Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate

Chapter 2

Chapter 23,482 wordsPublic domain

HET WOORD GODS.

Houd u met volstandig harte Biddende aan uws Heeren Woord! Onder 's waereld smaad en smarte Biedt het u een toevluchtsoord. Schuil in Zijn beloftenissen Met een stillen kinderzin! 't Zal uw krank geloof verfrisschen, 't Stort u licht en leven in.

Hemelvreugde doet het bloeien In het hart tot God gekeerd. Hemelvuurvlam doet het gloeien, Die verwarmt maar niet verteert. Kiemen, die verstorven lagen, Spruiten onverganklijk voort; Alles zal hèm vruchten dragen, Die gezaaid heeft met Gods Woord!

't Is een straal uit Hooger Sfeeren, Die des waerelds nacht verblijdt. 't Is de sterke hand des Heeren, Die ons vasthoudt in den strijd. Alle steunsels mogen wijken, Dit weêrstaat de zwaarste last. Vreest uw scheepjen voor bezwijken, Eeuwig houdt dit anker vast.

Laat des Heeren Woord u laven! Laat het schijnen voor uw voet! Zelfs de bange nacht der graven Wordt verhelderd door zijn gloed. Blijf aanbidden en gelooven! Sta uw besten schat niet af! Laat u 's Waerelds haat niet rooven Wat u 's Hemels liefde gaf!

Houd het vast!--Ach, hier beneden Is al 't andre wind en waan, IJdelheid en ijdelheden, Pas ontloken of vergaan! Bloesems, die het oog verkwikken, Dorren in des plukkers hand: Alles duurt hier oogenblikken-- 's Heeren Woord houdt eeuwig stand!

Altijd rijker vloeit het leven Uit die Levensbron u toe: Zij wordt nimmer moê te geven,-- Wordt gij 't nemen nimmer moê! Onderzoek met stille bede, Dat des Heeren Geest u leid'! Dan geniet ge in 's Heeren vrede 't Voorgevoel der zaligheid!

HET ONTWAKEN.

ZIJ.

Die sluimering deed u goed?

HIJ.

Uitnemend goed. 'k Herinner mij zelfs uit mijn vroege jeugd Geen slaap zoo vast, zoo hartverkwikkend zoet. Onze oude goede vader--of u 't heugt-- Wanneer hij 's morgens in de kamer trad, Placht op de vraag, "hoe hij geslapen had," Te zeggen: "Als een zalige!" Welnu, Dat zelfde vroolijk antwoord geef ik u. Ook ik sliep als een zalige, of veeleer Ontwaakte ik als een zalige! Overal Voel ik nieuw leven, of ik nimmermeer Vermoeienis noch slaap meer kennen zal. Een frissche kracht vloeit door mijn aadren heer Daar is een wondre vlugheid in mijn leên, Als droegen mij onzichtbre vleuglen voort Waarheen ik wil...

ZIJ

Wat dunkt u van dit oord?

HIJ

Zie, wij genoten menig lieflijk uur Te midden van den Lusthof der Natuur: Maar nooit begroette mijn bewondrend oog Een plekjen gronds, zoo onuitspreeklijk rijk. Ha, welke boomen! Waarlijk, hemelhoog! Zij dragen vrucht en bloesem te gelijk. Ik hoor den wind, die door de twijgen ruischt, En 't klinkt daarbij zoo lieflijk uit hun top, Als ware er heel een zangrig choor gehuisd. En achter hen, daar rijzen bergen op, Klaar afgeteekend tegen 's hemels trans, Somtijds bezocht door wolken, waar de glans Van morgenrood en avondzonnegoud Zich mengelt tot een wisslend licht en bruin. En door den blanken nevel op hun kruin Weêrblinkt een Stad, uit kristallijn gebouwd, Met torens en paleizen, heerlijk schoon. En van die hoogte vloeit een water neêr, Geen stortvloed maar een zachtbewogen meir: Niet bruischend, maar met zoeten zilvertoon Gelijk muziek voortgolvend naar beneên. Zie, 't spat een dauw van droppels om zich heen Die trillend op geboomte en bloemen blinkt, En heel de lucht een koelheid mededeelt, Die 't dorstig hart met lange teugen drinkt. En dan dit vriendlijk veld! Wij zijn omringd Van bloemen, waar een kleurengloed op speelt, Zoo als ik nooit aanschouwde; en als wij gaan, Buigt zelfs geen grasjen neêr voor onzen voet. Elk ander plekjen biedt een overvloed Van nieuwe en heerlijker tooneelen aan. De blik verdwaalt van 't eene vergezicht In 't andere, en de blauwe kimmen vliên Al verder weg, als smolten zij tot licht.

