Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate
Chapter 5
Maar breng Gij met vlugge schreden Ons de gulle vreugde meê, Heilbodesse, Euphrosiné! Derde der Bevalligheden, Wie de schoone Min-- --Godin, Tot een lust en licht der aarde, T' éener dracht heur Bacchus baarde! Of, misschien wel zijt gij 't kind Van den dartlen Lentewind, Die zich met Aurore paarde Op een Meischen Morgenstond, Als hij haar met vriendlijk blozen Tusschen rozen Slapen vond! Tooveresse, daal ter neder! Immer blijde, maak ons blij! Geef ons scherts en spotlust weder, Breng ons jool en jokkernij, Knikjens, Blikjens, Vol van leven, Kortswijl uit des harten grond, Gulle lachjens, als daar zweven Over Hebees rozenmond-- Tot de rimpels zijn verdreven, En de schaterlach in 't rond, Vroolijke! uw triomf verkondt. Huppel, trippel, zachtjens, zoetjens, Op uw luchte feënvoetjens! Voer de Nymf der bergwarand, Voer de Vrijheid, aan de hand! En, zoo ik u waardig eere, Gun dat ik uw stoet vermeêre! Geef dat ik met u en haar Heel mijn leven lang verkeere, Priester bij uw bloemaltaar! 'k Hoor dan vroeg den leeuwrik zingen Op zijn hooge sterrenwacht, Tot hij uit den schoot der Nacht Eindlijk d' Ochtend op doet springen; 'k Buig, de trage scheemring moê, Uit mijn venster mij voorover, 'k Roep, door roze- en wingertlover, De Aard mijn: "goede morgen!" toe: Middlerwijl, met kam en sporen Prijkende, onder fieren tred, 't Haantjen, dat de kim ziet gloren, 't Laatste donker wegtrompet, Om zijn hongrende sultanen Naar de schuur een weg te banen. 'k Vang van ver den horenschal, 'k Hoor de vlugge brakken bassen, Die in 't boschrijk heuveldal 't Opgeschrikte wild verrasschen. Somtijds dwaal ik, voet voor voet, Langs de bonte meidoornhagen, Door twee oogjens gâgeslagen, De Oosterpoorte te gemoet, Waar de zon, in purpergloed Tusschen bontgekleurde wolken, Opvaart uit de glazen kolken. En de veldman, vroeg ter hand, Fluit zijn liedtje en ploegt het land; Melkerts rappe vingers eischen 't Zuivelvee zijn schatting af; En de maaier wet zijn zeissen, En de scheper [2] zwaait zijn staf. Diepe dalen, grauwe heiden, Waar de witte lammren weiden; Akkers, vol van goudgeel graan, Bieden duizend schoonheên aan. Hooge bergen zie ik rijzen, Op wier schouder 't wolkjen slaapt, Aan wier voeten de afgrond gaapt, Tusschen groene paradijzen, Waar de landjeugd bloemen raapt, En de beekjens onder 't stoeien Tot rivieren samenvloeien. Van zoo menig steenrotstop Rijst een aadlijk burchtslot op, Wuivend met banier en vendel, Waar het schoonste maagdelijn, Waard een Koningin te zijn, Wegkwijnt achter bout en grendel. Daar beneden tusschen 't hout, Waar de dunne rookwolk blauwt, Onder rozen en violen, Ligt de rieten stulp verscholen: Daar zit Thyrsis, jong en teêr, Naast heur Corydon ter neêr: 't Middaguurtjen heeft geslagen, 't Nedrig maal, Op reine schaal, Wordt door Phyllis opgedragen; Die nog pas heur taak volbracht, Of zij gaat heur Damon vinden, Die op 't stoppelveld haar wacht, Om de garven saam te binden: Menig air Van 't welig koren, Leest ze, als Ruth, uit greb en voren, Voor heur moeder bij elkaâr. Somtijds wordt de streng getrokken, Die den hoogtijklepel luidt, En de klingelende klokken Nooden tot een dansvreugd uit. Nu vergaâren Blijde paren, Hupplende op de fiedelmaat, Daar de strijkstok langs de snaren Rustloos op en neder gaat; Tot het maantjen door de blaâren Heengluurt met jaloersch gelaat. Of de Landheer geeft aan allen, Oud en jonk, een vrijen dag, Dien het hart naar welgevallen Aan de vreugde wijden mag: 's Avonds mag de hoppe kralen In den gladgeschuurden nap; Elk, in onverpoosd gesnap, Weet zijn sprookjen te verhalen: Hoe de tooveresse Mab Bij den een aan 't baksel knaagde, Maar de korstjens overliet; D' andren in zijn droomen plaagde, Neep, en in de zijde stiet; Of van lichtjens, die er waren, Witte wiven, nickermaren; Van een kobold, die vol kracht Meerder koren dan tien mannen In tien schoften dorschen, wannen, Dorschte en wande in éenen nacht! Eindlijk zwijgen alle tongen; En, na de ernstige avondbeê, Zoekt nu elk zijn legersteê, Straks door 't windtje' in slaap gezongen.
