Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate

Chapter 4

Chapter 43,524 wordsPublic domain

Wij scheidden in droefheid, maar zwegen van scheiden; Ons hart gaf zich op aan den drang van 't verstand. Ik durfde niet _zien_ of heur oogjens ook schreiden: Ik _voelde_ den traan op heur siddrende hand. Wij wisten, 't verleden was redloos verloren; Wij wisten, 't verschiet had geen hoop op herstel. Zij bloedde aan de wond, die mijn borst moest doorboren, _Ik_ deinsde terug voor het eeuwig Vaarwel!

De jaren vervlogen! Steeds lachte de lente, Als toen zij voor 't eerst onze liefde bescheen. De jaren vervlogen! De troost bracht zijn rente, Maar geen enkle herinnring van 't afscheid verdween! Het lied van den vogel, die 't lover doorhuppelt, Herroept _haar_ den droom die al zingende ontvlood: En de dauw, die des avonds de bloesems bedruppelt, Spreekt _mij_ van den traan, dien de ontwaking vergoot!

ONDERGAANDE ZON.

Die avondwolk, die bleeke straal, Die purpertint aâmt jubeltaal, Die d' Ongeschapen' tracht te prijzen. Doe hij dan, die zoo ras vergaat, Wiens aanzijn slechts een span beslaat, De mensch, tot Hem zijn danktoon rijzen!

Hoe vaak bewondren wij den trans, Als wij den deinende' avondglans De blauwe wolken langs zien stroomen! Hoe zelden is ons oog gericht Op Hem, die haar Zijn hemellicht Schonk, tot borduursel van haar zoomen!

MILTON OP ZIJN DRIE-EN-TWINTIGSTEN VERJAARDAG.

De dief der jeugd, de vlugge tijd, ontstal Mij op zijn wiek mijn drie-en-twintig jaren. Mijn dagen vliên--'k zocht vruchtloos overal: Mijn spade lent' doet bloem noch knop ontwaren.

Mijn uiterlijk misleidt: 'k zal haast mij scharen Bij 't mannenkoor, naar mijner jaren tal; Maar heb ik ook die geestes-rijpheid al, Die vroegontwikkelden bij zich ervaren?

't Zij schittrend of gering, 't zij vroeg of laat, Mijn krachten ook vervullen eens heur maat, En doen mij 't pad van mijn bestemming loopen,

Waarheen de tijd en 's hemels wil mij drijft. Blijf ik mijn roeping trouw--Gods Trouw ook blijft: Mijn toekomst ligt voor 's Meesters oogen open.

EEN PSALM DES LEVENS.

Wat het hart van den jongeling tot den psalmist zeide.

Zing niet jammrend, dat het leven Als een leêge droom verdwijnt! Dood is elke ziel die sluimert; 't Leven is niet wat het schijnt.

Ernst is 't leven! 't Weert de leugen, Die in 't graf den grenspaal ziet. "Stof zijt ge om tot stof te keeren," Geldt van 's menschen ziele niet.

Niet maar lijden of verblijden, Is de roeping van Gods kind; Neen, maar handlen, dat elk Morgen Verder ons dan 't Heden vind'!

Zeker is de Kunst oneindig, Maar de Tijd vliegt spoedig om: 't Harte slaat zijn eigen lijkmarsch Als een overfloerste trom.

Wees in 't bont bivak der waereld, Wees in 's levens worstelperk, Niet als slachtvee, dom en weêrloos, Maar als helden, fier en sterk!

Bouw niet op de schoone Toekomst: 't Dood verleên begraav' zijn doôn! Zwoeg en ploeg in 't levend Heden, En verwacht van God de kroon!

't Leven onzer groote mannen Leert ons hoe men heerlijk strijdt, Hoe men eens een voetspoor nalaat In den zandzoom van den Tijd:

Voetspoor, dat misschien een ander, Die op 's levens golven zweeft, Of aan 't strand wordt neêrgesmeten, Als hij 't ziet, den moed hergeeft!

Zoo dan laat ons waken, werken, En, op ieder lot bereid, Rustloos voortgaan en voltooien, In des Heeren mogendheid!

PAVO, DE FIN.

In een hoog moerasland van Saarjärvis, Op een schrale hoeve, woonde Pavo. Onvermoeibaar ploegde hij zijn akker, Maar van God verwachtte hij den zegen.

