Proeve van Kleine Gedigten voor Kinderen

Chapter 1

Chapter 13,704 wordsPublic domain

Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/

PROEVE VAN KLEINE GEDIGTEN VOOR KINDEREN.

TE UTREGT, BIJ DE WED. JAN VAN TERVEEN EN ZOON.

MDCCLXXIX.

De kinderen zijn een erfdeel des HEERE.

SALOMO.

VOORBERIGT.

Zie daar eenige kleine gedigten, ten behoeve van kinderen opgesteld. De maker weet zeer wel, dat hij, als digter, daar door weinig roem behalen kan, maar dat was ook zijn oogmerk niet. Hij bedoelde slegts eenige nuttige waarheden zo in rijm voortedragen, dat dezelven de kinderlijke vatbaarheid niet te boven gingen; en hij heeft ze zo klein gemaakt, op dat zij des te gemakkelijker, door enkel leezen, zouden kunnen in het geheugen geprent worden, zonder dat het noodig was, dat ze van buiten geleerd werden; iets waar de maker zeer tegen is, en dat daarenboven, enkel door herhaald leezen, geschieden kan.

Het geen aanleiding gaf tot het opstellen dezer stukjens is geweest--dat de maker zelf kinderen heeft, die thands zijn eenig en grootst vermaak zijn--dat men aan zulke stukjens in onze taal gebrek heeft--dat hij ook gaarne voor anderen nuttig is--en dat hij de Hoogduitsche _Lieder für kinder_ van WEISSE en de _kleine Lieder für kleine mädchen und jünglinge_ van G.W. BURMANN, met zeer veel genoegen, gelezen heeft; ook hebben zij hem menigmaal op den weg geholpen, schoon hij er eigenlijk geenen uit vertaald, of overgenomen heeft.

Zij zijn wel allen niet voor kinderen van vier of vijf jaaren geschikt, maar dit was ook juist niet noodig. Men kan zelf kiezen, welken men aan zijne kinderen wil laten lezen, ook kan men schielijk merken, of een kind verstaat wat het leest dan niet. De opsteller heeft met allen de proef genomen; en hij kan verzekeren, dat zijn oudste jongetjen--een kind van vijf jaaren--veelen van dezelven, op de eerste of tweede leezing, verstaan heeft; en daarom houdt hij zig verzekerd, dat alle deze stukjens voor kinderen, boven de vijf en beneden de tien jaaren, bruikbaar zijn. Ook mag het geen kwaad wanneer hier en daar het kinderlijk verstand eene kleine zwarigheid ontmoet, en daar door tot vragen en praten wordt opgewekt.

Wanneer ik het genoegen had, dat deze gedigtjens goedgekeurd en met vrugt gebruikt werden, zou ik met vermaak nu en dan een blaadjen voegen bij het geen ik thands aan mijne Landgenoten aanbiede. Het getal, dat ik thands geve, is groot genoeg, om er de proef mede te nemen.

AAN TWEE LIEVE KLEINE JONGENS.

Zie daar, lieve wigtjes! Een bundel gedigtjes, Vermaakt er u meê! En springt naar uw wooning; Maar ... eerst ter belooning Een kusjen of twee.

Door liefde gedrongen Heb ik ze gezongen, En wilt gij er meer, Gij moogt er om vragen. Wanneer ze u behagen Komt huppelend weêr.

HET KINDERLIJK GELUK.

Ik ben een kind, Van God bemind, En tot geluk geschapen. Zijn liefde is groot; 'k Heb speelgoed, kleedren, melk en brood, Een wieg om in te slapen.

Ik leef gerust; Ik leer met lust; Ik weet nog van geen zorgen. Van 't speelen moe, Sluit ik mijn oogjens 's avonds toe, En slaap tot aan den morgen.

Geloofd zij God Voor 't ruim genot Van zo veel gunstbewijzen! Mijn hart en mond Zal hem, in elken morgenstond, En elken avond prijzen.