ZIJ.

Hebt gij dit heerlijk oord reeds meer gezien, Of zijt gij hier voor d'allereersten keer?

HIJ.

't Schijnt alles mij, waarheen ik de oogen wend, Zoo onbegrijplijk-vriendlijk, zoo bekend, En echter--neen, ik was hier nimmermeer.

ZIJ.

En zijt ge niet verwonderd, dat ge mij Weêr bij u ziet?

HIJ.

Wel, waart gij 't niet altoos?

ZIJ.

Nu ja; maar toch, ik was een lange poos Afwezig. Eens verdween ik van uw zij'.

HIJ.

Daar duikt op eens uit mijn herinnering Iets als een nevel op, die lang verging: 't Is menig droeve dag en menig nacht In tranen--maar waarom toch?--doorgebracht. 't Is vreemd, maar waar, 't is of dit zelfde hart, Dat anders zulk een teeder aandeel neemt In alles, nu verstompt is voor de smart: Het verst gevoel van lijden werd mij vreemd.

ZIJ.

Herinner u den zeventienden Maart.

HIJ.

Nu is op eens de nevel opgeklaard: 't Was avond--juist!--een treurige avondstond. Vier lange dagen waart gij krank geweest. Ja, 'k weet het nog: wij hadden veel gevreesd, Maar hoopten nog. 'k Zat bij uw veege spond. Daar greep op eens een groote zwakte u aan. Uw hoofd leunde op mijn borst--het gleed op zij'. Een diepe zucht--en alles was gedaan.... Gij stierft. Gewis, gij zijt gestorven, gij!

ZIJ.

Ik ben gestorven, en gij ziet, ik leef.

HIJ.

Als gij gestorven zijt en 'k u mag zien, Dan is het wel een droom, waarin ik zweef?

ZIJ.

Gij droomt niet, want gij waakt.

HIJ.

O, dan misschien Zond God op aarde u uit den hemel neêr, Ach, voor een uur! en jaren achtereen Blijf ik met al mijn tranen straks alleen!

ZIJ.

Neen, zeker niet: nu scheiden wij niet meer. Gezonden werd ik wel, maar niet op aard. Zie toch eens rond en zeg, zaagt ge ooit weleer Zulke oorden, zulke bloemen, zulk een gaard? En zie u-zelven eens! Gij gingt gebukt Van ouderdom: nu zijt gij jong--gij leeft Een nieuw, frisch leven, dat uw hart verrukt: Gij gaat niet maar: gij zegt het zelf, gij zweeft. Uw oogen zien niet enkel: sluit ze toe, Nog zien ze, tot in 't eindeloos verschiet. Keer in u-zelf! Voelt ge uw herschepping niet, Of was u ooit op aarde als thands te moê?

HIJ.

Mijn hart is als een bodemlooze zee: Bewogen, maar toch kalm, vol diepen vreê. Ja, als ik rond mij zie, mij-zelv' herken, Mijn hart doorvorsch, uw hand zoo teeder druk, Vervult mij zulk een waereld van geluk, Alsof ik zalig in den Hemel ben!

ZIJ.

Gij zijt het!

HIJ.

'k Moest dan eerst gestorven zijn...

ZIJ.

Gij zijt het! Hebt gij dan niet lang gesmacht Op 't ziekbed, in mijn laatste kamerkijn, Waar ge op uw eigen wensch wordt heengebracht? Heeft niet uw lieve zoon u dag en nacht Zoo trouw verpleegd, zoo zorgelijk behoed, Terwijl hij u geen oogenblik verliet? Zaagt gij dan nacht en dag den teedren groet Dier oogen van uw lieve dochter niet, Verdronken in een heeten tranenvloed, Maar nooit geloken? Voer een zachte schok Niet eensklaps als een huivring door uw leên? En zeeg daar niet een nachtfloers om u heen, Dat d'aanblik uwer kindren u onttrok?

HIJ.

