Prins Alphabet

Part 12

Chapter 124,252 wordsPublic domain

"Wat dat betreft, 'k ben in de laatste tijd niet verwend. 'k Heb in 'n hutje geslapen bij moeder Guldratsj, langs de weg in 't gras, bij de boer in 't hooi, bij de roovers in de stal, bij 'n andere boer tusschen de geiten en toen wouen ze me in Lumkiping in 'n kil hok laten logeeren terwijl ik niets anders aan had dan 'n hemd. Doch daar maakte Plachki gelukkig 'n eind aan. Dat was niet om uit te houen."

"Je hebt heel wat meegemaakt Abé en voor 'n keizer heb je 't niet al te best gehad. Maar dat zal nu wel voorbij zijn. Over 'n paar weken slaap je in je paleis in Pomfriet."

'n Half uur later was 't heel stil in 't ravijn. De menschen sliepen behalve de schildwachten, die aan de ingang van 't ravijn op post stonden. Bovendien waakten er ook nog mannen bij de paarden.

'n Uur daar vandaan in 't kamp van de Sutrebortroep ging 't er op dat oogenblik heel anders toe. De aanvoerder die 's middags om 't kasteel heen gezworven had om te zien of er geen zwak of onverdedigd plekje te vinden was, waarvan hij gebruik kon maken om Pirlapan binnen te dringen, was erg misnoegd bij z'n troep teruggekeerd. Er was geen sprake van dat hij met 'n honderd ruiters iets tegen 't sterke huis ondernemen kon. Hij zou onverrichter zaken terug moeten keeren naar Pomfriet. En dat beteekende de ongenade van keizer Sutrebor en óók nog 't verlies van de uitgeloofde belooning. 't Een was al net zoo erg als 't andere. Heel veel gaf die aanvoerder niet om z'n keizer. Of hij in dienst was bij 'n keizer die Sutrebor heette of bij 'n ander, dat was hem 't zelfde. Wie hem betaalde, was z'n heer, en zoo dachten de onderaanvoerders en de soldaten er ook over. 't Waren allemaal huurlingen.

Toen de aanvoerder in 't kamp aankwam sliep de heele boel. Hij hoorde hen in de verte al snurken. Nu 'n beetje rust gunde hij z'n mannen wel, want ze hadden 'n vermoeiende tocht achter de rug. Als ze wat uitgerust waren zou hij hen maar weer te paard laten stijgen en dan zat er niets anders op dan terugkeeren naar Pomfriet.

Tegen den avond riep hij z'n onderaanvoerders nog eens bij zich en beraadslaagde met hen wat ze doen zouden. Die waren er ook voor om maar zoo gauw mogelijk terug te keeren. De prins kregen ze toch niet te pakken, 't Was wel jammer dat de belooning hen ontging, doch daar was wel wat op te vinden. Ze zouden onderweg hier en daar 'n beetje plunderen. Daar hielden de ruiters ook wel van, en op die manier kreeg je toch ook wat in je beurs.

"Best," zei de aanvoerder. "Tegen de tijd dat Sutrebor er achter komt dat we z'n eigen onderdanen geplunderd hebben, heeft ie ons misschien hard noodig, en vergeeft ie 't ons wel. Want als ik me niet vergis, zal er 'n harde tijd voor keizer Sutrebor aanbreken. Ze zullen die prins wel keizer willen maken en dan zal Sutrebor er om moeten vechten."

"Da's wel heel goed kapitein. Dan krijgen wij wat te doen."

"Laten we nu maar opbreken."

'n Oogenblik later klonk er trompetgeschal. De mannen stonden op, gingen maar hun paarden en maakten zich gereed om op te stijgen. Ze mopperden allemaal. Hadden ze daarvoor nu zoo'n verre tocht gemaakt om met leege handen terug te gaan? Nu kregen ze natuurlijk geen cent van de keizer.

De kapitein merkte 't wel en hij liet door z'n onderaanvoerders aan de ruiters meedeelen, dat ze onderweg zich wel schadeloos zouden stellen, door 'n beetje te plunderen. Met ontevreden soldaten kon hij niets beginnen.

