Part 4
'n Pleziertochtje was 't niet. Daarvoor dreef de aanvoerder iedereen tot te veel spoed aan. Maar de menschen schikten er zich in. Ze waren vol ijver en toewijding. Overal waar de stoet langs kwam liepen de menschen uit en van stad tot stad snelde de goede tijding van de terugkeer van Prins Alphabet als 'n loopend vuurtje door 't land van Huk. En overal werd de stoet met gejuich ontvangen, want de Hukkers waren in hun hart toch altijd trouwe onderdanen gebleven van keizer Napo.
Moeder Guldratsj, zoo noemde de menschen 't oude vrouwtje bij wie Abé met 'n ferme buil op z'n hoofd en tamelijk veel pijn d'r in, nu al acht dagen verpleegd werd, alsof ie haar eigen kleinzoon was, kwam op 'n goede avond thuis met 't groote nieuws. En ze had zelf met d'r eigen oogen de stoet gezien, die als 'n leger met blinkende zwaarden, in de zon schitterende lansen en wapperende banieren langs haar heen gegaan was op de groote weg. Abé had 't rumoer moeten hooren, al lag 't hutje van moeder Guldratsj 'n eind 't land in. Maar Abé had niemendal gehoord, omdat ie lekker geslapen had. De goede vrouw raakte niet uitgepraat over wat ze gezien en gehoord had, doch Abé begreep er niet veel van.
"Wel, jongen," zei moeder Guldratsj 'n beetje ongeduldig. "'t Zijn allemaal Pomfrieters en die gaan de nieuwe keizer halen."
"Moeten ze dan nu al weer 'n andere keizer in Huk hebben?"
"Dat weet ik niet ... maar ze zeien 't."
"En wie is die nieuwe?" vroeg Abé, terwijl hij erbij dacht dat de eenige die er recht op had het te zijn, hij zelf was. Maar dat kon hij moeder Guldratsj niet vertellen, en al deed ie 't dan zou 't goede mensch hem toch niet gelooven.
"Wie die nieuwe keizer is? Wel ... hoe noemden ze 'm ook weer ... prins Alpaka ... nee dat was 't niet ... è ... kom nou ... ik wist 't toch zoo goed ... prins ... e ... Alpevet ... Alpa ... Alphabet ... dat is 't. Prins Alphabet."
"Ken ik niet," zei Abé.
"Nou nog mooier ... hoe zou je ook. Wat weten wij gewone menschen nou van prinsen af ... En wat gaat 't ons ook eigenlijk aan hè? Je ziet er veel beter uit vandaag ... Niet veel pijn meer?"
"Heelemaal niet, moeder Guldratsj. Je hebt me gauw beter gemaakt en ik hoop je daarvoor nog eens te beloonen."
"Gekheid jongen ... Ik wil geen belooning. Of je moest me willen beloonen door bij me te blijven ..."
"Dat kan niet moeder Guldratsj. Ik moet m'n pleegvader Karibo terugvinden."
"Maar jongen ... hoe wil je dat doen zoo heel alleen ... zonder geld ... zonder paard ... Je komt nooit in Pomfriet. Had ik maar geld, dan kreeg je 't met alle liefde ..."
"Ik moet er toch heen. Morgenvroeg ga ik op stap."
"En hoe wil je aan eten komen onderweg?"
"D'r zijn toch nog wel goede menschen in Huk, moeder Guldratsj. Jij ben er een van en Pirlapan is er nog een."
"En die vent, die er met je paard vandoor is en je voor je goedheid 'n klap met 'n knuppel gaf, is er zeker ook een!"
"Nee, die niet ... dat was 'n gemeene vent. Maar geen mensch kan me nu nog wat afnemen, want ik bezit niemendal en dus loop ik nu ook geen gevaar meer, dat zoo'n schurk me weer 'n tik zal geven."
"En je mooie kleeren dan?"
"Ja, wat kan ik daar nu aan doen? Heb jij andere voor me? Dan trek ik die aan. Maar dit mooie pakje zal gauw genoeg versleten zijn als ik er mee in weer en wind marcheer en misschien nu en dan onder de bloote hemel moet slapen."