Ik stierf!.... O Heer van levenden en doôn. Ik dank U op mijn knieën, dat ge aan mij Uw wonder hebt volbracht, zoo groot, zoo schoon, Dat ik, ook ik--O Heer! hoe goed zijt Gij!-- Niet sterven slechts, maar zálig sterven mocht! Gij weet, o Heer! hoe menigmalen ik Gepeinsd heb aan dat uiterst oogenblik, En in 't gebed Uw aanschijn heb gezocht, U smeekend, dat Gij-zelf--ik kon het niet-- Mij zóo mocht voorbereiden, dat de dood Mij eenmaal zacht en zalig de oogen sloot! Nu, Heer! Gij, die geen biddend hart verstiet! Die beê, gelijk al de andren, werd bekroond. Ook hier, als immer, hebt Ge U groot getoond En heerlijk, vol van liefde en medelij'! Wat eenmaal vóor mij stond, is nu voorbij. Ik stierf, eer ik mijn sterven heb vermoed: Ik ondervond slechts dit: de Dood is zoet! Gelijk een Moeder 't ingesluimerd wicht Uit de enge wieg in 't lieve lentelicht Ter nederzet: zóo hebt Ge mij al zacht Van de Aarde naar den Hemel heengebracht.-- En nu, mijn lieve! laat mij gaan....

ZIJ.

Waarheen?

HIJ.

Gij vraagt het nog? Tot wien dan Hem-alleen? 't Is alles hier zoo heerlijk: dat geboomt', Die bloemenhof, dat blauwe luchtgewelf, Dat water, dat verkwikkend nederstroomt, Die morgenwind, zoo balsemvol, gij-zelf, Gij, die ik steeds in 't weenend harte droeg, En nu, na zooveel smarts, de mijne weêr!-- En echter is dit alles niet genoeg. Hém moet ik zien, mijn Heiland en mijn Heer! Hoe feestlijk Hij zijn blijden Hemel tooit, De Hemel-zelf vergoedt Zijn afzijn nooit. Hij maakte mooglijk wat onmooglijk was: Hij ging niet heen eer Hij mijn hart verwon, Hij liet niet af eer Hij mijn ziel genas, Hij maakte dat ik zalig sterven kon! Eer ik geboren werd, nam Hij mij aan.... Waar is nu de Aard? Daar draait ze, een kleine ster In welk een nacht gewikkeld, en hoe ver! Ik zou niet gaarne op nieuw naar de Aarde gaan. Hij daalde er neêr--Hij deelde er onzen nood: Hem heeft in 't stof gehongerd en gedorst, Hij ving er in de Goddelijke borst Alle angsten, alle pijlen van den dood! O, scherpte Hij mijne oogen, dat ik toch De diepten van Zijn lijden méer doorzag'! Mij kocht Hij op dien grooten stervensdag; En wetend, hoe de zonde met bedrog Hem 't Zijne zoekt te ontstelen, bleef Hij mij Van de allervroegste kindschheid af nabij. Van alles wat Zijn liefde voor mij deed, Erkende ik daar beneden veel, maar nu Erken ik toch al meerder; en ik weet, Nog meer zal ik erkennen: want met u Wil 'k alles overleggen--naderhand, Thands niet!--ik ben ontroerd--mijn harte brandt-- Ik heb geen rust of duur eer ik Hem vond: Ik wil Hem zien, Hem danken, als mijn mond Nog danken kan, wanneer Hij vóor mij staat, En dit mijn hoofd zal buigen aan zijn voet.... Hem danken, als maar niet in d' overvloed Der vreugde ook zelfs 't gevoel van dank vergaat!...

ZIJ.

Gij zult Hem zien: maar als Hij komt; niet eer. Tot zoolang zij uw ziel daar binnen stil. Hij zond mij uit de hoogte tot u neêr, Opdat gij weten zoudt dat Hij het wil.

HIJ.

Nu blijkt het, ja, 'k moet in den Hemel zijn: Want immers, zonder worsteling of pijn Voegt naar _Zijn_ wil de _mijne_ zich terstond! Ik had gedacht, als ik mijn Heer niet vond, 't Zou me onverdraaglijk zijn; en niet alleen Verdraag ik dat, maar gaarne: zóo is 't goed, _Hij_ wil het, _ik_ wil 't ook. Het zal, het moet: Zou daar iets anders mooglijk wezen? Neen! Ziet, zoo gemaklijk ging het niet op Aard.-- Maar zond Hij u, dan spraakt gij ook met Hem, Dan hoordet gij wel menigmaal Zijn stem?