Daar werden ze allemaal weer vroolijk van en welgemoed reden ze 'n kwartier later 't bosch in.

De schildwachten aan de ingang van 't ravijn en de mannen bij de paarden hadden 't trompetsignaal ook gehoord. 'n Schildwacht was daarop van z'n paard gesprongen en had aan Karibo, die al sliep maar dadelijk wakker werd toen de man aan kwam stappen, gemeld dat er de kant op van Pirlapan 'n signaal gegeven was.

"Ze gaan zeker weer weg," zei Karibo.

De schildwacht die zelf 'n Pirlapanner was, dacht dat ook en hij vond 't erg jammer, want dan kwam er niemendal van 't plannetje om die Sutreborkerels op d'rlui kop te geven. Plachki en Abé waren nu ook wakker geworden, en toen ze hoorden wat er aan de hand was, zei Plachki dat ze best die troep overvallen konden als Karibo 't hebben wilde. Over 'n half uur waren ze vlak in de buurt.

Maar Karibo had er niet veel zin in. Dat wil niet zeggen dat Karibo niet van vechten hield. Daar hielden in die tijd bijna alle menschen van, doch hij vond 't niet voorzichtig. Als 't eens verkeerd ging, dan kwam de prins weer in gevaar.

"Ben je mal," zei Plachki, "d'r is heelemaal geen kans voor die lui om 't te winnen van ons. We overvallen hen van drie kanten en..."

"En dan gaan ze d'r allemaal ân!" zei de Pirlapanner.

"We blijven stilletjes hier," zei Karibo. "'t Zou zeer onverstandig zijn onze mannen te wagen alleen om die Sutrebortroep uit elkaar te slaan. Laat dat maar aan anderen over. Ze komen tòch niet in Pomfriet terug. Onderweg zullen ze wel zien wat er aan de hand is. Ga maar gauw weer op je post."

De Pirlapanner ging, maar in zichzelf wenschte hij die voorzichtige, bedachtzame Karibo naar de maan. Als heer Pirlapan er zelf bij was geweest zou 't wel anders gaan. Die zou zich niet zoo flauw aanstellen.

Zoo kwam het dat de honderd man van Sutrebor ongehinderd 't bosch door konden rijden, op geen kwartier afstand van 't ravijn, waar de prins die ze zoo graag in hun bezit gehad hadden gerust lag te slapen, want hij werd nu wel heel goed bewaakt.

Den volgenden morgen heel vroeg brak Karibo met z'n mannen op om de terugtocht naar Lumkiping te aanvaarden en zonder ongevallen kwamen ze daar dan ook 'n dag of wat later aan. Van de soldaten van Sutrebor hadden ze niets meer gehoord of gezien.

Met groot gejubel werd Prins Alphabet in Lumkiping ontvangen. De heele stad liep uit om hem te zien en de oude Pirlapan en de overige baronnen, die in Lumkiping waren met al hun krijgsknechten behandelden hem met de eerbied die ze aan hun keizer verschuldigd waren. Dat was niet erg naar de zin van Abé, die zich 'n beetje verlegen voelde worden, als zoo'n voorname heer in 'n ijzeren wapenrusting voor hem boog, doch Karibo vertelde hen lachend dat ie daaraan wel wennen zou.

Hij reed nu weer op z'n witte paard en hij had z'n eigen kleeren weer aan, met de roode schoenen en de vierpuntige muts met de voelsprieten. Doch de oude Pirlapan had om de rand van de muts 'n gouden kroon laten maken. Hij vond dat 't zoo hoorde en Abé vond 't ook erg mooi. Karibo was er ook zeer mee ingenomen, want nu kon iedereen onmiddellijk zien, dat ze de keizer van Huk voor zich hadden.

