Prins Alphabet

Part 3

Chapter 34,317 wordsPublic domain

Dat beloofde 'n vroolijke avond te zullen worden. Eten en drinken naar hartelust en onderhand zitten kijken naar 'n tweegevecht waarin 'n Pirlapan 'n jeugdige snoever uit de stad eens eventjes 'n lesje zou geven, dat was iets dat niet alle dagen voorkwam in 't sombere huis.

Abé was bedaard opgestaan. "Windt je nooit op, als je de wapens hanteert," had z'n vader hem geleerd. En Karibo riep altijd maar: "Kalm Abé, kalm jongen. Je klappen komen veel beter aan als je 'n koel hoofd houdt." Daaraan dacht hij nu ook. Heel kalm nam hij 't roestige zwaard aan dat de oude Pirlapan hem lachend toereikte. Vader Pirlapan zou 'n oogje op de strijd houden. Alles moest recht en eerlijk toegaan en hij was 'n beetje bang dat z'n onstuimige zoon die arme Abé, die misschien wel 'n beetje les gehad had in de wapenhandel maar 't toch wel zou afleggen, wat al te ruw zou behandelen. Hij vond Abé 'n veel te aardige jongen, zoo bescheiden, maar toch ook zoo moedig, om door 'n andere jongen, al was 't dan ook 'n Pirlapan, te worden toegetakeld.

De strijd begon. Ze mochten niet met de scherpe kant van de zwaarden slaan, de zwaarden waren bot genoeg, maar dàt zou toch op ongelukken uitloopen. Bovendien kan je elkaar nog zeer genoeg doen met 't plat. Doch dat vond niemand erg. In die tijd waren de menschen allesbehalve kleinzeerig en vooral niemand, die Pirlapan heette. Abé wachtte z'n tegenstander af--doodkalm. De jonge Pirlapan sloeg geweldig toe. Maar als hij nu misschien gehoopt had Abé al dadelijk er onder te hebben, moest 't hem wel 'n beetje tegenvallen, want Abé weerde al z'n slagen handig af. De jonge Pirlapan kreeg niet anders om op te slaan dan Abé's zwaard. De toeschouwers hadden al heel gauw het eten er aan gegeven. Ervaren strijders als zij waren, zagen ze gauw genoeg dat ze de gast van Pirlapan 'n beetje te min geschat hadden. Die jongen kon met 'n zwaard omgaan hoor.--Maar d'r onder moest ie. De jonge Pirlapan was sterk als 'n beer, dat wisten ze allemaal. Plotseling zagen ze echter iets gebeuren waar ze niet op gerekend hadden. Abé die zich tot nu toe enkel maar verdedigd had, wist nu wat hij aan z'n tegenstander had en begon op zijn beurt uit te vallen. En nu waren de klappen voor Pirlapan.

De toeschouwers keken verbaasd toe. Eerst hadden ze voortdurend geroepen: "Pirlapan! Pirlapan!" Dat was de kreet waarmee ze elkaar aanriepen op 't slagveld. "Pirlapan!" Doch nu hielden ze hun mond want ze zagen 't aankomen dat de jongste Pirlapan 't onderspit zou moeten delven. Abé vocht kalm door en z'n onstuimige tegenpartij kreeg klop. Had hij eerst nog vele slagen kunnen afweren, nu voelde hij telkens 't plat van Abé's zwaard en die scheen maar heel niet vermoeid te worden. Hij had 't vreeselijk warm, dat kon je zoo wel zien, maar z'n arm bewoog zich nog even fel en zeker. En de jonge Pirlapan gaf 't op. De sterke beer kon z'n zwaard niet meer omhoog krijgen.

"Bravo!!" riep de oude baron van Pirlapan. En alle andere riepen: "Bravo!"

