Part 2
't Groote paard draafde alweer gewillig over de mullige weg, 't geplomp van de paardehoeven in 't zand was 't eenige geluid in de nacht. Abé vond 't erg eenzaam en hij kreeg dan ook 'n prettig gevoel toen eindelijk de donkere nachtlucht begon op te klaren. De kleine sterretjes verdwenen zoo langzamerhand de een na de ander en toen gingen ook de grootere aan 't verbleken. Alleen de heldere morgenster stond nog als 'n schitterend lampje in de doorschijnende lucht, waar al lichte wolken met rozeroode randen zachtjes voortdreven. De vogels waren nu allemaal wakker. De lijsters en zwaluwen waren nummer een geweest en de spreeuwen, vinken, boomkruipers, meezen die 'n beetje later opstaan, kwamen daarna voor de dag. Telkens hoorde Abé 'n nieuw geluid. De zon was er nu ook weer. En daar kwam op de weg, met 'n schop over de schouder 'n man aan.
Dat was nog 't beste van alles, want aan die man wilde hij vragen of hij op de goede weg was naar Pomfriet.
"Pomfriet?" zei de landman toen Abé van z'n paard af de vraag gedaan had. "Pomfriet? Pomfriet??"
"Ja Pomfriet.... de hoofdstad van Huk."
"De hoofdstad van Huk?.....Nee.... dat is de weg naar Tannabo...."
"O, dank je wel.... goeie morgen."
Abé reed weer door. Hij was op de rechte weg. Die landman scheen niet erg op de hoogte met de aardrijkskunde van Huk. Maar Abé kende de kaart uit z'n hoofd. Tannabo lag aan de groote weg naar Pomfriet. Wel 'n eeuwig eind er van daan ... maar dat hinderde niet. Op z'n stevig beest zou hij er wel komen.
Doch zoo'n stevig beest kan je niet veertien dagen aan een stuk laten loopen. Zoo'n dier moet op tijd iets versterkends hebben, en 'n beetje rust. Nu had 't paard de heele nacht gestapt en gedraafd. 't Werd tijd voor 'n opknappertje. En Abé had zelf ook trek in 'n brokje. Afstappen dus.
Hij nam 't paard 't bit uit de bek en toen begon 't dadelijk te grazen langs de weg. Er was gras genoeg. Zoo'n paard vindt makkelijk z'n ontbijt. Met Abé was dat anders. Honger had hij, minstens even erg als z'n paard, maar hij had niemendal te eten. In de groote zakken die hij achter zich op 't paard aan weerskanten van 't zadel had hangen, had hij gezocht en nog eens gezocht. De heele boel had ie overhoop gehaald. Er moest wel iets eetbaars in zijn. Waar was 't stuk brood gebleven, dat ie voor hij de herberg verliet uit 'n kast gehaald had om 't mee te nemen? 't Was nergens te vinden. Hij begon opnieuw in de zakken te scharrelen, maar 't gaf niets. Er was geen kruimel brood in. Dat was om verdrietig te worden. Want als je honger hebt en je kan niets vinden om die te stillen, wordt de trek nog zooveel te grooter.
Maar hij deed nog 'n andere ontdekking die nog wel zoo onaangenaam was. Hij vond in de zakken geen halve duit. Geen enkel geldstuk. Karibo had alles meegenomen en Abé had in z'n tasch hoogstens 'n paar zilverstukken, net genoeg om er 'n dag of wat droog brood van te eten. En daar moest hij veertien dagen van leven? Natuurlijk kon hij hier en daar wel 'n boterham of 'n hap eten voor niemendal krijgen ... er was nog gastvrijheid in Huk. Maar dat kon je veel beter aannemen als je geld genoeg in je tasch had om er voor te kunnen betalen, als 't noodig was. Nu leek 't hem toe, dat hij, prins Abé, 'n soort bedelaar te paard was geworden. En dat was geen prettig idee.
