Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate

Chapter 3

Chapter 33,914 wordsPublic domain

"Eeuwige eer zij Mudjekeewis!" Riepen oorlogsliên en grijzen, Toen hij met den wampumgordel Zegevierend huiswaarts keerde Uit de Noordenwindkontreiën, Uit het koninkrijk Wabasso, 't Vaderland van 't wit konijntjen. Dáar stal hij den wampumgordel Van den nek van Mishe-Mokwa, D' ongelikten beer der bergen, Uren ver den schrik der volken, Als hij met zijn volle zwaarte Slapend neêrlag op den bergtop, Als een rots met mosch bewassen, Rosschig bruin en grijsgespikkeld. Zachtkens sloop hij naar hem henen, Tot hem 's monsters roode nagels Haast beroerden, haast verschrikten, Tot de wasem van zijn neusgat Mudjekeewis' handen warmde, Die den wampumgordel heentrok Over de ooren, die niet hoorden, Over de oogen, die niet zagen, Langs de zwarte snoet en 't neusgat, Dat, met heeten adem hijgend, Mudjekeewis' handen warmde. En verheugd den strijdaxt zwaaiend, Onder 't juichen van een krijgskreet, Trof hij plotsling Mishe-Mokwa, Trof hij hem op 't ruige voorhoofd, Juist in 't midden, tusschen de oogen. Door den rouwen slag verbitterd, Rees de groote beer der bergen; Maar zijn logge knieën beefden, En hij jammerde als een meisjen, Als hij stromplend voorwaarts wankte, Als hij op zijn schenkels hurkte. En de sterke Mudjekeewis, Zonder vreeze voor hem staande, Hoonde hem met luiden spotlach, Dus verachtend hem begroetend:-- "Hoor, gij beer! gij zijt een flauwert, "En geen held, zooals gij voorgeeft, "Anders zoudt gij niet zoo krijten, "Niet zoo jammren als een meisjen! "Beer! gij weet het, onze stammen "Zijn elkander lang vijandig, "Lang reeds krijgden wij te samen; "Wij, nu merkt gij 't, zijn de sterksten, "Daarom deinst gij naar de bosschen, "En verschuilt ge u in de bergen! "Waarlijk, hadt ge mij verwonnen, "Zucht noch kreun hadt gij vernomen; "Maar daar zit gij, beer! en jammert, "En onteert uw stam door klagen, "Als een slechte Shaugodayn, "Als een best van honderd jaren!" Weêr deed hij den strijdaxt gonzen, Nog eens trof hij Mishe-Mokwa Midden op het ruige voorhoofd, En vergruisde hem den schedel, Even als de tred des visschers In den winter ijs vergruizelt. Zoo bezweek dan Mishe-Mokwa, De ongelikte beer der bergen, Uren ver de schrik der volken! "Eeuwige eer zij Mudjekeewis!" Juicht het volk met duizend stemmen: "Eeuwige eer zij Mudjekeewis!" "Westenwind, dat zal hij wezen, "En na dezen en voor immer "Zal hij heerschappije voeren "Over al des hemels winden! "Noem hem niet meer Mudjekeewis, "Maar den Westenwind, Kabeyun!" Alzoo werd nu Mudjekeewis Vader aller hemelwinden. 't West behield hij voor zich-zelven, De andren gaf hij aan zijn kindren, D' Oostenwind gaf hij aan Wabun, 't Zuid' gaf hij aan Shawondasee; En den Noordenwind, den ruwen Grimmigen Kabibonokka. Jong en lieflijk schoon was Wabun; Hij was 't, die den morgen wekte, Hij, wiens zilvren vleugelpijlen 't Donker voor zich henenjoegen; Hij, wiens zachte wangen gloeiden Van de hoogste purperblosjens, Hij, wiens stem de dorpsjeugd wekte, 't Boschhert opriep, en den jager. Eenzaam zat hij aan den hemel: Of de vogels vroolijk zongen, Of de bloemtjens van de weiden Hem de lucht met geuren vulden, Of de bosschen en de stroomen Bij zijn naadring juichend zongen, Altijd treurig sloeg hem 't harte, Want hij was alléen daarboven. Maar op zeekren vroegen morgen, Als het dorpjen