Part 11
Maar keizer Sutrebor dacht wèl aan prins Alphabet. Hij had zich door de burgemeester nog eens alles laten vertellen en nu lag hij in z'n bed na te denken wat hem te doen stond. Die Pirlapan vertrouwde hij geen steek en bovendien wist hij heel goed, dat als 't er op aan kwam z'n eigen aanhang in Huk niet zoo heel groot zou zijn. Bestond die prins Alphabet werkelijk, dan moest ie trachten hem zoo gauw mogelijk te pakken te krijgen. Dood of levend, dat kwam er niet op aan. Hij zou er maar dadelijk 'n flinke troep soldaten op uit zenden om die prins te vangen. Was ie er niet, dat was nog zooveel te beter. En met dat plan in z'n hoofd viel hij in slaap, maar hij droomde de heele nacht van keizer Napo en prins Alphabet en van Pirlapan. 't Waren geen pleizierige droomen, vooral die brutale baron van Pirlapan maakte 't hem lastig. Die vervelende vent zong vlak in z'n keizerlijke ooren:
Maar komt ons prinsje ooit terug In 't vaderlijk gebied, Pas dan maar op voor Pirlapan, Want Pirla, Pirla, Pirlapan Die brengt hem naar Pomfriet.
Sutrebor stond vroeg op. Hij had nog dat Pirlapanliedje in de ooren, dat iedereen in Huk kende. En hij haastte zich om 'n paar honderd soldaten uit te zenden, die prins Alphabet moesten gaan opsporen. De keizer beloofde aan iedere man 'n groote belooning als ze er in slaagden die jongen naar Pomfriet te brengen.
Karibo en Pirlapan waren nog in Lumkiping, toen ze bericht kregen dat keizer Sutrebor weer in Pomfriet was en dat ie 'n troep soldaten had uitgezonden om prins Alphabet in z'n macht te krijgen. Onmiddellijk begrepen die twee 't gevaar en ze zonden de bode met de boodschap dat de prins binnen de veilige muren van 't sterke Pirlapan moest blijven. Maar Pirlapan deed nog meer. Hij zond naar alle kanten ruiters uit, die uit naam van prins Alphabet de baronnen van Huk moesten oproepen, om met hun gewapende mannen naar Lumkiping te komen. Pirlapan wist wel, dat die heeren bijna allen aanhangers waren van keizer Napo en hij veronderstelde, dat ze wel zouden komen opdagen om voor de zoon van hun rechtmatige keizer de strijd aan te binden met Sutrebor en degenen, die 't met die valsche keizer hielden. Daar rekende Pirlapan op dat oogenblik natuurlijk die malle wispelturige Pomfrieters ook toe en hij verlangde er naar die menschen uit de groote stad eens een lesje te geven, dat hun heugen zou. Maar voor alles wenschte hij eindelijk eens af te rekenen met keizer Sutrebor zelf.
Pirlapan had goed gerekend. 'n Paar dagen later kwamen ze al opzetten, de aanhangers van prins Alphabet. Sommigen kwamen met vijftig man, anderen met honderd. Maar er waren er ook die er maar twintig hadden of tien. Doch allen waren welkom en Lumkiping werd zoo langzamerhand 'n groot legerkamp.
Pirlapan werd tot algemeen aanvoerder gekozen. Maar hij deed toch niet alles op z'n eigen houtje. Hij wist heel goed dat die machtige baronnen, die net als hij, thuis op hun eigen bezittingen koninkje speelden, ook wel wat te zeggen wilden hebben en daarom begon hij maar vast met hen te overleggen wat ze 't eerst doen zouden. Hij zelf was er voor maar dadelijk naar Pomfriet op te rukken en daar waren de overigen 't heelemaal mee eens. Doch Karibo had ook nog wat te zeggen. Die wilde eerst prins Alphabet gaan halen. Hij vertrouwde de zaak daar ginds niet erg. En wat moesten ze beginnen als die jongen nu weer zoek raakte.
"Och wat!" zei Pirlapan. "Je moet niet zoo bang zijn, Karibo. De prins zit veilig op Pirlapan."