Alleen de jonge Pirlapan, die op z'n kop gehad had stond verdrietig en beschaamd tegen de muur geleund. Maar z'n vader ging naar hem toe, lei hem de hand op z'n schouder en zei: "Kom jongen je hebt 't eerlijk verloren. Dat is geen schande. We hebben ons allemaal in onze gast vergist." Z'n andere hand legde hij op Abé's schouder en ging toen voort: "Je bent 'n flinke jongen Abé. Ik wou dat je 'n Pirlapan was. Nu stel ik je nog eens voor de keuze: Blijf hier tot je pleegvader terugkeert. En komt ie niet terug, wat in deze tijden heel niet onmogelijk zou zijn, blijf dan voor goed bij ons. 't Land Huk zal nog wel eens behoefte hebben aan mannen, die 't zwaard kunnen voeren, als onze wettige keizer terugkeert, ik meen de zoon van keizer Napo. Dan trekken alle Pirlapans mee naar de hoofdstad. Denk er nog eens over na. En nu gaan we slapen."

Met veel minder drukte dan ze binnen gekomen waren verlieten de Pirlapans 't vertrek. Ze wenschten de oude baron allemaal eerbiedig goede nacht en ze keken Abé met heel andere oogen aan dan toen ze binnenkwamen. Voor deze menschen was alleen iemand die sterk was en vechten kon de moeite waard. Op de rest zagen ze met minachting neer.

Abé sliep die nacht in 'n torenkamer, die geen andere vensters had dan 'n paar schietgaten in de dikke muur. Maar 't bed was warm en hij zelf doodmoe. 'n Nacht en 'n dag te paard met 'n gevecht tegen zoo'n stevige Pirlapan tot besluit, daar kon je 't mee doen. Nauwelijks lag hij dan ook of hij sliep al. En hij werd niet eer wakker voor er de volgende morgen op de deur gebonsd werd.

De jongste Pirlapan had geklopt en stapte nu de kamer in.

"'t Is al vier uur," zeide hij, "en ik heb al twee maal geklopt. Nou heb ik geen tijd meer, want ik wou graag mee op de wolvenjacht."

't Klonk alles 'n beetje grommig, meende Abé en daarom vroeg hij:

"Ben je boos op me?"

"Heelemaal niet. Ik was gisterenavond 'n beetje moe toen we begonnen. Ik was al om drie uur op geweest en had de heele dag in 't hooiland gewerkt. Daar kwam 't zeker van. Anders had je me er niet onder gekregen."

"'k Denk 't ook," zei Abé lachend. "Ik was echter ook lang niet frisch. Ik had de heele dag en de vorige nacht gereden ..."

"Hè?"

"Ja ..."

"Dan zou je 't misschien toch gewonnen hebben al was ik niet zoo moe geweest ... Ga je mee op de wolvenjacht?"

"Nee ... ik ga zoo gauw mogelijk weer op weg om m'n pleegvader te zoeken."

"Da's jammer hoor. Ik had graag gehad dat je maar heelemaal bij ons gebleven was."

"Misschien kom ik wel terug. Als ik m'n pleegvader niet vinden kan, doe ik 't zeker."

"En als je 'm wel vindt?"

"Dan weet ik 't niet. Dan zal ik wel moeten doen wat die over me beschikt hè?"

"Ja, dat zal wel."

Ze gingen nu samen naar beneden, waar de heele familie al lang aan 't ontbijt zat. Eten was 'n geweldige bezigheid op Pirlapan. Ze hadden geen van allen gauw genoeg. Doch toen ze klaar waren grepen ze hun jachtsperen en gingen naar 't binnenplein waar groote honden, door knechts vastgehouden, 'n geweldig leven maakten. De Pirlapans en de anderen die meegingen, haalden zelf hun paarden uit de stallen en 'n oogenblik later, nadat ze eerst allen vriendelijk afscheid genomen hadden van Abé, reden ze de poort uit. Dof klonk 't hoefgetrappel over de valbrug.

"En ga je nu toch heen?" vroeg de oude Pirlapan aan Abé.

"Ja heer," zei deze. "Ik kan niet blijven, hoe graag ik 't ook deed."

"Nu om je de waarheid te zeggen, na wat ik gisterenavond gezien heb, ben ik niet meer zoo bang voor je. Je zal je man wel staan als 't op vechten aankomt. Maar wees voorzichtig en op je hoede tegen iedereen. Sommige menschen vallen iemand niet aan met 't zwaard in de vuist. En dat zijn juist de gevaarlijkste."

