Part 6
Abé ging zwijgend heen. Hij groette geen mensch en de roovers keken niet eens meer naar hem om. Hij had evengoed 'n bruine kikker kunnen zijn, zooals er wel in 't bosch leefden. Daar letten de roovers ook niet op.
Ze reden weg om de duizend goudstukken te gaan verdienen, die ze wel nooit zouden te pakken krijgen, want ze reden net de verkeerde kant uit.
Abé luisterde naar 't geluid van de wegdravende paarden. Hij stond stil en wachtte. 't Klonk al zachter en zachter ... en eindelijk hoorde hij niets meer. Toen keerde Abé weer terug naar 't roovershuis.
Hij ging nu zelf ook eens roovertje spelen, want hij was van plan in te breken in 't roovershuis om zich van wapens te voorzien en van andere kleeren en van geld als hij 't vinden kon. Dat reizen als 'n boerenjongen beviel hem heelemaal niet en zonder wapens 't bosch door trekken leek hem ook niet plezierig. Maar bovendien had hij ondervonden, dat gewapend zijn hoog noodig was in Huk. Als hij 'n zwaard gehad had, zou die vriendelijke boer niet zoo ongelukkig te pas zijn gekomen, meende hij. Wellicht was de strijd dan anders uitgevallen.
De roovers hadden hun huis sekuur genoeg gesloten. Daar was geen inbreken aan. Maar Abé had 't heele gebouw goed bestudeerd en hij wist dat er aan de stal 'n plank los zat, die hij zelf nog 'n beetje losser gemaakt had. Daar hadden de roovers geen erg in gehad. En nu was 't een klein kunstje voor hem om door de stal naar binnen te komen en op z'n gemak de heele boel te doorsnuffelen.
Hij vond al heel gauw iets waar ie zich mee verdedigen kon. 'n Mooi kort zwaard en 'n prachtige dolk. Gestolen goedje natuurlijk, maar dat kon Abé nu niet schelen. Hij nam 't maar omdat ie niet anders kon. Met de kleeren had ie meer moeite en hij moest zelfs met 'n hamer en 'n breekijzer aan de gang om op de zolder kisten open te breken, waarvan hij dacht, dat ze misschien iets konden bevatten, dat voor hem bruikbaar was. Hij vond genoeg, maar er was weinig bij dat hem paste. En prachtige kleeren waren er, juist geschikt voor 'n prins. Hij zocht maar weer verder, er zou onder die hoop goed toch wel iets zijn dat hij gebruiken kon. Na lang zoeken en passen, had hij toch iets gevonden. 't Zat hem wat ruim, maar 't ging toch. Of de stukken bij elkaar hoorden kon hem minder schelen. Hij leek toen hij ze aanhad niets meer op 'n boer of 'n landlooper. Dat was 't voornaamste.
Nu nog wat geld! Dat moesten die roovers toch óók genoeg hebben, dacht ie. Maar dat viel tegen. Ze hadden 't zeker ergens verstopt. Hij doorzocht alles, doch de buit was erg matig. 'n Paar zilverstukken vond ie in 'n tasch die aan de muur hing. Dat was niet genoeg om er 'n paard voor te koopen en dàt was ie van plan. Nog maar eens van voor af aan zoeken. Hij had de tijd.
't Gaf niemendal. Er was geen geld in 't roovershuis.
"Waar niets is verliest de keizer z'n recht," dacht Abé. "Dan ga ik maar weer zonder geld op reis. Ik zie er tenminste weer knap uit en ik kan van me afslaan. Had ik nu maar 'n paard. En dan zou 't 'n knappe kerel zijn die 't weer onder me vandaan kreeg, zooals 't met m'n goeie schimmel gebeurd is."
"Weet je wat ik doen kon?" dacht Abé. "Ik neem zoo'n paar van die schaaltjes mee, die in die kist zijn. Misschien is 't goud en dan kan ik er me toch 'n paard voor koopen. Ik heb nu 'n overkleed met wijde zakken. Daar kunnen ze gemakkelijk in."
