Prins Alphabet

Part 13

Chapter 131,963 wordsPublic domain

Toen 't leger van Pirlapan echter de stad bereikte waren de poorten gesloten. Dat hadden nu echter de Pomfrieters zelf niet gedaan. Die waren benauwd genoeg en zouden graag al hun poorten wijd open gezet hebben om prins Alphabet binnen te laten. Ze wilden wel weer hoeraaa!! roepen ook en illumineeren als die soldaten van Pirlapan en de andere baronnen hen maar met vrêe lieten, hun huizen niet in brand staken of hun goederen roofden. Doch keizer Sutrebor had de poorten laten sluiten. Hij wist wel dat 't er op of er onder ging met hem, en nu wou hij zich zoo lang verdedigen als 't kon.

Overal op de muren waren zijn soldaten ijverig bezig om de stad zoo goed mogelijk te kunnen verdedigen en de burgers van Pomfriet moesten daaraan meehelpen of ze wilden of niet. Doch toen ze 't groote leger van Pirlapan voor de wallen zagen ontzonk hun wel 'n beetje de moed en keizer Sutrebor beleefde angstige uren. Geen mensch kon meer Pomfriet uit of in en 't duurde niet lang of de levensmiddelen werden schaars en duur en de Pomfrieters begonnen hoe langer hoe harder te morren. Maar Sutrebor deed de poorten niet open. Tot op 'n nacht de Pomfrieters weer te hoop liepen, 't paleis aanvielen, de wacht overrompelden en keizer Sutrebor gevangen namen. Daarna holden ze naar de poorten, overvielen de wachten die maar weinig tegenstand boden, en 's morgens heel in de vroegte gingen ze met de gevangen Sutrebor naar buiten om hem over te leveren aan prins Alphabet.

Abé en Plachki waren net op en zaten al te paard, want er zou 'n aanval gedaan worden op de stad. Pirlapan wilde niet langer meer wachten.

Daar zagen ze in de verte uit de stadspoort 'n troep menschen naderen met 'n witte vlag voorop.

"'t Helpt hun toch niet," zei Plachki, "al geven ze zich over. Op hun kop krijgen ze toch."

Abé antwoordde niemendal; maar keek nieuwsgierig naar de Pomfrieters die vlug doorliepen.

Pirlapan en de overige aanvoerders waren al gewaarschuwd en deze voegden zich nu allen bij prins Alphabet. Karibo was er ook bij.

Eindelijk waren de Pomfrieters met hun witte vlag dicht genoeg bij en nu zagen de belegeraars dat ze 'n gevangene in hun midden hadden.

"Dat kan geen mensch anders zijn dan Sutrebor, die ze komen uitleveren," zei Pirlapan.

"Wat 'n gemeene kerels," zei Plachki. "Eerst halen ze hem terug en nu 't er op aan komt leveren ze hem aan de vijand over om er zelf heelhuids af te komen."

De man met de witte vlag trad naderbij. De overigen bleven op eenige afstand.

"Wat kom je doen?" vroeg Pirlapan stug.

"Heer, wij hebben Sutrebor gevangen genomen en leveren hem nu aan u over."

"Net iets voor 'n Pomfrieter. Jullie ben de trouwste onderdanen, die ik ooit gezien heb."

"Wij onderwerpen ons aan de rechtmatige keizer van Huk. De poorten staan open, heer."

"Daar zijn we erg blij mee," zei Pirlapan spottend. "Hoe lang denken jullie trouw te blijven?"

De man gaf geen antwoord, en toen vervolgde Pirlapan:

"Dat weet je niet hè? Nu we zullen wel zorgen dat Pomfriet in 't vervolg trouw blijft. Jullie blijft allen als gijzelaars hier. Intusschen zullen wij in de stad eens een kijkje gaan nemen."

Niemand nam eenige notitie van Sutrebor, die als 'n gewoon Pomfrieter met de anderen naar 't legerkamp gevoerd werd. Daar zorgden ze er echter wel voor, dat ie niet ontsnappen kon.

'n Gedeelte van 't leger en al de voorname heeren volgden prins Alphabet naar Pomfriet. De nieuwe keizer reed tusschen Pirlapan en Karibo in en vlak bij de stad zei hij:

"Heer van Pirlapan, dat gaat goed zoo zonder bloedvergieten hè?"

Pirlapan keek Abé eens aan en antwoordde: "Ja uwe majesteit. We komen er gemakkelijk in. Geen van onze mannen behoeft er 't leven bij te laten."