DE PERZIK.

Die perzik gaf mijn vader mij, Om dat ik vlijtig leer. Nu eet ik vergenoegd en blij. Die perzik smaakt naar meer.

De vrolijkheid past aan de jeugd Die leerzaam zig betoont. De naarstigheid, die kinderdeugd, Wordt altoos wel beloond.

DE KINDERLIEFDE.

Mijn vader is mijn beste vrind. Hij noemt mij steeds zijn lieve kind. 'k Ontzie hem, zonder bang te vreezen. En ga ik hupplend aan zijn zij', Ook dan vermaakt en leert hij mij; Er kan geen beter vader wezen!

Ik ben ook somtijds wel eens stout, Maar als mijn ondeugd mij berouwt, Dan wordt zijn vaderhart bewogen; Dan spreekt zijn liefde geen verwijt, Ja zelfs, wanneer hij mij kastijdt, Dan zie ik tranen in zijn oogen.

Zou ik door ongehoorzaamheid Dan maken, dat mijn vader schreit; Zou ik hem zugten doen en klagen; Neen, als mijn jonkheid iet misdoet, Dan val ik aanstonds hem te voet, En zal aan God vergeving vragen.

ALEXIS

Alexis heeft zijn zusjen lief, Wanneer ze in vrede leven; Hij noemt haar zelfs zijn hartedief, Als zij haar speelgoed hem wil geven. Maar als zij iet, dat hem behaagt, Voor haar, on meê te speelen, vraagt, Dan wordt die liefde ras verminderd; En als zij hem in 't doen van zijnen zin verhindert, Dan haat hij bijkans haar geheel. Ook is zij doorgaands hem te veel, Wanneer zij boven hem door iemand wordt geprezen.

Een liefde, die zo ras verkoelt, Die slegts op eigen voordeel doelt. Zou dat wel regte liefde wezen?

DE WAARE RIJKDOM

Geen geld bekore ons jong gemoed, Maar heiligheid en deugd. De wijsheid is het noodigst goed; Het sieraad van de jeugd.

Wat is tog rijkdom? wat is eer? Een handvol nietig slijk. Gods vriend te wezen is veel meer; Die Jesus lieft, is rijk.

Kom vallenwe onzen God te voet Om deugd en heiligheid: Zo wordt op aard ons jong gemoed Ten hemel voorbereid.

Dan krijgen wij dien besten schat, Die nimmermeer vergaat. Dan loopen we op het deugdenpad, En schrikken voor het kwaad.

HET VROLIJK LEEREN.

Mijn speelen is leeren, mijn leeren is speelen, En waarom zou mij dan het leeren verveelen? Het lezen en schrijven verschaft mij vermaak, Mijn hoepel, mijn priktol verruil ik voor boeken; Ik wil in mijn prenten mijn tijdverdrijf zoeken, 't Is wijsheid, 't zijn deugden, naar welken ik haak.

HET MEDELIJDEN.

Wie dat ik immer smart zie dragen, 'k Heb ook gevoel daar van. Ik sluit mijn oor niet voor zijn klagen. Maar help hem als ik kan.

Een mensch in droefheid optebeuren, Is zelfs voor kinders zoet. Die spotten kan met hen die treuren, Vertoont een slegt gemoed.

Zou mij eens anders leet verblijden? Zou 'k lagchen in zijn smart? O neen, een edel medelijden Past aan mijn kinderhart.

Ik wil dan met bedroefden klagen, Hen troosten in hun pijn. Eens anders last te helpen dragen, Zal mijn genoegen zijn.

DE NAARSTIGHEID.

Des morgens lang te slapen, Te geeuwen en te gapen, Staat lelijk voor een kind. Die altoos veel moet snappen, En zotte taal wil klappen, Ziet zelden zig bemind.

Zou ik mijn tijd besteden Aan duizend nietigheden? 'k Heb daar geen voordeel van. Mijn lessen wil ik leeren, Mijn meesters zal ik eeren, Dan worde ik haast een man.