Zoo toegerust verliet hij 't roovershuis en stapte met 'n blij hart 't bosch in. Hij nam niet de richting die een der roovers hem 's morgens gewezen had. Dat vertrouwde hij niet. Maar hij ging de kant op waarheen de roovers gereden waren. Dat was, herinnerde hij zich, ook de weg waarlangs zij hem naar 't roovershuis gevoerd hadden.
't Was 'n heerlijke wandeling en hij merkte al gauw dat ie zich voor wolven niet bevreesd behoefde te maken. Ze waren er niet. En hij kwam al heel spoedig op 'n tamelijk breede boschweg. Doch nu wist ie niet meer of hij links of rechts moest. Dat was lastig. Maar Karibo had hem geleerd, dat ie in zoo'n geval altijd maar z'n eerste inval moest volgen en z'n eerste gedachte was geweest: rechts! Dus rechts. 't Was 'n heele goede inval geweest: na 'n goed uur was ie 't bosch uit en op 'n landweg. Maar de groote weg naar Pomfriet was 't niet. Die was breeder dacht ie. Dan maar weer de inval volgen, die hij kreeg toen ie 't bosch uitkwam! Ja kon ie dat maar. Doch hij had geweifeld. Links of rechts? En nu moest ie dus zelf kiezen. Hij koos maar weer rechts en dat was glad verkeerd, want nog geen kwartier verder aan z'n linker kant liep de groote weg naar Pomfriet. Hij liep wel 'n uur langs deze eenzame weg voort zonder iemand te ontmoeten. Dat viel hem tegen, want hij zou graag geweten hebben waar hij was en waarheen deze weg hem bracht. Er schenen daar in de buurt ook niet veel menschen te wonen, want nergens zag hij 'n huis. 't Land was heuvelachtig en dus stonden er misschien toch wel huizen achter zoo'n heuvelrug, maar dan kon je ze niet zien van de weg af. Als 't tegen de avond geweest was, had hij misschien wel eens zoo'n heuvel beklommen om te zien of er geen woning achter stond, doch nu had hij er niet veel zin in. Hij ging maar liever 'n beetje uitrusten in 't gras, dan kon hij er tegelijk eens over nadenken, wat ie nu eigenlijk verder beginnen zou. Hij had daar net 'n mooi plekje voor en veilig was 't daar ook. Vlak bij waren struiken. Daar kon hij zich in verstoppen, als per ongeluk de roovers er eens mochten aankomen. Hij dacht wel van niet want die zouden toch niet op zoo'n eenzame landweg naar die prins aan 't zoeken zijn. Doch je kon 't nooit weten. En als ze hem vonden, zou er wat voor hem opzitten, want al plunder je andere menschen, dan vindt je 't toch nog niet goed als je zelf ook eens geplunderd wordt. En Abé had de roovers leelijk geplunderd. Nu hij z'n kleeren eens goed bekeek leken ze hem nog al kostbaar toe, vol gouden versierselen. Misschien was z'n overkleed alleen wel genoeg waard om er 'n paard voor in te ruilen. Dat hoopte hij maar, want 'n paard had ie vooral noodig.
De vijf roovers waren op het oogenblik toen Abé aan hen dacht juist aan de andere kant van het bosch. Daar stond 'n herberg, waar ze heen gereden waren om iets naders omtrent de verloren prins te vernemen. Ze moesten toch weten hoe hij er zoowat uitzag. De herbergier en de roovers waren altijd goede maatjes. Ze kenden elkaar allang. Ook nu ontving hij z'n gasten heel vriendelijk en toen ze al heel gauw over prins Alphabet begonnen kon de herbergier hen genoeg vertellen. Hij wist er precies alles van. Doch toen de herbergier meegedeeld had, wat ie wist, keken de vijf roovers elkaar aan of ze van lotje getikt waren. Dit hadden ze vierentwintig uur vroeger moeten weten! Want 't werd hen opeens duidelijk, dat die prins ... 'n jongen met lang zwart haar, als 'n boer gekleed ... en die ze prins Alphabet noemden, maar die eigenlijk prins Abecé heette, wel eens dezelfde jongen kon zijn, die bij hen de paarden had moeten verzorgen en die ze die morgen alleen 't bosch ingezonden hadden.