Maar op dat oogenblik kwam juist de bode die ze uitgezonden hadden, terug met de tijding dat hij de prins ontmoet had op weg naar Pomfriet, maar dat hij en Plachki en de tien jonge Pirlapanners op zijn raad maar weer terug waren gegaan naar Pirlapan.
Karibo schrok er van. 't Kon toch best gebeuren, dat die soldaten van Sutrebor hen nog inhaalden... misschien hadden ze hen al te pakken. En wat dan? Dan was alles verloren.
Pirlapan zag nu 't gevaar ook in. Hij wilde nu maar dadelijk weer oprukken naar Pirlapan.
Dat vonden sommigen echter niet noodig. Om die honderd soldaten van Sutrebor te bestrijden was 't genoeg, dat ze 'n paar honderd man de kant van Pirlapan uitzonden. De rest moest maar vast naar Pomfriet trekken.
Karibo keurde dat plan ook goed en vroeg of ze hem dan maar naar Pirlapan wilden zenden aan 't hoofd van 'n sterke troep ter bescherming van de prins. Dezelfde dag vertrok Karibo met tweehonderd ruiters.
Doch de soldaten van Sutrebor waren hem voor. Die hadden snel gereden en waren op goed geluk de weg gevolgd naar Pirlapan. Onderweg vernamen ze de wonderlijkste verhalen over de prins die ze zochten. Natuurlijk keken ze scherp uit of ze soms hier of daar iemand ontdekten die op 'n prins leek. Ze hadden allemaal graag de uitgeloofde belooning verdiend. Maar niemand had hen kunnen vertellen hoe die prins er nu eigenlijk uitzag en dat maakte de zaak voor hen niet gemakkelijker. Doch toen ze eindelijk in de buurt van Moeder Guldratsj' hutje kwamen, ontmoetten ze iemand, die hen wist mee te deelen, dat ie diezelfde morgen aan de ingang van 't bosch van Pirlapan 'n troep ruiters ontmoet had, allemaal jongens van Pirlapan.
"Nu zijn we er achter," zei de keizerlijke aanvoerder. "Als we snel rijden halen we hen nog wel in. Ze zijn het bepaald."
En toen ging het in galop voorwaarts.
Moeder Guldratsj zag de ruiters voorbij hollen over de groote weg en ofschoon ze heelemaal niet wist dat 't keizerlijke soldaten van Sutrebor waren, was ze er hevig door geschrokken. 't Was of ze 't voelde, dat 't geen vrienden van Abé waren, die daar zoo snel de kant van Pirlapan op gingen.
's Morgens was moeder Guldratsj op d'r ezeltje 'n eindje met prins Alphabet meegereden. Ze was 't troepje op hun terugtocht tegen gekomen. Abé en Plachki hadden haar verteld waarom ze weer terug gingen naar Pirlapan en ook dat Karibo en de oude Pirlapan hen daar zouden komen halen. De ruiters die ze voorbij zag hollen waren geen Pirlapanners en Karibo was er ook niet bij. Wie konden 't wezen?
Moeder Guldratsj besloot plotseling met d'r ezeltje nog 'n eind door te rijden. Misschien ontmoette ze dan wel Karibo, die toch wel haast zou maken om Abé te gaan halen, meende ze.
Tegen de middag, toen ze al doodmoe van 't rijden was en 't ezeltje van 't draven, zag ze in de verte weer 'n troep ruiters. Moeder Guldratsj stapte van d'r ezeltje af. Ze kon bijna niet meer. En de ruiters zouden gauw genoeg bij haar zijn.
Voorop draafde Karibo. Moeder Guldratsj herkende hem al in de verte en ze stak beide handen op.
Karibo herkende moeder Guldratsj ook dadelijk en toen ie 't oude mensch met opgeheven handen daar zag staan gaf hij de troep 'n teeken om halt te maken.
"Wel moeder Guldratsj is er wat bizonders?"
"Ja heer ... rij zoo hard als je kan. 'n Troep ruiters zit de prins op de hielen!"
"Wat zeg je? Hoe zagen ze er uit?"