Met zijn gade en zestal lieve kleenen Deelde hij zijn brood van zoete rogge.-- Vroolijk wierp hij 't zaad weêr in de voren; Maar de lente kwam, en smolt de sneeuwlaag, 't Land werd slijk, en half het zaad verrotte. Met den zomer woedden hagelstormen, Die de vroegrijpe airen half verwoestten; 't Najaar kwam met zijn bevriezende' adem, En--het luttel overschot verwelkte!

Pavoos gade ontrukte zich de hairen: "Pavo!" kreet ze, "ellendigste aller menschen Grijp uw staf! wij zijn van God verlaten! Hard is beedlen, harder nog verhongren!"

Pavo nam bedaard heur hand, en zeide: "God verlaat niet, maar beproeft de zijnen! Brood, half graan, half boomschors, is voldoende. 'k Zal de voren tweemaal dieper graven, Maar van God-alleen den zegen wachten!" En zij kneedde brood van graan en boomschors; Zwoegend trok hij dubbel diep zijn voren. Hij verkocht zijn schapen en kocht rogge, Die hij biddend de aarde toevertrouwde! Weder kwam de lente en smolt de sneeuwlaag, 't Land werd slijk en half het zaad verrotte. Met den zomer woedden hagelstormen, Die de vroegrijpe airen half verwoestten, 't Najaar kwam met zijn bevriezende' adem, En het luttel overschot verwelkte!

Pavoos gade sloeg zich op de borsten: "Pavo!" kreet ze, "ellendigste aller menschen! Laat ons sterven! God heeft ons verlaten! 't Sterven is wel hard, maar harder 't leven!"

Pavo nam bedaard heur hand, en zeide: "God verlaat niet, maar beproeft de zijnen! Brood, half graan, half boomschors, is voldoende. 'k Zal de voren driemaal dieper graven, Maar op nieuw van God den zegen wachten!" En zij kneedde brood van graan en boomschors, Zwoegend trok hij driemaal diep zijn voren, Hij verkocht zijn rundren en kocht rogge, Die hij biddend de aarde toevertrouwde. Weder kwam de lente en smolt de sneeuwlaag, Maar het land werd droog, het zaad bleef leven. Lieflijk was de zomer, zonder hagel, En de vroegrijpe airen tierden welig; 't Najaar kwam, maar zijn getemperde adem Liet de halmen vol en ongeschonden, En--zij ruischten voort als gouden golven!

Toen boog Pavo dankend neêr, en zeide: "God heeft ons beproefd, maar niet verlaten!" Dankend boog de vrouw ter neêr, en zeide: "God heeft ons beproefd, maar niet verlaten!" Toen riep ze in verrukking tot haar gade: "Pavo! Pavo! grijp met vreugd den sikkel! Nu zal de overvloed ons hart verkwikken! Nu behoeft geen boomschors ons te voeden, 'k Zal nu brood van louter rogge kneeden!"

Pavo nam bedaard heur hand, en zeide: "Vrouw! o vrouw! de Heer wil ons beproeven; Laat ons dan der armen ons ontfermen! Meng uw meel met boomschors als te voren: De oogst van onzen buurman is verijdeld!"

OJAN PAVOOS UITDAGING.

Ver uit Tavartland kwam Ojan-Pavo, Breed en krachtig onder Finlands zonen, Stout en vlug, geweldig als een stormwind. Met zijn vuist kon hij een eik ontwortlen, Met zijn hand een wilden beer verworgen, 't Strijdros tillen over 't hoog staketsel, Als een bies den moedigste doen buigen. Daar nu stond de onwrikbare Ojan-Pavo, Trotsch en krachtig in de volksvergaâring. Op het plein, daar stond hij onder de andren, Als een hooge pijnboom onder struiken. En hij hief zijn stem op, en trotseerde:

"Is hier iemand, van een vrouw geboren, Die mij van het plekjen, waar ik beide, Ook éen enklen duimbreed kan doen wijken? 'k Wil hem heel mijn rijke hoeve geven, Hij ontfangt mijn zilver ten geschenke, Hij wordt meester over al mijn kudden: 'k Word zijn slaaf naar lichaam en naar ziele!"