"Hij heette Abé," zei er een, "dat kan best 'n afkorting van Abecé geweest zijn."
"Daar heb je gelijk aan," zei de hoofdman, "en die jongen leek me ook geen boertje... Maar als ie die prins Alphabet was ... dan zou ie 't wel gezegd hebben dunkt me. Ja ... 'n prins zal zich maar zoo door roovers als wij in de stal laten gebruiken! En dan, die jongen had geen cent op zak. Hij had als 'n landlooper bij die boer overnacht... Ik geloof er geen steek van!"
"Maar ik geloof 't zeker" ... kwam 'n tweede. "En ik geloof dat we verstandig deden als we hem weer gingen opzoeken. Ik heb hem vanmorgen de weg gewezen... Als ie die gevolgd heeft en dat zal ie dunkt me wel, dan weet ik precies waar hij op 't oogenblik is. Laten we er gauw heenrijden... Is ie 't niet, dan is er nog niets verloren."
"Je hebt gelijk," zei de hoofdman. "Vooruit dan maar."
ZESDE HOOFDSTUK.
Waarin hevig naar prins Alphabet gezocht wordt en alvast z'n witte paard teruggevonden wordt.
Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht doorzochten alle huizen langs de weg naar Pomfriet en vonden niets. Niemand wist iets van 'n jongen in 'n boerenkleeding en met lang haar. Totdat ze in 't dorp kwamen waar Abé overnacht had. Daar vonden ze 'n huilende boerenvrouw en 't heele dorp in rep en roer. Karibo vernam, dat de boer wiens vrouw zoo bedroefd was, de vorige dag met z'n twee knechts naar de paardemarkt gereden was, 's morgens voor dag en dauw en dat ze geen van drieën terug gekeerd waren. Nu was er 'n heele troep dorpelingen op uit om die drie weer op te sporen. Er was ook 'n jongen bij geweest, 'n landlooper, maar daar maalden ze geen van allen om.
"Hoe zag die jongen er uit?" vroeg Karibo aan de vrouw. "Had ie lang zwart haar?
"Ja, lang zwart haar had ie en hij was verder gekleed als 'n boerenjongen."
"Duizend goudstukken voor degeen die die jongen terugbrengt," riep Karibo en de oude Pirlapan brulde 't nog eens heel hard, zoodat al die menschen opeens niet meer aan de boer en z'n knechts dachten maar alleen aan den jongen met lang zwart haar.
Dat was me nog eens de moeite waard hoor! Duizend goudstukken!! Daar kon je gerust je werk voor in de steek laten, want 't moest toch niet zoo moeielijk zijn die jongen terug te vinden. En er waren er 'n heeleboel die maar dadelijk er op uit trokken, zelfs zonder eerst na te vragen waar ze die jongen brengen moesten, als ze hem gevonden hadden.
Karibo en de Pirlapans begonnen nu ook weer hoop te krijgen dat ze prins Alphabet wel gauw zouden terugvinden. Hij was zes en dertig uren geleden in dat dorp geweest en kon dus nog niet zoo heel ver weg zijn. Ze zouden er maar gauw weer op uit gaan, dan haalden ze hem zeker in. Bovendien hadden de dorpelingen, die de wegen in den omtrek goed kenden ook nog veel kans om hem te vinden en als die hem zagen zouden ze hem wel goed stevig vasthouden, want je hield meteen duizend goudstukken vast. Om die boer en z'n twee knechts gaven Karibo en Pirlapan geen lor. Die waren zeker na de markt in de stad gebleven. Die zouden wel weer boven water komen.
Doch toen de stoet van Karibo en Pirlapan juist vertrekken zou kwamen de dorpelingen terug die de boer waren gaan zoeken en ze brachten de boer mee, maar de man was zoo dood als 'n pier. Van de knechts hadden ze geen spoor ontdekt en van de jongen ook niet.