"Ik zou je toch misschien wel aan een gewoon pak kleeren kunnen helpen. Ik heb nog wat bewaard, dat vroeger van m'n kleinzoon was ... Da's lang geleden. Al m'n kinderen zijn al dood en m'n kleinkinderen ook. Ik heb ze allemaal overleefd. Wil je 't eens aanpassen?"
"Heel graag moeder Guldratsj. En dan bewaar je deze hè, tot ik ze bij je terug kom halen."
"Da's goed mijn jongen."
En nu ging Moeder Guldratsj in 'n groote kist op zolder aan 't snuffelen en ze kwam terug met 'n bruin, heel ouderwetsch jongenspak, zooals de Huksche boeren in die streek nog wel droegen. Abé paste het aan en 't zat hem gemakkelijk, want 't was hem 'n beetje wijd.
"'t Gaat best moeder Guldratsj."
"Dat doet me plezier jongen ... keer je eens om ..."
"Wat doe je nou moeder Guldratsj?" vroeg Abé. "Huil je?..."
"Je lijkt ... precies ... op hem ... van achteren."
"O" ...
In dat boerenpakje vertrok Abé de volgende morgen, 'n heel eind weggebracht door moeder Guldratsj. Over z'n schouder had hij 'n grove zak aan 'n touw met 'n groot bruin brood er in, en in z'n hand 'n stevige knuppel. Dat was z'n staf maar tevens z'n wapen. De keizerlijke prins was nu zoo arm als 'n kerkrat.
"Goeie reis, m'n jongen," zei moeder Guldratsj. "Al rechtuit maar."
"Dag moeder Guldratsj. Ik kom vast bij je terug hoor."
"Ik hoop het m'n jongen ... Dàg!"
"Dag!!"
Zoo wandelde zijn majesteit de keizer van Huk, want dat was Abé nu toch, al wist ie er zelf niemendal van, als 'n gewone boerenjongen de weg op naar Pomfriet, terwijl de groote heeren en de prachtige lijfwacht van dappere soldaten onder aanvoering van Karibo, precies de andere kant op waren.
Hij was lang niet zoo vroolijk gestemd als toen hij nog op z'n groote witte paard zat, maar verdrietig was hij toch ook niet. 't Was mooi weer en nog lekker koel, want 't was nog heel vroeg. 'n Uur of acht loopen dat kon heel best meende Abé. Hij zou natuurlijk onderweg nu en dan eens moeten rusten, doch dat moest 'n ruiter evengoed als 'n voetganger. De reis zou alleen 'n beetje langer duren, doch hij hoopte er op dat ie Karibo wel tegen zou komen. Moeder Guldratsj had iedere dag goed uitgekeken als ze op 't land werkte. Dan kon ze de weg en iedereen die er langs kwam zien. Abé had haar duidelijk uitgelegd hoe Karibo en z'n paard er uit zagen. Maar die goede vrouw had niets gezien, behalve dan de stoet die de nieuwe keizer tegemoet reisde. Karibo moest ie dus tegenkomen. Dat gaf hem moed. Voortdurend keek hij uit en bij iedere ruiter die hij in de verte zag aankomen, dacht ie, dat zal hij zijn. Hij ontmoette er die dag gelukkig maar twee, want die teleurstelling was toch niet prettig. En 't loopen viel hem ook niet mee. 't Werd verschrikkelijk warm en zoover hij zien kon was er geen boom langs de weg. Dat brood begon ook te wegen. 's Morgens had hij 't heel niet gevoeld, maar later op de dag nam hij 't telkens op de andere schouder. 't Touw deed hem pijn. Tegen de middag vond hij 'n armzalig struikje dat 'n beetje schaduw gaf. Daar kroop hij achter. Z'n oogen vielen haast toe van moeheid, maar hij durfde niet te gaan slapen uit vrees, dat juist als hij sliep Karibo voorbij zou kunnen komen. En die droge stukken brood met 'n slok lauw water dat smaakte hem toch eigenlijk ook niet erg. Zijn voeten begonnen hem pijn te doen. Z'n gemakkelijke roode schoenen van zacht leer had ie bij moeder Guldratsj gelaten. Die pasten niet bij z'n boerenpak en inplaats daarvan had hij 'n paar lompe harde leeren dingen aan, die 'm nog te groot waren ook.