Tot het volk sprak aldus Ojan-Pavo, Maar de landjeugd deinsde met ontzetting; Doodlijk zwijgen was het eenigst andwoord: Niemand die het waagstuk dorst beproeven.

Maar verliefd en met bewondrende oogen, Staarden al de meisjens op den dappre, Die zoo heerlijk uitstak boven de andren, Als een hooge pijnboom boven struiken, De oogen schittrend met den glans der starren, En het voorhoofd wolkloos als de hemel, En de lokken golvende om zijn schouders, Als een stroomval in de zonnestralen!

Uit de bonte vrouwenrei trad Anna, Zij, de jongste en schoonste van de schare, Lieflijk als een blonde lentemorgen. Haastig treedt zij voort naar Ojan-Pavo, En zij strengelt om zijn hals heur armen, Drukt heur teederkloppend hart aan 't zijne, Kust zijn mond met frissche rozenlippen, Bidt hem smeekend van de plek te wijken, Maar de held stond roerloos, schoon--verwonnen!

En nu week hij van de plek en juichte: "Anna! Anna! 'k heb den strijd verloren! U moet ik mijn rijke hoeve geven, Gij ontfangt mijn zilver ten geschenke, Al mijn kudden zullen u behooren: 'k Ben uw slaaf naar lichaam en naar ziele!"

IERSCHE MELODIEN.

I.

VERGEET MIJ NIET

Spoed u ter viktorie, Maar al strooit de glorie Palmen in 't verschiet; Wordt door alle tongen U de lof gezongen, O vergeet mij niet! Moogt ge uw hart verbinden Aan geliefde vrinden, Rijker vreugde vinden Dan mijn hand u biedt: Toch, in 't dichtst gewemel Van uw aardschen hemel, O vergeet mij niet! Dwaalt gij heinde en verre Bij uw lievlings-sterre, Spieglende in den vliet, Denk hoe vaak ze ons beide Vriendlijk huiswaarts leidde, En--vergeet mij niet! Als uw blikken pozen Bij 't aanminning blozen Van de laatste rozen, Eens zoo graag bespied, Denk wie ze eens u strooide, Met heur krans u tooide, En--vergeet mij niet!

Als de stormen varen Door de najaarsblaâren En ge 't flikkren ziet Van het haardsteêvuurtjen, Dan, in 't schemeruurtjen, O vergeet mij niet! Als uw ziel blijft hangen Aan muziek en zangen, En in zoet verlangen U een traan ontschiet, Denk dan wie te voren U dit lied deed hooren, En--vergeet mij niet!

II

TROUW

Al moest ik het zien, dat uw blosjen verdween, Nu weêrschittrend van jonkheid en min, Al smolt in mijn arm al uw schoonheid daarheen, Als de gift eener Toovergodin: Geloof me, ik beminde u zoo vurig als thans; En ware ook haar tempel geslecht, Elke wensch van mijn hart werd een groenende krans, Aan den bouwval der Schoonheid gehecht!

Neen, 't is niet ten dage uwer bloeiende lent, Nu geen traan nog uw oogjens ontwijdt, Dat de gloed en de trouw eener ziel wordt gekend, Wie ge al dierbaarder wordt met den tijd. O, die waarlijk bemint, hij bemint onbepaald, En volhardt met ondoofbaren gloed, Als de zonnebloem ginds, die haar God, wen hij daalt, Even teêr als bij d' opgang begroet!

III.

MUZIEK

Als wij niets van 't leven hopen, Na 't verlies van 's levens vreugd, O, hoe gaat dan 't hart ons open Bij een feestklank uit der jeugd! In de ziele, diep bewogen, Rijzen de oude droomen weêr, En uit moêgekreten oogen Straalt een lachjen van weleer!

Zwevende over rozelaren, Streelt ons 't windtjen hemelzoet: Dús de toon uit blijder jaren, Die ons onverwachts ontmoet, 't Windtjen geurt nog om ons henen, Als de rozenblos verschiet: Zóo, al is de vreugd verdwenen, Leeft zij voort in d' aâm van 't lied!

O Muziek! bij uwe akkoorden Wordt de spraak zoo koud en schraal. Waarom zoekt de ziel naar woorden? Gij slechts zijt haar moedertaal! Liefde en vriendschap kunnen vleien, Daar bedrog de lippen plooit: Maar, Muziek! Uw melodijen Streelen, maar bedriegen nooit!