De dorpelingen waren zeer ontsteld en de arme vrouw jammerde verschrikkelijk. Iedereen hield de twee knechts natuurlijk voor de daders. Karibo en Pirlapan ook. Doch nu begrepen ze heelemaal niet waar Abé kon gebleven zijn. 't Waarschijnlijkste was, dat ie toen de knechts hun baas aanvielen, maar zoo gauw mogelijk 'n goed heenkomen gezocht had. En dan zou hij wel z'n weg naar Pomfriet hebben voortgezet. Die kant moesten ze dus op.
Ze reden weg en kwamen voorbij de plek waar de roovers de boer en z'n knechts hadden overvallen. Ze hadden niemand uit het dorp bij zich die 't hen wijzen kon en ze reden er voorbij zonder er op te letten. Anders zouden ze misschien wel gemerkt hebben, dat er aan de rand van dat bosch wat gebeurd was en dat er paarden 't bosch in gegaan waren. Dat kon iedereen duidelijk zien die er op lette. En dan hadden ze Abé gauw genoeg kunnen vinden. Nu klopten ze maar weer aan alle huizen langs de weg aan en zoo kwam 't ook dat de roovers van die duizend goudstukken gehoord hadden die als belooning waren uitgeloofd voor hen die den prins terugbracht.
Toen Karibo na twee dagen nog niets ontdekt had, verdeelde Pirlapan z'n troep weer in afdeelingen, want als Abé op de groote weg gebleven was hadden ze hem al lang ingehaald. Ze zouden dus maar weer overal in de omtrek gaan naspeuren. Overal reden nu kleine troepen heen onder aanvoering van 'n Pirlapan en die kwamen telkens menschen tegen die ook op zoek waren naar de prins en de duizend goudstukken.
Eén troep en daarbij was de jongste Pirlapan, die zoo op z'n kop gehad had van Abé, was 't bosch in gereden waar de roovers huisden. Ze wisten geen weg en daarom waagden ze zich maar niet in 't kreupelhout. Ze bleven op de paden. Dat vonden ze voldoende, want prins Alphabet zou wel niet voor z'n plezier in 't kreupelhout gaan wandelen. Daardoor kwam het dat ze op 'n goede dag op vijf minuten afstand 't roovershuis voorbij reden, zonder er erg in te krijgen, dat er 'n woning zoo dichtbij was, waar degeen die ze zochten 't stalwerk voor roovers moest verrichten. Zoo reden ze dagen lang door 't bosch en naar ze meenden hadden ze geen hoekje onbezocht gelaten. En ze kwamen terug bij Karibo en de oude Pirlapan met 't bericht dat prins Alphabet in 't bosch niet was. Telkens kwam er 'n andere troep terug met dezelfde boodschap: geen prins Alphabet. Als die jongen in de grond verzonken was had hij niet onvindbarer kunnen zijn. Karibo werd er hoe langer hoe wanhopiger onder. Er waren zelfs oogenblikken dat hij de moed heelemaal opgaf. Doch dan kwam de oude Pirlapan hem moed inspreken. Die zei: "Wat! We vinden de prins hoor. Dat is geen jongen, die zoo maar wat overkomt. Daarvoor is hij te flink."
Maar Karibo geloofde 't niet wat Pirlapan zei. Hij was bang dat Abé verongelukt was.
Op 'n morgen ontmoetten ze de Pomfrietsche heeren, die op hun gemak weer naar Pomfriet reden, iedere dag 'n klein stukje. Die lachten Karibo en Pirlapan in hun gezicht uit. Ze hielden Karibo nu heelemaal voor 'n bedrieger en Pirlapan voor 'n ouwe gek, die zich door zoo'n slimme gelukzoeker wat liet wijs maken. Ze wilden er haast niet eens naar luisteren toen Karibo hen vertelde, waar de keizerlijke prins 't laatst was geweest. Ze geloofden er toch niemendal van.