Dan weêr trekt de Stad ons meê, Met haar torens en haar wallen, En 't gewoel der duizendtallen,-- De eindelooze menschenzee! Eedle ridders en baroenen Stroomen in hun feestdosch aan; Lauwerblaân En palmen groenen, Prijken, schittren in de zon: En de blanke hand der schoonen Zal hem kroonen,
Die door moed of geest verwon. Daar moog' Hymen intocht houên Bij den glans Der feestflambouwen, Bij muziek en zang en dans, Bij het rustloos gaan en komen Van een maskeradestoet, Bont en grillig als de droomen Van een dichterlijk gemoed! En zoo vaak de zorgen rijzen, Huwe een zoete melody, Een der Lydiaansche wijzen, Zich aan 't woord der Poëzy, Dat zij heel mijn ziel doordringe, Met een gloed van hemellust, Dat zij Orpheus wakker zinge, Die aan de Elyzeesche kust Op een bed van rozen rust, En hem zulk een lied doe hooren Als geen Pluto had' veracht, Maar dat zeker de uitverkoren' --Nu, helaas! op nieuw verloren!-- Gansch en al had' weêrgebracht Uit den Acheronschen nacht! Kunt gij zulke weelden geven, Zeegnende Blijhartigheid! 'k Ben bereid Met u te leven.
BYRONS ZWANENZANG.
(Missolonghi, 22 Januari 1824).
O, sprak in 't eind dit hart niet meer, Nu toch geen hart zich 't mijne wijdt! Maar toch, al mint mij niemand meer, Ik min altijd.
Mijn dagen zijn in 't najaarsgrauw, Der liefde bloem en vrucht verdween; De worm, de kanker en de rouw Zijn mijne alleen!
Een eiland werd mijn dor gemoed, Een rots, met lava in den schoot; Geen toorts ontsteekt men aan zijn gloed: Zijn vuurvlam doodt!
De hoop, de vrees, de zoete smart, 't Is al voorbij als droombedrog: Slechts klinkt aan mijn gestorven hart De keten nog!
Maar 't is niet _hier_, en 't is niet _thans_, Dat zulk gevoel mij schokken moet, Waar Glorie met onwelkbren krans Heur helden groet!
Hier blinkt het zwaard, hier wuift de vaan, De roem omringt me op Hellas' grond. Op 't schild getorscht, zag geen Spartaan Ooit vrijer rond!
Ontwaak! (niet Hellas--'t is ontwaakt!) Ontwaak, mijn hart! Bedenk _waarvoor_ Ge uw dierste banden hebt geslaakt-- Voleind uw spoor!
Nu moet uw oude gloed vergaan: Die driften zijn den man onwaard! De roos der schoonheid is voortaan Voor u ontblaârd.
Betreurt ge uw jeugd? waarom _geleefd_? De dood der eere baart geen schrik: Die hem begeert, trekt uit en--geeft Den jongsten snik!
Zoek--wat men vaak eer vond dan zocht-- Een heldengraf aan vreemde kust! Kies u een plek, met roem gekocht, En--neem uw rust!
DE PRAIRIËN.
I.
