Part 5
Ze zwegen allebei en de mannen buiten, die weer door 't venstertje loerden fluisterden met elkaar, want ze zagen wel aan Pirlapan en Karibo dat de zaak niet in orde was. En ze letten er geen van allen op dat 'n oud vrouwtje op d'r stok geleund langs de weg kwam aanloopen zoo snel ze kon. 't Was moeder Guldratsj, die al de mannen en paarden bij haar huisje ziende, zoo gauw mogelijk voortmaakte om te weten wat er aan de hand was.
"Wel, wel," riep ze met d'r oude stemmetje, "wat 'n menschen voor moeder Guldratsj hutje ... Heere ... me deur open. Op zij ... op zij ... wat hebben jullie in mijn huisje noodig?"
De soldaten keken verwonderd op, ze hadden haar niet gehoord vóór ze vlak bij was. Maar ze lieten haar gewillig door.
Moeder Guldratsj ging gauw naar binnen, maar bleef in de deur staan toen ze die twee mannen zag, die Abé's kleeren stonden te bekijken. Karibo had zich net gebukt om de roode schoenen op te nemen. Die hield ie nu in de hand. Moeder Guldratsj stond met de mond open van verwondering en 'n beetje van schrik.
De oude Pirlapan merkte haar 't eerst op.
"Ha," riep hij, "daar is iemand."
Nu keek Karibo ook op en zag 't oude vrouwtje scherp aan en dadelijk vroeg hij:
"Hoe komen die kleeren hier?"
"Och, och ..." zei 't vrouwtje alleen maar. Ze begreep dat daar misschien Abé's pleegvader stond, waarvan hij verteld had ... maar ze had ook de soldaten daar buiten herkend als diegenen die ze 'n paar dagen vroeger voorbij had zien gaan over de groote weg, die 'n prins gingen afhalen en dat alles bij elkaar maakte haar verward. Ze kon er geen touw aan vastknoopen.
"Spreek, ouwe heks!" brulde Pirlapan, die gauw woedend was, en daar schrok 't oude menschje zoo hevig van, dat ze zich aan de deurpost moest vasthouden. Was me dat ook 'n stem en zoo heel onverwacht!
"Kom moedertje," zei Karibo veel zachter, want hij kreeg plotseling, hij wist zelf niet waarom, meelijden met 't verschrikte vrouwtje, "zeg nu maar gauw hoe jij aan die kleeren komt."
"Och heer ..." antwoordde moeder Guldratsj ... "die zijn van 'n jongetje, dat ik verpleegd heb ... Hij is nou weg om z'n pleegvader op te zoeken ... heelemaal naar Pomfriet."
"Praatjes," bulderde Pirlapan opnieuw. "Hoe kan hij nou zonder kleeren naar Pomfriet op weg zijn. Je liegt, wijf."
Moeder Guldratsj was wel oud, maar bij de pinken. Ze had nu ze 'n beetje over de eerste schrik heen was niet zoo'n groote vrees meer voor de bromstem van Pirlapan en ze zei kalm hoewel nog een beetje beverig:
"Ik spreek de waarheid heer. Abé vond ik op de weg met 'n wond in z'n hoofd. 'n Gauwdief had hem met 'n stok geslagen en z'n paard geroofd. Toen heb ik de arme jongen mee genomen naar mijn huisje en daar is hij gebleven tot hij beter was. Toen kon ik hem niet meer houden. Hij wilde met alle geweld naar z'n pleegvader toe."
"Die pleegvader ben ik," zei Karibo. "Ik begrijp het al," ging hij voort tot Pirlapan. "Toen ik met die Pomfrieters hier in de buurt voorbij reed, was hij hier. Maar vertel me eens vrouwtje, hoe komt 't dat ie z'n eigen kleeren niet aangehouden heeft?"
"Och heer, de arme jongen had geen cent ... en nu dacht ik dat ie in minder voorname kleeren misschien makkelijker Pomfriet zou kunnen bereiken ... Hij heeft kleeren aan van mijn kleinzoon."
"'t Is wat moois," bromde Pirlapan, "de keizer van Huk in 'n boerenpakje als 'n bedelaar op weg naar zijn eigen hoofdstad zonder 'n cent ..."