lag te slapen, En de mist daarhenen rolde Als een geest bij 't ochtendkrieken, Ziet! daar zag hij, nederblikkend, In een weide een jonkvrouw wandlen, Die er eenzaam lelies plukte Bij een beekjen in de weide. Elken morgen, nederblikkend, Was het eerst wat hij aanschouwde Altijd weêr heur blauwende oogen, Hem verwachtend, hem begroetend, Blauwe meiren tusschen 't biesbosch. En hij minde 't eenzaam meisjen, Dat daar steeds zijn komst verwachtte; Want zij waren beiden eenzaam, Zij beneden, hij daarboven. En hij maakte 't hof haar kozend Met zijn zoetste zonnelachjens, Met zijn zachtste fluisterwoordtjens, Met zijn zuchtjens en zijn zangen, Met zijn fluistren in de twijgen, Met zijn toontjens, met zijn geurtjens; Tot hij haar in de armen drukte, In zijn purperkleed haar hulde, En veranderde in een starre, Eeuwig trillende aan zijn boezem; En nu ziet men ze aan den hemel Immer en te samen wandlen, Wabun en de Wabun-Annung, Wabun en de Morgensterre! Maar het Noord, Kabibonokka, Woonde tusschen ijsgebergten, In een eindloos sneeuwgedwarrel, In het koninkrijk Wabasso, In het land van 't wit konijntjen. Hij was 't, hij, wiens hand des najaars Al de boomen vuurrood kleurde, Rood en geel de blaâren plekte; Hij was 't, die de vlokken strooide, Sissend, fluitend door de bosschen; Die rivier en meir versteende, Die de meeuw naar 't Zuiden heendreef, En den zeeraaf en den reiger Naar hun nest van riet en zeegras, Op 't gebied van Shawondasee. Eens, daar trad Kabibonokka Grimmig uit zijn warrlend sneeuwhuis, Uit zijn huivrige ijsbergtente; En zijn hair, met sneeuw besprenkeld, Vloog hem na in zwarte golven, Als de wilde winterbeeken, Toen hij huilend Zuidwaards jaagde Over ijszee en moerassen. Daar, omringd van riet en biezen, Vond hij Shinbegis, den duiker, Snoeren aangeregen visschen Na zich sleepend over d' ijsvloer, Langs bevrozen veen en moerland, Waar hij enkel nog vertoefde; Want zijn stam was lang vertrokken Naar het Land van Shawondasee. Toornig riep Kabibonokka: "Wie vermeet zich mij te tarten? "Wie durft in mijn rijk vertoeven, "Als de Wawaas zijn verdwenen, "Als de gans naar 't Zuiden klepte, "En de reiger, de Shuh-shuh-gah, "Lang alreê vertrok naar 't Zuiden? "'k Zal zijn wigwam binnentreden, "En zijn smeulend vuur wel dooven!" 's Nachts, daar trad Kabibonokka Barsch en dreigend naar de woning, Hoopte sneeuw op rond de wanden, Dreef dan rook weêr in de schouwe, Schudde' deurpost en gebindten, Deed de tochtgordijnen waaien. Shingebis, de duiker, hoorde 't, 't Was hem altemaal om 't even: Want hij had vier groote blokken, Om zijn haardsteê meê te warmen: Elk een brandstof voor vier weken; En de visch was hem tot spijze. Zoo dan zat hij bij de vlammen, Warm en prettig, etend, lachend, Zingend: "O Kabibonokka, "Toch zijt gij mijn medestervling!" Woedend trad Kabibonokka Nu de hut des duikers binnen. Shingebis, de duiker, voelde 't, Voelde 't aan de groote koude, Aan dien adem, kil en ijzig. Toch hield hij niet op met zingen, Toch hield hij niet op met lachen; Maar hij keerde 't blok eens omme, Liet de vlam wat hooger flikkren, Liet een rosschen vonkenregen Gonzend door de schouwe vliegen. Van Kabibonokkaas voorhoofd, Van zijn witbesneeuwde hairen, Droop het zweet bij stralen neder, Kuilen in den aschhoop borend, Even als de sneeuw in 't voorjaar Smeltend druppelt langs de goten En de groene sparrenstekels, Gaten in het sneeuwkleed