IV.

MIJMERING.

O, hoe vaak in den nacht, Eer de sluimring al zacht Aan mijn eenzame sponde mij kluistert, Rijst in vriendelijk licht Mij 't verleên voor 't gezicht En de stem der Herinnering fluistert: Van de smart en de vreugd Eener zalige jeugd; Van de liefde, half schaamrood ontloken; Van de lipjens zoo rood, Nu verbleekt door den dood, En de harten, voor immer gebroken! Dus, in 't uur van den nacht, Eer de sluimring al zacht Aan mijn eenzame sponde mij kluistert, Rijst in vriendelijk licht Mij 't verleên voor 't gezicht, En--de stem der Herinnering fluistert!

2.

Als ik denk aan den kring, Die me als broeder ontfing, Aan de schaar mijner bloeiende vrinden, Nu ter ruste geleid, Of verwelkt en verspreid, Als het najaarsgeblaârt op de winden: O, dan is 't of ik dwaal Door de feestlijke zaal, Nog zoo straks door de vreugde beschenen, Waar geen luchter meer blinkt, Waar geen beker meer klinkt, En de gasten, op mij na, verdwenen! Dus, in 't uur van den nacht, Eer de sluimring al zacht Aan mijn eenzame sponde mij kluistert, Rijst in vriendelijk licht Mij 't verleên voor 't gezicht, En--de stem der Herinnering fluistert!

V.

OP ZEE.

1.

Liefste, ga meê, Over de zee! Volg, waar ge wilt, mij naar heuvel en dal! Wissle de wind, Hij die bemint, Kent geen saizoenen, en mint overal. Bedreigt ons de waereld, we ontvluchten haar erf; Gij zijt er: ik leef; gij verdwijnt: en ik sterf. Kom, ga dan meê, Liefste, over zee! Meê, waar het golfjen ons wiegelen zal! Wissle de wind, Hij die bemint, Kent geen saizoenen, en mint overal.

2.

Woont niet op zee Vrijheid en vreê? Dreigen niet onrust en boeien aan land? Slaaf zijn we dáar: Maar op de baar Lacht onze liefde met teugel en band. Geen oog dat ons ziet, en geen tong die ons wondt; De waereld verdwijnt, en 't wordt hemel in 't rond! Kom, ga dan meê, Liefste, over zee! Volg, waar ge wilt, mij naar heuvel en dal! Wissle de wind, Hij die bemint, Kent geen saizoenen en mint overal!

VI.

GRAFBEZOEK.

O fluister zijn naam niet!--Hij rust' bij 't gebeent' In schaduw der eenzame zode! Weemoedig en stil zij de traan dien ge er weent, Als de nachtdauw op 't graf van den doode!

Maar de dauw, die in stilte de zode besprengt, Zal het gras des te frisscher doen groeien; En de traan onzer smart, hoe verholen geplengd, Doet in 't hart zijn gedachtenis bloeien.

VII.

NA DEN VELDSLAG.

De nacht heeft den loop der verwinnaars gestremd; Een handvol, der neêrlaag ontkomen, Staat eenzaam, de vuist aan de sabel geklemd, En zonder het ergste te schromen. Ach, 't ergste is geschied! Want de hoop ligt geveld, Vertrapt in de bloedige voren. Reeds dit brengt de dood in het hart van een held: "Op de eer na, is alles verloren!"

De droom hunner vrijheid ging vóor in het graf: Hunne asch zal haar lauwer niet erven! Nu wachten zij spraakloos den morgenstond af, Om eervol bij 't daglicht te sterven. Omhoog is een waereld, daar dwingt geen tyran, Daar ziet ge u de vrijheid hergeven! En als nu de dood haar ontgrendelen kan, Wie zou hier als slaaf willen leven?

VIII.

WARE DROEFHEID.

Neen, voorwaar! 't is de traan niet, die thands ons ontvloeit, Als wij 't gapende graf nog aanschouwen, Die het meldt hoe ons hart voor den vriend heeft gegloeid, Of hoe diep we in de ziel om hem rouwen. 't Is het blijvend gevoel, dat hij immer ontbreekt, 't Is de traan, dien wij levenslang weenen, 't Is de droeve herinnring, zoo teeder gekweekt, Als alle andere smarten verdwenen!