Moeder Guldratsj zette groote oogen op, toen ze dat hoorde. Abé keizer van Huk! Hoe kon dat nou ...
"Keizer van Huk!" prevelde ze. "En wist ie dat dan zelf niet?"
"Nee ... ja ..." zei Karibo ... "Hoe bedoel je dat eigenlijk?"
"Wel," zei moeder Guldratsj, "toen ik hem vertelde, dat er 'n groote stoet onderweg was om de nieuwe keizer van Huk te gaan halen, ... prins Alpa ... Alpi ... ik kan die naam maar niet onthouden."
"Prins Alphabet, moeder," zei Karibo.
"Precies ... nou toen zei de jongen heelemaal niet, dat hij dat was."
"Dat kon ie ook niet, want hij weet niet, dat ze hem hier prins Alphabet noemen."
Moeder Guldratsj begreep er niet veel van--en Pirlapan zei alleen maar:
"Zoo, weet ie dat niet! Hoe lang is de prins al hier van daan?"
"Twee dagen geleden heer ..."
"Wat denk je Pirlapan," zei Karibo, "zouden we maar niet dadelijk opbreken? We hoeven nu maar langs de groote weg naar Pomfriet te zoeken. En wij moeten hem inhalen ... Wij zijn te paard en hij te voet ... Moedertje hoe zien die kleeren er uit die hij aanheeft?"
"Bruin, heer. Zooals de boeren hier veel dragen."
"Laten dan je mannen maar opstijgen Pirlapan," zei Karibo. "Ik hoop dat we hem vandaag nog vinden."
"Ik ook," zei Pirlapan.
Hij gaf bevel te paard te stijgen aan de soldaten, maar voor ze weg reden, sprak hij zacht 'n paar woorden met 'n paar van z'n eigen mannen. Die twee reden niet mee.
"Wat doe je Pirlapan?" vroeg Karibo, toen hij dat zag.
"Och," antwoordde die. "'t Is mogelijk dat die oude heks alles gelogen heeft. Ze kon best diefjesmaat zijn met die kerel die hem z'n paard ontstal... Nou laat ik haar maar zoolang opbergen in mijn kasteel. Vinden we prins Alphabet niet ... dan heb ik tenminste háár in m'n vingers en dan zal ze 'n beetje beter de waarheid moeten zeggen of ik heet niet Pirlapan."
Hij zei dat allemaal grimmig en Karibo begreep, dat tegenspreken niet veel zou helpen. Hij geloofde 't verhaal van 't oude vrouwtje wel, maar ... 't zou toch kunnen zijn dat Pirlapan gelijk had.
Snel reden ze. En iedereen, die ze tegen kwamen werd scherp ondervraagd. Maar zonder resultaat. De een had niets gezien en 'n ander twee boerenjongens tegelijk, 'n derde had er een op 't land zien werken en 'n vierde was er een op 'n paard tegengekomen. Maar als Karibo dan vroeg of degene die ze gezien hadden lang zwart haar had, schudden ze 't hoofd. 'n Jongen met lang zwart haar waren ze geen van allen tegen gekomen.
En dan zei Pirlapan nijdig: "Dat dacht ik wel."
Moeder Guldratsj had d'r huisje gesloten. Karibo had de kleeren van Abé meegenomen en nu had moeder Guldratsj niets meer van hem. Dat speet haar erg, want ze was heel veel van Abé gaan houden. Dat die jongen 'n prins was en keizer van Huk deed daar niets aan af. Ze hoopte nu maar, dat z'n pleegvader hem spoedig mocht aantreffen en óók hoopte ze er op, dat Abé als hij dan toch keizer van Huk moest zijn, haar niet heelemaal zou vergeten. Hij had haar beloofd terug te zullen komen. Zou hij dat wel kunnen als hij keizer was? Natuurlijk wel, dacht moeder Guldratsj, 'n keizer kan alles. Maar hij zou er misschien geen tijd voor hebben. Wat zou me dat 'n eer zijn als er eens 'n keizer in haar huisje kwam ... en dan nog wel een, die zij van de weg had opgeraapt, die zij verbonden had, die in haar bed had geslapen en die 'n groot brood, 'n groot zwaar zwart brood van haar had meegenomen in 'n blauwe katoenen zak ... en die, dat was 't aardigste van alles, de kleeren van haar kleinzoon droeg, net of zijzelf z'n grootmoeder was!
