Prins Alphabet

Part 1

Chapter 14,301 wordsPublic domain

PRINS ALPHABET

DOOR

KEES VALKENSTEIN.

UTRECHT--W. DE HAAN.

INLEIDING.

Waarin alleen maar 'n prins geboren wordt, 'n opstand uitbreekt, 'n keizer met z'n huisgezin in ballingschap en de prins weer in z'n land terugkeert.

De keizer van 't land Huk zat in groote moeielijkheid. Er was 'n prins geboren, de kroonprins, en nu zeiden raadsheeren en andere hoogwaardigheidsbekleders aan 't hof, dat de pas geboren prins net moest heeten als z'n vader. Dat hoorde zoo, dat was altijd zoo geweest in 't land Huk en dat moest nu ook weer zoo.

Doch dat wilde de keizer nu juist niet. Die had 't land aan z'n eigen naam en hij vond, dat de kroonprins nu eens 'n andere moest hebben.

Maar niemand was 't met de keizer eens. Ze zeiden, dat reeds honderdzevenenzestig keizers die naam gedragen hadden. De keizer was de honderdachtenzestigste en 't jonge prinsje moest mettertijd de honderdnegenenzestigste zijn.

Huk was 'n oud land, zooiets als China. Dat kan iedereen narekenen, want als we aannemen, dat iedere keizer gemiddeld twintig jaar geregeerd had, en dat is toch niet erg lang voor 'n gezonde keizer, dan kom je tot 167 × 20 = 3340 jaar.

Hier in 't westen kennen we zulke oude keizersgeslachten niet, maar de Hukkers waren er wat trotsch op en ze beweerden dan ook, dat hun keizer regelrecht van 'n soort god afstamde, iets wat de Japanners ook zeggen van hun Mikado.

Of 't nu daar vandaan kwam, dat de keizer zoo'n onmogelijke naam had is moeielijk uit te maken. Alleen is 't zeker dat er geen enkel mensch in Huk was, die 's keizers naam kon uitspreken, zonder de kramp in z'n kaken te krijgen. Ze probeerden 't wel eens voor tijdverdrijf, maar 't lukte nooit. Vóór ze op de helft waren begonnen ze al te stotteren en op driekwart bleven zelfs de knapsten steken. Dan zaten ze hopeloos verward in al die lettergrepen.

De keizer was er zoo nu en dan evenwel zelf 't slechtst aan toe met die onuitsprekelijke naam. In de wandeling heette hij Napo en zóó onderteekende hij ook gewoonlijk z'n brieven. Doch als hij 'n nieuwe wet moest onderschrijven of 'n keizerlijk besluit, dan kon 't niet anders of hij moest z'n naam er voluit onderzetten. Dat hadden z'n honderdzevenenzestig voorvaderen ook gedaan, doch 't bleef 'n wanhopig karwei. Als hij er mee klaar was kon er geen enkele krul meer op overschieten, wat toch bij 'n nette handteekening hoort. Maar wat moet je beginnen, als je geen inkt meer in je pen hebt en je bovendien blij ben, dat 't afgeloopen is? Want om met één pennetrek te schrijven: Napoleonidasssurbanusaranatanielfridammonnottorobiodecastrobertus CLXVIII en dán nog weer eens in te doopen voor 'n krul, terwijl je van blijdschap hè roept, omdat je gelukkig over de eindstreep ben, dàt doet geen mensch.

En zoo zat de keizer van Huk dan op 'n goeie dag op z'n troon met 'n grommig gezicht en de heele zaal zat vol raadsheeren en andere hooge lui, óók allemaal met grommige gezichten. Want ze hielden vergadering en de keizer stond op z'n stuk, dat de kroonprins 'n gemakkelijke naam zou krijgen en al die andere hielden vol, dat 't niet kon.

"En tòch zal 't gebeuren," riep de keizer eindelijk rood van toorn, terwijl hij met z'n vuist op de leuning van z'n troon sloeg. "Wie is er baas in Huk, jullie of ik? De armste bedelaar kan z'n kinderen 'n naam geven, zooals ie verkiest en ik, de keizer, mag dat niet?"