"'t Waren soldaten heer, wel honderd."
"Vooruit mannen!" schreeuwde Karibo. "Zoo snel als 't maar kan, of we komen te laat. Op zij moeder Guldratsj."
En de troep van Karibo stoof langs moeder Guldratsj heen die in 'n stofwolk achter bleef.
Toen keerde 't oude vrouwtje weer terug naar d'r hutje en onderweg prevelde ze aanhoudend: "Als ze nog maar vroeg genoeg komen, als ze maar niet te laat komen." Maar toen ze eenmaal thuis was had ze geen rust en als 't ezeltje niet zoo moe geweest was, zou ze zeker weer dadelijk zijn weggereden de kant uit van Pirlapan.
Abé en z'n kleine Pirlapansche lijfwacht reden zingend door 't bosch. Ze dachten niet aan gevaar. Tegen de avond konden ze weer thuis zijn. Maar al zing je nog zoo hard, dan krijg je toch honger op de duur en toen 't middag was gaf Plachki bevel om rust te houden voor 't middagmaal. Geen mensch en geen dier had daar iets op tegen. Als goede ruiters verzorgden de jongens eerst hun paarden. Abé, al was ie 'n prins, deed 't zelf ook. Toen ze daarmee klaar waren gingen ze er ook bij zitten of liggen. Heel veel bizonders hadden ze niet te eten. Iedere jongen had brood en kaas. Als je honger hebt kan je 't daar best mee doen.
Na de maaltijd bleven ze nog wat liggen en de een voor de ander strekte zich lui uit op 't zachte mos langs de weg. Abé en Plachki lagen samen te praten, maar ze deden 't zoo zacht dat ieder geluid in 't bosch nog te hooren was.
Opeens hielden ze hun mond. Ze hoorden 't gestamp van paardehoeven.
"Daar komt 'n heele troep ruiters aan," zei Plachki.
Abé stond vlug op.
"Die gaan we tegemoet," antwoordde hij blij. "'t Is natuurlijk Karibo en je vader."
"Misschien wel, maar we zullen toch maar 'n beetje voorzichtig zijn."
"Hoezoo?"
"Och je kan 't nooit weten."
Hij riep een van de jongens. Die hadden het naderende getrappel ook gehoord en stonden nu allemaal al gereed bij hun paarden.
"Jij brengt de prins en de overigen naar 't ravijn. Da's hier geen vijf minuten vandaan," zei hij tegen Abé. "Daar vinden ze je niet zoo heel gauw of je moet 't bosch door en door kennen."
De jongens wilden al te paard stijgen.
"Nee," zei Plachki, "de paarden aan de toom houden en zoo stil mogelijk. Neem mijn paard ook mee."
"En jij dan?" vroeg Abé.
"D'r moet er toch een hier blijven om te zien wie 't zijn? Als 't vader is, fluit ik wel even. Dan komen jullie maar weer gauw hier."
"Maar als 't de heer van Pirlapan nu eens niet is?"...
"O, wees maar niet ongerust over me. Ze zullen mij zoo gauw niet ontdekken. Kijk maar eens."
Plachki zat in 'n wip boven in 'n dikke eik heelemaal verborgen tusschen de bladeren.
"Afgemarcheerd," riep hij naar beneden, "en geen mensch komt voor de dag eer je 't teeken hoort of eer ik zelf bij jullie kom."
Ze gingen met hun paarden aan de hand 't bosch in en verdwenen weldra over 'n hoogte tusschen de boomen. Plachki luisterde. Z'n kameraden waren voorloopig veilig. Die hoorde hij niet meer. Ze waren met hun paarden afgedaald in het diepe ravijn, waar 'n snelle bergstroom tusschen de rotsen over de steenen bruischte en schuimde. Maar steeds duidelijker werd 't geluid van de naderende ruiters. Plachki zat in elkaar gehurkt op 'n dikke tak. Hij had net zoo lang gezocht tot hij dat plekje vond, vanwaar hij ongezien naar beneden kon kijken tusschen de takken en bladeren door. Ze zouden als 't slimme kerels waren wel dadelijk opmerken, dat op die plaats nog niet lang geleden gekampeerd was. Doch heel veel meer zouden ze wel niet ontdekken, meende hij. De zandige boschweg was in de laatste dagen door heel wat paarden betrapt. Uit al die sporen was niet veel te maken en de ruiters zouden wel veronderstellen, dat degenen die ze waarschijnlijk zochten, doorgereden waren naar Pirlapan. Hij wachtte dus nog al gerust af wat er komen zou maar was toch erg nieuwsgierig en vond dat 't toch lang duurde eer er wat kwam ...