"Dieven en inbrekers," zei Abé vol minachting.

"Die bedoel ik niet. Er zijn menschen die zich vriendelijk voordoen en 't toch niet meenen. Dat zijn de slimste vijanden. Pas voor die op."

"Natuurlijk zal ik dat doen, heer."

"Goede reis dan. Daar komt je paard. En als je ooit hulp noodig hebt, kom naar Pirlapan."

"Ik zal 't niet vergeten heer, en dank voor uw gastvrijheid."

Vroolijk ging Abé weer op reis. 't Weer was prachtig en als de zon schijnt voel je je van zelf prettig. Vooral wanneer je in de schaduw kan blijven en dat kon Abé die morgen zooveel hij wou, want z'n weg ging door het woud. Hij was vast overtuigd, dat ie binnenkort Karibo wel zou ontmoeten. Hoe dat kwam wist ie zelf niet. 't Was maar zoo'n idee. Bovendien hoefde hij die dag althans geen mensch lastig te vallen om voedsel en z'n beurs behoefde hij evenmin aan te spreken. De oude Pirlapan had hem 'n heele voorraad meegegeven. Zelfs voor 't paard was gezorgd. Dat dier droeg 't brood voor z'n baas en haver voor hemzelf, 'n heele zak vol. Er was geen vroolijker ruiter in Huk dan Abé.

Pirlapan had hem nog eens, toen hij al te paard zat, gewaarschuwd toch vooral op z'n hoede te zijn. "Moed kan je te pas komen, maar overmoed is altijd verkeerd. Begeef je niet onnoodig in gevaar, mijn jongen."

Dat was hij ook niet van plan. Maar hij vond het nu toch eigenlijk wel 'n beetje mal, vooral van zoo'n dapper man, zoo'n beroemde Pirlapan, om iemand te waarschuwen voor dingen, die iedereen van zelf toch wel naliet. Doch dat hij er nog bij gezegd had, vooral op te passen voor menschen, die er doodonschuldig uitzagen, dàt was bepaald onbegrijpelijk.

De heele dag reed Abé door 't woud en bespeurde niets verdachts. Hij ontmoette geen levende ziel, zelfs geen menschen met 'n onschuldig gezicht. Dieren zag hij ook zelden en er moest toch wild genoeg in 't woud zijn. 'n Enkele maal meende hij wolven te hooren en omdat 't reeds tegen de avond liep spoorde hij z'n paard wat aan. In 't bosch vond hij 't met zulke beesten er in nu juist niet geschikt om er te overnachten. Pirlapan had hem gezegd, dat ie vóór de avond 't eind van 't woud bereikt kon hebben, als hij niet te lang deed over z'n middagmaal. Dat had hij dan ook maar vlug gedaan. Toen z'n paard haver genoeg gegeten had was Abé met z'n dikke boterhammen al lang klaar. Vlug was hij weer opgestegen en weggereden, maar om 't paard te sparen had hij 't misschien wat al te dikwijls laten stappen. Nu wilde hij z'n schade nog gaan inhalen. Als ie 't bosch maar achter zich had, kon 't beest weer wat uitblazen.

De zon was nog niet onder toen Abé de rand van 't woud bereikte. Vóór hem lag 'n naar beneden hellend land, dat zich heel ver uitstrekte. Uren ver kon hij zien. Aan de gezichteinder, waar de zon in goudgerande wolken onderging, lag 'n stad, wier torens en daken zich donker tegen de gloeiende lucht afteekenden. Abé hield z'n paard in om eens goed alles te bekijken en 't beest wat rust te gunnen. Nergens was ook maar de geringste nevel te bekennen en ieder ding was duidelijk zichtbaar. In die streek zou hij geen moeite hebben om onder dak te komen. Overal zag hij woningen. Ook die tweede dag nam 'n goed einde.

Na 'n kwartiertje meende Abé, dat 't weer tijd werd om op te stappen en 't paard dacht er zelf blijkbaar ook zoo over. Dit scheen ook blij te zijn, dat 't bosch achter de rug was. Misschien had 't beest de wolven ook bespeurd en dus was 't geen wonder dat 't vanzelf begon te draven langs de helling naar beneden waar de veilige korenvelden zich aan weerskanten uitstrekten.