halend. Eindlijk was hij overwonnen, Onverdraaglijk was de hitte, Was hem 't lachen, was hem 't zingen. IJlings sprong hij op naar buiten, Waar hij stampend op de sneeuwkorst, Op rivier en zeeham stampend, De opgehoopte sneeuw nog harder, 't IJskristal nog dikker maakte, Waar hij Shingebis, den duiker, Uitdaagde om met hem te worstlen, Naakt en wapenloos te worstlen, Op bevrozen veen en moerland. Nu begon de stoute duiker, Onverbleekt naar buiten tredend', Met den Noordenwind te worstlen; Heel den nacht, naakt, zonder wapens, Streed hij met Kabibonokka, Tot zijns vijands adem stokte, Tot zijn kille vuist verlamde, Tot hij huilend rugwaarts rolde, En verneêrd, verslagen deinsde Naar het koninkrijk Wabasso, Naar het land van 't wit konijntjen, Steeds vervolgd door 't schaterlachen, Steeds vervolgd door 't lied des duikers, Als hij zong: "Kabibonokka, Toch zijt gij mijn medestervling!" Shawondasee, log en langzaam, Had zijn woning ver in 't Zuiden, In het slaaprig zonneschijntjen, In den eindeloozen zomer. Hij was 't, die de vogels uitzond, D'Opechee of 't roodeborstjen, 't Blauwe vogeltjen, d' Owaissa, Met de Shawshaw of de zwaluw, En de wilde gans, de Wawa; Hij, die naar het verre Noorden 't Nikotiaansche kruid, meloenen, En de purpren druiven opzond. Uit zijn pijp, in blauwe wolkjens, Steeg de zwoele damp ten hemel, Heel de warme lucht doorstroomend Met een droomerige zachtheid, Alle waatren lieflijk tintend, Alle scherpe heuvels rondend. Alzoo zond hij heinde en verre De Indiaansche zomerweelde, In de maand der schoonste nachten, Als in 't Noord de sneeuwjacht dwarrelt. Zorgloos droomde Shawondasee! Toch lag op zijn pad éen schaduw, En éen kommer in zijn harte. Eens, als hij naar 't Noorden blikte, Zag hij in een verre weide Een volschoone maagd, een ranke Slanke jonkvrouw, eenzaam staande Midden in een verre weide; Schittrend groen was haar kleedije, En heur hair was als de zonne. Daaglijks zag hij op haar neder, Daaglijks zag hij neêr en zuchtte; Daaglijks gloeide 't hart hem feller Van verliefdheid en verlangen, Voor de goudgelokte jonkvrouw. Maar hij was te log en langzaam Om haar vroolijk 't hof te maken, Al te traag en al te vadzig Om haar vriendlijk toe te spreken. Zoo dan bleef hij staren, staren, Zitten, zuchten en verlangen Naar de jonkvrouw in de weide. Maar op zekren vroegen morgen, Als hij weêr naar 't Noorden blikte, Zag hij 't goud der schoone lokken Fluks veranderd, zilverglinstrig, Overstrooid niet witte vlokken. "O, mijn broeder uit het Noorden, "Uit het koninkrijk Wabasso, "Uit het land van 't wit konijntjen! "Gij hebt mij de maagd ontstolen: "Op haar stralend Englenkopjen "Legdet gij de hand ter neder, "Gij ontvrijdet mij mijn meisjen "Met de faablen van uw Noordland." Alzoo klaagde Shawondasee Aan de lucht zijn bittre smarte, En de vlugge wind van 't Zuiden, Warm van Shawondasees zuchten, Zweefde door de verre weide, Tot de lucht van vlokken vol scheen, En de wei van distelpluimen; Tot de goudgelokte jonkvrouw Hem voor immer was ontvloden. Nimmer meer zag Shawondasee 't Zonnig Englenkopjen weder. O, bedrogen Shawondasee! 't Was geen jonkvrouw, waar ge op staardet, 't Was geen maagd, waarom gij zuchttet: 't Was de Leeuwentand [1] der weide. Daarop zaagt gij heel den zomer Met dat zielsverlangen neder, En gij bliest haar met uw zuchten Van den stengel af in vlokken-- O, bedrogen Shawondasee!