DE SPIEGEL.

Die telkens in den spiegel ziet, En zig met schoonheid vleit; Beseft de waare schoonheid niet, Maar jaagt naar ijdelheid.

Dit glas maakt trots, of geeft ons pijn; Wil 'k weeten, wie ik ben, Dan moet Gods woord de spiegel zijn, Waar ik mijn hart uit ken.

KLAGT VAN DEN KLEINEN WILLEM OP DE DOOD VAN ZIJN ZUSJEN.

Ach! mijn zusjen is gestorven, nog maar veertien maanden oud. 'k Zag haar dood in 't kisje liggen: ach wat was mijn zusje koud! 'k Riep haar toe: mijn lieve Mietje! Mietje! Mietje! maar voor niet. Ach! haar oogjes zijn gesloten; schreien moet ik van verdriet. Altoos wil ik om haar treuren, bloempjes strooien op haar graf; Weenend aan de kusjes denken, die mij 't lieve meisje gaf. Morgen zal ik--maar voor mij ook is 't gevaar van sterven groot. Gistren liep zij met mij speelen; gistren nog! en nu--reeds dood!

HET GESCHENK.

Moeder lief! zie daar een roosjen Van uw Coosjen, Wijl gij heden jarig zijt. 'k Heb van morgen al gezongen, En gesprongen: Zo verlangde ik naar dien tijd.

Maar kan ik geen rijmpjes digten, Moet ik zwigten Voor mijn broêr in poëzij. Neem dan, moeder! slegts dit roosjen Van uw Coosjen. 'k Heb u tog zo lief als hij.

WELKOMGROET VAN CLAARTJE VOOR HAAR KLEINE ZUSJE.

Welkom lieve kleine zus! Welkom in dit leven! Baker! mag ik niet een kus Aan mijn zusje geven.

Wilje slapen? o zij krijt! 't Zal haar wis verveelen. Morgen, als gij wakker zijt, Zal ik met u speelen.

Slaap gerust, dan wordt gij groot; Leer tog spoedig loopen! Als gij zit op moeders schoot, Zal zij speelgoed koopen.

O! Mamatjen is zo goed! Alles wil zij geven, Als haar kindertjes maar zoet En te vrede leven.

DE LEDIGHEID.

Nimmer moet ik ledig wezen; Alles doen met lust en vlijt. Bidden, leeren, schrijven, leezen, Spelen, werken heeft zijn tijd.

Moeder lief kan 't ook niet veelen, Dat de tijd verwaarloosd wordt. Lui zijn, zegtze, is tijd te steelen, En ons leven is zo kort!

HET HONDJEN.

Hoe dankbaar is mijn kleine hond Voor beentjes en wat brood! Hij kwispelstaart, hij loopt in 't rond, En springt op mijnen schoot.

Mij geeft men vleesch en brood en wijn, En dikwijls lekkernij: Maar kan een beest zo dankbaar zijn, Wat wagt men niet van mij!

HET GEBROKEN GLAS.

EENE VERTELLING.

Cornelis had een glas gebroken Voor aan de straat. Schoon hij de stukken had verstoken, Hij wist geen raad. Hij had een afschrik van te liegen. Wijl God het ziet: En zou hij nu Mama bedriegen, Dat kon hij niet.

Hij stond onthutseld en bewogen, De moeder komt: Zij ziet de tranen in zijn oogen, Hij scheen verstomd. Heeft Keesje, zeize, wat bedreven? Wat scheelt er aan? 'k Heb zei hij, moeder lief! zo even Weer kwaad gedaan.

Terwijl ik bezig met paletten Bij 't venster was. Vloog mijn _volan_, door 't fors raketten, Daar in het glas. Maar als uw Keesje 't van zijn leven Niet weder doet, Dan wilt gij 't immers hem vergeven, Gij zijt zo goed!