Doch toen de ruiters eindelijk onder de boom aankwamen in volle galop, was hij wàt blij, dat ie Abé en z'n kameraden naar 't veilige ravijn gezonden had. De ruiters waren allen gekleed in kettinghemden, maar de pluimen op de ijzeren helm van de aanvoerder waren geel en zwart, de kleuren van keizer Sutrebor.
"Stommeling," dacht Plachki, toen de ruiters onder de boom doorholden, "hij merkt niemendal. Nou zooveel te beter."
Hij bleef nog 'n heele poos stil in z'n boom zitten. Je kon nooit weten of er soms nog achterblijvers waren. Maar er kwam niemand meer en toen 't geluid van de galoppeerende paarden al zachter werd, liet Plachki zich vlug naar beneden glijden en was in 'n ommezien ook over de hoogte in het bosch.
"Wel?" vroeg Abé, toen Plachki met zekere sprongen over de steenen naderde.
"We zijn mooi aan 't gevaar ontkomen. 't Waren mannen van Sutrebor."
"Wàt?"
"Sekuur hoor. En nu zitten we er leelijk in. Naar Pirlapan kunnen we niet meer en terug ook niet."
"Waarom niet?"
"Hij kon wel eens verkenners uitzenden."
"Dus we moeten hier blijven?"
"Ja. Hadden we nu maar brood in voorraad. De paarden kunnen hier in de buurt wel wat vinden. Maar wij zullen honger moeten lijden als vader niet gauw komt opdagen. Wie durft het aan om vader te gaan waarschuwen dat we hier in de knel zitten?"
"Dat durf ik wel!" riepen de jonge Pirlapanners allemaal.
"Jullie weet dat 't je de kop kosten kan."
"Hindert niet."
"Dan ga jij... en jij. Een voor 't verlies, zie je," voegde hij er lachend bij, zich tot Abé wendend.
"Hoor es Plachki, dat heb ik liever niet," zei Abé, toen de jongens zich klaar maakten om heen te gaan. "Ik ga net zoo lief zelf."
"Dat kan heelemaal niet. Jij ben de keizer van Huk. En 't zou 'n groote schande zijn voor iedere Pirlapanner, als ie z'n leven niet durfde wagen voor z'n keizer. Als je die twee niet wil laten gaan, moet je 't zelf weten. Maar dan ga ik."
Daar was niets tegen te zeggen en Abé liet de twee dappere jonge Pirlapanners gaan.
"Je hoeft je niet zoo heel bang over hen te maken," zei Plachki, toen ze weg waren. "Ze zullen zich niet onnoodig bloot stellen aan gevaar. 't Zijn 'n paar slimme rakkers die ik heb uitgezocht... en als 't er op aankomt gaan ze voor zoo'n paar van die soldaten niet op zij."
"Maar ze kunnen in handen vallen van de heele troep."
"Da's waar. Doch dat moeten ze maar voor je over hebben."
Nu begon Plachki als 'n echte veldheer verkenners uit te zenden om te weten te komen wat die troep Sutreborsoldaten uitvoerde en toen dat in orde was had ie weer zoo'n honger, dat ie maar aan z'n laatste boterham begon. Dat was 'n goed voorbeeld voor de Pirlapanners en Abé deed ook maar mee. 'n Kwartier later was er geen kruimel brood meer in 't keizerlijke kamp. Als er nu niet gauw hulp kwam stond de honger voor de deur.