Abé en Karibo hadden bij 'n deftig burger van Lumkiping hun intrek genomen, die z'n heele prachtige huis ter hunner beschikking gesteld had. Ze behoorden eigenlijk in 't huis van de burgemeester te wonen, zei Pirlapan, maar de burgemeester was ziek en iedereen in Lumkiping wist dat de burgemeester ziek was van angst, omdat hij de keizer van Huk in z'n hemd had opgesloten in 't gevangenhok op 't raadhuis. De goeie man meende dat de keizer wel erg kwaad op hem zou zijn daarom, doch Abé dacht heelemaal niet aan hem. Die dacht veel meer aan moeder Guldratsj en aan Plachki, die hij ook weinig meer te zien kreeg. Plachki moest voor z'n vader dienst doen bij 't leger, dat in Lumkiping lag en waarmee hij binnenkort dacht op te trekken naar Pomfriet om keizer Sutrebor te gaan verjagen.

Abé had ook graag weer 'n beetje alleen op z'n paard rondgereden, desnoods met Karibo bij zich, doch 't liefst met z'n vriend Plachki doch dat ging niet. Hij was nu keizer en er was altijd 'n lijfwacht om hem heen, aangevoerd door 'n ouwe stijve baron met 'n vreeselijk ernstig gezicht. Als Abé maar even opkeek was de stijve baron al naast hem om te vragen wat zijn majesteit verlangde. Hij hoefde niets meer zelf te doen en dat vond ie schrikkelijk vervelend.

Soms lag Abé 's avonds in z'n bed daarover na te denken. Dan was hij tenminste alleen. Hij had er al eens met Karibo over gesproken, dat zóó'n keizerleventje hem niet beviel, doch die goeie Karibo had alweer gezegd, dat 't wel wennen zou. Met keizers ging 't altijd zoo. Je was baas over 't heele land maar over jezelf had je heel weinig in te brengen.

Op 'n keer kwam hij Plachki te paard tegen. Die groette heel netjes, zooals 't behoorde en reed door. Doch dit vond Abé toch wel 'n beetje al te gek, dat z'n vriend Plachki en hij elkaar voorbij zouden rijden zonder 'n woord tot elkaar te zeggen. Vlug wendde hij z'n witte paard en was in 'n wip naast Plachki.

"'k Rijd 'n een eindje met je mee Plachki. Waar moet je naar toe?"

"Eventjes naar vader. Wat 'n vervelend schepsel heb je daar bij je?"

"Dat is de aanvoerder van de lijfwacht."

"Lollige kameraad geloof ik. Wat 'n snuit zet die vent."

"Pas maar op dat ie je niet hoort... 't Is de ouwe baron Bommeldebierton van Rommeldebom."

"Nou jij raakt thuis in de Huksche namen. Je spreekt 'm tenminste uit of je nooit anders gedaan hebt."

"Ik leer 't zoo langzamerhand. Ik zeg gewoonlijk maar Bommeltje tegen hem, doch hij heeft 't liever niet. Hij is trotsch op z'n naam."

"Waarom stuur je 'm met z'n lijfwacht niet weg? Waarvoor ben je dan keizer als je niet eens die lui weg kan sturen?"

"'k Zal 't maar doen ook Plachki. Ik moet eens 'n poosje met jou alleen rijden."

Hij keerde zich half op z'n paard om, doch nauwelijks had hij die beweging gemaakt of baron Bommeldebierton van Rommeldebom was al naast hem om te vragen wat zijne majesteit wenschte.

"Baron ik wou 'n poosje met m'n vriend Plachki alleen zijn. Rijd maar met de lijfwacht naar huis. Tot ziens."

Hij groette plechtig met de hand en draafde met Plachki weg. Bommeldebierton werd rood van ergernis. Hij vond dat die jonge keizer dingen deed die 'n keizer niet doen mocht.

"Zoo'n aap," bromde hij binnensmonds.