Kom Keesje lief! hou op met krijten, Zei moeder toen: 'k Wil u die misslag niet verwijten, Hij kreeg een zoen. "Die altoos wil de waarheid spreken, "Wordt wel beloond, "Die leugens zoekt voor zijn gebreken, "Wordt nooit verschoond."

DE GODSDIENSTIGHEID.

Als in de lieve lente De bloemen 't veld versieren, Dan pluk ik roozeknopjes, Viooltjes, maagdeliefjes, Citroenkruid en seringen. Dan zal ik kransjes vlegten, En dragen die ter eere Van God, die mij het leven En bloempjes heeft geschonken. Dan zinge ik: Hemelkoning! Gij doet viooltjes groeien, Met roosjes, maagdeliefjes, Citroenkruid en seringen, Met duizend duizend bloemen; Om uwe magt en liefde Aan kinderen te toonen. Hoe mooi staat mij dit kransjen! Ach laat mij niet vergeten Dat gij het hebt doen groeien!

DE HAAS.

Kijk Pietje! kijk, een haas, ô die zo gauw kon loopen! Neen, zei de slimme Piet, Wilt gij een haasjen zijn, ik niet: 'k Wil liever langsaam gaan, dan 't met den dood bekoopen.

Hij, die altoos wel te vreden Met vermogens die hij heeft Vergenoegd en dankbaar leeft, Kan zijn gaven wel besteden. Maar dat hij, die altoos kniest, En wat andren zijn wil wezen, Zelfs het geen hij heeft verliest, Heb ik meer dan eens gelezen.

EENE VERTELLING VAN DORISJE.

Wij zaten laatst bij _Saartje_, Onze oude goede baker, Die sprookjes kan vertellen. Wij dronken chocolade, En deden honderd vragen.

In 't einde zei ons _Saartje_: Wel nu, mijn hartediefjes! Gij kent de vier getijden, Wat houdt gij voor het beste?

Toen zei mijn zusje _Mietje_, Die tijd is mij de liefste, Wanneer de boomen bloeien. Dan krijgt men mooie bloempjes, Om tuiltjes van te vlegten. Dan ziet men duizend vogels Op groene takjes zingen. Is dat niet in de lente?

De winter, lieve _Saartje_! Zei _Pietjen_, is de beste. Dan hooren wij vertellen, En drinken chocolade, Of eeten dikke wafels.

Neen ik verkies den zomer Zei _Keesje_, dan is 't kermis. Dan hoef ik niet te leeren.

Maar ik zei, 't is het beste, Als meest de vrugten rijp zijn. Dan valt er braaf te knappen. Dan heeft men abricoozen, En pruimen, en morellen. En perzikken en peeren: En is dat niet in 't najaar?

Hoort kinders, zeide _Saartje_, De winter moet de velden En tuinen vrugtbaar maken. Men moet de boomen snoeien; Den akker moet men mesten; Dat doet men in den winter. De boomen moeten bloeien,

Om vrugten ons te geven; Dat doen zij in de lente. De vrugten moeten groeien; Dat doen zij in den zomer. Men moet de vrugten plukken; Dat doet men in het najaar.

Dus moet gij, lieve kinders! In alle jaargetijden Gods wijze goedheid loven, En wel te vrede wezen.

JESUS.

een Zangstukje.

CLAARTJE _en_ JANTJE.

te samen.

Jesus is een kindervriend! Onzer wil hij zig erbarmen. Hij nam kinders in zijn armen; Jesus is een kindervriend!

CLAARTJE alleen.

Ach was Jesus nog op aarde! Aanstonds vloog ik naar hem heen.

JANTJE alleen.

Ach was Jesus nog op aarde! 'k Vloog met u naar Jesus heen.

te samen.

Zoon van God! die eeuwig leeft! Hoor ons smeeken, En vergeeft Onze stoutheid en gebreken! Zoon van God! die eeuwig leeft! Zegen onze jeugd, en geeft, Dat wij dikwijls van U spreken!