ZIJ.

Wel menigmaal.

HIJ.

O, hoe benijdenswaard! Gij, waarlijk zalige!.... Ach, hoe was u toch, Toen gij Hem 't eerste hoordet? Weet gij 't nog?

ZIJ.

Mij was te moê--als iedren laatsten maal. Ik spreek nu nog met u in aardsche taal: Dáarin beschrijft men zoo iets niet!

HIJ.

Wist gij Bij de allereerste ontmoeting: "dat is Hij?"

ZIJ.

Bij de allereerste ontmoeting.

HIJ.

Door een gloed Van stralen, die alle Englen scheemren doet?

ZIJ.

Hij heeft geen glans van nooden: buitendien Herkent men Hem.

HIJ.

Wat dunkt u, zal ook ik Hem kennen bij den allereersten blik?

ZIJ.

Uw hart zal Hem herkennen: Hem te zien, Is Hem herkennen.

HIJ.

En Zijn eerste woord, Hoe zal het zijn? zachtmoedig, of--verstoord? Beneden, als ik worstelde in 't gebed, Heeft meer dan eens Zijn strengheid mij verplet.

ZIJ.

Hij wist wat wij behoeven, en Hij bond Wel menigmaal Zijn volle teêrheid in: Hier stroomt ze vrij.--Zijn liefde heeft begin Noch eind: daar ginds heeft niemand haar doorgrond, En eigenlijk hier Boven, evenmin!

HIJ.

Bestaat hier dan misschien nog onderscheid, Een meer of min van vreugde en heerlijkheid?

ZIJ.

Voorzeker. Maar de Meesten hier omhoog Zijn ook de needrigsten en sluiten steeds Zich bij de Minsten aan. En dat misprees Hij nooit, die, zelf de Grootste in aller oog, In aller oog de needrigste is. Zoo wijkt Weêr 't onderscheid, waar ieder Hem gelijkt, En in Hem allen éen zijn.

HIJ.

'k Dacht op aard Zoo vaak: als ik den Hemel maar begroet, Als maar de groote ellend mij wordt gespaard, Dat ik met 's Heeren haatren leven moet! Ontsluit zich maar des Hemels lichtgordijn, Ik wil er gaarne een dorpelwachter zijn. Mij dacht, gij zoudt in eindloos hooger sfeer Vertoeven; en de kindren ook, als zij Onze aard verlieten; en ik wenschte er bij, U allen, ware 't ook éen enklen keer Na honderd jaar, te ontmoeten; en den Heer Al ware 't éenmaal om de duizend jaar.... 'k Sloeg nog de handen dankende in elkaâr!

ZIJ.

Wees wel te moê. Met eere neemt Hij aan Al wie Hij aanneemt. Heeft Zijn dierbaar Woord Die waarheid ons niet heerlijk doen verstaan?

HIJ.

Zij leeft voor immer in mijn binnenst' voort: En 'k zie aan u wat groote heerlijkheid En eere Hij den Zijnen heeft bereid. O, tusschen 't beeld dier kranke, dat ik thans Weêr voor mij zie, en dezen hemelglans, O, tusschen de arme bloem, die uitgebloeid Den steel ontzonk, en deze Hemelroos, Wat onderscheid! Neen, 't blosjen, dat daar gloeit, Verwelkt niet meer door d' ademtocht des doods. Nooit sterft het licht, dat uit die oogen schijnt; Die leest wordt door geen jaren ondermijnd! Zóo zult gij altijd wandlen aan mijn zij', Zóo voert gij mij de Vaderwoning door; En ook--tot hen die ik op aard verloor, Tot al mijn lieve dooden leidt gij mij!

ZIJ.

Gij zult hen zien, als ge eerst uw Heiland zaagt.

HIJ.