Zoo verdeelden zich de winden: Mudjekeewis' wakkre zonen Hadden dus hun vaste zetels Aan de hoeken van den hemel; Mudjekeewis hield het westen, Enkel 't westen, voor zich-zelven.

HET PENNINGSKEN DER WEDUWE.

Uit zijn overvloed te geven, Foei, wie daar nog loon voor hoopt! 't Is het reinst genot van 't leven, Dat men voor wat zilver koopt.

Rijke! roemt ge uwe "offeranden"? Wat niets kost, is weinig waard: Geeft ge ooit d' arbeid uwer handen? Hebt ge uit eigen mond gespaard?....

In baatzuchtige miskenning Weegt de mensch--het blinkend slijk. Arme Weeûw! een enkle penning Geldt bij God een Koninkrijk!

DES NEGERS KLACHT.

Ver van mijn huis en erve, Geslingerd op de zee, Om vreemden rijk te maken, Nam mij de dwingland meê. Voor wat armzalig zilver Kocht en verkocht men mij-- Maar, klemt de slavenketen, De zielen blijven vrij!

De onbandige gedachte Zoekt, Blanken! naar het recht, Waarmeê ge uws Meesters doornen Ons om de slapen vlecht. Heeft mij als u geen moeder Gedragen onder 't hart? En vraagt misschien de Liefde Als gij naar wit of zwart?

Waartoe de plant geschapen, Waarvoor ik zwoegen moet? Verschroeit haar, o mijn tranen! Verstik haar, o mijn bloed! Ach, dacht gij 't in, gij meester! Hoe duur uw feestvreugde is, Wat schouders zijn verbrijzeld, Voor 't zoete van uw disch!

Regeert er Éen daarboven, Wiens vonnis ons verwees? Heeft Hij bevel gegeven Te handlen in ons vleesch? Heeft Hij de zweep gevlochten, Den boei zoo vast geschroefd, Die onze kranke leden Tot op 't gebeente groeft?

Hij andwoordt--in de stormen, Die schepen doen vergaan, Die steden en plantaadjes Tot gruizels nederslaan; Hij ziet vergramd Zijn kindren In 't martelbloed vertreên, En dondrende op uw daken, Spreekt Hij Zijn heilig: "_NEEN_!"

O, bij ons bloed, vergoten In wilde menschenjacht,-- Bij 't lijden en de ellende, Waarmeê ge uw vloot bevracht,-- Bij 't stijgen van den jammer, Die op uw markten gilt,-- Bij 't harte, dat verbroken In duizend boezems trilt,--

Niet langer dus Gods schepsel Beneden 't dier verlaagd, Alleen omdat zijn voorhoofd Uw bleeken tint niet draagt! Gij slaven van uw zilver, Die 't recht der menschheid schent, Toont menschlijke gevoelens Eer gij ze in ons ontkent!

O ZOETE SLUIMERING.

Sic juvat perire.

O zoete sluimring in der graven schoot, Wanneer 't geloof de peluwe mag spreien! Hoe heerlijk is het sterven voor die schreien, Die schreien en verlangen naar den dood!

Ziet gij dat bed, waar duizend bloemtjens staan, Die geurend biddend, fluistrend Amen zeggen? Dáar wenschte ik 't moede hoofd ter rust te leggen, Dáar, de afgebeden grafrust in te gaan!

O, dat geen traan mijn zerk besproeien moog', Geen dan de dauwdrup, die er 's avonds glore! O, dat geen zuchtjen er de stilte store, Geen dan het suizend windtjen van omhoog!

AAN WALTER SCOTT.

Op zijn vijftiende jaar.

Klinkt reeds de toon zoo zoet, uw vroege jeugd ontschoten, Waarin verbeelding nog in 't licht der waarheid gloeit, Ontroeren ons reeds thands uw goddelijke noten, Waarmeê, in zoete smart, uw ziel te samenvloeit: O, wat bewondering zal dan uw deel niet wezen, Wanneer de wetenschap uw rijken geest beschijnt, Uw smaak veredelt en verfijnt, En uw ontwaakt Genie, in vlammen opgerezen, In al zijn kracht verschijnt!--

Ga, dierbre Jongling, ga! Blijf op het pad volharden, Dat, u ten heil, natuur met rozenbloesems tooit! Smeek groeikracht voor het zaad, zoo kwistig uitgestrooid! En rukk' geen wervelwind de jonge loot aan flarden, Die eens dat zaad ontspruit en 't jeugdig blad ontplooit! Ga, moge u moed noch kracht ontbreken, En wil, met de almacht van de Dichtkunst toegerust, De boezems niet in weelde en dartle drift ontsteken, Maar in 't gewijde vuur van reine hemellust! Wees gij gelukkiger in Vriendschap en in Liefde Dan al te vaak, helaas! de Dichter wezen mag! En blink' de roem, wiens straal nu de uchtendwolkjens kliefde, Eenmaal voor U in vollen dag!