Toen ie misschien 'n paar uur gelegen had, was ie 'n beetje uitgerust, doch nu speet het hem, dat ie maar niet was gaan slapen, want er was geen levende ziel voorbijgekomen. Hij ging maar weer wandelen en was zoo verstandig geweest schoenen en kousen uit te trekken. Dat was frisscher en nu had hij geen last van die schoenen aan z'n voeten. Doch nu bengelden die dingen naast 't brood op z'n rug. Dat was ook niet gemakkelijk. Er was echter niets aan te doen en Abé liet ze dus maar bengelen.
Uur na uur stapte hij door tot hij bijna niet meer kon. Huizen waren er niet te bekennen in de omtrek en er zat dus niets anders op dan maar onder den blooten hemel te overnachten, als 'n landlooper. Gelukkig stroomde er 'n beekje door 't korenveld, waarin hij z'n waterkruik kon vullen en z'n voeten wasschen. Daarna ging hij in 't gras langs de weg liggen. Hij was te moe. Als hij ergens 'n woning gezien had, zou hij 't nog geprobeerd hebben, die te bereiken, al was 't 'n uur ver geweest. 't Was nog niet donker, maar verder loopen gaf nu toch niemendal.
Z'n oogen vielen al gauw toe, maar voor hij insliep bedacht hij toch, dat 't misschien maar verstandig geweest was bij moeder Guldratsj te blijven. Dan had hij nu lekker in 'n bed geslapen en hij had daar beter op Karibo kunnen wachten, dan hier in 't gras langs de weg. Hij zou morgen vroeg maar weer terug loopen naar 't oude mensch dat hem zoo graag gehouden had.
Toen hij de volgende morgen tegelijk met de leeuweriken ontwaakte, de zon was nog niet op, dacht hij er echter heel niet meer aan terug te keeren naar moeder Guldratsj. Hij was heelemaal uitgerust en hij beet in 't droge brood of 't koek was. Die dag zou hij zeker Karibo ontmoeten en moedig stapte hij op z'n bloote voeten maar weer verder. En hij wandelde uren ver en 't ging hem net als de vorige dag. Hoe hooger de zon aan de hemel steeg des te lager zakte de blijheid en de hoop van Abé. Hij werd weer doodmoe en verdrietig. Doch een ding trof hij beter. In de namiddag bereikte hij 'n dorp en daar wilde hij probeeren voor de nacht een onderkomen te vinden. Hij zou maar eens hier of daar aankloppen. En dus stapte hij op 't eerste huis 't beste af.
VIERDE HOOFDSTUK.
Waarin Karibo kennis maakt met de Pirlapans, de kleeren van Abé teruggevonden worden en moeder Guldratsj iets vreemds overkomt.
Karibo reisde met z'n prachtige stoet zoo snel mogelijk, tot groot ongenoegen van de deftige Pomfrieters, die hem vergezelden. Dat was geen manier van reizen, meenden ze. Je raakte doodop en wat kwam 't er nu eigenlijk op aan of je 'n dag eerder of later in dat akelige nest aan de grens aankwam om prins Alphabet te vertellen, dat ie keizer van Huk geworden was? Zoo'n haast was daar nu toch warempel niet bij. Die prins Alphabet was toch nog maar 'n jongen, die kon nog lang genoeg keizer zijn en bovendien waren zij toch voorname Pomfrieters, de deftigste lui uit 't heele land Huk. Daar mocht die Karibo óók wel eens aan denken. Wat verbeeldde zich die Karibo wel! Wat was die man eigenlijk? 'n Knecht, 'n bediende, niets meer. Nu ja, hij was een van de twee Hukkers, die de keizer in ballingschap gevolgd waren. Dat was óók zoo'n kunst niet.
Dat alles bepraatten ze onder elkaar, maar ze waren toch wel zoo verstandig 't niet hardop te zeggen als Karibo er bij was.