Dit alles ging haar door 't hoofd ... maar ze werd gestoord in die vreemdsoortige gedachten, doordat er weer op haar deur geklopt werd. Toen ze opendeed, zag ze weer twee van die snorrebaarden te paard. Wat zouden die nu weer moeten. Zeker nog wat vergeten. Ze keek gauw rond of er ook wat van prins Alpa... hoe heette die nou toch ook weer?--was blijven liggen. Maar ze hoefde niet lang te kijken.
"Moedertje," zei de ruiter niet onvriendelijk, "je moet 'n eindje met me meerijden. M'n kameraad zal je wel eventjes optillen. Je weegt toch haast niks. Je mag voor me op 't zadel zitten. Dan kan ik je goed vasthouden!"
"Wat??" riep moeder Guldratsj en toen bleef de bijna tandelooze mond wijd open staan.
"Sluit maar gauw je deur," zei de ander, die al van z'n paard af was. "Je mag 'n poosje op Pirlapan logeeren. Deftig hè?"
"Op Pirlapan!! Nee hoor ... ik ga niet mee ... voor geen goud."
"Tja--je zal 't voor niks moeten doen," lachte de man. "Baron van Pirlapan heeft het bevolen ... en dan hebben jij en ik niks in te brengen hè? Wat de heeren wijzen, moeten wij prijzen."
"Maar waarom ..."
"Dat weet ik ook niet. Kom oudje ... maak nou wat voort. 't Moet toch gebeuren."
Bevend haalde moeder Guldratsj de sleutel voor de dag en de soldaat hielp haar goedhartig de deur sluiten. Ze kon 't zelf niet. Dikke tranen liepen over d'r gerimpelde wangen. Ze kon 't sleutelgat niet eens meer zien door al die waterlanders. Had ze dat nou aan die goeie jongen verdiend?
De soldaat tilde 't huilende vrouwtje gewoon op, net of 't een klein kind was. "Hup," zei hij, en z'n kameraad had haar al in z'n armen.
"Zie zoo," zei die, "nou zit je net zoo veilig als op je stoel, moedertje. Als ik van m'n paard val, val jij ook. Maar dat zou de eerste keer van m'n leven zijn."
En weg reden ze naar Pirlapan.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Waarin Abé met roovers in aanraking komt en zich fijn in 't pak steekt.
Abé ondervond voor de derde maal dat er nog goede menschen in Huk waren. De boerenmenschen waar hij aanklopte, ontvingen hem met open armen. Hij zat mee aan tafel en at van het eenvoudige voedsel en toen de maaltijd was afgeloopen, wees de vrouw hem 'n slaapplaats in de stal. Ze had niet anders. Maar ook dat slaapplaatsje in 't hooi was Abé meer dan welkom. Hij was nu tenminste weer onder dak.
De volgenden morgen moest ie vroeg opstaan. Hij kon dan 'n heel eind meerijden, want de boer moest met 'n stuk of wat paarden naar de markt in 'n stad in de buurt. Voor dag en dauw ging de boer al met 'n paar knechts op 't pad. En Abé had er niets op tegen zoo heel in de vroegte weer op reis te gaan. Hoe gauwer in Pomfriet hoe beter.
De boerenmenschen had ie maar niet eens verteld, dat ie zelf 'n paard bezeten had. Waarschijnlijk hadden ze 't toch niet kunnen gelooven, dacht ie, dat zoo'n eenvoudige arme jongen in zoo'n ouderwetsch boerenpakje, te paard met geld in de tasch en goed gekleed uit Cobalt was vertrokken. Ze hadden hem misschien dan wel voor 'n bedrieger aangezien. Hij zei dus alleen maar dat ie op weg was om z'n pleegvader op te zoeken en dat ie hoopte hem onderweg tegen te komen. Natuurlijk hadden die menschen de mond vol van de heeren uit Pomfriet en de lijfwacht, die de nieuwe keizer van Huk gingen afhalen. Hij hoorde hier ook weer spreken over die prins Alphabet, waar hij nooit van gehoord had en 't kwam maar heelemaal niet in hem op dat ie 't zelf was.