En had hij nu dat stuk brood maar kunnen vinden. 't Leek hem net alsof hij er wel wat op zou kunnen vinden, als hij nu maar vast wat te eten gehad had. Hij benijdde z'n paard. Dat beet bij bekken vol 't gras af telkens met 'n ruk z'n groote kop bewegend en dan keek 't af en toe naar Abé op, die maar met z'n grazende paard meewandelde. De jongen keek tusschen de struiken langs de weg of er niets eetbaar groeide. Boomen genoeg en wilde aardbeien--maar 't waren allemaal nog pas witte bloesems. Daar schoot hij ook al niet hard mee op.
"Kom je zal nou wel genoeg hebben," zei Abé 'n beetje grommig tegen z'n beest. Hij deed hem 't bit weer in de bek en steeg weer op. Die honger kon hij niet verdragen. Hij moest eten hebben, al zou 't ook z'n laatste duit kosten.
"Vooruit witte."
't Ging weer in draf. Onder 't rijden keek Abé uit of hij geen menschenwoning zag. Maar 't land leek wel onbewoond. Na 'n half uur kwam hij weer 'n man tegen.
"Goeie morgen" zei Abé z'n paard inhoudend. "Wonen er hier geen menschen in de buurt?"
"Als je nog 'n kwartiertje doorrijdt kom je aan mijn huis," antwoordde de man. "En als je dan nog 'n half uur goed doordraaft ben je in Tannabo."
"Da's dan nog driekwartier," dacht Abé ...
"Ligt jouw woning vlak aan de weg?"
"Nee ... 'n eindje 't land in. Wou je er afstappen?"
"Nee ..." antwoordde Abé. "'k Zal maar doorrijden." "Dank je voor de inlichtingen."
"Dag! zei de man, en stapte weg."
'n Eind verder zag Abé 'n blauwe zak op de weg liggen. Die had de landman bepaald verloren van de stok, die hij over de schouder droeg en waaraan Abé ook 'n aarden kruik had zien bengelen. Daar zat brood in. 't Was alsof iemand dat in Abé z'n ooren schreeuwde.
't Paard inhouden, op de grond springen als 'n kat, vlug de zak openmaken, dat was allemaal in 'n wip gebeurd.
Bruin brood met spek ... minstens voor twee dagen genoeg. En de dikke snee brood, die Abé er uit genomen had ging haast vanzelf naar z'n mond.
Maar dat was die vriendelijke landman z'n middageten en misschien moest hij er óók wel 'n paar dagen op teeren ... En dat wou Abé nu maar zoo zich toeeigenen?
Abé kreeg er 'n kleur van. Hij deed vlug 't brood in de zak, steeg er mee te paard en reed in galop terug.
Toen hij de man in de verte zag begon hij te roepen. De man keek om stond stil en terwijl Abé de zak omhoog hield, zag hij hoe de man de stok van z'n schouder nam en er naar keek. De man keerde terug.
"Dank je wel heertje ..." zei de man de zak aannemend. "Daar zou ik raar mee gezeten hebben. D'r zit eten in voor de heelen dag."
"Lekkere boterhammen," zei Abé. "'k Heb er in gekeken. 'k Had er haast in gebeten."
Dat laatste zei hij, zonder nadenken. 't Kwam hem zoo maar uit de mond. De man keek er van op.
"Heb je er trek in?" vroeg hij. "Neem er dan maar gerust een van hoor. Ik houd toch altijd over. M'n vrouw is altijd bang, dat ik niet genoeg zal hebben."
"Mag ik?" vroeg Abé, z'n hand reeds uitstekend naar de zak.
"Gerust hoor. Hier."
De man gaf er zelf 'n paar dikke sneden brood uit en Abé hapte er in als 'n uitgehongerde. Z'n oogen glinsterden van genot toen hij 't brood proefde.
De man keek hem aldoor maar aan.
"Je schijnt honger te hebben heertje," zei hij.
"Heb ik ook" antwoordde Abé kauwend.
En toen vertelde hij van de brand en van z'n reis naar Pomfriet waar hij z'n pleegvader Karibo hoopte te vinden.
"Zoo zoo," zei de man, "is daar zoo'n brand geweest ... De heele stad zeg je?"
Abé knikte met 'n volle mond.