Abé en Plachki draafden samen 'n paar stille straten door, doch toen ze in de drukkere buurten kwamen moesten ze hun paarden laten stappen. De Lumkipingers keken met plezier naar het keizertje, dat ze nu eens op hun gemak en van dichtbij konden bewonderen en aangapen en ze groetten allemaal. Abé knikte lachend terug. Nu hij alleen met Plachki reed door die volle straten had hij schik. Maar de Lumkipingers werden hoe langer hoe lastiger. Ze begonnen mee te loopen om prins Alphabet eens goed te bekijken en de meesten die van de andere kant kwamen drongen voortdurend maar op. Abé en z'n vriend konden bijna niet meer vooruit. Als er een wat al te dicht bij z'n paard kwam gaf de jonge Pirlapan de man 'n duw met z'n ijzeren schoen of 'n por met 't hout van z'n speer. Hij ging niet erg zachtzinnig om met de onderdanen van z'n vriend.

"Pas op Plachki, je doet ze zeer."

"Moeten ze maar uit de weg blijven."

Doch plotseling op de hoek van 'n straat verscheen er zoo'n Lumkipingsche politiereus. Hij had 'n knuppel in de hand en keek met 'n streng gezicht naar de burgers onder wie hij de orde moest handhaven. Nu zag hij daar de keizer aankomen en dadelijk was hij er bij om ruim baan te maken.

"Op zij!" schreeuwde de reus. "Op zij!"

De menschen vlogen uit de weg.

"O," riep Plachki en hij begon luidkeels te lachen, waarvan de Lumkipingsche burgers gek opkeken.

"Waarom lach jij zoo?" vroeg Abé. "Vind je 't niet aardig van hem dat ie 'n beetje ruimte maakt voor ons?"

"Jawel Abé... maar 't is die vent, die 's nachts op jou passen moest..."

Oeliboe Bomdrum had bij 't luide lachen van Plachki opgekeken en dadelijk had ie die jongen ook herkend. De man stond plotseling zoo stijf als 'n boom.

Maar Plachki zei tegen hem:

"Wel, hebben jullie nog lang naar ons gezocht die nacht?"

Toen kwam Oeliboe Bomdrum weer 'n beetje bij en hij antwoordde:

"Neen heer, we dachten dat je wel niet meer uit 't water zou komen."

"Zoo dachten jullie dat? En wat zei de burgemeester er wel van. Heb je op je kop gehad?"

"Neen heer. De burgemeester weet niet hoe 't gegaan is. Wij hebben onze mond gehouden en gezegd dat we niets gehoord of gezien hebben."

"Dat hebben jullie ook niet," zei Plachki lachend, "want je sliep allemaal."

"O heer," smeekte Oeliboe Bomdrum "zeg 't asjeblieft niet tegen de burgemeester, want dat is 'n streng heer. Die jaagt ons zeker allemaal weg, als ie 't hoort."

"Wees maar niet bang," zei Abé nu. "Wij zullen je niet verraden hoor. Loop maar 'n eindje voor ons uit, om wat ruimte te houden voor onze paarden."

"Dat zal ik doen heer," zei Oeliboe Bomdrum verheugd en hij ging tien passen voor de paarden uit in 't midden van de straat loopen met z'n knuppel zwaaiend. Geen enkele Lumkipinger had 't hart meer midden in de straat te blijven wandelen. Ze bleven netjes aan de kant en Abé en Plachki konden rustig voortrijden. Oeliboe Bomdrum was 'n beste voorlooper.

"Wat doe je de heele dag?" vroeg Plachki.

"Nou niet veel bizonders. Je vader en Karibo en de overige heeren maken geloof ik alles in orde voor me. Over twee dagen gaan we naar Pomfriet."

"Maar waarom kom je dan niet bij ons in 't leger. Daar is 't prettig genoeg. De heele dag oefenen we ons, want 't zal er daar in Pomfriet warm naar toe gaan, als Sutrebor tenminste 'n beetje moed in z'n lijf heeft.

"Morgen kom ik hoor," zei Abé. "Ik ben 't 'n beetje zat dat lanterfanten."

"Best, je komt maar bij de Pirlapans. We zijn allemaal bij elkaar, m'n broers en de mannen van Pirlapan. 'n Prachtige troep. We wonen in tenten buiten de stad."

"Hè, hoe heerlijk. Ik kom morgen vast."