De boerin had hem gevraagd waarom hij z'n haar zoo lang droeg, en Abé had snel bedacht haar wijs te maken dat 't zoo 't gebruik was in 't vreemde land waar hij met z'n pleegvader vandaan kwam. Maar de boer maakte dat antwoord onnoodig door lachend te zeggen, dat 't waarschijnlijk kwam omdat Abé geen geld had om 't te laten knippen. Daarom lachten ze allemaal en Abé lachte maar mee. De boer had met 'n grapje er onwetend voor gezorgd, dat Abé geen noodleugentje hoefde te vertellen, en dat vond hij heel prettig, want ook aan leugentjes om bestwil had ie 't land.
De volgenden morgen werd ie nog vóór 't licht was gewekt. Er werd goed gegeten en toen stegen ze te paard. Abé zat op een van de dieren, die verkocht moesten worden en de knechts hadden nu juist niet de makste voor hem uitgezocht. Ze wilden eer ze heengingen, nog 'n pretje met hem hebben en meenden dat ie wel gauw zandruiter zou zijn. De boer stond er lachend bij. Die hield ook wel van zoo'n aardigheidje. Doch toen Abé op de gladde rug van 't paard zat, riep de boer al heel gauw: "Zeg eens baasje, jij hebt meer op 'n paard gezeten hoor!" en toen tot z'n knechts: "Dat valt jullie niet mee jongens."
Abé zag bij 't licht van de lantaarns, dat de boer en z'n twee knechts allemaal gewapend waren en hij vroeg waarom ze dat deden.
"Wel," zei de boer, "zóó veilig is 't nou tegenwoordig bij de weg niet. D'r zijn lui genoeg, die je wel van je paarden willen afhelpen, zonder er voor te betalen."
Nu speet 't Abé, dat ie z'n zwaard bij moeder Guldratsj had achter gelaten. Hij bezat niets anders dan 'n kort mes, goed om er boterhammen mee te snijden, maar minder geschikt om er z'n gastheer mee bij te springen, als er eens wat gebeurde.
"Wees maar voorzichtig hoor," riep de vrouw hen nog achterna toen ze wegreden.
De knechts hadden de vier paarden, die naar de markt moesten achter elkaar gebonden, kop aan staart, en Abé zat op 't laatste. De boer reed naast hem. De twee knechts reden vooraan. Een van hen had 't voorste der vier paarden aan de halster. Zoolang ze op de open weg waren, praatte de boer onbezorgd met Abé, doch toen ze na 'n uurtje 'n bosch bereikten waar ze langs moesten, werd de boer stil en keek voortdurend scherp om zich heen.
"Oppassen jongens," riep hij af en toe, en tot Abé zei hij: "In dat bosch is 't niet pluis tegenwoordig."
"Roovers?" vroeg Abé.
"Gespuis," zei de boer, "paardendieven van de bovenste plank. Ze stelen als raven."
"Ze zullen je toch niet aanvallen, als ze zien, dat je goed gewapend ben hè?"
"Daar geven ze niemendal om, want ze hebben zelf ook wapens en bang zijn ze niet."
"Maar zijn er dan geen veldwachters in Huk, geen gendarmen, geen soldaten? Die moesten toch zorgen, dat die kerels gevangen genomen werden?
"Dat moesten ze ook. Doch 't is tegenwoordig zoo'n rare boel in Huk. De keizer moest zich er mee bemoeien, zooals vroeger keizer Napo deed. In die tijd waren er geen roovers. Maar nu heeft de keizer 't te druk met z'n eigen ... en nou halen ze al weer 'n andere. Dan hebben we d'r twee en dan gaat 't nog slechter ... Ho, daar heb je 't al."