"En moet je nou alleen naar Pomfriet? Da's 'n heel eind hoor en de weg is lang niet veilig tegenwoordig zeggen ze. Dat was onder keizer Napo anders. Die hield er de orde in. Maar deze ..., nou ...."
"Wat is er met deze keizer?" vroeg Abé.
"Och ..., ze zeggen.... dat ie niet deugt. Hij moet nergens om geven ... Verleden week heeft er 'n reiziger overnacht, die in Pomfriet geweest was. Die vertelde dat er veel slecht volk rondzwierf tusschen hier en Pomfriet. Niemand durft haast meer zonder sterk geleide op weg."
"Dat ziet er slecht genoeg voor me uit.... maar gelukkig is er niet veel bij me te halen ..."
Abé zweeg plotseling. Hij dacht aan Karibo, die zooveel goudstukken bij zich had in z'n tasch. Als die eens in handen van roovers gevallen was?
"M'n pleegvader had veel geld bij zich ..." zei hij weer.
"En reisde hij alleen?"
Abé knikte.
De landman zette 'n zeer bedenkelijk gezicht en schudde z'n hoofd.
"Dank je wel voor je boterhammen hoor," zei Abé. "'k Zal er een bewaren voor vanmiddag."
"Goeie reis," zei de man.
"Goeie reis, dat kan je gemakkelijk zeggen," dacht Abé, maar hij begon 'n beetje te twijfelen of hij de reis wel tot 'n goed einde zou kunnen brengen, als 't tenminste waar was, wat die man gezegd had over al dat slechte volk langs de wegen. Wat moest hij alleen daartegen doen? En wat had Karibo er tegen kunnen doen? Had die goed en wel Pomfriet bereikt? En wat zou ik moeten beginnen, dacht Abé verder, als Karibo eens in handen van roovers gevallen was? Wat helpt 't me dan of ik al in Pomfriet aankom, waar geen mensch me kent, waar natuurlijk niemand 'n steek om zoo'n jongen geeft die daar alleen komt aangedwaald met geen stuiver op zak, en die niet eens kan vertellen wie hij is?
Maar Abé was er geen jongen naar om zich heel erg benauwd te maken. Dat had ie noch van z'n vader noch van Karibo geleerd. Je moet je er maar doorheen zien te slaan, als je ooit in moeielijkheden komt, hadden die hem voorgehouden. En dat was ie ook nu ook van plan. Hij kon in ieder geval trachten Karibo terug te vinden. De reis was eigenlijk nog zoo slecht niet begonnen, want hij was toch maar op 'n gemakkelijke en eerlijke manier aan 'n stevige boterham gekomen. Hij had nog wel voor de heele dag genoeg. Dat was tenminste al iets gewonnen. Hongerlijden was toch eigenlijk heel wat erger dan al die roovers. Die kon je nog ontkomen--maar de honger, als die je te pakken had, ging ie overal met je mee.
"Vooruit dikkerd."
Er schenen toch niet veel menschen te wonen in dat gedeelte van 't land Huk. Abé kwam die dag maar zelden iemand tegen. Slecht volk, daar bedoelde Abé natuurlijk mee, menschen die je 't aan hun gezicht kon zien dat 't roovers of dieven waren, zooals die twee die hij buiten de brandende stad gezien had, waren er heelemaal niet bij. Kooplieden leken het wel of boeren. En ze hadden hem allemaal eerbiedig gegroet, net alsof ze wisten dat hij prins Abecé was, de rechtmatige keizer van Huk. Neen, zóó toch niet. Als ze dàt geweten hadden, zouden die menschen wel anders gebogen hebben .... Of misschien wel heelemaal niet.... want ze hadden hem immers weggejaagd om z'n naam?
Tegen den avond, begon Abé uit te zien naar 'n huis om voor de nacht onder dak te komen ... In Tannabo had hij zich maar niet opgehouden. Nu de zon onderging voelde Abé z'n moed wel 'n beetje zakken. De heele dag had ie zich voorgenomen om als 't niet anders kon, maar onder de bloote hemel te slapen. Dat was toch zoo erg niet. Doch nu kwamen er allerlei onaangename gedachten in z'n hoofd en of hij 't zich nu bekennen wilde of niet, 't leek er toch erg veel op dat ie bang begon te worden. Daar was die man met z'n vertelsels over dat slechte volk oorzaak van.