Gij gaarden, door de woestenij gekweekt, Gij weiden, onbegrensd en ongeschoren, Wier naam aan Englands trotsche taal ontbreekt! Prairiën, neen! ik zag u nooit te voren; En nu, terwijl mijn oog u overziet, Hoe bruisend stroomt op eens mij 't bloed door de aâren! Gij strekt u uit naar 't eindeloos verschiet, Gelijk een staande zee, wier groene baren Voor eeuwig onbeweeglijk zijn. Maar neen! Op eens herneemt gij de oude vrijheid weder. Gevleugeld trekt de wolkenschaduw heen; De vlakte ontwaakt en wiegt zich op en neder; De lichte hoogten buigen om en om, De donkre diepten golven. Dartel stoeien De windtjens met de bloemen, die alom Als uitgestrooide zonnevonken gloeien; En roerloos zeilt de valk der woestenij Hoog in de lucht op breede wiek voorbij. Gij dartle windtjens! kustet Texas druiven, Gij deedt de Mexikaansche palmen wuiven, Gij volgdet door de Zuider-lustwarand De beekjens, die, Sonoraas klare wellen Ontsprongen, even lustig zeewaards snellen; Maar hebt gij ooit een schooner wonderland Dan dit doorwaaid? 't Heeft niets aan Menschlijk pogen Te danken: 't Is Gods werk! Dezelfde hand, Die ginds den bouw voltrok der hemelbogen, Schiep ook die zee van gras, andre oceaan, Waar eeuw aan eeuw de groene golven gaan, En woud aan woud als eilanden verrijzen, Een archipel van frissche Paradijzen! Die bodem is den hemeltempel waard, En bootst de starren van zijn koepelwelven Met mozaïk van bloemen na!.... Schoone Aard, Hoe lokt gij hier den hoogen hemel-zelven Ter neder, tot hij altijd teêrder blauwt, En eindlijk wegsmelt in uw levend emeraud!
II.
Als ik mijn klepper prikkel met de sporen, Die tot de heupen voortwaadt door het gras, Klinkt mij 't eentonig hoefgestamp in de ooren, Ja, bijna of het heiligschennis was. Wie weet? als we eens der graven rust ontwijdden? Slaapt hier misschien een volk uit vroeger tijden, En is dit stof wellicht der dooden asch, Eens tintelend van leven?--Dat vermelden Die muren, rijzend boven 't eikenwoud, Heenblikkende over de eindloosheid der velden! 't Geslacht, dat eens dit bolwerk heeft gebouwd, Is lang reeds van de moederaard verdwenen. 't Was jong en sterk, en stapelde zijn steenen Reusachtig op, terwijl de westerzon In Griekenland misschien de rots bestraalde, Het voetstuk van het heerlijk Parthenon! Hier droeg de grond hun welig graan; hier dwaalde Hun grazend vee; hier liet de buffelstier Den stuggen nek in 't juk des ploegers klemmen; Hier klonken eens de honderdduizend stemmen Van levenslust en arbeid en vertier. Hier zwierven menigmaal verliefde paren In 't eenzaam rond bij d' avondzonnestraal, Geloften wisslend in vergeten taal, En klanken--wie zal zeggen uit wat snaren Getokkeld, of uit welk welluidend riet Geblazen?--met hun teeder minnelied Meêgevend met de winden!.... Maar daar daagde De Roodhuid op: het oud geslacht verdween, Dat deze muren bouwde. 't Was als vaagde De storm hen weg, en eeuwen achtereen Mocht de Eenzaamheid alreeds hun plaats bekleeden. De wolf zoekt in de wildernis naar buit; De schildpad holt den leêgen bodem uit, Eens overdekt met dichtbevolkte steden. 't Is alles weg--alleen de heuvlen niet, Waar 't oud geslacht zijn beendren achterliet; De hoogten niet, waar ze op de groene zooden Zich bogen voor hunne onbekende goden; De wallen niet, ten bolwerk saamgeprest Voor 's vijands woên: tot straks de Wilde er brulde, De schansen overrompelde, en de vest Met lijkenheuvels van verslaagnen vulde. De gieren schoten in al dichter kring Ter neder op de doôn: wie zou hen storen In 't gruwzaam maal?--Een enkle vluchteling Doordwaalde 't woud, op 't glibbrig pad verloren, Tot de eenzaamheid hem wreeder scheen dan 't graf, En hij zich in des vijands handen gaf. Niet alle vonken van 't gevoel verdoofden: Hij vindt een plaats in schaûw des rieten daks; De onbandige overwinnaars gunnen straks Hem, meerbeschaafde, een zetel bij hun Hoofden. Nu kiest hij uit hun dochtren zich een bruid; Vergeten schijnt wat nimmer werd vergeten, Zijn eerste liefde en menig dierbre spruit, Met heel zijn ras vermoord, in 't slijk versmeten Door 't eigen volk, dat nu de broederhand ontsluit!