Veracht den Hoogmoed en 't Vooroordeel! Sta Rede en Waarheid U ter zij! Blijv' stille Needrigheid op al uw schreên U bij, En wacht alleen van Deugd en zuivre Oprechtheid voordeel! Zoo smaak dan voorspoed, vrede en roem! Zoo blijv' de zoetste vreugd u op uw weg bejeegnen! En o! pluk méer op aard dan huldes morgenbloem-- God zal uw levensloop en Keith uw liedren zeegnen!

BIJ DE ZEE.

Mijn geest is vol van schoonheid, en mijn hart Van vreugde? Neen: 't is zacht, maar diep bewogen: Een wisseling van zaligheid en smart Lokt, bitterzoet, de tranen mij naar de oogen. Geur zachtkens voort, gij frissche bloemenzoom! Uw kalmte sust mijn wilden gloriedroom: Mijn trots versmelt, 'k Zou thands niet kunnen haten.... Och, of die zucht mij nimmer mocht verlaten!

Gij heldre vliet, die tusschen rozen glijdt, Wat rept ge u dus om de open zee te ontmoeten? Gij zult (te laat!) die ijdele onrust boeten: Want u verwacht een waereld vol van strijd. Blijf hier; behoud uw weelderige dalen, Het ruischend lied, waarmeê uw golfjen springt, Dat dag en nacht de lieve zon bezingt, Het maantjen en de starren, die in 't dwalen U volgen, en u kussen met haar stralen! O de oceaan.... gij kent den wilde niet: Hij schuimbekt.... hoor, hoe daar zijn kreten loeien! De reus rijst op, en schudt de onzichtbre boeien, En brult, of hij zijn kerker openstiet; Hij woelt en tobt, als om, met ijzren vingren, Wat ademt in zijn diepte neêr te slingren.

Gij spiegel van d' Oneindige! mijn oog Zoekt vruchteloos op uw onmeetbre stroomen Een plekjen waar het eindlijk rusten moog': Zij weemlen voort, wijd, boômloos, zonder zoomen,-- Tot mijn gedachte in doffe duizeling Ter nederzinkt. Toch houdt uw tooverkring Haar vast. Ze ontwaakt en zweeft weêr op uw baren, En stroomt met die al verder, en daar blauwt Geen grenspaal op. Gij, waatren! gij zijt oud Gelijk gij sterk zijt. Want onheugbre jaren Rolt gij daarheên. Gij jammerdet een klacht, Eer nog een oor uw stem heeft mogen hooren. Gij, weeprofeet van een aanstaand geslacht, Gij, levend graf, wachtte in den langen nacht Uw arbeid af, eer iemand was geboren. De stonde sloeg: heraute van den Dood, Verzwolgt ge heel de waereld in uw schoot. En weder klonk, bij 't somber golfgewemel, Uw kreet alleen door d'uitgestorven hemel!

En schoon het drooge is weêrgekeerd, o Zee! Wat met u gaat is droef en neêrgeslagen: De schuwe zeemeeuw deelt uw eigen wee, Uw eigen geest, in snerpend jammerklagen. Het hooge klif ziet uit zijn grauwe sfeer Zwaarmoedig op uw witte branding neêr;

En ruischend staan aan d' oever uwer golven De dennen daar, en mengelen hun stem Als monniken ten somber Requiem Voor al de dooden, in uw schoot bedolven!

LENTEZUCHT.

Weêr ontwaakt gij, bloeiende Aard'!-- Door geen boeien meer bezwaard, Doet ge uw lofzang schaatren; En, glimlachende in de zon, Die de vrijheid hun herwon, Vloeien thands uw waatren.