"Flauwerd," zei Abé zachtjes tegen zich zelf. Maar de bangheid werd er geen haar minder door.
't Was nu al bijna heelemaal donker. 't Paard stapte nog maar loom over de stoffige weg 'n dikke stofwolk met z'n sloffende pooten omhoog warrelend. 't Beest was moe, net als Abé. Toch dacht hij er niet aan af te stappen om 't afgematte dier drinken, voedsel en rust te geven. Hij wilde net zoolang doorrijden tot hij 'n menschelijke woning tegenkwam. Hij keek voortdurend naar beide kanten van de weg uit over de velden heen. Hij had nu al minstens 'n uur lang gereden langs niets dan korenakkers. Waar zat de man toch aan wie dat toebehoorde? Wellicht ver 't veld in, hier of daar achter 't hout zoodat 't huis van de weg niet te zien was en dan was hij er misschien al lang voorbij gereden.
'n Eindje voor hem scheen 't korenveld op te houden. Daar zag hij donker tegen de goudgroene avondlucht hooge boomen hun dichte kruinen afteekenen.
"'n Bosch" dacht Abé schrikkend. "Wie weet hoe groot....."
Dat was 'n vreeselijke teleurstelling. Maar er was niets aan te doen. Als er 'n bosch voor je neus staat waar je weg doorheen loopt, dan kan je twee dingen doen: omkeeren of doorrijden. 't Een was al net zoo erg als 't andere. Nee, nog erger. Want als hij terugkeerde bereikte hij niemendal. 't Bosch moest hij door. Doch dat kon hij morgen veel beter als 't dag was. Dan moest hij in 's hemelsnaam maar bivakeeren onder de bloote hemel. Voor één nacht was 't dan toch ook zoo erg niet.
Op eens leefde Abé heelemaal op--net toen hij 't besluit genomen had om dan toch maar in 't gras te gaan slapen.--Hij had hondegeblaf gehoord. Zouen er daar toch menschen wonen? Hij trok de teugels strak, zoodat de witte z'n moede kop weer ophief en reed op 't bosch aan. Blijde verrassing! Aan de ingang van het bosch tusschen zwaar hout schemerden de grauwe muren van 'n steenen huis, zich spiegelend in 'n donkere breede gracht. De brug was opgehaald en de poort gesloten. 't Leek half 'n kasteel en half 'n boerenhuis. Abé reed tot vlak voor de brug. Er was niemand te zien. Alleen blaften de groote honden met hun basstemmen.
"Hallo!" riep Abé zoo hard hij kon en nog eens "Hallo!" Er rammelde iets aan de poort en 'n oogenblik later verscheen er door 'n klein deurtje gemaakt in de rechter helft van de groote met ijzer beslagen poortdeur, 'n groote kerel met 'n hond aan 'n ketting. Hij stapte op de valbrug af en met luid ketting-gerammel kwam de brug omlaag. Abé reed er over heen en nog voor hij goede avond had kunnen zeggen, was de brug alweer achter hem opgehaald.
"Welkom reiziger," zei de groote kerel met 'n bromstem. De poort was nu heelemaal open en Abé reed met de man naast zich die 't paard bij de teugel genomen had, naar binnen. Door de poort kwamen ze op 'n ruime vierkante binnenhof met 'n waterput in 't midden. Er stonden karren, emmers en vaten. Open staldeuren, waaruit geluid van dieren kwam en stalwalm zag hij tegenover zich. Er kwam 'n jongen uit zoo'n staldeur op hen toe en de man zei terwijl Abé vlug van 't paard sprong:
"Hier, breng 't in de stal en verzorg 't beest goed. Wasch z'n bek en z'n pooten. 't Is stoffig en moe."
En tot Abé zei de man: "Ga gauw naar binnen. Je lijkt me ook vermoeid en ik zie aan je gezicht dat je honger hebt."