Waar de weg 'n buiging maakte zag Abé plotseling 'n man aan de kant van de weg uit 't gras opstaan. 't Moest een bedelaar zijn, want hij zag er schunnig uit. De kleeding was erg gehavend en z'n gezicht vuil en ongeschoren. Met uitgestrekte hand bleef hij staan. Abé hield z'n paard in, en greep naar z'n zadeltasch. Geld wou hij de man niet geven, hoe graag hij 't ook gedaan had, dat kon ie niet missen. Maar brood had hij nog genoeg. De man strompelde op 't paard af. Och, och, wat 'n ongelukkige kreupele was dat. Hij leek wel 'n verlamd been te hebben en met moeite hinkte hij op 'n stok vooruit.

"Blijf maar staan," zei Abé. "Ik kom wel bij je."

Hij gaf hem van z'n boterhammen.

"Moet je nog ver?" vroeg Abé.

De man knikte.

"'k Kon haast niet verder," zei hij. "'k Heb de heele dag al geloopen, maar 'n gezond mensch zou er nog geen halve dag over doen ..."

"Wil je 'n poosje op m'n paard zitten? Ik wil wel 'n uurtje loopen. Misschien komen we dan wel ergens waar je overnachten kan."

De man keek Abé even aan, misschien wat verwonderd. Tenminste dat dacht Abé. Zooiets werd hem dan ook zeker niet iedere dag gevraagd.

"Wat graag," zei de kreupele.

"Vooruit dan maar," zei Abé, vlug van 't paard springend. "Wacht ik zal je even helpen opstijgen."

Doch dat was niet noodig. De man pakte 't paard bij 'n lok van z'n manen, zette tot groote verbazing van Abé z'n lamme voet in de stijgbeugel en zat in 'n ommezien in 't zadel. Abé greep naar de teugel. Die kreupele deed toch wel 'n beetje raar. Maar 't was te laat. De man hief z'n stok op en eer Abé er op verdacht was sloeg de bedelaar hem zoo hevig op 't hoofd, dat de goedhartige prins zonder 'n kik te geven in 't zand van de weg neerstortte.

De struikroover keek niet eens naar de arme jongen om. Met 'n paar knuppelslagen en 'n ruk aan de teugel werd 't paard in galop gezet en de paardendief verdween in 'n oogenblik uit 't gezicht.

't Was al bijna nacht toen Abé z'n oogen opende en tot z'n groote verwondering zag hij 'n oud uitgedroogd vrouwtje naast zich in 't zand van den weg geknield liggen, die z'n hoofd met haar dorre beenige hand ondersteunde. Abé had hevige hoofdpijn en hij keek 't vrouwtje wezenloos aan.

"Hoe is 't nou met je, m'n jongen? Ik dacht eerst dat je dood was. Hoe kom je zoo hier te liggen met zoo'n bebloed hoofd? Waar kom je vandaan?"

Abé hoorde de vrouw praten maar hij gaf geen antwoord. Hij begreep er niemendal van.

"Kan je opstaan?" vroeg 't vrouwtje weer. "Dan neem ik je mee naar mijn huisje. 't Is hier vlakbij."

Abé probeerde 't. Het vrouwtje hielp hem zooveel ze kon. Maar ze leek niet erg sterk. Toen Abé weer op de been was, scheen hem op eens weer alles in de gedachte te komen.

"M'n paard," zei hij. "Waar is m'n paard." En hij keek hulpeloos rond. 't Was om er meêlij mee te krijgen.

"Heb je 'n paard gehad?" vroeg 't vrouwtje vriendelijk. "Is 't op hol gegaan?"

"Nee," zei Abé. "Die kerel is er mee weg ..."

"'n Wit paard? 'n Groot wit paard?"

Abé knikte.

"Dan heb ik 't gezien. Ik ben 't tegengekomen. 'n Kerel zat er op ... Net 'n roover."