Vier kerels sprongen uit 't kreupelhout te voorschijn en een er van greep 't paard waarop de boer reed bij de teugel. De boer verdedigde zich dapper, maar Abé zag al heel gauw, dat ie niet vechten kon. Hij gebruikte z'n zwaard zoo onhandig als 't maar kon. En dan helpt 't beste wapen en de stevigste vuist nog maar weinig als je tegenpartij de wapens wèl hanteeren kan. En dat konden die gauwdieven maar al te goed. Abé zag dat de boer 't verliezen moest. Als nu z'n twee knechts maar dappere kerels geweest waren, zouden 't misschien met hun drieën nog wel klaar gespeeld hebben, doch die lafaards gingen al heel gauw op de vlucht. 't Leek Abé eigenlijk of die knechts maar zoo wat voor de aardigheid 'n poosje met de twee overige roovers hadden geschermutseld eer ze er van door gingen en 't kwam in hem op dat die knechts 't misschien wel eens waren met de roovers. Toen de knechts op hun paarden wegholden, riep de boer hen nog wel toe hem te helpen, maar ze deden of ze hem niet hoorden. En nu moest ie 't zelf ook gauw opgeven. Hij werd van z'n paard gesleurd en Abé moest 't aanzien, dat ze den man aan 'n boom bonden en hem al z'n geld en z'n meeste kleeren ontnamen. Abé kon zelf niets doen. Had ie maar niet op 't laatste paard gezeten doch op 't eerste, dan zou hij misschien met alle vier paarden hebben kunnen ontsnappen. Dan had hij hulp kunnen halen. Maar nu ging dat niet. Zijn paard was met de halster aan de staart van nummer drie vastgebonden en hij kon er dus niemendal mee uitvoeren. 't Eenige wat ie doen kon, was zich van 't paard laten glijden en er alleen van door gaan. Dan kon hij zich ergens verbergen en was dan later misschien in staat de boer hulp te verleenen als de roovers met de paarden weg waren. Doch nauwelijks was hij begonnen dat plan uit te voeren of de roovers hadden hem ook te pakken.
"Hé, wat wou jij beginnen mannetje," zei er een. "Hier blijven hoor."
"Bind 'm maar zoolang aan de staart van 'n paard vast," zei 'n ander.
Die leek wel de bevelvoerder, want hij werd gehoorzaamd en Abé moest nu wel blijven. Hij dacht, dat de roovers als ze klaar waren, hem wel weer los zouden maken. Dan kon hij de boer tòch nog helpen. De roovers spraken zacht wat met elkaar toen ze de boer heelemaal uitgeschud hadden en keken daarbij lachend naar Abé. Daarna kwam er een op hem af, maakte 't touw waarmee hij aan de staart van 't paard gebonden was los en zei kortaf, terwijl hij Abé van de grond tilde en weer op 't paard zette: "Jij mag met ons mee."
Daarop had Abé heelemaal niet gerekend. Hij begreep, dat er van 'n tocht naar Pomfriet al heel weinig terecht zou komen, als die kerels hem meenamen 't bosch in. Hij was van plan zoo gauw mogelijk op de vlucht te gaan, dat stond vast, maar hoe zou hij dan de weg moeten vinden? Hij schikte zich zwijgend in z'n lot. Verzet zou de zaak voor hem nog erger gemaakt hebben.
En zoo reed Abé 'n oogenblik later in gezelschap van vier roovers 't bosch in, die de boer aan de boom gebonden achter lieten.
Dat ritje door 't bosch duurde erg lang. 't Was al middag toen ze in 'n woeste streek halt maakten. Onder hooge zware boomen, die wel 'n eeuw oud moesten zijn, stond 'n houten huis. 't Zag er bouwvallig uit. Misschien was 't wel net zoo oud als de boomen rondom. Hier schenen de roovers te wonen. Ze sprongen van de paarden en Abé moest die in een soort stal brengen.
"Je zorgt er goed voor jongen," zei er een tegen hem, "en probeer maar niet weg te loopen, dat helpt je toch niet. Eer je 'n half uur ver ben hebben de wolven je te pakken. Als je klaar ben met de beesten mag je binnen komen. Dan kan je mee eten."