Abé voelde zich heerlijk veilig op eens. En met 'n blij hart volgde hij z'n vriendelijke gastheer met de brommige stem en de groote hond die kwispelstaartend nu en dan omkeek.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Waarin Abé kennis maakt met de Pirlapans, 'n overwinning behaalt en z'n paard kwijt raakt.
De man bracht Abé in 'n groot koel en somber vertrek. De wanden waren van ruwe steen. Hier en daar hing 'n roestig stuk van 'n wapenrusting of 'n oud zwaard. In 'n hoek stonden jachtsperen. Op de rood en blauw steenen vloer, net 'n schaakbord, stond 'n ruwe eikenhouten tafel en in 'n hoek 'n zware kist die tegelijk voor bank dienen kon. Om de tafel geschikt waren lange banken, waar 'n heele boel menschen te gelijk konden aanzitten. Onder 'n hooge schouw brandde 'n geweldig vuur van zware houtknoesten, en nog was 't in die wijde kamer kil ofschoon 't die dag nog al warm geweest was op de mullige weg.
De man schoof 'n bank voor de haard en noodigde Abé uit naast hem te gaan zitten.
"Ziezoo," zei hij, "terwijl we wachten op ons avondeten, kunnen we 'n poosje praten. Je ziet er moe uit. Lang gereden?"
"De heele dag en de heele nacht," antwoordde Abé. "Ik ben uit Cobalt gevlucht."
"Gevlucht?" vroeg de man ongeloovig. Hij vond zeker dat Abé er niet uitzag als iemand die vluchten moest omdat ie wat op z'n geweten had.
"Ja, de stad stond in brand."
"Cobalt in brand?"
"'t Zal wel heelemaal in de asch gelegd zijn. 't Brandde aan alle kanten. Toen ben ik er van door gegaan."
"En je familie dan?"
Abé schudde eventjes z'n hoofd, "'k Heb geen familie. M'n pleegvader is op reis naar Pomfriet en nu zal ik maar zien dat ik ook daar kom."
"Zoo.... zoo...., wou je alleen naar Pomfriet.... Je durft 'n boel jongen."
"Is dat dan zoo gevaarlijk?"
"De weg is lang en er is tegenwoordig veel slecht volk. Struikroovers zijn er maar genoeg. Die zullen je zeker niet met rust laten. En wat wou je alleen doen tegen zulke schurken?"
"O," zei Abé "ik ben niet bang en ik kan vechten."
Hij legde dapper de hand op 't zwaard, dat ie in z'n gordel droeg.
De gastheer lachte.
"Kijk eens daar tegenover je aan de muur. Daar hangen andere ijzers. Die heb ik vroeger gehanteerd toen we met onze goede keizer Napo in de strijd gingen. Wat wou je met zoo'n klein ding doen als er eens iemand kwam met zoo'n wapen?"
"Niet veel," zei Abé, naar de roestige zwaarden aan de wand kijkend.
"Dat geloof ik ook ... en dus is 't maar beter, dat je niet alleen naar Pomfriet reist hè?"
"Maar dan vind ik Karibo niet."
"Heet je pleegvader zoo? ... Karibo ... Karibo ... Waar heb ik die naam meer gehoord ... Karibo ... Wacht eens, ik weet 't al ... Keizer Napo had 'n dienaar die zoo heette. Een van de twee, die met hem meegegaan zijn naar dat vreemde land. 'k Zou wel eens willen weten wat er van hen terecht gekomen is. 'n Reiziger vertelde eenige tijd geleden, dat de keizer ... ik bedoel de vroegere ... gestorven is. Maar wat er van z'n zoon gegroeid was wist ie niet, en van die twee dienaren, die hem gevolgd waren in z'n verbanning, ook niet. Maar dat zal je weinig kunnen schelen, denk ik ... Je hebt ook genoeg met je zelf te doen ... Ik zal je een goede raad geven. Blijf hier. Je pleegvader moet toch hier langs komen. We zullen wel naar hem uitkijken. Zooveel menschen komen hier bovendien niet voorbij. We zullen hem zeker zien. Dat is beter dan zoo alleen naar Pomfriet te reizen hè?"