Intusschen waren de soldaten van Sutrebor voor Pirlapan aangekomen. Tot groote spijt van de aanvoerder was 't hem niet gelukt die zoogenaamde prins Alphabet te achterhalen en dus zat ie al in Pirlapan. Doch hoe moest ie hem daar nu uitkrijgen? De valbrug stond omhoog en daarachter zag je niets dan de stevige poort en de dikke muren van Pirlapan. Heel veel mannen zouden er wel niet in 't kasteel aanwezig zijn, maar onverdedigd zou de baron z'n huis toch wel niet hebben gelaten. De prins uitleveren zouden ze ook wel niet doen. Hij kon 't echter eens vragen. Je kon 't nooit weten.
Hij gaf 'n trompetter bevel meer naar de valbrug te rijden en daar liet ie de man 'n deuntje blazen. 'n Oogenblik later verscheen hoog boven de poort waar 'n ballustrade was, de oude Brulfros heelemaal in 't ijzer. Hij had de soldaten al lang gezien en omdat ie die kerels van Sutrebor niet vertrouwde had ie zich maar er op aangekleed. Ze konden 't wel eens in hun hoofd krijgen op hem te schieten. Er zouden allicht 'n paar boogschutters bij zijn.
De aanvoerder zou 't nu wel aardig gevonden hebben als ie had kunnen zeggen: "In naam van Sutrebor doe open de poort!" Doch die baas daar boven zag er niet naar uit om 't dan maar dadelijk te doen en dus riep de aanvoerder naar boven:
"In naam van keizer Sutrebor vraag ik toegang tot 't kasteel van Pirlapan. De keizer heeft mij uitgezonden om zijn keizerlijke hoogheid prins Alphabet te begroeten, nu hij weer in 't land Huk teruggekomen is."
"Dat heb ik er eens slim afgebracht," dacht de aanvoerder. "Als ik met m'n mannen die belooning maar verdien kan 't me niet schelen op welke manier 't gebeurt."
Doch Brulfros lachte de aanvoerder in z'n gezicht uit en zei:
"Compliment aan je keizer hoor, en hij kan naar de maan loopen met jou en je heele bandietentroep er bij."
Die Brulfros kwam altijd 'n beetje raar uit de hoek, als ie 'n vijand tegenover zich had.
De aanvoerder werd kwaad om zoo'n beleediging en hij riep woedend terug:
"Kerel dat zal ik je betaald zetten, al zou ik heel Pirlapan onderste boven moeten halen."
"Ga je gang," riep Brulfros naar beneden. "Begin maar dadelijk hoor. Als je de poort door ben, ben ik je man. Maar eerder niet."
Brulfros ging weer 't kasteel binnen en liet de aanvoerder met z'n trompetter maar staan. En die wist niet wat ie beginnen moest. Want je kon heel gemakkelijk zeggen dat je Pirlapan onderste boven zou halen, maar daarmee kreeg je geen steen uit de muur. Om zoo'n sterk huis te nemen, moest je nog wat anders bij je hebben dan honderd ruiters, die met hun lansen en zwaarden niemendal konden beginnen tegen die dikke muren. De gracht zouden ze desnoods nog wel over komen. Er was hout genoeg in de buurt dat je met je zwaard kon omhakken om er de gracht mee te vullen. Doch dan had je nog niet veel gewonnen.
Hij zou er maar eens met z'n onderaanvoerders over gaan praten. Misschien wisten die er wat op te vinden. Die zagen echter ook geen kans om Pirlapan in te nemen en ze rieden hun aanvoerder aan daar maar niet langer over te denken. Dat gaf toch niets. 't Was misschien nog maar 't beste terug te keeren naar Pomfriet zonder de prins.
"Jullie vergeet," antwoordde de aanvoerder, "dat keizer Sutrebor daar niet erg over te spreken zal zijn en dan krijgen we ook niemendal."
"Maar weet je wel zeker dat die jongen in 't kasteel is?" vroeg er een.
"Waar zou die anders zijn? Dan hadden we hem toch onderweg moeten vinden?"