Abé deed maar wat van hem verlangd werd. Hij verzorgde de paarden, zoo goed 't ging. Hij gaf hen haver. Er was genoeg en hij haalde in 'n houten emmer water aan de bron. Hij deed er nog al lang over. 't Werk was hem vreemd. Zoo nu en dan kwam er 'n roover kijken wat ie uitvoerde. Doch ze zeiden niemendal. Hij deed 't werk zeker nogal naar hun zin.
Abé was eindelijk klaar en nu moest hij naar binnen. Daar had ie niet heel veel zin in. Met roovers aan tafel zitten leek hem niet erg aangenaam. Maar hij had honger en dus was hij toch ook wel 'n beetje nieuwsgierig. Hij ging dus maar.
Toen hij de deur opende keken de roovers alle vier tegelijk naar hem.
"Kom hier zitten," zei er een "en eet maar zooveel als je lust. Je zal wel honger hebben."
Zwijgend ging Abé zitten en begon te eten.
"Was dat je vader?" vroeg dezelfde roover weer.
"Neen," zei Abé.
"Je baas dan?"
"Ook niet."
"Ook niet? Wat was ie dan van je?"
"Niemendal."
"Hoe heet je?"
"Abé."
"Wat dee je bij die boer?"
"'n Eindje meerijden."
"Waar moet je dan heen?"
"Naar Pomfriet."
"Om wat te doen?"
"M'n pleegvader opzoeken."
"Hoe heet die?"
"Karibo."
"Wat doet ie voor de kost?"
"Niemendal."
"Hè? ... Da's 'n klein beetje ... Je ziet er niet naar uit om 'n rijke pleegvader te hebben, jongen ... en dus geloof ik er geen steek van. Maar 't komt er ook niet op aan. Ik ben van plan je bij me te houden. We hebben iemand noodig om op de paarden te passen. En probeer maar niet te ontvluchten, want zooals ik je reeds gezegd heb, dan ben je voor de wolven ... of als wij je een van allen snappen, voor ons ... wat misschien nog erger voor je zou zijn. Voor de rest kan je 't goed bij ons hebben, want we houden zelf ook van 'n goed leven. Als je je best maar doet."
Abé vond 't jammer dat die roover hem niet gelooven wou. Die roovers wilden misschien Karibo wel voor hem opzoeken, als er wat aan te verdienen was. Ze konden losgeld voor hem vragen en Karibo zou dat zeker wel betaald hebben. Doch wat hielp 't als ze hem toch niet geloofden?
Hij zweeg dus maar en wilde z'n tijd afwachten. Vluchten deed ie toch. En al zou 't tien jaar duren, Karibo moest ie terug vinden, al zou ie 't heele land door naar hem moeten zoeken. Geduld dus.
De roovers gingen nu iederen dag te paard uit, maar één bleef er steeds thuis. Die paste op 't paard dat rustdag had en op Abé. Zelf nam hij ook rust en Abé mocht 't werk doen. Zoo had de jongen iedere dag 'n andere roover en 'n ander paard bij zich en van ontvluchten was geen sprake. Dat duurde zoo 'n week en Abé werd er hoe langer hoe verdrietiger onder. Hij wist wel dat 't met iedere dag moeielijker zou worden om Karibo terug te vinden. Die zou nu al wel weer in Cobalt aangekomen zijn en waarschijnlijk wel gaan denken, dat Abé bij de brand was omgekomen. Waar Karibo dan misschien heen ging kon niemand weten en dan werd 't bijna onmogelijk hem nog ooit terug te vinden ... Als hij weg kon komen met 'n paard ... dan had ie misschien nog 'n kans als hij zoo snel mogelijk naar Cobalt terug reed. Wellicht vond hij er Karibo nog. Hij moest 't toch maar eens wagen. 't Ergste dat hem overkomen kon, was, door de roovers gesnapt te worden tijdens z'n vlucht, want dan zouden ze wel korte metten met hem maken. Doch wat hinderde dat? 't Was nog beter dan voor rooversknechtje te spelen.