"Sire," sprak 'n oud man met 'n lange witte baard, die al langer dan vijftig jaar 't gewichtige ambt van raadsheer in 't gerechtshof bekleedde, "sire, wat komt 't er op aan hoe 'n gewoon mensch z'n kinderen noemt? Al heeten ze A of B, 't doet er niet toe. Maar op de troon van Huk moet iemand zitten, die iedereen met eerbied noemt (de raadsheer sprak nu heel plechtig langzaam en schraapte eerst eventjes z'n keel) Napoleonidassurbassurantimekasser ...

"Ga voort," zei de keizer vriendelijk. "Je was zoo mooi op weg." Maar de arme man prevelde enkel nog maar iets van kasserpasser en bleef toen voor goed steken.

"Jullie hoort 't nu allemaal voor de zooveelste keer," sprak de keizer, "'t Is 'n onmogelijke naam. Zelfs deze geleerde raadsheer, die reeds drie keizers van Huk gediend heeft, ziet geen kans hem heelhuids over z'n lippen te brengen. Als er iemand in de vergadering is die mijn naam vlug en zonder haperen uit kan spreken, dan geef ik me gewonnen. Is er iemand? ... Welnu dan sluiten we de besprekingen. De kroonprins krijgt 'n korte naam, die iedereen onthouden kan, of ik heet geen Napo enz. enz. 't Kan me niet schelen, wat voor 'n naam de prins krijgt, als 't maar 'n heel korte is. Wie weet er een?"

't Werd doodstil, alsof ze allemaal hevig zaten te prakkezeeren. Doch geen mensch kwam met 'n naam voor de dag.

"Nu," zei de koning plechtig: "Als jullie 't dan niet weet, zal ik 't zelf maar zeggen. De raadsheer van 't gerechtshof heeft me op de idee gebracht. De kroonprins zal heeten: A."

"A?" riepen alle aanwezigen, terwijl ze in verwarring van hun zetels oprezen. "A! A!! A!!!"

"Stilte!" gebood de keizer, "en ga zitten! Je hoort hoe gemakkelijk die naam uit te spreken is. Jullie zegt hem allemaal even duidelijk, alsof al m'n honderdzevenenzestig voorvaderen zoo geheeten hadden. Dat is dus afgeloopen. De kroonprins heet A en later, als ik dood ben natuurlijk, heet hij keizer A I."

't Werd nog stiller, toen de keizer uitgesproken had, zóó stil alsof er heelemaal geen mensch aanwezig was. De keizer keek de zaal eens rond, of hij verwachtte, dat de een of de andere nog iets in 't midden zou brengen. En dat gebeurde eindelijk ook. De raadsheer met de witte baard stond nogmaals op en zei:

"Sire, bedenk u voor 't te laat is. A I dat is 'n goed merk op 'n pakkist, maar geen naam voor 'n keizer van Huk. Uw onderdanen zullen geen eerbied hebben voor 'n keizer, die 'n naam heeft als 't merk op 'n pakkist."

Alle aanwezige gaven teekenen van instemming. Alleen de keizer was van 'n andere meening.

"Gekheid man," antwoordde hij. "M'n onderdanen zullen wel verstandiger zijn. Voor zóó dom zie ik hen geen van allen aan. Doch ik zal de naam 'n klein beetje langer maken, om jullie allemaal 'n plezier te doen. Maar dat is dan ook alles. We zullen de kroonprins Abecé noemen. Dat klinkt heel goed en geen mensch kan nu meer zeggen, dat die jongen op 'n pakkist lijkt. Morgen verwacht ik jullie allemaal weer hier. Dan wordt de prins plechtig gedoopt. Leve prins Abecé!"

"Hoeraaaaa!" riepen ze allen. Doch ze meenden er geen sikkepit van. Ze vonden 't gewoon 'n schandaal en toen ze naar huis wandelden of reden praatten ze er druk met elkaar over en ze kwamen tot de slotsom dat 't wel niet goed zou afloopen.