Dat was een feest, wanneer wij vader dan Bezochten op zijn dorp! Die brave man, Hoe werd er 't allereerst naar hèm gevraagd, Hoe zochten we, als de wagen stil bleef staan En allen ons begroetten om het zeerst, Zijn eerbiedwaardig aangezicht het eerst! Hoe zoet was dan die stille vreugdetraan.... Hoe zoeter nog zal hier het weêrzien zijn!-- Hij, die zoo blijd de minste vreugd genoot, Wien 't kleinste bloemtje' een heerlijk schouwspel bood, Wiens hart ontlook in elken zonneschijn; Hij, die zoo gaarne en vaak naar buiten trad, De starren groette aan 't eindloos heiligdom, En de Almacht, die de starren schiep, aanbad-- Hoe zal hij _hier_ genieten, waar alom Hem 't Heilige der Heilgen opengaat, Waar hij de hóogste wondren gadeslaat! Hij, wien de minste gunst zoo innig trof, Hij, die den Heer zoo vurig danken kon Voor elken druppel uit Zijn liefdebron, Hoe zal hij hier versmelten in Zijn lof, Waar hij mag drinken uit alle' overvloed! "Tot weêrziens!" klonk zijn allerlaatste groet Bij d'afscheidskus: "Tot wederziens, mijn zoon! Dat zal een danken wezen voor Gods throon!"

ZIJ.

Ras ziet gij hem, ras ziet ge uw moeder weêr.

HIJ.

Mijn moeder! ach, die reine, teedre ziel, Wat is zij vroeg verreisd naar beter sfeer! Ik telde geen drie jaar, toen zij me ontviel. "Ach," snikte ze in den laatsten worstelstrijd, (Ik had het hoofdtjen op haar schoot gevlijd) "Mijn kind, dat ik zoo innig heb bemind, "Wat wordt er van mijn kind!".... O vrouw, zie neêr! Al wat een mensch kan worden, werd uw kind: Een Godskind, een verloste van den Heer! Dat is genâ, dat deed de Alzegenaar, Maar ook op uw gebed!--Niet waar?

ZIJ.

't Is waar. 'k Heb dikwerf met onze ouders u herdacht.

HIJ.

Is X. hier?

ZIJ.

Ja.

HIJ.

Dat had ik niet verwacht. Foei, dat was slecht: ben ik dan ook hier niet? Maar nu, die dierbren die ik achterliet, Ontfang ik kennis van hun lot op aard, Of blijft dat voor het wederzien bewaard?

ZIJ.

Gij zelf bezit het andwoord op die vraag: Gij weet waar de Aarde ligt: blik naar omlaag!

HIJ.

Ik doe het, maar zie niets dan duisternis.

ZIJ.

Houd vol, en wil zien. Ziet ge nu?

HIJ.

Gewis! En duidlijk ook! De plaats is mij bekend: Het kerkhof is 't, waar ik uw dierbaar lijk Ter rust bracht in de stille doodenwijk. Daar heb ik vaak mijn schreden heengewend: Ik noemde 't mijn groen plekjen der woestijn, Ik knielde er neêr met tranen en gebeên. En sloeg er de oogen naar den Hemel heen, Den Hemel, ach! waar wij nu beide zijn! Zie, dacht ik dan, nu wandelt ze in den Hof Des Levens, tusschen bloemen en geboomt', Zoo zij dan ook de rustplaats van haar stof Met groene boomen en gebloemte omzoomd! Zoo rees daar dan een boschje, een bloemengaard, En 't schoonste wat elk jaargetijde gaf, Bloeide als een krans der liefde bij uw graf.

ZIJ.

Ik wist het wel. Zie verder nederwaarts: Wat ziet gij nu?

HIJ.

Een tweede graf, zoo pas Gedolven naast het uwe in 't groene gras. De kerkhofdeur draait op heur hengsels rond, Een lijkkist, zie! mijn kindren volgen haar.... Wat weent gij toch zoo bitter bij die baar, Mijn kindren! Och, of ge ons aanschouwen kondt Gelijk wij u aanschouwen--neen, geen traan Zou vloeien, dan van stille vreugde in God. De kist daalt in de groeve--'k zie haar staan: Een schop vol aard rolt neder--'t is gedaan. Nu sluit men 't graf, nu rust mijn overschot Bij 't uwe. Keert, geliefden! keert in vreê, En draagt van 't heil, dat ons de Heer verleent, Een hemelsch voorgevoel in 't harte meê! Keert dikwerf weêr! bezoekt het grafgesteent' Der ouderen! Als gij daar bidt en weent, Dan zullen ze u nabij zijn met den troost Des Heeren. O, blijft wandlen aan Zijn hand: Hij weet den waren weg naar 't Vaderland. Dat hebben we ondervonden, dierbaar kroost! Dáar brengt Hij, na de korte scheidenspijn, Ons eeuwig saam!