"Daar heb je gelijk aan... doch ik zeg maar... je kan 't nooit weten. Laten we tot morgen vroeg hier blijven. Misschien gebeurt er nog wel iets of 't kan ook zijn dat we nog 't een of andere plannetje bedenken."
"'t Is groote gekheid," zei de aanvoerder. "Je schiet met dat talmen niets op. Ik ben maar voor aanpakken. Ik gaf er de helft van de keizerlijke belooning voor als ik 'n middeltje wist om daarbinnen te komen. Nou laat dan de mannen maar afstappen... Ik ga eens rondom 't kasteel loeren."
"Daar zal ie mee opschieten," zei een van de onderaanvoerders, toen hij weg was. "'k Heb nog nooit zoo'n sterk huis gezien als dit. Dat is gewoon onneembaar."
"Kom," zei 'n tweede, "laten we onze mannen eerst maar wat rust gunnen. Ze zijn zoo moe als honden. 'k Wou dat die Sutrebor met dat karweitje 'n ander belast had. 't Haalt niemendal uit. Dat zal je zien."
Ze gingen ieder naar hun eigen afdeeling, gaven bevel af te stijgen en de paarden te verzorgen. Daarna mochten de soldaten gaan slapen of doen wat ze wilden, als ze maar zorgden dat ze niet te ver weg gingen. Maar er werden 'n paar man op schildwacht gezet bij de brug van Pirlapan. Ze moesten toch oppassen dat ze niet uit 't kasteel overvallen werden.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Waarin prins Alphabet uit 't ravijn verlost wordt door Karibo en in Lumkiping Oeliboe Bomdrum weer terugziet.
De twee Pirlapansche jongens die Plachki had uitgezonden om hulp, liepen natuurlijk heel geen gevaar maar dat wisten ze niet. Daarom deden ze zeer voorzichtig. En toen ze eindelijk iets hoorden, dat anders klonk dan de gewone boschgeluiden, gleden ze vlug van hun paarden, bonden die aan 'n boom en slopen door de struiken om 'n plekje te vinden waar ze 'n eind de boschweg konden overzien.
Dat konden de soldaten van Sutrebor wel zijn die daar naderden, meende de een. Doch de ander zei dat 't dan een nieuwe troep moest wezen, want 't geluid kwam niet van de kant van Pirlapan. Daar moest de eerste troep toch vandaan komen.
"'t Begint er leelijk uit te zien voor de prins en Plachki, als er nog meer komen," zei de eerste weer.
"Als ze voorbij zijn, zullen we maar als de wind doorrijden. In 't ravijn vinden ze hem nog niet zoo gauw. Misschien komen wij dan met hulp terug eer 't te laat is."
"Maar ze hebben geen eten."
"O daar zal Plachki wel wat op vinden. Die is slim genoeg en hij kent 't bosch op z'n duim."
"St, daar komen ze. Hou je weg."
"Ik moet toch kunnen zien, hoeveel 't er zoo wat zijn."
Daar kwam een heele troep ruiters aangedraafd. Doch nauwelijks had de Pirlapansche jongen de voorsten in 't oog gekregen of hij sprong uit de struiken te voorschijn en z'n kameraad hoorde hem schreeuwen: "Pirlapan! Pirlapan!!" Die schrok er eerst van. Maar in 't volgende oogenblik was hij ook op de weg. Als er "Pirlapan" geroepen werd bleef er geen Pirlapanner achter. Tot z'n groote blijdschap zag hij echter al dadelijk waarom z'n kameraad zoo gedaan had. Bij de troep die daar nu vlakbij was herkende hij Pirlapansche ruiters en dan konden de overigen vanzelf al geen soldaten van Sutrebor zijn.
Op 'n teeken van de man die voorop reed, hield de troep stil, en nu wist Karibo al heel gauw hoe de zaken stonden. Hij vroolijkte er heelemaal van op. Want Karibo was zoo bang geweest dat ie te laat zou komen. Maar nu de Sutreborsoldaten hen nog niet te pakken hadden en hij naar 't scheen veilig in 't ravijn zat, was er nog niets verloren.
"Waar is dat ravijn?" vroeg Karibo, "en is 't wel zoo'n veilige schuilplaats."