DERTIENDE HOOFDSTUK

Waarin de burgemeester van Lumkiping 't benauwd heeft, prins Alphabet als keizer de hoofdstad van Huk binnengaat en Karibo 'n voornaam heer wordt.

Abé had wel graag gedaan wat ie met Plachki had afgesproken, doch hij had alweer vergeten dat 'n keizer niet zoo vrij over z'n tijd te beschikken heeft als 'n gewoon mensch. De baronnen van Huk, die in Lumkiping aanwezig waren, wilden hun wettige keizer huldigen en dat zou de volgende dag gebeuren.

"Vervelend hoor," zei Abé toen Karibo 't hem kwam vertellen.

"Wat, noem je dat vervelend? Jongen als je wist hoe blij ik ben, dat ik zooiets nog mag beleven!"

"Dat geloof ik graag. Maar jij hoeft niet doodstil als 'n pop op 'n troon te zitten. Hebben ze wel eens 'n troon hier?"

"Nee... maar we hebben de burgemeester z'n stoel geleend. Die lijkt er in ieder geval wat op."

Lumkiping bezat niet eens 'n gebouw groot genoeg om al die baronnen met hun gevolg te kunnen bevatten en daarom zou de heele plechtigheid in de open lucht plaats hebben op de markt voor 't raadhuis. Onder de ingang zou prins Alphabet plaats nemen in de burgemeestersstoel en de heeren zouden dan een voor een de trap opkomen en voor hun keizer knielen, zooals dat reeds sedert drieduizend jaren 't gebruik was in Huk. Iedereen op de markt en voor de vensters kon 't dan mee aanzien.

"Jij komt zeker naast me zitten, hè?" vroeg Abé aan Karibo toen deze hem alles haarfijn had uitgelegd.

"Naast je zitten? Maar jongen, er zit geen mensch naast je. Pirlapan staat naast de troon aan je rechterkant met 'n ontbloot zwaard in de vuist. Hij is de machtigste baron in Huk, en dus komt hem die eereplaats toe."

"Maar jij zal zoo moe worden als je zoo'n heele morgen staan moet!"

"Ik ben er heelemaal niet bij. Ik ben maar 'n gewoon mensch, 'n vroegere bediende van keizer Napo. Die hoort toch niet naast de troon te staan."

"Zoo, denken ze dat? Wacht maar eens Karibo tot we in Pomfriet zijn. Dan zal ik die Hukkers wel eens laten zien, wie er naast me mag zitten. Niet staan, begrijp je?..."

"Plachki is er toch zeker wèl bij, hè?"

"Die is nog te jong. Die telt nog niet mee. Hij zal wel 'n goed plekje op de markt uitzoeken om 't te zien."

"Plachki ook al niet? Maar wie is er dan nog meer vlak bij me? Bommeltje toch niet hoop ik?"

"Ja, die staat links van je."

"Hoor eens Karibo, jullie speelt de baas maar over me of ik heelemaal niets in te brengen heb. Ik wil die strakke Bommeldebierton niet naast me hebben. Roep Pirlapan maar eens even."

"Och Abé, laat 't nu maar gebeuren, zooals ze 't voor je bedisseld hebben."

"Nee. Jij er niet bij en Plachki niet en moeder Guldratsj niet... net allemaal menschen die ik er graag bij had. Daar gebeurt niks van. Roep maar gauw Pirlapan."

Karibo ging hoofdschuddend heen. Hij begreep op eens dat prins Alphabet als 't er op aan kwam minstens net zoo koppig was als keizer Napo vroeger ook geweest was en die had 't z'n troon gekost.

Toen Pirlapan kwam, wist ie er alles al van. Karibo had hem op de hoogte gebracht. Hij legde Abé uit, dat 't allemaal zoo hoorde. Maar 't keizertje stond op z'n stuk. In ieder geval wilde hij Plachki naast zich hebben. Daar kon toch niemand wat tegen inbrengen. Plachki was toch ook 'n baron van Pirlapan. Z'n vriend kon tusschen hem en die vervelende Bommeltje in gaan zitten.