Pirlapan was woedend op die stadsche heeren, die niet mee wilden zoeken naar hun prins. "Als ie later keizer is kruipen ze allemaal om hem heen," bromde hij. "Maar wat voor hem opofferen, ho maar."
"Och," zei Karibo, "je moet 't hen maar niet kwalijk nemen. Ze gelooven 't immers niet?"
"Had hen dan die kleeren laten zien," mopperde Pirlapan.
"Dan hadden ze 't nòg niet geloofd," antwoordde Karibo. "Bovendien aan zulke lui heb je toch niemendal. Die loopen je overal maar in de weg."
"Daar heb je gelijk aan Karibo. Maar wat zullen we nu doen? Waar zullen we zoeken?"
"Ik weet 't niet Pirlapan...," zei Karibo moedeloos. "Ik weet niets meer. Als er geen wonder gebeurt krijgen we onze prins nooit terug."
Pirlapan gaf de moed niet op. Al moet ik tien jaar zoeken door heel het land Huk dan doe ik 't, maar terugvinden zal ik de prins, zei hij. Er zal weer 'n keizer over Huk regeeren, die er recht op heeft of ik heet geen Pirlapan.
Dat was heel pleizierig te hooren voor Karibo, maar 't hielp zoo weinig. 't Is lastig om 'n speld in 'n hooiberg op te zoeken, maar 'n prins terugvinden die geen mensch kende, scheen nog moeilijker.
Er werd zoo langzamerhand door iedereen naar Abé gezocht, want de menschen vertelden 't aan elkaar, dat er duizend goudstukken als belooning waren uitgeloofd voor 't terugbrengen van den verloren prins en daarom gingen er steeds meer op uit. Sommigen gingen op hun eentje. Die wilden de duizend goudstukken alleen verdienen. Maar anderen meenden dat ze gemakkelijker hun doel konden bereiken als ze met elkaar gingen. Dan moesten ze wel deelen, doch de winst zou nog groot genoeg zijn. En door deze prinsenzoekers werden allerlei jongens opgepakt. Telkens kwamen ze met zoo'n jongen, die naar zij meenden, beantwoordde aan de beschrijving, die ze er van gehoord hadden, bij Karibo en Pirlapan aan. Iedere jongen die donker haar had en in de laatste tijd niet geknipt was stond er aan bloot opgepakt te worden en al schreeuwde hij nog zoo hard dat ie geen prins was, 't hielp gewoonlijk geen steek. Mee moest ie.
Alleen de roovers pakten geen jongens op. Die wisten wel wie ze hebben moesten. En ze zochten ijverig de heele omtrek af, 't bosch hadden ze al doorsnuffeld van noord naar zuid en van oost naar west. Daar was ie niet. Maar de roovers wisten nog meer, wat ze ook zorgvuldig voor zich hielden. Ze waren thuis geweest en toen hadden ze al gauw gemerkt, wat Abé uitgevoerd had. Op zolder vonden ze z'n armelijke plunje en toen ze in hun kisten keken, want ze begrepen wel wat die jongen gedaan had, misten ze kostbare kleedingstukken, die ze eenige tijd geleden gestolen hadden bij de burgemeester van Lumkiping, 'n provinciestad aan de andere kant van 't bosch gelegen, aan de Lum, de grootste rivier van Huk, waaraan ook Pomfriet lag. Langs deze rivier, liep ook 'n breede weg naar Pomfriet, maar die was zeer lang door de groote bochten die de rivier maakte. De menschen die te paard naar Pomfriet reisden, maakten liever gebruik van de weg, die Karibo ook genomen had, en waar langs ze nu aan 't zoeken waren. De landweg waarop Abé terecht gekomen was, toen hij uit 't bosch kwam was de verbinding tusschen die twee groote wegen.