"'t Is heel vriendelijk van je," zei Abé. "Doch ik reis toch morgenvroeg maar liever verder. Ik moet m'n pleegvader zoo gauw mogelijk ontmoeten."
"Verbeeld je," dacht hij, "dat Karibo hier komt en die vriendelijke gastheer herkent hem! Nee hoor. Dat gaat niet."
"Je moet 't zelf weten m'n jongen. Maar als ik wat over je te zeggen had ging je niet, dat wil ik je wel verzekeren. Je hebt zeker geld bij je hè? Nou daar loeren die gauwdieven op."
"Dan komen ze van 'n koude kermis thuis," zei Abé lachend, "als ze dat denken. Ik heb bijna geen rooie duit. Mijn pleegvader heeft alles meegenomen. Tenminste in z'n zadeltasch, die ik nog gauw gered heb, vond ik niemendal. En zelf bezit ik ook maar weinig."
"Lieve hemel jongen, dan is 't nog erger. Zonder geld kom je niet veel verder. Geloof maar niet, dat er tegenwoordig nog veel menschen in Huk zijn, die 'n reiziger voor niemendal te eten zullen geven, vooral niet als je dichter bij de hoofdstad komt."
"Kom," zei Abé, "dat geloof ik niet. De eerste avond de beste vind ik al 'n gastvrij man. De volgende dagen zal 't wel net eender zijn."
"'t Zal je tegen vallen, denk ik ... Maar doe je eigen zin. En nu zullen we gaan eten. Ik hoor de jongens al aankomen. Je hebt zeker honger hè?"
"Nou of ik."
"Dan doe je je best maar eens. Doch je zal 't wel niet tegen de vier baronnen van Pirlapan uithouden denk ik. Die eten voor acht. Daar zijn ze."
Abé keek nieuwsgierig naar de deur. Z'n gastheer had gesproken van z'n vier jongens en hij noemde die de vier baronnen van Pirlapan ... Hij had z'n vader en Karibo samen wel eens hooren spreken over de heldendaden van de baron van Pirlapan en z'n vader had erbij gevoegd: als Pirlapan in de hoofdstad geweest was, toen 't oproer uitbrak, dan had neef geen kans gehad om ooit keizer te worden. Pirlapan zou die oproerige Hukkers wel tot rede gebracht hebben. Maar Pirlapan zat op z'n kasteel ... En zou dit sombere huis nu 't kasteel zijn van de beroemde baron en was die vriendelijke gastheer dat zelf?
De deur ging open. Abé was teleurgesteld. Dat leken eer boeren dan baronnen. En er waren er minstens wel twintig. Ze praatten hardop en lachten luidkeels en ze liepen met dreunende stappen. Met veel rumoer lieten ze zich op de banken vallen.
"Hè, hè," riep er een, "'k ben blij dat ik zit. Is me dat sjouwen zoo'n heele dag."
"We hebben vandaag maar dubbel gewerkt," zei 'n ander. "Morgen gaan we op de wolvenjacht, vader. Ze hebben weer achter de schapen heen gezeten."
"Zoo, dan zullen we hen morgen eens 'n lesje moeten geven. Maar jullie hebt geloof ik nog niet eens gemerkt dat we 'n gast hebben. Hij is uit Cobalt gevlucht. De stad is verbrand."
"Net goed," zei er een. "Die steden moesten allemaal in brand vliegen."
En nu begonnen ze door elkaar te praten over steden en stedelingen, waar ze 't land aan hadden, en geen mensch lette op Abé, die met verwondering van de een naar de ander keek. Hij wist nog altijd maar niet wie nu eigenlijk de vier baronnen van Pirlapan waren. Maar hij veronderstelde dat 't wel de vier jongsten zouden zijn, kerels als boomen. Doch die andere mannen gingen met hen om alsof 't hun gelijken waren. Alleen voor de oude baron hadden ze eerbied. Als die sprak hielden alle anderen plotseling hun mond.