De Pomfrietsche heeren waren dan ook wàt blij toen ze op 'n avond voor 't kasteel Pirlapan aankwamen. Ze hadden al zooveel nachten in allerlei dorpjes moeten overnachten, soms ingekwartierd bij 'n boer, die nog niet eens 'n fatsoenlijk bed er op nahield. Nu zouden ze 't dan eindelijk eens wat beter hebben. De lijfwacht kon wel buiten blijven onder de blauwe hemel met Karibo er bij als zij maar bij de heer van Pirlapan onder dak kwamen. Die heer zou hen wel lekker onthalen ook.
Toen Karibo omringd door de Pomfrietsche heeren voor de valbrug verscheen, kwam de oude Pirlapan met z'n vier jongens, z'n strijdmakkers en al z'n knechts naar buiten, en Pirlapan trad 't eerst over de brug op Karibo toe om te vragen, wat hij verlangde.
"Wij komen uw gastvrijheid inroepen," antwoordde Karibo, "voor deze heeren en voor de lijfwacht des keizers. We zijn op weg om zijn majesteit de keizer van Huk af te halen."
"'t Spijt me erg," zei Pirlapan, "maar de volgelingen van keizer Sutrebor komen mijn brug niet over. Ik ken maar één echte keizer van Huk en die ben ik steeds trouw gebleven."
"Wel man," riep Karibo, "dan konden wij 't niet beter treffen. Sutrebor is geen keizer van Huk meer, maar wel de zoon van keizer Napo, prins Alphabet. Die gaan we halen!"
"Wat zeg je?" zei Pirlapan ongeloovig ... "Prins Alphabet, is die keizer van Huk?"
"Ik zal 't je wel eens vertellen," zei Karibo van z'n paard springend. "Maar laten we eerst naar binnen gaan, als je 't goed vindt. We hebben de heele dag te paard gezeten om door dat bosch heen te komen."
Pirlapan had er nu niets meer op tegen. Karibo en de Pomfrietsche heeren gingen naar binnen en de soldaten bleven op 't binnenplein of kropen vermoeid in 't hooi bij hun paarden in de stal. 't Was 'n gewoel en 'n herrie in en om Pirlapan zooals ze daar in jaren niet beleefd hadden.
Pirlapan was 'n gul gastheer nu 't maar niet voor keizer Sutrebor was. Eten en drinken kregen al die mannen volop en de paarden even goed. Voor hun wettige keizer zouden de Pirlapans alles gegeven hebben wat ze bezaten.
Karibo ging aan 't vertellen en Pirlapan luisterde met vreugde naar de goede tijding. Maar toen Karibo zei, dat prins Alphabet alleen was achter gebleven in Cobalt, zette die oude ijzervreter plotseling 'n paar groote oogen op alsof hij schrok.
"Heb je in de laatste week nog tijding gekregen van de keizerlijke prins?" vroeg hij.
"Welneen," zei Karibo, "hoe zou ik. Maar je vraagt dat met zoo'n benauwd gezicht."
"Cobalt is tot de grond toe afgebrand. Er is geen huis meer blijven staan ..."
"Hè?"
"Er zijn honderden menschen verbrand."
"Goeie hemel..."
En nu was 't plotseling doodstil in de zaal. Geen mensch gaf 'n kik. Tot eindelijk Karibo langzaam opstond en zei:
"Heer van Pirlapan, ik moet direct 'n sterk paard van je hebben. Ik ga oogenblikkelijk naar Cobalt. Deze heeren en de lijfwacht kunnen wel hier blijven. Ik moet weten wat er van onze prins geworden is. Maar vertel me nog één ding: Wanneer is die stad verbrand?"
"Dat is precies anderhalve week geleden. De eerste tijding vernam ik van 'n vluchteling, die hier 'n nacht verbleef. 't Was 'n jongen, wiens pleegvader naar Pomfriet was en die hem nu ..."
"Bereed ie 'n wit paard?" vroeg Karibo haastig.
Pirlapan knikte. "... 'n Groot wit paard ... Hij was in 'n blauw kleed, roode schoenen, en op z'n vierpuntige muts had ie veeren als voelsprieten."
"Dat was prins Alphabet!"