"Dat is het," zei Abé al veel fermer. "Waar is hij heen? Ik moet 't terug hebben."

"Kom," zei 't vrouwtje. "Ga eerst maar met mij mee. Die vent is al lang ver weg. Hij rende zoo hard hij kon. Hij sloeg er aanhoudend met z'n stok op."

"Zoo'n gemeene vent," zei Abé. "'t Paard kreeg nooit klappen."

"En heeft ie jou ook zoo toegetakeld?"

"Met z'n stok" zei Abé. "Hè, alles draait voor m'n oogen."

Hij greep 't vrouwtje vast en dat nam hem heel zachtjes mee. Voetje voor voetje en zoo bracht ze hem naar haar hutje, waar ze de arme jongen heel gauw naar bed bracht.

Dat was wel noodig ook. Die gemeene schurk, voor wie Abé zoo goed wou zijn, had hem leelijk geraakt.

DERDE HOOFDSTUK.

Waarin Karibo 'n belangrijk persoon wordt, de burgemeester van Pomfriet 'n toespraak houdt en Abé 't hoe langer hoe slechter krijgt.

Karibo had 't er op z'n reis naar Pomfriet beter afgebracht dan Abé. Hoe meer hij die stad naderde, des te vroolijker werd z'n gezicht en toen hij er op 'n avond net veertien dagen nadat hij Cobalt verlaten had aankwam, had hij 't wel willen uitschreeuwen van pleizier. Hij glom van genoegen en toen hij de poort wilde doorrijden en 'n paar gewapende mannen hem zoo maar pardoes gevangen namen, kwam z'n heele gezicht vol rimpels van 't lachen, net alsof hij 't wel 't prettigste vond dat hem overkomen kon.

Dat kwam door alles wat hij onderweg had hooren vertellen. Eerst toen hij nog ver van de hoofdstad af was, waren 't maar vage geruchten. De menschen bij wie hij 's avonds aan de haard zat, als hij voor de nacht hun gastvrijheid had ingeroepen, praatten over wat er in Pomfriet allemaal gebeurde. De keizer die nu twaalf jaar geregeerd had, had 't de Hukkers niet erg naar de zin gemaakt. Hij bestuurde 't land dan maar heel slecht. Dat kon keizer Napo, die ze weggejaagd hadden, veel beter. En nu was 't zoo erg geworden, dat de Pomfrieters genoeg begonnen te krijgen van hun keizer met z'n moeilijke naam en weer terug verlangden naar hun goeden keizer Napo. Maar heel zeker wisten de menschen 't toch ook niet. Pomfriet was zoo ver weg en je kon toch ook niet alles gelooven wat er alzoo gemompeld werd.

Karibo reisde dan maar weer verder de volgende morgen. Met iedere dag waren de geruchten stelliger en Karibo's gezicht vroolijker. En toen hij nu eindelijk Pomfriet bereikt had en de stad niet maar zoo in mocht was z'n plezier volmaakt. Die mannen die hem gevangen namen hielden hem voor 'n spion van die gehate keizer, die ze uit Pomfriet verjaagd hadden en die nu ergens in de nabijheid in 'n kasteel op 'n gelegenheid loerde om z'n hoofdstad weer te veroveren en de Pomfrieters betaald te zetten wat ze aan hem misdreven hadden. De goeie man dacht er waarschijnlijk niet aan dat Boontje wel eens om z'n loontje komt en dat 't hem nu net ging als twaalf jaar geleden z'n oom Napo.

"Waar kom je vandaan en hoe heet je?" vroeg hem iemand die wel wat op 'n officier leek en naar wie de mannen Karibo gebracht hadden.

"Ik heet Karibo, daar hoef ik geen geheim van te maken, maar waar ik vandaan kom, dat vertel ik je liever niet."

"Dat zullen we je wel leeren man," zei de officier, "en als blijkt dat je 'n spion ben van Sutrebor dan is 't gauw met je gedaan. We maken korte metten met zijn aanhangers. Heeft de gevangene papieren bij zich?"

"Hier is z'n zadeltasch," zei een van de mannen. "Daar zal wel wat in zitten."