"Of het," riepen verscheidene Pirlapanners. "Daar vinden ze onze Plachki nog niet zoo gauw."
Die Pirlapanners dachten 't eerst aan de zoon van hun heer.
"En kunnen we er spoedig zijn?"
"Binnen 'n paar uur."
"Dan maar snel er heen mannen."
"Heer Karibo," zei een der Pirlapanners, "zou 't niet beter zijn, dat we eerst die Sutreborkereltjes eens op d'r lui wammes gaven? Daar heb ik toch zoo'n zin in."
"Eerst de prins hebben man," antwoordde Karibo. "Daarna kunnen we weer zien, wat we doen. Of ben je bang dat ze Pirlapan zullen overrompelen?"
"Heelemaal niet. 't Huis is sterk genoeg en Brulfros laat ze d'r zoo maar niet in. Maar wie weet hoeveel ze rondom vernielen. Ons koren en onze haver... en..."
"Dat zal wel losloopen hoor. Vooruit. Eerst de prins en Plachki en die dappere jongens die bij hen zijn."
"En mogen we dan die kerels van Sutrebor klop geven?"
"Dat zullen we wel zien."
De Pirlapanners waren niet erg tevreden met dat antwoord. Doch ze gehoorzaamden. Als ze Plachki gevonden hadden, zou 't er toch wel van komen. Dat was 'n echte Pirlapan en die zou 't wel niet kunnen hebben, dat daar zoo'n honderd man van Sutrebor vóór z'n vaders valbrug lagen.
't Ging nu weer in galop en 't was nog niet heelemaal donker toen ze 't ravijn inreden, waar ze natuurlijk met groote blijdschap ontvangen werden. De jongens hadden er niet op gerekend, dat er al zoo gauw ontzet zou komen opdagen.
Maar vooral Abé en Karibo waren blij dat ze elkaar eindelijk heelhuids terug vonden.
"Jonge, jonge," zei Karibo, "da's 'n gelukje hoor, dat we die twee ferme jongens ontmoetten. We hadden je hier nooit gevonden. We zouden natuurlijk recht door gereden zijn naar Pirlapan en dan waren we slaags geraakt met die Sutrebortroep."
"O," antwoordde Plachki, "die hadden op d'r kop gekregen."
"Daar twijfel ik geen oogenblik aan," zei Karibo lachend. "Doch ik weet zeker, dat 't dan nog 'n heele tijd geduurd zou hebben eer ik Abé terug gezien had. We zouden elkaar wéér voorbij zijn geloopen... hè?"
"Op dat punt waren we echte ongeluksvogels Karibo. Maar nu blijven we bij elkaar hoor. Als je wist hoe raar ik al die tijd rondgescharreld heb."
"'k Weet er alles van. Je ben al roover ook geweest he?"...
"En bedelaar."
"Je witte paard hebben we terug!"
"Wat zeg je?... En die kerel?"
"Achter slot hoor."
"Maar hoe wist je dat Sutrebor me z'n ruiters achterna gezonden had? Daar wist ik zelf niet eens wat van."
"Dat heb je te danken aan moeder Guldratsj jongen. Die heeft 't me verteld."
"Karibo is 't eerlijk waar, wordt ik keizer van Huk?"
"Natuurlijk, geen mensch heeft er recht op dan jij. Om je de waarheid te zeggen ben je 't nu al. Pirlapan heeft nu al 'n heel leger bij elkaar en daarmee trekken we naar Pomfriet. Sutrebor moet maar 'n goed heenkomen zoeken."
"Dat is hem geraden ook," zei Plachki, "want als vader hem te pakken krijgt zal 't er leelijk voor hem uitzien."
"En waar gaan we nu heen?" vroeg Abé aan Karibo.
"Nu gaan we eerst maar wat slapen Abé. Je zal ook wel moe zijn."
"'n Beetje wel. Doch we hebben geen aangename slaapplaatsen hier op de steenen."
"Nou ja, voor 'n keer hindert dat niet. 'n Soldaat moet overal tegen kunnen hè?"