En 't liep heel slecht af. De ongeluksprofeten hadden gelijk. Kleine oorzaken hebben dikwijls groote gevolgen. Toen de Hukkers vernamen, wat de keizer besloten had zaten ze eerst stom van verbazing. Ze zeien heelemaal niets. Maar langzamerhand kwamen de tongen los in de hoofdstad van Huk. 't Was van de morgen tot de avond niets anders dan Abecé.

Eerst waren ze verwonderd geweest, toen werden ze ontevreden, daarna grommig, eindelijk woedend en op 't lest kregen ze met elkaar ruzie.

Er waren in Huk menschen genoeg, die 't met hun keizer eens waren en dus Abecé 'n heel geschikte naam voor 'n kroonprins vonden. Doch de groote meerderheid was 't heelemaal niet met de keizer eens. Die schreeuwden moord en brand en scholden de anderen uit voor Abecéërs en zij gaven het pas geboren keizerskind de spotnaam van prins Alphabet.

De keizer dacht, dat 't nog wel bedaren zou, maar 't duurde niet lang of de Napoleonidassers begonnen bij de Abecéërs de ruiten in te gooien en op straat ranselden de tegenstanders elkaar af. De keizer zond er toen maar soldaten op af en daarom gooiden de Napoleonidassers de keizer z'n glazen ook maar in.

Doch 't ergste was, dat 'n neef van de keizer in troebel water aan 't visschen was. Hij had zelf veel zin om ook eens keizer van Huk te worden. Zoolang er geen opvolger was, had hij nog kans gehad, maar de geboorte van prins Abecé maakte daaraan een eind. Nu die kans verkeken was stookte hij in stilte de opgewonden menschen tegen de keizer en 't onschuldige prinsje op om zóó tot z'n doel te geraken. Hij liet overal rondstrooien, dat hij 'n extra onuitsprekelijke naam zou aannemen indien ze hem uitriepen tot keizer en dat vonden de meeste Hukkers nu net wat ze hebben moesten. Zoo kwam het dat de soldaten van de keizer gemeene zaak met de oproerlingen maakten en eer Abecé 'n maand oud was zat er voor de rechtmatige keizer van Huk niets anders meer op dan stilletjes midden in de nacht op de vlucht te gaan. Hij kon niets anders mee nemen dan z'n vrouw, 't prinsje en 'n paar bedienden, die hem trouw gebleven waren.

Nu had de keizer wel 'n beetje spijt, dat hij de kroonprins maar niet genoemd had zooals hij zelf heette. Doch 't was te laat. Op de troon van Huk zat nu Sutrebortsacedoiborottonommadirfleinatannarassunabrussadinoelopan I. Tot groote vreugde van alle Hukkers bleek deze naam nog moeielijker te zijn dan die van alle vorige keizers. Zelfs de vroegere Abecéërs vonden de naam prachtig en toch ook eigenlijk veel geschikter voor 'n keizer van Huk dan Abecé, ofschoon ze allemaal heel goed wisten, dat de neef heel geen moeite gehad had die naam uit te denken. Veel minder hoofdbreken had 't hem gekost, deze gekke naam te vinden dan de weggejaagde keizer om de eenvoudige naam Abecé te bedenken. Hij had eenvoudig de naam van z'n voorganger achterstevoren opgeschreven. Maar daar gaven de Hukkers niet om. Hoofdzaak was, dat geen mensch de naam van de keizer onthouden kon en spoedig ging alles in Huk weer z'n oude gangetje. Over 't kleine weggejaagde prinsje werd slechts nu en dan nog eens spottend gesproken als van prins Alphabet en geen mensch dacht er meer aan dat ie toch eigenlijk Abecé heette.

Prins Alphabet groeide in de vreemde op net als iedere andere jongen en geen enkele van z'n schoolkameraden wist, dat ze met 'n prins te doen hadden. Ze noemde hem Abecé, zooals z'n vader en moeder ook deden. Dat ze hem eens in z'n eigen land uit spot prins Alphabet hadden gescholden, daarvan wist hij zelf ook niemendal, want niemand had 't hem ooit verteld. Hij wist wel waardoor z'n vader in ballingschap geraakt was. Doch dat was ook alles.