III.
Zoo wisselt alles hier! Éen wenk des Heeren, En ziet! geslachten, heerlijk, jong en frisch, Verrijzen, bloeien, om tot stof te keeren!.... De Roodhuid ook verliet de wildernis, Wier paden hij heeft platgetreên, wier boomen Hij telde--om nu, op 't hoog gebergt' verstrooid, Een rijker jagersbuit op 't spoor te komen. Niet langer huist de bever aan dees stroomen: Ver aan de vrije waatren, die nog nooit Een blank gelaat weêrkaatsten, aan de zoomen Van d' Oregon, die trotsch en eenzaam vloeit, Bouwt hij zijn klein Venetië.--Hier loeit Geen buffel meer: nog tweemaal twintig mijlen Van 't plekjen waar de lichte rookkolom Verkondigt dat de verste jagers wijlen, Dwaalt hij in wilde kudden zorgloos om; Dáar steekt hij fier de horens op, dáar kneden Zijn reuzenhoeven de aard, die davert bij zijn schreden!
IV.
Toch leeft altijd de oneindige woestijn. Wie zal haar duizenden bij namen noemen? Insekten, die, niet minder dan de bloemen, Met licht en kleuren overgoten zijn; En vogels, die ter nauwernood nog weten Wat vrees voor menschen is; een slanggebroed, Voortschuivend als een dichtgeschubde keten, Afgrijslijk schoon, in goud en purpergloed! De ranke hinde is schuw naar 't woud gevlogen; Ginds briescht het paard, nog maagd van toom en trens; De bij, veel stouter planter dan de mensch, Met wien zij uit het Oost is meêgetogen, Doorgonst op vliezen vlerkjens wijd en zijd De zonnige _savanne_ en zoekt heur woning: Een eik, als in den gouden fabeltijd, Bergt in zijn hollen stam haar schat van honing. Ik luister lang naar 't welbekend geluid: 't Is of ik reeds de scharen aan zie zweven, Die de eenzaamheid bezielen met nieuw leven. Hoort! dartelende kinderen schaatren 't uit! Daar ruischen meisjensstemmen! Tonen galmen, Als noodde een sabbatsklok tot bede en psalmen! Ik zie de lammren door de klaver gaan; Het schelletjen der hamels doet zich hooren; De boogert kraakt; welluidend ruischt het koren.... Daar waait op eens een frissche wind mij aan, Mij wekkend uit mijn liefelijken waan-- En 'k sta weêr eenzaam in de wildernis verloren!
HET BEEKJEN.
Gij, beekjen! welt met zacht geluid Onopgemerkt uw woudbron uit; Gij vormt een kleinen waterval, Terwijl gij nederspringt in 't dal; Dan effent gij uw golfjens weêr, En zoekt de schaduw als weleer. Hoe dikwerf, in mijn jonge jeugd, Hebt gij mijn speelziek hart verheugd! Als dan de lente, lang verwacht, Verscheen in de eerste bloemenpracht, Als 't gras, fluweelig uitgespreid, Doorvloeid was van welriekendheid: Dan vlood de knaap de doffe kluis, En voelde eerst aan uw zoom zich thuis! Dáar hoorde hij den kwartel slaan, Dáar lachte hem 't viooltjen aan, Zoo jong en frisch, zoo frisch en blijd, Als gij, mijn beekjen! zelve zijt.
En toen ik opwies en de dorst Naar glorie tintelde in mijn borst, Beproefde ik bij uw stillen vliet In de eenzaamheid mijn eerste Lied! Het leven schitterde, als de dag, Die duizendkleurig voor mij lag; Ik droomde van mijn vleugelros, En schreef--'k herdenk het met een blos-- Mijn naam met zooveel fierheid neêr, Als blonk hij reeds van eeuwige eer!
Gij, beekjen! kent geen ouderdom; Uw hooge ahornen staan rondsom Wel groen en krachtig nog te prijk, Maar achtbren grijsaards nu gelijk. Zij leeren mij maar al te goed, Hoe snel de tijd is weggespoed, Sints ik, niet zonder huivering, Voor 't eerst mij neêrzette in hun kring. Maar gij, mijn beekjen! vloeit maar toe, En wordt des rennens nimmer moê. Nog altijd huppelt ongestoord Uw golfjen over keizels voort.