De oude Pirlapan hield ook niet erg van Bommeltje. Hij vond hem 'n stijve Klaas, al was ie dan ook nog zoo'n voornaam heer, die je niet voorbij kon gaan. Hij besloot dus maar aan de wensch van Abé toe te geven. Plachki mocht aan de voeten van prins Alphabet zitten, dan konden ze zoo nu en dan eens met elkaar praten. Hiermee was Abé tevreden.

Al heel vroeg was de markt stampvol en uit alle vensters puilden proppen menschen. Vlak voor de trappen van 't raadhuis stonden krijgslieden te voet en de weg naar en van 't raadhuis werd vrijgehouden door ruiters. Dat zag er bont uit. Iedere baron had 'n paar van z'n mannen geleverd voor deze dienst en ze waren allen gekleed in de kleeren hunner heeren. Boven de hoofden der menschen flapperden vlaggen en wimpels, meest oranje en groen, de kleuren van Huk, doch er waren ook veel andere kleuren tusschen, want iedere baron had z'n eigen vlag. Die van Pirlapan was rood en geel. Ook hadden de burgers sparreslingers langs hun gevels gehangen en over de vensterbanken bonte tapijten gelegd.

Prins Alphabet keek vroolijk over de menschenhoofden heen naar al dat kleurgeschitter in de zon. Hij zelf had z'n blauwe kleed aan, dat ie iedere dag droeg, doch daarover heen hing 'n deftige koningsmantel met hermelijn van binnen en met 'n glinsterend gouden gesp op de borst vast gemaakt. De sprietenmuts met de gouden kroon er om had hij op. Met die mantel om vulde hij bijna de ruime zetel van de burgemeester, die anders veel te groot voor hem geweest zou zijn. Plachki zat aan z'n voeten.

Nu kwamen al die machtige baronnen hun kleine keizer huldigen en dat was schrikkelijk vervelend want er waren er zoo'n boel. Abé kende er maar 'n paar van en hij wist heusch niet wat hij tegen die voorname heeren zeggen moest. Daarom deed ie maar niets anders dan vriendelijk knikken tegen iedereen die voor z'n troon de knie boog. En iedereen die 't zag vond, dat ze maar wat 'n aardig keizertje in Huk hadden.

Een van de laatste die de trappen van 't raadhuis beklom was de burgemeester van Lumkiping. Al z'n raadsheeren en de spichtige secretaris liepen achter hem. De burgemeester deed zeer plechtig en stapte deftig langzaam, met z'n neus in de wind de trappen op. Hij hield zich goed voor de menschen. Niemand kon aan hem zien hoe z'n hart van angst klopte en hij hoorde niemendal van 't hoerageroep der Lumkipingsche burgers op de markt, die 't maar wàt fijn vonden, dat hun burgemeester 't eerst van alle burgemeesters uit heel Huk de nieuwe keizer mocht gaan huldigen. Dat was voor de eerste maal sedert 't keizerrijk Huk bestond.

"Daar heb je 'm" fluisterde Plachki, toen de burgemeester naderde.

Abé zette 'n ernstig gezicht. Doch toen de burgemeester neerknielde en nog dieper boog dan een van de anderen gedaan had, dacht hij eraan dat hij nog niet lang geleden als 'n roover vóór die burgemeester gestaan had. Toen zat die burgemeester in de stoel en Abé stond er voor in z'n hemd. De bordjes waren verhangen. Abé was er geen jongen naar om dat aan die bibberende burgemeester te wreken, maar toch zei hij lachend: "Vindt u me zoo niet veel knapper dan in m'n hemd?"

De arme man wou wat antwoorden, doch er kwam geen woord over z'n lippen, ofschoon hij er moeite genoeg voor deed. Ook stond hij maar heelemaal niet op, wat hij allang had behooren te doen. Plachki kon zich bijna niet meer goedhouden. Die vond 't wel leuk dat zoo'n stadsche m'nheer er zoo inzat. Doch Abé kreeg meelijden met de stakker en daarom zei hij heel ernstig: "Ik hoop u later nog eens in Pomfriet te zien, burgemeester, U moet maar eens bij me op visite komen."