Dat z'n vader nu 'n keizer zonder land en hij zelf 'n kroonprins zonder kroon was, kon Abecé 'n heel klein beetje schelen. Hij had 'n prettig leventje, was gezond als 'n visch, leerde goed ofschoon ie er wel eens 't land aan had en hij had altijd honger. Boterhammen waren er gelukkig genoeg in huis, want z'n vader had bij z'n vlucht nog wel zooveel van z'n bezittingen kunnen redden uit de schipbreuk, dat de keizerlijke familie er goed van kon leven.

Dat prettige jongensleventje hield echter plotseling op. Kort na elkaar stierven Abecé's moeder en vader en nu had hij niemand meer dan de oude Karibo, de eenige van de twee dienaren, die nog in leven was. Keizer Napo had bepaald, dat na zijn dood Abecé weer terug moest gaan naar z'n geboorteland. Niemand kende hem daar, want Abecé was nu twaalf jaar en geen mensch in 't land Huk, zelfs niet diegenen die hem als zuigeling gezien hadden, zou hem herkennen. De oude Karibo was 'n betrouwbaar man, die z'n jonge meester niet verraden zou. Karibo was ook heelemaal veranderd. Die was in die twaalf jaren oud en grijs geworden en de Hukkers die vroeger misschien vriendelijk tegen hem gezegd hadden: dag mijnheer Karibo, zouden hem nu ook wel voor 'n wildvreemde aanzien.

Waarom keizer Napo z'n zoon weer naar Huk terugzond, dat wist alleen Karibo, Abecé had er niet 't minste begrip van. En Karibo hield z'n mond. Toen ze dus op reis gingen naar Huk en Abecé aan Karibo vroeg wat ze daar nu eigenlijk te maken hadden, zei Karibo:

"Och eigenlijk niemendal. Doch 't is beter voor 'n mensch in z'n eigen land te leven, dan in de vreemde. Ik zal wàt blij zijn als ik weer in dat goeie ouwe Huk terug ben."

Abé was met dat antwoord maar half tevreê, want hij vond 't in 't vreemde land heel niet onplezierig. Huk was hem veel vreemder. Hij had graag willen blijven waar hij was, en 't had hem gespeten, dat hij afscheid moest nemen van z'n schoolvriendjes. Die hadden hem echter allemaal benijd. Zoo'n groote reis, terwijl 't niet eens vacantie was--en heelemaal te paard! Alle jongens hadden wel meegewild. Doch 't eenige, wat ze doen konden, was 'n eindje met hen meeloopen, toen hij op 'n morgen met Karibo naar z'n vaderland vertrok. Abé was 'n beetje verdrietig, want 't was 'n afscheid voor goed. Hij gaf al z'n kameraden nog eens de hand en toen de jongens terugkeerden, want 't was tijd voor school, keek Abé nog heel dikwijls om en de jongens deden 't ook en dan wuifden ze allemaal. 'n Bocht in de weg maakte daar 'n eind aan. Abé reed zwijgend verder. Voor hem begon er 'n nieuw leven en z'n schoolkameraden begonnen weer aan hun sommen, want ze hadden dien morgen van negen tot tien rekenen. Abé was liever met hen aan 't rekenen gegaan. Dat nieuwe leven konden ze voor zijn part cadeau krijgen.