Alzóo treuren ook wij! en met hemelsche kracht Zoekt ons hart naar zijn voorbeeld te streven, Want de Deugd wordt te schooner, waar hij wordt herdacht, Die alleen voor haar dienst scheen te leven En gelijk soms der Heiligen begraven gebeent' Een geur door den tempel mag spreiden, Zóo wordt door ons hart nog een balsem ontleend Aan het beeld dat hij naliet bij 't scheiden!

IX.

WARE LIEFDE.

In des levens morgenkrieken, Als men 's levens zorg niet kent, Maar de vreugde, op rozenwieken, Zich betoovrend tot ons wendt Als wij in een waereld leven, Die de fantazy zich droomt, En het licht, waarin wij zweven, Uit ons eigen harte stroomt:-- Dan, wanneer, met ziel en zinnen, Zich de jeugd der blijdschap wijdt, Kunnen wij zoo teêr niet minnen Als in minder blijden tijd. Duizend wenschen, 's levens eerste! Mogen in den bloesem staan, O, de Liefde is 't allerteêrste, Waar die allen zijn vergaan!

Wen de jeugd met de eerste droomen Immer verder van ons vliedt, Als een blaadtjen op de stroomen, Dat ge nimmer keeren ziet: Als de feestkelk, leêggedronken Onder scherts en snarenklank, Onverwachts wordt volgeschonken Met des lijdens alsemdrank: Dan eerst kan de Liefde ontwaken Met een volheid en een gloed, In den zwijmel der vermaken Door het hart niet eens vermoed. Dartle Liefde gaat verloren Bij een eerste winterkoû, Maar de Liefde, uit smart geboren, Is gelijk de smart getrouw!

't Land der zonne legt de bloemen Glans en gloed op ieder blad, Maar zij kunnen weinig roemen Op een milden geurenschat. Wolken, nevels, als daar grijzen Aan ons waterachtig zwerk, Doen eerst recht de geuren rijzen Uit het vochtig bloemenperk. Zóo leent ook de vreugd der aarde 't Oog een wilden hartstochtsgloed, Maar de Liefde toont heur waarde Heerlijkst in den tegenspoed. Schuchter moog' ze in 't blosjen bloeien Op het blij gelaat der bruid, Eerst wanneer de tranen vloeien, Stort zij al heur zoetheid uit!

X.

EERSTE LIEFDE.

Ach, de tijd is lang verleden, Toen ik schoonheids boeien droeg, En voor alle heerlijkheden Slechts een weinig Liefde vroeg. Kalmer dagen mochten rijzen, Later wenschen verder wijzen Op een schittrender gewin-- Niets is half zoo zoet te prijzen Als de droom der eerste Min!

Jaag' de Bard naar rijker kronen Dan de wufte jeugd hem gaf, Dwing' hij door zijn toovertonen Zelfs den wijze een glimlach af: Nooit, hoe fier zijn lauwren kraken, Zal hij weêr de weelde smaken, Die zijn eerste Lied hem schonk, Toen het roosje op _haar_ kaken, In _hare_ oogen 't traantjen blonk!

't Beeld van haar, die, 't eerst gekozen, Uw goede Engel scheen te zijn, Blijft op 't groenste plekjen poozen Van Herinrings zandwoestijn. 't Was een bloem, die de avond maaide, 't Was een geur, die ras verwaaide, 't Was een reine hemelgloed, Die maar éens zijn starren zaaide Over 's levens zwarten vloed!

XI.

EENE UIT VELEN.

In betere dagen ontvloog mij de tijd In 't bonte gewemel, der vreugde gewijd; Ik werd op mijn wenken gevierd en gediend; De vroolijkste gast was de dierbaarste vriend.... Hoe alles verandert in dagen van rouw: Van al die mij vleiden, wie bleven getrouw?

De feestdisch trekt aan: hoe stroomt alles er heen! Het ziekbed stoot af: gij verkwijnt er alléen! Al vlecht u de waereld heur krans om de kruin, Heur gunst duurt zóolang als de gunst der Fortuin: Het klokjen gelijk, dat in 't zonnelicht bloeit, Maar plotsling verwelkt, als de dag is vergloeid!