ZIJ.

Ja, Amen! Zoo zal 't zijn.

HIJ.

Hebt gij die andre klanken daar gehoord? Als vele waatren ruischen ze ons voorbij, Maar ondermengd met luit- en harpakkoord! Zij stroomen door den gantschen Hemel voort. En hoor! nu ruischt het van eene andre zij' Weêr anders, maar met de eigen harmony! Dat is verrukkend! dat is wonderbaar! Wat mag dat zijn?

ZIJ.

't Zijn Englen, die elkaâr Toezingen uit de verten.

HIJ.

En wat dan Bezinge zij?

ZIJ.

Hem, altijd Hem, Wiens eer Geene eeuwigheid naar eisch volzingen kan!

HIJ.

Ginds wandelt een gestalte al op en neêr.

ZIJ.

Beschouw haar goed: wien denkt ge, dat gij ziet?

HIJ.

Gij weigert mij, die de aarde pas verliet, Eene aardsche, een zwakke vergelijking niet?-- Bij 't huis, waar ik geboren ben--gij waart Toen ik het weêr betrok, niet meer op aard, Maar weet het toch--had ik een tuin geplant. Kwam dan de lent', dan trad ik door 't plantsoen, Om na te gaan of alles wat mijn hand Gepoot had, leefde en tierig stond en groen. Daar waren boomen, struiken, overal, En leliën en rozen zonder tal; Toch kende ik ieder struikjen even goed; Ik had het zelf voor wind en weêr behoed, Gedrenkt en opgebonden en besproeid. Als ik dan oud en jong in nieuwe jeugd Ontwikkeld zag en heerlijk opgebloeid,-- Dan klopte mij het hart van zoete vreugd. Zóo schijnt mij die daar ginds zijn schreden wendt, De hovenier uit deze Hemelgaard! Hij wandelt rond, zoo rustig, zoo bedaard, Toch merkt men wel hoe goed hij alles kent. Tevreden blikken slaat hij wijd en zijd; Niets schijnt er aan zijn vriendlijk oog te ontgaan. 't Is of die schepping hier hem recht verblijdt-- Maar hoe, wat wondere aandrift grijpt mij aan? 't Was alles zacht en kalm wat ik ervoer: Waar is mijn rust gebleven? Ik ontroer. Wat stormt er zoo door borst en aadren heen? Een nevel ligt op alles uitgespreid: De Hemel-zelf in al zijn majesteit Deinst uit mijn oog:--'k zie hem en hem-alleen! Het is mij bijna weêr als voelde ik smart, Maar in die smart ligt hooger zaligheid! Een wonderbaar verlangen trekt mijn hart Tot hem: ik ken hem en ik ken hem niet. 'k Weet, dat mijn oog hem nu voor 't eerste ziet, Toch is het mij als zag ik--maar wanneer? Misschien wel in een droom?--die trekken meer. Nu nadert hij. Hij ziet van verre ons aan. 't Is of hij zich verblijdt op ons gezicht. Zie, in die oogen, enkel liefde en licht, Weêrblinkt iets als een stille vreugdetraan. Ik kan mij niet weêrhouden. Neen, ik moet Nabij hem zijn, hem zeggen, duizend keer Herhalen, dat mijn ziel hem liefheeft, meer Dan al wat ze ooit met liefde heeft begroet. Hij hoort ons: zie, hij lacht ons minzaam toe: Hij strekt de handen naar ons uit--maar hoe! Likteekens in die handen! en een gloed, Die uit die teekens straalt! O Heerlijkheid! Ja, 't is wel zóo, dat zijn die handen nu, Doorgraven eens, thands zeegnende uitgebreid! Hij zegent ons. O diep gevoel ik u, Gij, eerste zegen hier omhoog! want ja, Nu weet ik het, de Hemel is nabij, De Hemel is hier binnen! Dat is Hij, Nu weet ik het! Hij is 't!

ZIJ.

Hij roept u: ga!

DE VIER WINDEN.

INDIAANSCHE LEGENDE.

(Uit: "The Song of Hiawatha.")