Toen werd er gegeten. 'n Paar kerels, die er niet eens al te zindelijk uitzagen, brachten groote aarden schotels binnen met hompen vleesch beladen en groote bruine brooden. Ieder sneed zich 'n dikke snede brood met 'n mes dat ie in 'n schede bij zich droeg, en die boterhammen dienden dan meteen voor bord. Vorken hielden ze er niet op na. Ze gebruikten hun vingers. Tafellakens of servetten waren er ook al niet.
Abé zei niet veel. Hij luisterde en hij at. Hij had honger als 'n paard. Maar vergeleken bij 't overige gezelschap at hij maar 'n klein beetje.
"Wat heb ik je gezegd, Abé?" vroeg de oude Pirlapan lachend. "Dat is nog eens eten hè?"
"O, ik ben nog lang niet klaar vader," zei 'n jonge Pirlapan, terwijl hij 'n groote aarden kruik nogal hard op tafel zette, nadat hij 'n lange slok genomen had. "Dat duurt minstens nog 'n half uur"
Maar de anderen deden voor dezen Pirlapan niet onder. Abé kende ze nu zoowat uit elkaar. En de overigen waren dienaren en tegelijk strijdknechten van Pirlapan. De gastheer had Abé verteld, dat ze de heele dag op 't land gewerkt hadden. Ze waren landbouwers, maar als de nood aan de man kwam dappere soldaten.
"Niet waar jongens," zei Pirlapan, "als de keizer ons noodig heeft dan gaan we met z'n allen, hè?"
"Of we," riepen ze door elkaar. "Maar niet voor deze keizer hoor. Wij strijden alleen voor 'n echte keizer van Huk."
"Dan drink ik op de gezondheid van de toekomstige keizer van Huk," zei de oude Pirlapan plechtig en hij hief 'n zware kruik vol eigen gebrouwd bier op. "Als die prins ooit terugkomt kan ie op ons rekenen. Dan brengen wij hem naar Pomfriet."
"Hoera!" riepen ze allemaal en maakten 'n geweldig leven met hun kruiken en hun messen en hun vuisten en hun voeten.
Prins Abé kreeg er 'n kleur van. Als ze eens wisten dat hij die prins was!
"Nou jongens bedaar 'n beetje. Je moet niet vergeten, dat onze gast 'n stedeling is. Die is dat niet gewoon."
Allen keken Abé aan, die nog sterker kleurde. De jongste baron van Pirlapan begon te lachen. Hij was niet veel ouder dan Abé maar hij leek sterker.
"O, die stadsmenschen!" ... zei hij, alsof hem zoo'n gast uit de stad niet eens de moeite waard was om er zich 'n beetje voor in te houden.
"Pas maar op," riep de oude Pirlapan ... "Onze gast heeft 'n zwaard op zij."
Abé was 'n heel goeie jongen, maar dat lachen van die jonge boer maakte hem toch kriebelig en hij keek hem allesbehalve vriendelijk aan. En die keek ook al of hij groote lust had met Abé te gaan vechten. Maar vechten met 'n gast, die aan je vaders gastvrije tafel zit, dat ging nu eenmaal niet. 'n Gast was heilig en veilig, zelfs al was hij je ergste vijand. Abé wou echter wel eens toonen, dat ie niet zoo'n papieren stadsmannetje was en daarom vroeg hij aan zijn gastheer of die 't goed vond, dat ze eens, als 't eten afgeloopen was, zouden laten zien wie 't beste met de wapens kon omgaan.
"Nou m'n jongen," zei de oude Pirlapan vriendelijk, "daar heb ik niets op tegen en m'n jongens en de overige mannen ook niet. We zien allemaal graag 'n tweegevecht, al gaat 't dan ook niet in ernst. Maar bedenkt je wel--wij Pirlapans zijn niet voor de poes."
"Om de drommel niet!" riepen de vier Pirlapans. En de overige aanzittenden gaven hun instemming te kennen door met hun vuisten op de tafel te slaan dat de kannen rinkelden, terwijl ze met hun ruwe harde stemmen door elkaar riepen dat Pirlapan 't altijd won.
"Dan maar dadelijk," riep de jongste Pirlapan strijdlustig.
"Vooruit maar," schreeuwden de anderen. "Wij zullen onderhand wel eten en drinken."