Weêr ontwaakt gij, bloeiende Aard!-- Wie zou suffen bij den haard, Daar uw jonkheid keerde? Tooi en plooi uw loovertent, Als toen de allereerste lent' 't Paradijs regeerde! Schalle uw vogel 't uit van vreugd, Met den toongalm die hem heugt Sints uw morgenstralen-- Ach, maar éens groent onze jeugd, De uwe, duizend malen!

Weêr ontwaakt gij, bloeiende Aard!-- Als toen 't blauwend wolkgevaart D' eerstlingknop deed geuren.... O, mijn neêrgebogen hart, Zeg, nu alles levend werd, Zult gij langer treuren?

Al te lang suste u de Min Met haar kranke droomen in, In gewaand genuchte: Slaapt ge voort, in wangevoel, Zonder werking, zonder doel, Schoon uw jeugd ontvluchtte? Neen, waak op! Het bloeiend pad Lokt u, of ge voorwaarts tradt Roept u tot viktorie! Op! en, eer u, moede en mat, De arm des bleeken doods omvat, Pluk u nog een enkel blad Uit den krans der glorie!

EDWARD EN EMMA.

ROMANCE.

Daar waar Caraöns zilvren vloed 't Bekrompen heuvelvlak dooradert, Verhief, in grijsverleden tijd, Een rieten stulp zich in 't gebladert'. Verwijderd van het stadsgewoel, Slechts starende op den Albehoeder, Bloeide Emma hier in stille rust, In de armen van de beste moeder.

Auroor' gelijk, wanneer ze in 't rond De lentezangren doet ontwaken, Zoo bloeide ook Emma de ochtendblos Des levens op albasten kaken.

Elk meisjen wist ze in ijverzucht, Elk jongeling in min te ontgloeien: Zoo zien wij, bij den dageraad, Het roosjen op heur stengel bloeien.

De jeugdige Edward, weêrgekeerd Uit Schotlands overzeesche stranden, Gevoelde alras zich 't hart voor haar In onverdoofbre min ontbranden.

En zij, zij minde ook Edward weer, Als hij ontgloeid in echte liefde, En gaf de zaalge drift gehoor, Die haar het hart zoo teeder griefde.

Maar even als een schaduwbeeld, Dat vluchtig wegdrijft voor de winden, Zoo moest al spoedig hun genot, Hun zoete mijmerij verzwinden.

Zijn zuster, 't vloekbaar beeld des Nijds, Wien Cerberus aan d' afgrond teelde, Nam tandenknarsend list bij list Te baat tot storing hunner weelde.

De vader--maar wat woekeraar Kan deernis of gevoel bevatten?-- Zijn leven was--zijn goudtresoor, Zijn wellust--snoodverkregen schatten.

Nog nauw bemerkt hij 't vuur der min, Dat Edward in het harte gloorde, Als plotseling zijn dwangbevel Des jonglings vreugdedroom verstoorde.

Hoe gruwzaam worstlen Liefde en Plicht Thands in zijn boezem met elkandren: Natuur ('t kan zijn) behoudt heur recht, Maar--kan de oprechte Min verandren?

Vaak blijft hij, 's vaders oog ontvlucht, In 't overhangend groen der blaâren, Op 't dierbaar meisjen van zijn hart Met tranen in zijne oogen staren.

Vaak dwaalt hij, bij het licht der maan, De barre wildernis in 't ronde, En daar slaat hopelooze min Hem 't brekend harte wond bij wonde.

Des jonglings kaak, zoo schoon weleer, Is thands van 't bleek des doods betogen, Gelijk de siddrende uchtendknop, Door de onweêrsvlagen neêrgebogen.

Ten laatsten kan geen enkle traan Hem meer het stervend oog ontwellen, En daaglijks smeekt hij d' Opperheer Een eindpaal aan zijn smart te stellen.

De vader prest, van angst vermast, Zijn dierbren telg aan 't bloedend harte; 't Geweten, in zijn borst ontwaakt, Kwelt hem met namelooze smarte.

Vergeefs zijgt hij al snikkend neêr En smeekt, bij zijn besneeuwde hairen, Den God van al wat adem heeft, Om hem 't zieltogend kind te sparen.

"Ik sterf!" zucht hem de jongling toe, "Maar zoo uw hart zich kan ontfermen, Voer haar dan, die ik eeuwig min, Voor 't laatst in dees mijn trillende armen!'