Dat hielp. De burgemeester rees overeind en stapte weg met 'n heel wat blijder gezicht. Dezelfde avond wisten alle Lumkipingers, dat de keizer hun burgemeester had uitgenoodigd om in Pomfriet op visite te komen aan 't hof en daarover waren ze zóó in de wolken, dat ze besloten 'n standbeeld voor de burgemeester op te richten. De secretaris was er gloeiend nijdig om, maar hij kon 't toch niet tegenhouden.

Toen de plechtigheid afgeloopen was en de nieuwe keizer met Plachki naast zich door de volle straten naar huis reed, zei hij:

"Hè, hè, wat ben ik blij, dat 't afgeloopen is. 't Was taai hoor."

"Of het. Ik kom nooit weer bij je zitten als ze nog es zoo iets op touw zetten."

"Da's gemeen van je Plachki, om mij voor de vervelende dingen alleen te laten opdraaien. Ik dacht juist dat jij me 'n handje zou helpen om er doorheen te komen."

"Och ik zei 't maar uit gekheid, dat begrijp je toch ook wel. 't Zou nog al mooi zijn als je 'n vrind, die zoo'n vervelend baantje heeft als jij, d'r heelemaal voor liet zitten."

"Ik begin ook te begrijpen, dat keizer zijn nog niet alles is," zei Abé zuchtend. "Maar misschien valt 't nog wel mee, als we over 't begin heen zijn."

"Ik hoop 't voor je. Ik had gedacht dat je als keizer doen mocht wat je wou... Maar je moet juist doen wat je niet wil."

"'t Zal wel beter worden ... wacht maar."

Ze hoefden er evenwel niet heel lang op te wachten. 'n Paar dagen later was alles gereed voor de tocht naar Pomfriet. Pirlapan had nu 'n heel leger onder z'n bevel en daarmee zou hij prins Alphabet naar de hoofdstad van Huk brengen.

Prins Alphabet, Plachki, Karibo en Pirlapan reden vroolijk tusschen de talrijke ruiters en voetknechten, die allemaal verlangend waren naar de strijd met de soldaten van Sutrebor. Ze hoopten dat Sutrebor er niet van door zou gaan en ook dat de Pomfrieters de poorten van hun stad stijf dicht zouden houden. Dan kwam er tenminste nog iets van vechten.

Abé en Karibo echter waren daar niet zoo dol op. Karibo was bang dat Abé in 't gevecht gedood zou kunnen worden. Dan kwam er van 't heele keizerschap niemendal en daarvoor had hij z'n jonge meester toch niet uit 't vreemde land teruggebracht naar Huk. Abé vond 't akelig dat zoovele Hukkers tegen elkaar zouden gaan vechten om hem. Als 't nu nog vijanden van 't land Huk geweest waren, maar die Pomfrieters waren Hukkers, net zoo goed als Pirlapan en Bommeltje.

"Ben je mal," zei Plachki. "Noem je dat Hukkers? De eene dag zijn ze aan 't hoera roepen voor jou en de volgende dag halen ze Sutrebor weer terug. Dat zijn lui waar je niet op aan kan en dat noem ik geen Hukkers. Wat jij Karibo?"

Karibo was 't met Plachki eens... die Pomfrieters hadden wel 'n lesje verdiend.

"O zoo," zei Plachki. "We zullen ze er eens van langs geven. Laat dat maar aan vader over."

Met iedere dag kwamen ze nu dichter bij de hoofdstad en overal werd de nieuwe keizer met gejuich ingehaald. Abé hoopte nu maar dat 't in Pomfriet ook zoo zou gaan. Al waren die Pomfrieters dan rare Hukkers, 'n beetje wispelturig en onbetrouwbaar, al hadden ze vroeger z'n vader, keizer Napo, weggejaagd, hij wilde toch maar liever zonder bloedvergieten de hoofdstad van z'n keizerrijk binnentrekken.