DE DRIJFTOL

Nooit loopt mijn drijftol zonder slagen; Want hou ik op, dan loopt hij niet. Ik heb in al dat slaan verdriet, En zal om ander speelgoed vragen.

Maar is 't ook zo met Flipje niet? Ja; had ik nimmer slaag te vrezen, 'k Zou zelden in mijn boeken lezen, En dat geeft vader ook verdriet.

Foei dat ik van een tol moet leeren, Met vlijt te werken zonder dwang. 'k Wil tot mijn straf, mijn levenlang Geen ander speelgoed gaan begeeren.

DE PRUIMEBOOM.

EENE VERTELLING.

Jantje zag eens pruimen hangen, o! als eieren zo groot, 't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken, schoon zijn vader 't hem verbood. Hier is, zei hij, noch mijn vader, noch de tuinman, die het ziet; Aan een boom, zo vol geladen, mist men vijf zes pruimen niet. Maar ik wil gehoorzaam wezen, en niet plukken: ik loop heen. Zou ik, om een hand vol pruimen, ongehoorzaam wezen? Neen. Voord ging Jantje: maar zijn vader, die hem stil beluisterd had, Kwam hem in het loopen tegen voor aan op het middelpad. Kom mijn Jantje, zei de vader, kom mijn kleine hartedief! Nu zal ik u pruimen plukken; nu heeft vader Jantje lief. Daar op ging Papa aan 't schudden, Jantje raapte schielijk op; Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen, en liep heen op een galop.

DE BEDELAAR.

Die afgeleefde man, die bijkans nakend zit, En trillend van de kou, mij om een duitje bidt, Is even goed als ik. Gods wijsheid gaf alleen Mij wat meer geld dan hem. Ben ik dan beter?..Neen. Een vroom en eerlijk mensch draagt dikwijls slegte kleeren, Ik wil dan ook de deugd in arme menschen eeren, Die met veragting op hem ziet, Doet naar 't bevel van Jesus niet.

DE WAARE VRIENDSCHAP.

Een vriend, die mij mijn feilen toont; Gestreng bestraft, en nooit verschoont, Heeft op mijn hart een groot vermogen; Maar 't laag gemoed, dat altoos vleit, Verdenk ik van baatzugtigheid, Ik kan zijn bijzijn niet gedogen. Die zelden prijst, spreekt vriendentaal. Die altoos vleit, liegt menigmaal.

VERVOLG DER KLEINE GEDIGTEN VOOR KINDEREN,

VAN

MR. HIERONIJMUS VAN ALPHEN.

TE UTREGT, BIJ DE WED. JAN VAN TERVEEN EN ZOON.

MDCCLXXVIII.

Het zaad zal hem dienen.

DAVID.

VOORBERIGT.

Ik ben veel te gevoelig over het gunstig onthaal, dat mijne _kleine gedigten voor kinderen_ bij mijne Landgenooten gehad hebben, dan dat ik mijne blijdschap en dankbaarheid, deswegens, niet openlijk betuigen zou. De mondelijke en schriftelijke verklaringen van het genoegen, door dezen mijnen geringen arbeid veroorzaakt, hebben mij dikwijls sterk aangedaan; ja dikwijls riep ik bij zulke gelegenheden uit:

Tranen vloeien uit mijn oogen, Lieve kinders, als gij mij Vraagt om meerder poëzij. Ach! mijn hart, zo ligt bewogen, Zegent God, die eeuwig leeft, Dat hij mij die blijdschap geeft!

Het is derhalven geen traagheid, geen lusteloosheid geweest, die mij het voordzetten van dezen arbeid zo lang heeft doen verschuiven. Wat dan?--louter onvermogen, mijne waarde Landgenooten! Ik kan, als digter vooral, niet werken wanneer ik wil; en zo dra ik mij zelf dwingen moet, valt alles kwalijk uit. Ik heb dan gewagt, tot dat ik weder in die gesteldheid geraakte, in welke ik mijne eersten vervaardigd heb; en het is de vrugt van die uuren, welke ik nu wederom aan onze kinderen aanbiede; in hoop dat dezelven even zo mogen behagen als de eersten.