Doch Gij bleeft in kommer en krankte mij bij: Was ik ook veranderd, dezelfde bleeft gij! Bij mij zijn de feesten der vreugde vergaan: Toch straalt uit uw oog nog de vreugde mij aan: De waschbloem gelijk, die bij 't grauwen der nacht Het kelkjen ontplooit in welriekende pracht!

XII.

VAARWEL.

Als de vriend van uw hart niets meer naliet op aard Dan den naam van zijn schuld en zijn lijden, Zeg, zult ge, als de wraakzucht zijn lauwren ontblaârt, Hem een traan der erkentenis wijden? Ja, ween! En hoe diep mij mijn vijand misken', Uw traan zal den smet doen verbleeken: Want, voorwaar! heeft mijn drift zich vergrepen aan hen, Al te zeer is mijn trouw u gebleken!

Gij-alléen waart mijn hoop en mijn doel en mijn kroon, Gij, de droom mijner jeugdige jaren! In mijn laatste gebed voor des Eeuwigen throon Zal uw naam met den mijnen zich paren. O, gezegend de vrienden, die eens in den gloor Van uw rijzenden roem zullen leven: Maar de dierbaarste zegen, dien God mij beschoor, Is--het voorrecht voor u dus te sneven!

XIII.

DE LAATSTE ZOMERROOS.

't Is 't laatste der roosjens, Dat bloeiend bleef staan: Heur lieflijke zustren Zijn lang reeds vergaan. Geen bloem van heur maagschap, Geen knopje' onder 't mosch, Herhaalt meer heur zuchtjens, Weêrkaatst meer heur blos.

Neen! 'k ga niet hardvochtig Uw stengel voorbij: Zijn ze allen ontslapen, Ontslaap dan als zij! Zoo strooi ik uw blaadtjens Al zachtkens daarheen, En meng ze met de assche Der uwen dooreen!

Zoo ras moge ik volgen, Als me alles begaf, Als Vriendschap en Liefde Me ontzonken in 't graf. Als al wat ons lief was, In 't stof ligt vergaârd, Wie bleef dan nog gaarne Verlaten op aard'?

ENGELEN.

Als de dag zijn uren telde, En de stemmen van den nacht 't Beter Ik daarbinnen wekken Tot een vreugde, rein en zacht:

Als de luchters nog niet branden, En het flikkrend haardsteêvuur Wondre schaduwen doet dansen Op den halfverlichten muur:

O, dan glippen dierbre schimmen Binnen door de ontsloten deur! Dan bezoeken mij de dooden, Die ik reeds zoo lang betreur!

Zij, de jeugdigen en sterken, Hunkrend naar een eedlen strijd, Maar op d' eersten marsch bezweken, Ver nog van het worstelkrijt:

Zij, de heiligen en zwakken, Met des lijdens kruis belaân, Eindlijk met gevouwen handen, Bleek en spraakloos heengegaan;

En dan, 't wonder lieflijk wezen, 't Bloemtjen in mijn wildernis, Die mij boven alles minde En nu ginds een Engel is!

Zachtkens zet zij aan mijn zijde Op den leêgen stoel zich neêr; En zij drukt mijn koude vingers Met een handdruk, naamloos teêr.

En zij zit mij aan te blikken Met dat diep en vriendlijk oog, Kalm en heilig als de sterren Aan den blauwen hemelboog.

't Is mij als versta ik alles Wat zij mij te zeggen heeft, Tot ze, na een teêr vermanen, Spraakloos mij heur zegen geeft.

O, hoe eenzaam en verlaten, Ik gevoel geen angst of nood, Mag ik maar in stilte peinzen Aan hun leven, aan hun dood!

L'ALLEGRO.

Van hier, van hier, Naargeestigheid! Gij kind uit Cerberus en Middernacht geboren, Waar de Acheron zijn schaduw spreidt, Bij aaklig spookgebroed en doodsche geestenkooren! Ga, zoek een rotskloof die u past, Waar nooit een leeuwrik zingt bij 't vriendlijk morgenkrieken, Maar onverpoosd de rave krast, En eeuwig Duister broedt op vale vleêrmuiswieken! Zit daar in grauwe nevels neêr, Omringd van wilde steenrotsbrokken, Gegroefd als uw gelaat, verward gelijk uw lokken, En steiger uit dien poel niet meer!