Weer was 't doodstil... Karibo ging zitten en iedereen keek vol verwachting naar hem. Karibo zat 'n heele poos met de hand onder z'n hoofd. Diepe rimpels had ie in z'n voorhoofd. Hij was blij dat Abé gered was, maar hoe kwam 't, dat ze hem niet waren tegen gekomen op z'n witte paard, wanneer hij reeds den volgenden morgen weer op weg gegaan was naar Pomfriet? Verdwaald kon hij niet zijn, want er was maar één groote weg naar de hoofdstad. Waar zat die jongen dan? Was hem 'n ongeluk overkomen? Karibo kon er geen oplossing voor vinden en eindelijk zei hij:
"Als hij op weg was naar Pomfriet, hadden we hem tegen moeten komen... we zijn hem niet tegen gekomen... wat moeten we nu beginnen?... Als hem maar geen ongeluk overkomen is."
"Dat zou ik niet denken," zei Pirlapan. "Die jongen is niet voor de poes. Hij kan zich best verdedigen. Vraag dat maar eens aan m'n jongste zoon, die daar zit. Die heeft ondervonden dat de nieuwe keizer van Huk--ofschoon we toen niet vermoeden konden dat we zoo'n hooge gast onder ons dak hadden--stevige armen heeft en klappen weet uit te deelen. Neen, aan 'n ongeluk hoef je zoo gauw niet te denken."
"Maar wat kan er dan met hem gebeurd zijn?"
"Ik denk," zei 'n oude Pomfrietsche raadsheer, "dat ie nog sliep toen we hem ergens voorbij reden. We waren iedere morgen al voor dag en dauw onder weg."
De oude raadsheer was blij, dat ie eindelijk gelegenheid had Karibo eens 'n steek onder water te kunnen geven. Hij had genoeg gemopperd over dat vroege opstaan. Maar Karibo keek de Pomfrieter 'n beetje nijdig aan toen hij antwoordde.
"Prins Alphabet is geen luiaard. Hij is gewoon aan vroeg opstaan. Neen, dàt kan niet."
"Misschien zat ie wel net aan tafel..." zei 'n vette Pomfrieter...
"Dat kan ook niet," riep Pirlapan op zijn beurt kwaad, "Prins Alphabet had geen geld genoeg om hier of daar lekker te gaan smullen. Pirlapansch zwart brood had ie bij zich. Brood uit mijn oven."
De dikke Pomfrieter zei niets meer. Die oude Pirlapan vond ie 'n vervelende eigenwijze boer met z'n zwarte brood. Als hij hem dat voorzette, zou ie er wel lekker voor bedanken.
"We hebben geen tijd te verliezen, heeren," zei Pirlapan weer na 'n poosje. "Ik heb er eens over gedacht. We moeten zoo gauw mogelijk onze prins zien te vinden. Hij kan nu al een heel eind op weg zijn naar Pomfriet... Maar hij kan ook wel hier of daar onder weg zitten. Je weet nooit wat je overkomen kan onder weg. Je paard kan 'n ongeluk krijgen ... je kan zelf ziek worden... Je kan door slecht volk overvallen worden... Prins Alphabet is wel 'n stevige knaap en hij vecht uitstekend--maar ... 't is toch mogelijk dat ie..."
Karibo stond haastig op.
"Je hebt gelijk, heer van Pirlapan. We moeten onmiddellijk terug..."
"Nu dadelijk?" vroegen 'n paar Pomfrieters benauwd.
"Och heeren, blijven jullie gerust hier zoo lang als je wilt," zei Pirlapan. "We kunnen jullie best missen, bij wat we nu doen moeten. Kom," ging hij voort tot Karibo, "we zullen 'r geen gras over laten groeien."
Karibo en al de Pirlapans gingen de zaal uit met 'n paar Pomfrieters. De overigen bleven achter. Die hadden geen trek om midden in de nacht weer uit te trekken, wie weet waar naar toe.