De roovers hadden dus maar te zoeken naar iemand die de beste kleeren van de burgemeester van Lumkiping droeg, en daar zouden de overige prinsenzoekers nu wel juist niet naar kijken. Die zochten 'n boerenjongen. Zelfs de soldaten van de lijfwacht, zouden nu weinig kans hebben meenden de roovers, en de duizend goudstukken zouden dus waarschijnlijk wel in hun zakken terecht komen. En 't leek wel, dat ze 't bij 't rechte eind hadden, want toen ze 't heele bosch hadden doorzocht, iedere roover was 'n andere richting uitgegaan, kwamen ze weer in 't roovershuis bij elkaar en daarna gingen ze gezamenlijk dezelfde weg op die Abé genomen had. Dat was per geluk en zoo kwamen ze op de weg naar Lumkiping waar Abé de vorige dag was geweest. En nu ondervroegen ze iedereen die aan die weg woonde of ze niet iemand gezien hadden die gekleed was in 'n deftig donkerrood gewaad met goud geborduurd, en die 'n roode muts droeg, van fluweel met twee opstaande veeren... 't Duurde niet heel lang of ze wisten genoeg. Maar dat was toch niet erg naar hun zin. Die jongen was regelrecht op weg naar Lumkiping en als ie die stad bereikte, was 't wel vast, dat ie opgepakt werd, want iedereen wist daar van de diefstal bij de burgemeester en iedereen kende ook dat mooie kleed, dat de burgemeester enkel maar droeg bij heel plechtige gelegenheden. Nu was 't gelukkig dat die jongen te voet ging. Hij kon dus nog onmogelijk Lumkiping bereikt hebben. Als zij hun paarden lieten rennen zoo hard ze maar konden, hadden ze nog 'n kansje de prins en de duizend goudstukken te vangen. En dat deden ze dus ook.
Terwijl de roovers zoo snel ze maar konden achter Abé aanrenden stapten de paarden van Karibo en de oude Pirlapan op de weg naar Pomfriet langzaam naast elkander voort. De jonge Pirlapans en de soldaten waren er weer op uit naar alle kanten, en de twee aanvoerders hadden afgesproken dat ze hen in 't volgende dorp wel zouden wachten. Ze moesten nu hun tochten maar eens wat verder uitstrekken. Ze moesten maar acht dagen lang zoeken wat ze konden... als ze de prins dan nog niet gevonden hadden konden ze terugkeeren. Dan zouden er weer andere maatregelen genomen worden, want dan stond 't wel vast dat Abé niet meer daar in de buurt was... "als ie nog leefde"... voegde Karibo er zuchtend bij.
Zwijgend reden ze naast elkander voort. Ook de oude Pirlapan was die morgen minder hoopvol gestemd dan anders. Hij vond 't ook 'n beetje vreemd, dat je met 'n paar honderd man, zoo heelemaal niets te weten kon komen. Hij rekende al die Hukkers die 't om de goudstukken te doen was maar niet eens mee. Menschen waar je heelemaal niet naar zocht kwam je iedere keer tegen en van zoo'n jongen zag je letterlijk niets... behalve dan z'n kleeren die ze bij de oude heks in beslag genomen hadden. Met gebogen hoofd zaten ze op hun paarden en merkten niet eens op, dat er iemand aan kwam draven op 'n groot paard. Eerst toen de man vlak bij was en hen voorbij reed keken ze op. Maar dat was dan ook 'n verrassing voor Karibo en voor Pirlapan. Die man die hen voorbij draafde bereed het witte paard van Abé! Karibo zou het uit duizenden herkend hebben en Pirlapan zag 't onmiddellijk aan 't tuig. 't Zelfde zadel had 't nog... en de roode toom... 't zag er alleen maar 'n beetje verslonsd uit... en 't paard was er ook niet beter op geworden. Zelfs Karibo's paard had z'n oude kameraad herkend, waar ie zoo lang naast geloopen had... en die z'n slaapkameraad geweest was in de stal vele jaren lang. 't Had blij gehinnikt. Maar de witte had geen antwoord gegeven.