"En geen Pomfrieters ook."

"Geen Pomfrieters? ... Morgen hangen we alle belhamels op."

"Heer van Pirlapan wil je me 'n groot genoegen doen? Hang dan geen belhamels op."

Pirlapan gaf 'n ruk aan de teugels dat z'n paard er van begon te steigeren.

"Wat? Die ontrouwe Pomfrieters... daar zouden we er geen paar honderd van opknoopen als 'n waarschuwend voorbeeld voor de rest?"

"Liever niet, heer van Pirlapan. Ik zou graag willen beginnen als keizer van Huk zonder die paar honderd opgehangen Pomfrieters."

Karibo hoorde met 'n vergenoegd gezicht toe. Karibo was nieuwsgierig wie er zou toegeven, de koppige kleine keizer of de koppige groote baron. Want koppig was Pirlapan ook.

Hij reed 'n poos zwijgend naast Abé voort tot ze bijna vlak onder de openstaande poort van Pomfriet waren. Toen zei Pirlapan:

"Het zal gebeuren zooals Uw majesteit wenscht. We zullen dan alleen Sutrebor opknoopen."

"Och laat die arme kerel ook maar leven..."

"Die ook al niet? Maar prins...."

"Wat heb je daaran? Ik wou liever heelemaal geen mensch op laten hangen."

"Wat zeg je me daarvan?" zei Pirlapan 'n poosje later tegen Karibo terwijl Abé en Plachki vooruit reden. "Wat zeg je me daarvan, er wordt geen mensch opgehangen."

"Ja," antwoordde Karibo lachend. "Hij is onze keizer hè? Z'n vader was net zoo."

"Die was ook veel te goed," bromde Pirlapan.

"Nee... ik bedoel net zoo koppig."

De jonge keizer reed met z'n gevolg regelrecht naar 't raadhuis. Karibo wees de weg. Daar zaten de burgemeester en al de voorname Pomfrieters, die mee naar Pirlapan geweest waren om prins Alphabet te gaan halen en teruggekeerd waren omdat ze Karibo niet meer gelooven wilden. Ze zaten nu angstig bij elkaar omdat ze vreesden, dat hun niet veel goeds boven 't hoofd hing. Door de vensters zagen ze dat 't groote marktplein vol liep met soldaten, die zich heel ordelijk opstelden. Abé had bevel gegeven, dat geen soldaat 'n hand mocht uitsteken naar 'n Pomfrieter of z'n eigendom.

Karibo werd naar binnen gezonden en 'n poosje later kwamen allen die daar binnen gezeten waren met benauwde gezichten uit 't raadhuis te voorschijn. De burgemeester voorop met 'n paar groote sleutels in z'n handen en de anderen achter hem daalden de trappen af en knielden voor 't paard van keizer Abé neer. Uit alle vensters keken de menschen nieuwsgierig toe. Ze riepen niet hoera zooals de Lumkipingsche burgers gedaan hadden. 't Was doodstil en iedereen kon hooren, wat de keizer van Huk tegen de knielende burgemeester zei:

"Geef de sleutels van Pomfriet aan Karibo. Die zal voortaan burgemeester in de hoofdstad van Huk zijn. Sta op man en ga naar huis. Ik wil je nooit meer zien en die anderen ook niet. Ingerukt marsch."

Prins Alphabet wendde z'n paard om en keek niet meer naar de voormalige burgemeester of de deftige heeren van Pomfriet, die nog altijd geknield lagen.

De kleine keizer reed nu met z'n gevolg naar 't paleis waar hij geboren was en waar Karibo hem de weg weer moest wijzen. De nieuwe burgemeester van Pomfriet kende daar alle hoekjes en was wat blij dat hij eindelijk na zooveel jaren weer in dat paleis de voet mocht zetten, maar vooral omdat 't nu weer 't paleis van prins Alphabet was. Er waren vele dingen door Sutrebor veranderd doch er was ook nog veel gebleven van vroeger. Dat alles wees hij aan Abé.

Pirlapan en Karibo hadden 't die dag erg druk. Er was zooveel te regelen in Pomfriet en daarbij hielp Pirlapan de nieuwe burgemeester zooveel hij kon. Maar ze waren 's avonds toch aanwezig bij 't groote feest dat in 't paleis ter eere van keizer Abecé gegeven werd en waarbij alle baronnen aanwezig waren. In de stad was 't echter doodstil en donker. De keizer had de Pomfrieters verboden de stad te illumineeren. Hij wilde niet dat de Pomfrieters meededen. En dat speet de menschen erg, want 't grootste gedeelte der Pomfrietsche inwoners was toch blij, dat de zoon van keizer Napo weer op de troon van Huk zat. Maar de goeden moeten 't wel eens meer met de kwaden ontgelden.

