naar het groeien van de jongen, Zonder 't nestjen ooit te stooren.
FLIPJE, DE VADER, EN DE TUINMAN.
FLIPJE.
Wel waarom snoeitge nog de boomen, Zeg trouwe Piet? Daar aan die takjes vrugt zou komen, Gelijkge ziet.
DE TUINMAN.
Een boom, die al te veel moet dragen, Verliest zijn kragt; Ook zou de vrugt zo niet behagen, Als gij verwagt. Uw vader heeft graag goede peeren:
DE VADER.
't Is wel gezegd: En 't deel van die te veel begeeren Is doorgaands slegt.
DE EENZAAMHEID.
Denk niet, lieve speelgenooten! Dat de tijd mij heeft verdroten, Toen ik gistren zat alleen. Die vermaak heeft in het lezen, Hoeft geen eenzaamheid te vreezen, Maar is altoos wel te vreên.
Vader zegt, dat brave menschen Dikwijls naar die uurtjes wenschen; Dikwijls naar hun kamer gaan, Om in oude en nieuwe boeken Wijze lessen optezoeken: En dat staat mij wonder aan.
'k Wou zo graag verstandig wezen, En ik worde ook graag geprezen, 'k Zeg, zo als het bij mij leit: Dient er dan, om veel te weten, Menig uurtje nog gesleten, Welkom! welkom! eenzaamheid!
LIJST DER KLEINE GEDICHTEN.
Aan twee lieve kleine jongens. Het kinderlijk geluk. De perzik. De kinderliefde. Alexis. De waare rijkdom. Het vrolijk leeren. Het medelijden. De naarstigheid. De spiegel. Klagt van den kleinen Willem op de dood van zijn zusjen. Het geschenk. Welkomgroet van Claartje voor haar kleine zusjen. De ledigheid. Het hondjen. Het gebroken glas. Eene vertelling. De godsdienstigheid. De haas. Eene vertelling van Dorisje. Jesus. Een zangstukje. De drijftol. De pruimeboom. Eene vertelling. De bedelaar. De ware vriendschap. Lotje en Keesje. De gezondheid. Klaartje en Keetje. Het gevonden liedje. De goede eerzugt. Eene klagt van Daantje. De klepperman. Klaasje en Pietje. Winterzang. Gods goedheid. Gods wijsheid. De edelmoedige wedervergelding. Het zieke kind. Het goede voorbeeld. Pietje en Keetje. Het geduld. Een godsdienstige jeugd maakt een gelukkigen ouderdom. De koolmees. Pietje bij het ziekbed van zijn zusjen. Het verhoorde gebed. Het tederhartige kind. De onbedagtzaamheid. De vogel op de kruk. Aan mijn kleine lezers. Jantje en het konijn. De zingende Willem. Morgenlied. De kleine zangster. Avondlied. De verkeerde vrees. De liefde tot het vaderland. De vegtende jongens. Het onweder. Claartje bij de schilderij van hare overledene moeder. De verwelkte roos. Mietje bij het clavecimbaal. Het verstandig antwoord. Het geweten. Een brief van Carel aan zijn zusje Caatje. De zwaluwen. Eene vertelling. De zon. Het lijk. Het vogelnestjen. Eene vertelling. Flipje, de tuinman, en zijn vader. De eenzaamheid.