"Geef hier, dan zullen we wel eens zien."

"Wat ik zeggen wil," zei Karibo lachend,--'t leek wel, dat hij verbazend veel schik in 't heele geval had--"voor je mijn tasch open doet en gaat snuffelen in dingen, waar je geen steek mee te maken hebt, wil ik je wel even waarschuwen. 't Is allemaal voor je eigen rekening, hoor. Je zal de gevolgen zelf moeten dragen."

"Geen praatjes. Geef op de tasch."

"Je blijft er af," zei Karibo. "Nou weet je 't. Stuur die twee kereltjes maar even weg, dan zal ik je vertellen, wat je weten mag, maar meer ook niet."

Karibo keek nu heel ernstig en z'n ondervrager scheen te begrijpen, dat hij misschien wat anders dan 'n spion van Sutrebor voor zich had. Hij zond z'n gewapende mannen weg en zei toen:

"Ik luister. Wat heb je te zeggen."

"Wie gebiedt er hier in de stad?" vroeg Karibo.

"De burgemeester ..."

"Breng me dan bij hem."

"Waarom. Zeg me eerst, wat je bij hem wilt doen. Je kan wel 'n sluipmoordenaar zijn of zoo iets."

"Je mannen hebben m'n zwaard afgenomen en m'n mes. Meen je, dat ik de burgemeester met m'n pink kan doodsteken? Maar ik wil je wel iets zeggen, doch je mag 't aan geen mensen zeggen: Ik kom van keizer Napo."

"Wat zeg je, man?... Belachelijk ... Denk je, dat ik dat maar zoo geloof?"

"Ken je 't keizerlijk zegel? Hier is 't."

En uit den tasch nam Karibo 'n pak met rood lint ombonden perkamenten, waaraan verscheidene waszegels hingen, die hij de man onder z'n neus hield.

"Ik ga zelf met je mee," zei de officier. "De zaak schijnt me belangrijk genoeg. Hoe maakt de keizer het?"

"Dat zal je later wel hooren. Laten we nu maar voortmaken. De zaak is van 't grootste belang voor Huk en er is haast bij."

Karibo kreeg z'n paard terug, maar niet z'n wapens en omringd van gewapenden met de aanvoerder, die hem ondervraagd had, voorop, reden ze in galop door de volle straten van Pomfriet. De menschen stoven bij 't naderen der wilde ruiters verschrikt uit elkaar en keken dan nieuwsgierig de stoet na tot er een riep: "'t Is een gevangene," en 'n ander: "'n spion." Die 't ergst nieuwsgierig waren, liepen naar 't raadhuis en eer er 'n half uur verloopen was stond 't groote plein stampvol. Er was 'n geweldige menigte Pomfrieters, die allemaal naar 't raadhuis opzagen, doch geen mensch wist, wat er eigenlijk aan de hand was. Doch dat er iets gewichtigs moest plaats hebben, begonnen ze toch allemaal langzamerhand in te zien. Telkens gingen er boden in haast van 't raadhuis en dan zagen de menschen na eenige tijd de bode weer terugkomen met een of ander voornaam persoon. Zoo ging 't 'n heele tijd, doch toen konden de Pomfrieters 't niet langer uithouden. Ze begonnen te schreeuwen en te joelen en eindelijk zonden degenen, die vooraan stonden, iemand naar binnen om te vragen, wat er gebeurde. Toen verscheen 'n oogenblik later de burgemeester op 'n balkon met Karibo naast zich, die wel probeerde 'n plechtig gezicht te zetten, zooals de burgemeester had, zonder dat 't hem lukken wou. Telkens begon hij weer te lachen. En achter die twee zagen de toeschouwers nog 'n heele boel plechtige gezichten. Die waren van al de voorname lui, die de burgemeester had laten ontbieden door z'n boden.

't Was plotseling doodstil op de markt. De burgemeester had met z'n hand gewenkt, hij wilde wat zeggen. En toen hij 'n speld kon hooren vallen begon hij:

"Pomfrieters, hier naast me staat 'n bode van keizer Napoleonidas, de rest van z'n naam zeg ik wel eens op 'n andere keer als ik meer tijd heb."