Abé en Karibo bereden 'n paar groote stevige paarden. Dat was wel noodig want de weg was lang. Karibo had uitgerekend, dat ze minstens veertien dagen noodig zouden hebben om de meest nabije stad in 't land Huk te bereiken. Ze hadden ook wel van 'n wagen gebruik kunnen maken. Maar vooreerst waren in Abé's tijd de wagens zulke gemakkelijke voertuigen niet en ten tweede reden mannen liefst te paard. Heel erg was 't ook niet. Abé kon goed rijden en ze hoefden zich volstrekt niet te haasten. Als ze eens draven wilden deden ze dat voor hun plezier. Waren ze 't in het zadel een beetje moe, dan belette niets hen 'n eindje te voet te gaan met hun paard aan de teugel of 'n poosje in 't hooge gras te gaan liggen langs den weg. Hun bagage hadden ze achter zich op 't zadel. Heel veel was 't niet, niet meer dan 't hoognoodige. Doch 't voornaamste droeg Karibo in z'n gordeltasch. Dat waren perkamenten waaruit duidelijk bleek wie Abé was en goudstukken. 't Spreekt van zelf dat ze beiden goed gewapend waren, want heel onmogelijk was 't niet in die tijd, dat 'n paar eenzame reizigers door slecht volk overvallen werden en uitgeplunderd. Karibo was wel grijs, maar toch nog 'n sterke kerel, die als oud soldaat heel goed met 't zwaard wist om te gaan en Abé, al was ie nog pas twaalf jaar, kon er ook best mee terecht. Dat had hij van z'n vader en van Karibo geleerd. En bang waren ze geen van beiden.

Ze reden die eerste dag 'n heel eind, aten onderweg in 'n herberg en toen 't avond begon te worden klopten ze aan 'n boerewoning, waar ze gastvrij ontvangen werden. In die tijd was 'n reiziger altijd welkom als hij 's avonds om onderdak vroeg.

De volgende morgen stegen ze weer vroeg te paard en zoo ging het veertien dagen lang. Ze trokken door dalen en over berger, door groene bosschen en langs donkere akkers en lichte weiden en kwamen zonder ongevallen in 't land Huk aan.

"Ziezoo," zei Karibo, "nu zijn we eindelijk weer in ons eigen lieve land."

"Waar we eigenlijk niks te maken hebben"--voegde Abé er aan toe. "Voor mijn part waren we daarginds gebleven. Zeg me nu toch eindelijk eens waarom we hier naar toe gereisd zijn?"

"Dat mag ik nog niet zeggen. Mettertijd zal je 't wel gewaar worden. Maar één ding wil ik je wel vertellen: Pas er voor op dat geen mensen er achter komt, wie je eigenlijk ben. Dat is 'n beetje gevaarlijk."

"Dat begrijp ik, Karibo. Die neef die nu als keizer hier regeert, zou 't wel niet gezellig vinden, als ie wist, dat ik in 't land was."

"Precies. En dus mondje dicht, wat er ook gebeurt. Je ben gewoon Abé, de zoon van Karibo."

"Ik zal 't niet verklappen hoor. 'k Ben heel niet van plan uit te bazuinen: Hier zie je nou prins Abecé, die eigenlijk keizer van Huk moest wezen. Stel je voor Karibo, ik keizer van Huk en jij ... ja wat zou ik jou toch wel moeten maken? Raadsheer? We zouen 't geen van beiden prettig vinden, denk ik."

"Ik zeker niet, als ik raadsheer moest zijn. Daar deug ik niet voor. Ik ben niet geleerd genoeg voor zoo iets. Neen Abé, als je nog eens ooit keizer van Huk wordt,--je kan nooit weten--laat mij dan maar blijven wat ik ben. Dat bevalt mij heel goed."

"Nou dat zullen we dan maar voor afgesproken houden Karibo," zei Abecé lachend, want hij geloofde niet dat er ooit iets van dat keizerschap komen zou.

EERSTE HOOFDSTUK.

Waarin Karibo op reis gaat naar de hoofdstad van Huk, 'n stad in brand vliegt, Abé zonder eten en zonder geld 'n oude dienaar gaat opzoeken, blij is dat ie 'n boterham krijgt en 'n vriendelijk gastheer vindt.