"Zijn paard!" riepen ze bijna tegelijk en zonder er verder over te praten dwongen ze met 'n ruk aan de toom hun paarden om te keeren en ze sprongen de ruiter achterna. Die keek even om en merkte al dadelijk dat die twee wat in de zin hadden en hij vond 't maar beter te maken dat ie weg kwam. Hij voelde z'n geweten niet erg zuiver, want 't was dezelfde kerel, die Abé 't paard ontstolen had. Eerst was ie maar landlooper geweest, doch nu hij 'n paard had, was hij 't vak van struikroover gaan uitoefenen, die eenzame reizigers op de weg aanhield om hen te berooven. Het witte paard had zeker in de laatste tijd bij z'n nieuwe eigenaar niet veel rust gehad en zeker geen beste verzorging, zooals 't gewend was en daarom kon 't niet meer zoo snel voortkomen als vroeger. Pirlapan en Karibo bereden paarden, die goed op kracht waren en ofschoon de arme witte ongenadig slaag kreeg, wonnen de vervolgers met iedere minuut. Pirlapan had z'n speer reeds opgeheven om de struikroover even van z'n paard af te helpen. Dat was voor hem 'n klein kunstje, hij wierp sekuur, en de bandiet zou wel niet lang meer geleefd hebben, als Karibo hem niet toegeroepen had niet te werpen. Ze kregen de vent toch wel. Pirlapan was 't eerst naast hem en ofschoon de roover poogde Pirlapan met 'n scherpe lange dolk te raken, hielp hem dat niemendal, want Pirlapan die vechten kon als de beste, gaf de kerel 'n tik met 't hout van z'n speer, die hem hals over kop uit het zadel wierp. Ondertusschen had Karibo de witte bij de teugel gegrepen.
De struikroover meende nog 'n kansje te hebben om weg te komen. Hij trachtte tusschen de beenen der paarden door te sluipen om in de struiken langs de weg te vluchten, maar Pirlapan moest daar niets van hebben. Vlug sprong hij van z'n paard en had in 'n wip de kerel bij z'n kraag. Uit Pirlapan z'n knuisten te komen was 'n kunstje, dat de bandiet niet geleerd had. Dat merkte hij al heel gauw en toen gaf hij 't maar op. Karibo was nu ook van 't paard gekomen en begon de man te ondervragen.
"Hoe kom je aan dat paard?"
Geen antwoord.
"Wacht even," zei Pirlapan, "ik zal hem 'n beetje op dreef helpen. Hij is zeker stom van de schrik."
Hij nam z'n speer en nu kreeg de roover met 't dikke hout zoo'n ellendig pak ransel, dat de vent begon te schreeuwen als 'n jong varken.
"Zie zoo," zei Pirlapan, "vertel nou maar op. Nou weet je 't wel."
"Ik heb 't gekocht..."
"Daar zie je wel naar uit," zei Pirlapan en weer hief hij de speer op... "Zeg op... of ik sla je in gruzelementen... heb je dat paard van 'n kleine jongen gestolen, die je er 'n eindje op wou laten rijden? Geef antwoord, gauw..." En weer kreeg hij zoo'n tik.
"Au!" schreeuwde de bandiet...
"Heb je 't gestolen?..."
"Ja..."
"Heb je die jongen 'n klap met 'n knuppel gegeven?"
"Ja..."
"Jij gemeene schooier..." zei Pirlapan, "dat kost je je leven. Want je heb de keizer van Huk z'n paard gestolen..."
De man keek benauwd naar Pirlapan. Hij was bang voor nog meer klappen... Maar wat ie hem daar vertelde van de keizer van Huk, dat begreep hij niet. Hij had er ook wel van gehoord, dat er naar prins Alphabet gezocht werd... Hij was er zelf ook mee bezig, toen die twee hem te pakken kregen... maar dat ie 'n paard gestolen had van de keizer van Huk, daar wist ie niemendal van.
"Ik heb de keizer z'n paard niet gestolen," zei hij.
"Dat heb je wel..." bulderde Pirlapan... "Dàt is de keizer z'n paard!" en hij wees op de hijgende witte.
Nu was de roover de kluts heelemaal kwijt.
"We zullen hem maar meenemen," zei Karibo. "Laat 'm maar weer opstijgen."