"Hoeraaaaaa!!!" brulde de menigte en 't duurde wel vijf minuten eer de burgemeester weer stilte had. Karibo lachte met z'n heele gezicht, maar hij kreeg het toch weer zoowat in de plooi toen de burgemeester vervolgde:

"Jullie hoeft niet zoo te brullen, want de keizer is dood."

Nu werd 't eerst zóó ijselijk doodstil, dat iemand, die z'n oogen dicht deed, zou hebben kunnen denken, dat ie heelemaal alleen op de wereld was, en daarna kwam er langzaam 'n zwaar gemompel. Toen zei de burgemeester weer:

"Maar z'n zoon, prins Abecé leeft ... en is reeds hier in 't land ... Deze man zal hem gaan halen ... Binnen veertien dagen kan hij hier zijn ... en dan hebben we weer een wettige keizer ... Leve onze nieuwe keizer Abecé I."

Nu weerklonk er zoo'n vreeselijk hoera, waaraan de burgemeester, Karibo en allen, die in 't raadhuis waren, van harte mee deden, dat de ruiten er van dreunden. En dat hield minuten lang aan. De menschen op de markt begonnen te dansen en te springen hand aan hand en ze riepen: "Leve Prins Alphabet!" en dat zongen in 'n wip alle Pomfrieters. 't Nieuwtje was gauw van mond tot mond gegaan ... eer 't avond was wisten alle menschen in de stad het. Er werden lantaarns opgezocht--en toen 't donker was brandden overal, op alle daken en torens en langs alle vensters duizenden lichtjes ter eere van prins Alphabet. En dat was juist op dezelfde avond, dat die arme jongen half dood op de weg lag met 'n oud vrouwtje naast hem, die niet eens sterk genoeg was om hem op te beuren en wachten moest tot hij weer bijkwam om hem mee te nemen naar haar armoedig hutje.

Karibo was in z'n nopjes. Hij had niet kunnen denken dat Abé al zoo gauw keizer van Huk zou worden en nu maakte hij natuurlijk hard voort om zoo spoedig mogelijk z'n meester uit dat akelige nest aan de grens te gaan halen. 'n Keizer die in 'n herberg logeerde, dat kwam niet te pas en de burgemeester en de andere voorname lui in Pomfriet waren 't daar volkomen mee eens. Er werd 'n lijfwacht samengesteld uit de beste soldaten en 't spreekt vanzelf, dat er ook heel wat anderen meegingen. 't Moest zoo prachtig mogelijk worden. De soldaten waren er echter bij, omdat de verjaagde keizer Sutrebor nog altijd vlak bij was en ook nog te beschikken had over 'n leger. Als die er van hoorde, dat prins Alphabet teruggekeerd was in z'n vaderland, dan kon 't wel eens gebeuren, dat die rare Sutrebor 'n poging zou doen om de wettige keizer te pakken te krijgen. En daar moest niemand iets van hebben.--Al hadden ze hem bespot toen ie pas geboren was--nu was iedere Hukker in de hoofdstad 'n Alphabetter geworden.

De voornaamste persoon, de man die iedereen naar de oogen zag, was opeens Karibo geworden. Hij had prins Alphabet teruggebracht naar Huk, en hij was ook de eenige, die hem kende. Zonder Karibo zou iederen jongen van twaalf jaar zich wel kunnen uitgeven voor prins Alphabet. En Karibo vond 't wàt aardig. Maar hij dacht daarbij toch wel heel weinig aan zichzelf. Abé was bij hem nummer een en alles wat ie deed geschiedde in 't belang van de zoon van zijn gestorven heer.

Karibo maakte het de burgemeester lastig genoeg. Die man was niet gewoon alles met zoo'n geweldige haast te doen. Maar Karibo hield niet van treuzelen en daar de burgemeester Karibo ook te vrind wilde houden, gaf hij hem z'n zin maar en zoo kwam het dat twee dagen later 'n prachtige stoet onder 't gejuich van de Pomfrieters, de stad verliet om de nieuwe keizer van Huk te gaan halen.

Karibo was de aanvoerder.