Gij volgt uw eigen klokslag, gij! En kent geen jaren zoo als wij. Welluidend ruischt uw zacht geplasch, Als toen ik nog een knaapjen was. Nog zijt gij blank als kristallijn; Nog vonkelt ge in den zonneschijn; Nog tooit uw oeverriet zijn pluim Met vlokken van uw zilverschuim; Nog siert u, even teêr en blauw, 't Viooltjen in den morgendauw; Nog dobbert ginder, groen en versch, Schier wortelloos, de waterkers; En vroolijk kweelt de vooglenschaar, Nog even als voor twintig jaar!
Gij, beekjen! zijt dezelfde steeds; Maar ik--ach, hoe veranderd reeds! Gij ziet het knaapjen van weleer Nu als een man, een vreemdling, weêr. Aanschouw mijn trekken! gij hervindt Geen enklen zweem van 't zorgloos kind, Dat eenmaal dartelde aan uw zoom. Vervlogen is der jonkheid droom, Dien 't hart uit gouden draden spon, Te schoon dan dat hij duren kon. 'k Heb de echte waereld nu bespied, Maar die ik droomde, ging te niet. Een bleef getrouw tot op dit uur, Al heur beloften hield--Natuur! Want immer schittert voor mijn oog Het groene veld, de blauwe boog, Zoo jong, zoo vol van heerlijkheên, Als eer mijn eigen lent verdween!
Nog weinig jaren en daar treedt, Gebukt, vergrijsd in lief en leed, Uw speelnoot aan met wanklen voet, Mijn beekje'! en--brengt u d' afscheidsgroet. Mijn doffe blik zal dan misschien Uw glinstring door een nevel zien, En mooglijk dringt dan tot mijn oor Uw vroolijk murmlen niet meer door.
Dan sterf ik--Maar onaangedaan Ziet gij des waerelds wissling aan. Een nieuw en jong geslacht verschijnt, Groeit op, veroudert en--verdwijnt. Maar schoon ook jaar aan jaar ontvliedt, Gij speelt uw spel en zingt uw lied, Gij kust de rozen aan uw zoom, En droomt altijd uw jonkheidsdroom. Soms wel--wie weet het?--fluistert gij: "Wat gaat de Mensch toch ras voorbij!"
DE NATUUR.
Gij, beurtlings zacht en teêr, of vol van majesteit, Natuur! wat zijt gij schoon in uw verscheidenheid! _Nu_ streelt gij 't juichend hart door hemelzoete ontroering, _Dan_ heft gij 't naar omhoog in stoute geestvervoering, Of slaat het met den schrik des Heeren!--Gij betreedt De frissche dalen, en--het groene moschtapeet Ontluikt; de vruchtbre dauw drupt uit uw mantelzoomen; Uw vinger strooit alom de kleuren: 't groen der boomen, 't Sneeuwwit der lelie, 't blauw des hemels!--Alles leeft En knopt en bloesemt en draagt vruchten, waar gij zweeft. Elk zonnestraaltjen is een glimlach uwer oogen, Elk balsemluchtjen, dat ons aanwaait uit den hoogen, Uw vriendlijke ademtocht! En wat er klinkt en zingt, De luide waterval, die van de rotsen springt, Het beekjen, ritslend door de velden, 't kwinkeleeren Der duizend zangers, die met wapperende veêren Het bosch doorkruisen of zich heffen naar 't azuur, 't Zijn klanken uwer stem, welluidende Natuur! Maar trotscher wordt uw blik, als gij de bergwoestijnen Doorzwerft, de wolken plooit tot zwarte tentgordijnen, En zetelt op uw throon van onverganklijk ijs. Dan sneeuwt het vliegend zwerk uw blonde lokken grijs, Dan vlamt uw grimmig oog van rosse bliksemstralen, Dan schudt gij de Alpen, scheurt hun lenden, dreigt de dalen Met uw lawinen; loeit in aardschok en orkaan En donderslagen, en--jaagt de Aard den doodschrik aan!
AANTEEKENINGEN
[1] Zeker bloemtjen.
[2] Schaapherder.