Pirlapan had snel 'n plan gemaakt, dat hij nu onder 't loopen aan Karibo uitlegde. Onder aanvoering van de Pirlapans zou de heele troep soldaten van de lijfwacht er op uit gaan om te zoeken naar de prins. Eerst door 't bosch terug allen bij elkaar en dan vervolgens zou er bij iedere landweg 'n kleine afdeeling worden uitgezonden om te informeeren aan alle huizen of daar de jongen op 't witte paard ook voorbij gekomen was.
Karibo keurde dat plan dadelijk goed. Dat moest zeker slagen en 't kon niet anders of ze zouden op die manier al heel gauw wat van de prins vernemen.
De Pomfrietsche heeren keurden 't plan ook goed, mits zij maar niet meehoefden, want ze waren die avontuurlijke en lastige tocht al lang zat. Doch de meesten van hen lachten tevens 'n beetje spottend en sommigen keken zelfs uit de hoogte op Karibo neer, voor wie ze tot nog toe zeer veel onderdanigheid getoond hadden en eerbied, omdat ie de pleegvader van hun nieuwe keizer was. Dat kwam wijl ze Karibo voor 'n bedrieger begonnen te houden, die 't heele verhaal over de aanwezigheid van Prins Alphabet in 't grensstadje verzonnen had. Toen 'n paar er op wezen, dat 't dan toch wel heel toevallig zou zijn geweest, dat die jongen die bij Pirlapan 'n nacht geslapen had, juist ook 'n wit paard bereed, zeiden de overigen dat 't best kon zijn dat de Pirlapans en die Karibo onder één deken lagen en dat 't heele plannetje door hen samen was opgemaakt.
Toen zwegen de anderen, want 't kon best waar zijn. Iedereen in Huk wist dat de Pirlapans 'n hekel hadden aan keizer Sutrebor en nu wilde die ouwe vechtbaron Pirlapan zich misschien zelf van de regeering meester maken.
Ze lieten dus Karibo, de Pirlapans en de heele lijfwacht vertrekken en ze besloten op hun eigen houtje maar weer stilletjes naar Pomfriet terug te reizen op hun dooie gemak.
De oude Pirlapan wachtte niet tot de volgende morgen en Karibo gaf hem groot gelijk. De soldaten van de lijfwacht hadden er evenwel weinig zin in; ze wilden niet uit 't hooi komen, want ze hadden te veel slaap. Maar Pirlapan zette zoo'n vreeselijke bulderstem op, dat de een na de ander voor de dag kwam, soms wel vijf of zes te gelijk, en na 'n uur waren ze allemaal tot vertrekken gereed.
En nu ging het in draf weer 't bosch door, de heele nacht. De wolven liepen van angst naar alle kanten weg, ofschoon de reuk van al die paarden hen verlokkend in hun wolvenneuzen kittelde. Bij 't aanbreken van de dag stond de heele troep aan de ingang van 't woud, waar Abé eenigen tijd geleden ook gestaan had. De soldaten mochten 'n poosje in 't gras gaan liggen, als ze hun paarden verzorgd hadden. Dieren en menschen hadden allemaal rust en voedsel noodig. Pirlapan en Karibo hielden samen onderhand krijgsraad. Pirlapan stelde voor de heele troep te verdeelen in kleine patrouilles, ieder met 'n Pirlapan of een van Pirlapans vertrouwde strijdmakkers aan 't hoofd. Die zouden door alle zijwegen kunnen naspeuren en aan alle woningen vragen of men daar ook iets gehoord of gezien had van de jongen met de voelsprieten en 't witte paard.
Karibo keurde dat plan goed en Pirlapan begon maar dadelijk de mannetjes in te deelen. Zoo kreeg hij twintig patrouilles van vijf man onder aanvoering van hemzelf, z'n zoons en z'n eigen mannen. Karibo zou bij de oude Pirlapan blijven.
Na 'n uur gingen de troepen op weg. Eerst bleven ze bij elkaar, maar bij de eerste zijweg scheidde zich een patrouille af. Ze zouden 'n uur ver de weg volgen, overal navragen en dan terugkeeren--behalve natuurlijk als 't bleek dat de prins die weg genomen had. In dat geval zou de patrouille nog verder gaan, maar één man terug zenden om bericht te geven aan Karibo of Pirlapan.