Op 'n avond kwamen de roovers thuis met belangrijk nieuws. Ze vertelden 't dadelijk aan hun thuisgebleven kameraad. Er was 'n prijs van duizend goudstukken uitgeloofd voor degene die prins Alphabet terug vond! De roovers hadden wel zin ook 'n poging te doen, die duizend goudstukken machtig te worden en na veel heen en weer gepraat besloten ze er alle vijf op uit te trekken.
"Maar hoe vinden we hem?" vroeg de thuisgebleven roover. "Weten jullie hoe ie er uitziet?"
"Nee," zei er een, "dat konden ze ons niet vertellen. Maar daar kunnen we wel achter komen." "Overal gaan er troepen menschen op uit om hem te vinden." "Geen wonder," zei de eerste weer. "Duizend goudstukken hè?"
"'t Is geen kleinigheid" zei 'n tweede. "Als we deelen hebben we er tweehonderd de man."
"Jij praat er over of we 'm al hebben."
En toen lachten ze allemaal.
"'t Is te probeeren," zei de hoofdman. "We kunnen toch onderweg nog wel wat anders er bij doen hè?"
Dat vonden de overigen ook. Je kon wel tegelijkertijd op 'n eerlijke manier duizend goudstukken zien te verdienen door naar 'n vermiste prins te zoeken en tevens je roovershandwerk uitoefenen. Dat was geen bezwaar. Ze zouden er dan de volgende morgen vroeg maar op uittrekken alle vijf en de boel maar zoo lang sluiten.
"Mag ik ook mee?" vroeg Abé.
"Jij?" zei de hoofdman, "'k Had heelemaal niet aan jou gedacht ... Nee ... we kunnen jou er niet bij gebruiken. Je moet maar heengaan. Ik laat je vrij. We hebben je nou niet meer noodig."
"Heel best," zei Abé, "maar 'k weet de weg in 't bosch niet."
"Die moet je maar zoeken. Welke kant je ook uitgaat, je komt er altijd eenmaal uit ... als de wolven je tenminste niet opeten ... En 't zal jou wel 't zelfde zijn aan welke kant je er uitkomt denk ik."
"Dat is me niet hetzelfde. Ik wou graag op de weg naar Pomfriet uitkomen. En dan had ik graag een of ander wapen om me te verdedigen als 't noodig is."
"Met die gekheid kunnen we ons niet ophouen hoor. Je rukt zoo maar uit. Allo ... naar de stal ... en verzorg de paarden. Maar doe 't goed. 't Is de laatste maal dat je 't doen mag."
Abé ging. Doch onder z'n werk stond ie menigmaal in gedachten. Wat was dat vreemd, dat die prins Alphabet nou zoek was. Moeder Guldratsj en de boerenfamilie hadden het immers ook over die prins Alphabet gehad, doch die hadden 't enkel maar over 't afhalen ergens uit een of andere stad van 'n prins die zat te wachten tot ie gehaald werd en niet over 't opzoeken van een die zoek was. Dus nu zwierven er twee keizerlijke prinsen in Huk rond? Of maar een? Was hijzelf misschien prins Alphabet? Abecé dat was 't alphabet--maar waarom zochten ze niet naar prins Abecé--als hij 't dan wèl was--en waarom noemden ze hem dan zoo en waarom wist hij niet dat ze hem zoo noemden? Dàt had Karibo hem dan toch wel eens mogen vertellen. Doch niemand had er ooit over gesproken, z'n vader niet, z'n moeder niet en Karibo evenmin. Dat was dus niet zoo. Er moest wel degelijk nog 'n andere prins zijn, naar wie ze zochten.
En toen ging Abé maar weer aan z'n werk en eindelijk kroop hij in 't hooi om te slapen. Doch de slaap kwam die avond niet gauw. Hij dacht aanhoudend aan die onbekende prins Alphabet en óók over de wijze waarop hij 't bosch uit moest komen.
De volgende morgen moest ie weer voor de paarden zorgen. Deze keer voor alle vijf, en toen ie daarmee klaar was stopte een van de roovers hem 'n stuk brood in de hand met de boodschap er bij, dat ie kon inrukken. Als ie maar al rechtuit liep, was ie binnen twee uur 't bosch uit en op de weg naar Pomfriet.