Zij komt en zinkt hem aan het hart, Maar ach! zij blijft in tranen stikken: Die tranen zijn den dauw gelijk, Die 't stervend bloemtjen komt verkwikken.

De jongling, worstlend met den dood, Ontsluit nog flauw de brekende oogen; "Vaarwel, mijn Emma!" barst hij uit, En--de adem is zijn borst ontvlogen.

Zij keert terug langs 't kerkhofpad, Geen ster bleef aan de kimmen gloren; De nachtuil stemde in 't stormgegrom, En deed haar 't somber lijklied hooren.

Verwilderd hoort zij Edwards zucht In elk geritsel door de bladeren, En telkens waant ze, dat ze in 't loof Zijn bleekbestorven schim ziet naderen.

Zij heeft nog nauw heur stulp bereikt, Of de angst doet plotsling haar verstommen; Op eenmaal hoort ze op 't kerkhofpad De doodsklok haar in de ooren brommen.

Heur boezem weigert d' ademtocht, Al hijgend stort ze in 't stulpjen neder: "O moeder!" gilt zij siddrende uit, "Neen, nimmer zie ik Edward weder!

"Ik volg hem in het rustig graf: 'k Voel mij 't geschokte harte breken!" Het hoofd zinkt op heur boezem neêr, En geest en adem zijn ontweken.

DE VLINDER EN DE VROUW.

Gelijk, wanneer de lente bloost, De vlinderkoningin van 't Oost, Op purpren wieken uitgesneld, Het knaapjen lokt in 't geurig veld, Hem uren lang met vluggen voet Van bloem tot bloem haar volgen doet, Dan wegsnelt en hem achterlaat Met hijgend hart en schreiende oogen: Zóo lokt, in 's levens dageraad, Op de eigen wieken uitgevlogen, De Schoonheid ook 't volwassen kind-- Een ijdle jacht van hoop en vreezen, Wier droevig eind een traan zal wezen, Gelijk zij met een lach begint! Bezit men haar, ach! de eigen rouw Wacht dan den vlinder en de vrouw: Zij kwijnen weg, hun lust verteert, Door 't spel des kinds, de luim des mans: De dierbre buit, zoo wild begeerd, Derft, eens gevangen, al haar glans. De zelfde hand, die straks haar ving, Vernielt allengs haar schoonste kleuren, Tot ze als een bleeke zwerveling In de eenzaamheid zich dood kan treuren. Het hart verscheurd, de wiek gewond, Ach, wat kan d' offers ruste geven? Kan 't vlindertje, als in d' ochtendstond, Nog over tulp en rozen zweven? Of Schoonheid tot genot herleven, Als de onschuld met heur schoon verzwond? Geen vlinder treurt er in den hof, Al zijgt een andre neêr in 't stof; Vergeeflijk klopt het vrouwenhart-- Alleenlijk niet voor vrouwenzonden; Het heeft een traan voor ieders wonden-- Slechts voor geen zusters schande en smart!

ZALIG DIE TREUREN, WANT ZIJ ZULLEN VERTROOST WORDEN.

Niet hun-alleen die juichen mogen, Heeft God Zijn zegen weggeleid: Zijn troostende barmhartigheid Verschijnt ook slaaploos-schreiende' oogen.

De blik, die nu door neevlen ziet, Wordt ras glimlachende opgeslagen; Want pijnlijke uren, dorre dagen, Zijn heilbeloften voor 't verschiet!

Daar is een dag van licht en vrede Voor elken zwarten, bangen nacht; En houdt de Droefheid te avond wacht, De morgen brengt de Vreugde mede.

O gij wier oog, de jaren door, Met bittre dropplen 't graf beparelt! O, wendt het naar die Beter Waereld, Die 't eerst hergeeft wie 't vroegst verloor!

Gelooft! al bracht u de oogst van 't leven De leêge halmenschoof der smart! Hebt lief en hoopt! en brak u 't hart, Dit zij uw psalm: "Daar staat geschreven!"

God telde elk traantjen dat er dreef; Uw winter wacht Zijn lange lente, En de Eeuwigheid betaalt met rente, Wat hier de Tijd u schuldig bleef!

WIJ SCHEIDDEN IN DROEFHEID.