Abé was heelemaal uit z'n gewone doen. Hij vond dat nieuwe leventje in z'n eigen vaderland allesbehalve prettig. Die ouwe Karibo mocht dan in z'n soort 'n buitengewoon voortreffelijk mensch zijn, maar voor dagelijksch gezelschap van 'n jongen die gewoon was met schoolkameraden te ravotten, daarvoor deugde hij geen zier. De oude man deed al 't mogelijke om er bij z'n jonge meester de moed en de vroolijkheid in te houden, doch dat lukte hem maar half. Abé zat soms wel 'n uur lang stil naar buiten te kijken en dan dacht ie natuurlijk aan z'n kameraden en dan werd z'n gezicht hoe langer hoe treuriger. Dat hinderde Karibo geweldig, hij probeerde toch van alles. Hij ging met Abé wandelen of paardrijden of zwemmen of hij leerde hem nieuwe kunststukken met de wapens, waardoor je gemakkelijk 'n vijand er onder kon krijgen. Abé deed gewillig alles wat Karibo voorstelde, doch vroolijker werd de jongen er niet door.

't Zal wel beter worden als we maar eens in de hoofdstad wonen, troostte Karibo eindelijk. 't Is hier ook zoo'n stil nest.

'n Stil nest was het. Een van de kleinste stadjes aan de grenzen van Huk, waar je bijna nooit iemand op straat zag. 't Leek soms wel of er heelemaal geen menschen woonden. 't Gras groeide er tusschen de straatsteenen, doch dat was enkel maar op de markt, want in de nauwe straatjes hadden ze de keien maar vergeten.

"Wanneer gaan we daar dan heen?" vroeg Abé. "We zitten hier nu al bijna 'n maand in dat dooie gat."

"Tja ..." zei Karibo ... "ik wou er eigenlijk eerst alleen heen ... Maar ik zie er tegenop om jou hier te laten. Dan krijg je 't nog vervelender. En bovendien durf ik 't ook niet goed aan jou alleen achter te laten. Ik moet op je passen. Dat heb ik je vader beloofd."

"Je kan geen twee dingen gelijk doen Karibo," zei Abé. "Naar de hoofdstad gaan en op mij passen, als je me niet mee wil nemen, dat gaat toch niet. Maar ik kan best op mezelf passen hoor. Ga jij maar gerust heen. Hoe lang denk je dat 't duren zal?"

"Nou minstens 'n maand. 't Is 'n verbazend eind naar Pomfriet en terug."

"Doe mij dan 'n plezier en ga dadelijk. Ik hou 't hier niet langer uit. Ik zal me wel zien te vermaken zoolang. De herbergier en z'n vrouw zijn beste menschen. Die zullen wel goed voor me zorgen."

"Goed, dan ga ik morgen vroeg."

Karibo zorgde er voor dat Abé 't in z'n afwezigheid goed zou hebben. Hij besprak de zaak met de waard en de waardin en die beloofde hem op Abé te zullen passen alsof het hun eigen zoon was. Tamelijk gerust vertrok hij dan ook heel in de vroegte naar Pomfriet en nu zat Abé heelemaal alleen.

Dat was schrikkelijk vervelend. Die Karibo was toch zoo'n slecht gezelschap nog niet. Dat merkte Abé nu hij alleen was en hij verlangde de tweede dag al naar de terugkomst van de oude dienaar. Dat zou 'n slechte tijd worden om door te komen. Minstens 'n maand en niemendal te doen. Iedere dag ging hij maar 'n poosje op z'n groote paard rijden. Dat was tenminste nog iets. Maar je kon toch ook de heelen dag niet rond blijven rijden. Nee, z'n vaderland leek hem heel geen aardig land toe. Hij kon amper de menschen verstaan. Die spraken Huksch, natuurlijk, op dezelfde manier als 'n Limburger Hollandsch spreekt. 't Was gewoon 'n heel aparte taal, waar je minstens de helft niet van begreep. En er gebeurde letterlijk niemendal in 't stadje. Totdat er op 'n nacht brand uitbrak.