Ik had lang mijne gedagten laten gaan, en zelfs eenige middelen aangewend, om eenige kunstplaatjes bij deze kinderversjes te voegen, toen mij de Hr. ALLART, _Boekhandelaar te Amsterdam_, eenen weg aanwees, om daar in tot mijn genoegen te slagen. De plaatjes zullen, onder mijn opzigt, door den Kunstschilder J. BUYS geteekend, en door de Heeren PUNT en VAN DER MEER gegraveerd worden; van welker bekwaamheid men eene proeve zien kan in de fraaie plaatjes voor Gellerts fabelen; welke plaatjes men, zo wel als die fabelen, aan onze Nederlandsche jeugd niet genoeg kan aanbeveelen.

Deze plaatjes zullen, zo laag mogelijk, gesteld worden, en de versjes egter afzonderlijk te bekomen zijn. Zij egter, die zig van de eersten en beste afdrukken voorzien willen, gelieven, bij hunne Boekverkopers, of bij J. ALLART, te _Amsterdam_, of bij de WED. J. V. TERVEEN EN ZOON _alhier_, hunne namen optegeven; zullende de eerste afdrukken aan dezulken, zo dra mogelijk, worden afgeleverd.

Vaartwel mijne Landgenooten! en weest verzekerd, dat het mij altoos een gevoelig genoegen zal zijn, iets tot nut of vermaak van u of uwe kinderen te kunnen toebrengen.

Ik moet hier nog bijvoegen, dat er redenen zijn, die mij noodzaken, om geene exemplaren voor egt te erkennen, dan die door de drukkers dezes eigenhandig dus onderteekend zijn,

LOTJE EN KEESJE.

KEESJE.

Zeg me zoete lieve _Lotje_! wat is de oorzaak, datge schreit: Hebtge uw beugeltas verloren, of gebroken, lieve meid?

LOTJE.

Zou 'k niet schreien, waarde _Keesje_! moeder lief was niet voldaan Met mijn naaiwerk o! zij zag mij met verdriet en droefheid aan. Ja zij wilde mij niet kussen, zo als ze anders altijd doet. Foei mij! ach! dat zulk een moeder om mijn stoutheid treuren moet.

KEESJE.

Wat kan 't baten, dat gij eenzaam in een hoekje zit, en klaagt. Ga, zij zal het u vergeven, als gij om verschoning vraagt.

LOTJE.

Zult gij dan mijn voorspraak wezen, mij geleiden:

KEESJE.

ja gewis: Zou ik niet voor _Lotje_ spreken, die mijn liefste zusjen is. Maar gij hebt geen voorspraak noodig, als gij moeder valt te voet, Zal zij 't zeker u vergeven, Moeder, weet gij, is zo goed. Gistren las zij voor ons beide, dat ook God de schuld vergeeft: 'k Weet, zij zal u wis verschoonen, daar zij zulk een voorbeeld heeft.

DE GEZONDHEID.

Gezondheid is een groote schat Om vergenoegd te leven. Ofschoon ik groten rijkdom had, Wat voordeel zou het geven, Zo ik, doorknaagd van angst en pijn, Mij zelven tot een last moest zijn.

Maar zou ik dan mijn Vaders raad Niet ijverig betragten? En gulzigheid en overdaad Niet mijden en veragten? Die nooit genoeg heeft voor zijn mond, Leeft zelden vrolijk en gezond.

KLAARTJE en KEETJE.

KLAARTJE.

Altoos werken, altoos lezen, Dat moet wel verdrietig wezen: Is het daarom dat men leeft? Lustig Keetje! nu aan 't spelen; Ach! de tijd moet u verveelen Dien gij aan uw meesters geeft.