In 't paleis ging 't er echter vroolijk genoeg naar toe. Alleen speet 't prins Alphabet dat moeder Guldratsj er niet niet bij was. Die had er ook bij moeten zijn, vond hij. Dan was 't volmaakt geweest.

SLOT.

Waarin de keizer van Huk merkt dat moeder Guldratsj geen draagstoel noodig heeft.

Langzamerhand werd alles geregeld. Sutrebor was verbannen. Pirlapan was nog in Pomfriet. Hij leerde de jonge keizer hoe 't land bestuurd moest worden. Plachki was ook in Pomfriet. Dat had Abé zoo gewild. De overige Pirlapans waren door hun vader uitgezonden om door heel Huk bekend te maken dat prins Alphabet de troon van keizer Napo beklommen had en tevens om er voor te zorgen, dat 't in Huk weer veilig langs de wegen werd. De straatroovers, die onder keizer Sutrebor 'n goed leventje gehad hadden, kregen 'n slechte tijd. De overige Huksche baronnen waren op 'n paar na, die 'n hooge betrekking aan 't hof bekleedden, allen weer naar hun kasteelen vertrokken. En Karibo was 'n flinke burgemeester, geen enkele van de voorname heeren had nog iets in te brengen.

Doch nu begon keizer Abecé er over te denken om moeder Guldratsj te gaan halen. Dat had hij haar beloofd. Pirlapan en Karibo waren er tegen. Ze zeiden dat moeder Guldratsj waarschijnlijk veel liever in d'r hutje bleef, maar Abé wou er niet van hooren. Hij wilde moeder Guldratsj die zoo goed voor hem geweest was bij zich hebben.

Zoo vertrok dan op 'n morgen 'n paar maanden na Abé's intocht in Pomfriet, 'n prachtige stoet ruiters met 'n mooie draagkoets, fraai genoeg voor 'n koningin. De keizer en z'n vriend Plachki reden zelf aan 't hoofd van de stoet. Ze reden vlug, maar 't duurde toch 'n week eer ze in de buurt van moeder Guldratsj' hutje aankwamen. Abé was ongeduldig en hij en Plachki reden in galop vooruit. Wat zou moeder Guldratsj wel zeggen?

"Nou," meende Plachki, "ik denk dat ze blij genoeg zal zijn jou weer te zien en nog wel als keizer van Huk, maar of ze graag mee zal willen, dat weet ik nog niet. Ik geloof dat vader en Karibo gelijk hebben."

"Ze zal best mee willen als ik 't haar vraag. Daar is d'r hutje."

Ze renden nog harder voort. 't Ging als de wind. Juist toen ze voor de deur van moeder Guldratsj' hutje van hun paarden wilden springen werd de deur geopend en 'n man trad naar buiten. Hij had 'n zwarte mantel om en achter hem aan kwamen langzaam uit de deur vier mannen die 'n baar droegen waarover 'n zwart kleed lag.

Abé schrok er van, doch Plachki vroeg aan de man terwijl hij op de baar wees: "Moeder Guldratsj?"

De man knikte en zei: "Ja heer, we gaan haar begraven. Ze is van ouderdom gestorven."

De man stapte vooruit en de vier mannen volgden met de baar. De keizer sprong van 't paard en Plachki eveneens en met hun paarden aan de teugel gingen ze stil mee achter 't zwarte kleed waaronder moeder Guldratsj lag. De weg was ver naar 't kerkhof en onderweg kwamen ze de heele keizerlijke stoet tegen. Op 'n wenk van Plachki stegen alle ruiters af en gingen mee. Zoo werd moeder Guldratsj plechtig begraven en 't was de eerste maal, dat 'n keizer van Huk achter de lijkbaar van 'n oud moedertje liep.

De menschen in 't dorp waar 't kerkhof was, wisten niet wie er achter de baar gingen. Ze vonden 't 'n mooie stoet en praatten er nog lang over. Doch op 'n dag kwamen er werklieden op 't kerkhof en die bouwden op 't graf van moeder Guldratsj 'n prachtig marmeren gedenkteeken en daar stond met gouden letters in gebeiteld:

HIER LIGT MOEDER GULDRATSJ, DIE GOED WAS VOOR DE KEIZER VAN HUK.