Toen kwam de heele boel in rep en roer. De menschen wisten wat 't beduidde als 't ging branden in hun huizen, die voor 't grootste deel van hout waren. Ze trachtten te blusschen met emmers en tonnen, want er waren geen brandspuiten, maar 't hielp niemendal deze keer. 't Brandde hoe langer hoe harder. De eene straat voor en de andere na ging er aan. Iedereen redde van z'n bezittingen wat hij kon. Overal vluchtten de menschen met allerlei dingen uit de huizen weg, en toen 't al nader begon te branden in de buurt van de herberg waar Karibo en Abé hun tenten hadden opgeslagen, maakte de waard en z'n huisgenooten dat ze wegkwamen met alles wat ze mee konden sjouwen. Aan Abé dacht niemand. Maar die was best in staat voor zich zelf te zorgen. Hij dacht 't eerst aan z'n paard. Zadelen kon hij 't als de beste en toen hij dat gedaan had, pakte hij z'n boeltje en ook wat Karibo had achter gelaten. Maar toen was 't ook hoog tijd, dat ie wegkwam. Twee huizen van de herberg af stond overal de straat in lichte laaie ... Abé op z'n groote paard ging er als de wind van door. De menschen die hij voorbij holde sprongen gillend van angst op zij. Maar daar gaf Abé geen steek om. In 'n paar minuten was hij de brandende stad al uit en toen hield hij z'n paard in. Hier was hij buiten gevaar. Over de donkere stadsmuur heen zag hij de vlammen. De heele stad leek nu wel te branden. En door de stadspoort stroomden de menschen haastig naar buiten beladen met datgene wat ze uit hun huis hadden kunnen redden. Doch ook allerlei slecht volk was er op de been. Die redden ook wat ze grijpen en vangen konden maar wat niet van hen was en ze maakten van de algemeene verwarring gebruik om er mee weg te komen. Abé zag zoo'n paar boeventronies langs hem heen gaan 't veld in. Een van hen keek in 't voorbijgaan met begeerige oogen naar Abé's paard. Ten minste dat dacht Abé er van. Misschien had die vent wel zin in 't paard om gemakkelijker met z'n gestolen buit zich uit te voeten te kunnen maken. Maar Abé had nu z'n paard zelf te hard noodig en daarom reed hij maar weer op 'n drafje weg, eer de gauwdieven wellicht terug kwamen om 't hem af te nemen. Zonder paard wist hij niets aan te vangen. Hij wilde naar Pomfriet. In de brandende stad had hij toch niets meer te maken. Helpen kon hij ook niet. Hij wist wel welke kant hij op moest, doch verder dan de richting wist hij er niemendal van. Dadelijk wegrijden leek hem 't beste nog maar. Als 't dag was zou hij wel de een of ander tegenkomen, die hij verder de weg vragen kon.

Vlak bij de stad was 't door de hooge vlammen helder als bij dag. Maar hoe verder z'n paard langs de velden draafde des te minder licht verspreidden de vlammen en na 'n half uur was 't donker om hem heen. Alleen als hij 't hoofd omwendde zag hij in de verte de roode gloed van de brandende stad. Hij had nog nooit in de duisternis gereden, zoo midden in de nacht. Karibo, die 'n voorzichtig man was hield er niet van bij nacht te reizen, als 't niet noodig was. Fatsoenlijke menschen en dieren gebruikten de nacht om uit te rusten. Alleen roovende menschen en roovende dieren waren 's nachts op 't pad. Dat kwam Abé nu allemaal in de gedachte nu 't zoo duister om hem heen werd. Hij voelde zich toch niet erg op z'n gemak en hij verlangde naar 't daglicht. Doch daarop kon hij nog wel 'n goed uur wachten, want al was 't voorjaar en de nachten dus niet zoo heel lang meer, de zon kwam toch niet voor vier uur op en Abé giste dat 't nu zoo wat 'n uur of twee zou kunnen zijn. Nog 'n uur in de donker dus en dan zou 't wel beginnen te schemeren. 't Beste was nog maar z'n paard 'n flink eind te laten draven. Hij hoopte nu maar dat hij de goede richting had genomen, maar dat zou hij wel, want de weg waarop hij reed was nog al breed en dat zou dus waarschijnlijk wel de weg naar Pomfriet zijn. Vooruit dus maar weer.