KEETJE.

Nooit te werken, nooit te lezen, Altoos in den tuin te wezen, Is het daarom dat men leeft? Klaartje lief, hou op met spelen; Ach! de tijd moet u verveelen, Dien gij aan uw poppen geeft.

KLAARTJE.

Somtijds spelen, somtijds lezen, Dat zal wel het beste wezen, Keetje lief! kom speel met mij.

KEETJE.

't Zal dan zeker u verveelen, Op te houden van het spelen: Leer nu eerst, dan spelen wij.

Ter nauwer nood had Keetje dit gezegd, Of Klaartje had, beschaamd, haar poppen weggelegd.

HET GEVONDEN LIEDJEN.

'k Vond daar even dit papiertjen, 'k hoop dat ik het lezen kan. Boven staat er op geschreven: Hoe!.....

DE VERGENOEGDE MAN.

Kom kinders zet u bij mij neêr. 'k Zal u een liedjen geven. De vergenoegdheid is veel meer Dan schatten in dit leven.

Al heb ik weinig, 'k heb genoeg; Zou ik een man benijden, Die altoos mooie kleeren droeg, Maar zwaare pijn moest lijden.

Het werken houdt mij steeds gezond En vlug van lijf en leden. 'k Word wakker in den morgenstond Verkwikt en wel te vreden.

De honger, dien ik zelden mis, Doet mij veel grager eeten, Dan of ik aan een konings disch, Was dag aan dag gezeten.

'k Heb dikwijls water uit een bron Met meerder smaak gedronken, Dan ooit de wijn mij geven kon, Bij bekers ingeschonken.

En is de dag voorbijgegaan, Zie ik den avond rijzen, Dan hef ik eens een liedjen aan Om mijnen God te prijzen.

Nu lieve kinders, leeft als ik, Verblijdt u in Gods zegen! Zeg dankend ieder oogenblik, Wat heb ik veel gekregen!

Welk een lief en aartig liedjen! Hoe behaagt en treft het mij. Mogt ik leeren zo te leven, Vergenoegde man! als gij.

DE GOEDE EERZUGT.

EENE KLAGT VAN DAANTJE.

Ach mij! ik ben verdrietig, Ik heb den prijs verloren, Dien vader lief beloofd had, Aan hem, die 't beste leerde. Dat boek met mooie prentjes, Met groene zijde lintjes, Waar naar ik zo verlangde, Heeft Jantje nu gekregen; Om dat hij 't best kon schrijven, En 't vlugst was in het lezen. Ja op de kaarten kon hij De landen en rivieren, De zeeën en de steden, Het gauwst van allen vinden.

Maar zou ik hem benijden, En nu nog minder leeren? Neen, 'k wil zijn gaven prijzen, En hem te meer beminnen. Maar tevens zal ik tragten, Den eereprijs te winnen, Dien Vader weer beloofd heeft. 'k Wil dan wat minder spelen, Ik wil wat korter slapen, En groter vlijt besteden In 't horen naar de lessen, Die mij mijn meesters geven. Door al te veel te spelen, Door al te lang te slapen, Door telkens rond te kijken, Wanneer ik op moest letten, Heb ik den prijs verloren.

Dat boek met mooie prentjes, Met groene zijden lintjes Heeft Jantje dat gekregen! Ik kan het niet vergeten, Maar 't zal niet weer gebeuren.

DE KLEPPERMAN.

Zou ik voor den klepper vreezen, o! Die lieve brave man Maakt, dat ik gerust kan wezen, En ook veilig slapen kan. Moeder lief! 'k geloof het vast, Dat hij op de dieven past.

Schoon hij loopt door wind en regen, 't Zingen wordt hij nimmer moe: Goede God! geef hem uw zegen, Maar mijne oogjens vallen toe. Lieve klepper! hou de wagt Ik ga slapen: goede nagt!

KLAASJE EN PIETJE.

KLAASJE.