Deze eerste troep bereikte na 'n kwartier reeds het huisje van moeder Guldratsj, maar 't oude vrouwtje was niet thuis. De mannen loerden naar binnen toen ze op hun herhaald kloppen geen gehoor kregen en toen zag een van de Pirlapans de muts met de voelsprieten op 'n bank liggen.
"Hoera!!" schreeuwde hij. "We hebben hem al. Z'n muts ligt daar op de bank." De heele patrouille verdrong zich voor 't kleine venstertje om ook iets van de muts met de voelsprieten te zien. En nu wees de jonge Pirlapan een van de mannen aan om zoo hard als 'n paard rennen kon de blijde tijding aan Karibo en z'n vader te gaan brengen. Misschien was de heele troep nog bij elkaar. Ze konden dan met z'n allen terugkeeren. De ruiter sprong in de zadel en reed snel weg. Z'n paard liep zóó hard, dat binnen 't half uur de hoofdtroep reeds ingehaald was. Paard en man waren buiten adem. De man kon echter nog heel goed z'n boodschap--'n blijde boodschap meende Karibo--overbrengen en onmiddellijk gaf de oude Pirlapan bevel terug te keeren. De boodschapper mocht achterblijven om uit te rusten met z'n paard, maar ook om de tweede patrouille, die 'n andere zijweg was ingeslagen bij haar terugkeer te kunnen meedeelen dat ze terug konden gaan naar de hoofdtroep. Snel reden de mannen want Karibo was verbazend ongeduldig. Hij dacht z'n jonge meester te zullen aantreffen. Toen ze evenwel 't huisje bereikten zagen ze de achtergebleven mannen van de patrouille in 't gras liggen. Ze bewaakten 't huisje. Er kon geen muis in of uit.
"Wel," vroeg Karibo, die ook door 't venstertje geloerd had en de muts dadelijk had herkend. "Heb jullie nog geen mensch gezien?"
"Niemand," antwoordde de jonge Pirlapan.
"Dan moeten we de deur maar eens open zien te krijgen," meende z'n vader. "Dat zal wel niet moeielijk zijn. 't Mag eigenlijk wel niet maar daar moeten we ons nu maar eens niet aan storen. Wat denk jij er van Karibo.
"Wel ja," zei deze. "Ik zal 't zelf wel eens probeeren."
Hij duwde tegen de deur eerst zachtjes en toen wat harder, maar 't ging niet.
"Dat kan ik veel beter," zei toen de oude Pirlapan. "Ga eens op zij. Je doet net of die deur schreeuwen zal. Op zij."
De deur vloog open. Pirlapan had er 'n trap tegen gegeven.
Karibo en hij gingen 't huisje binnen. De overigen verdrongen zich voor de deur en voor 't venster. Pirlapan joeg hen gauw weg. Ze maakten 't in 't huisje pikkedonker. Nu zagen ze de muts, maar tot Karibo's groote ontsteltenis ook de overige kleeren van Abé. Z'n roode schoenen stonden onder de bank. En binnen in de muts zag Karibo 'n bloedvlek.
De oude man werd doodsbleek. En Pirlapan die de muts nu ook nauwkeuriger bekeek zei wat benauwd:
"Ik ben bang dat er iets met de prins gebeurd is Karibo ... En ik vrees niet veel goeds."
"O ... o ..." zuchtte Karibo, "had ik hem toch maar niet alleen achtergelaten. Arme jongen."
En Pirlapan zei:
"Ik heb net zooveel schuld als jij man. Ik had hem niet alleen moeten laten vertrekken."
"Da's niet waar Pirlapan. Jij hoefde niet op hem te passen en je wist ook niet dat 't prins Alphabet was."
"Prins of niet," bromde Pirlapan, "ik had die aardige ferme jongen moeten beletten alleen verder te reizen." "'t Is mijn schuld nog meer dan de jouwe. Maar ik dacht ... och wat komt 't er ook op aan wat ik dacht. Ik vergeef 't mezelf nooit ... en als ie dood is, heb ik 't op m'n geweten."
Karibo schudde 't hoofd.
"Mijn schuld is het ..."