Poëzy Nieuwe Bloemlezing uit de dichtwerken van J.J.L ten Kate
Chapter 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
POËZY.
NIEUWE BLOEMLEZING UIT DE DICHTWERKEN VAN J.J.L. TEN KATE.
II.
LEIDEN.--A.W. SIJTHOFF.
1880.
ZIGEUNERSLEVEN
Wat ruischt er zoo spade Door 't beukenloof heen? 't Zijn fluistrende stemmen En krakende schreên: Daar flikkren de vlammen Door 't lommerig bosch, Daar weemlen gedaanten In wonderen dosch.
't Zijn wilde Zigeuners: Een rustloze schaar, Met bliksemende oogen, Met fladderend hair; De Nijl heeft het eerste Hun voeten besproeid, De hemel van Spanje Hun voorhoofd verschroeid.
Hoe vriendelijk knettert Het vlammende hout! Daar leegren de mannen, Bij vroolijken kout: Daar hurken de vrouwen, En roosten het maal, En vullen gestadig De wijde bokaal.
En Sagen en zangen Weêrklinken in 't rond, Als 't bloeiende Zuiden Zoo weeldrig en bont. Hoe luistren de jongen, Waar 't Bestjen hen leert. Wat rijmspreuk de slange Der smarte bezweert!
Zwartoogige meisjens Beginnen den dans: Hoe gloeien de fakkels Met purperen glans Hoe ruischen de snaren! Hoe davert de grond! Hoe zwieren de paren Al wilder in 't rond!
Nu zoeken ze aêmechtig Een plekjen zich uit, Waar 't murmelend windtjen Haar de oogenleên sluit. Daar voeren de droomen, Zoo dartel en vlug, Het harte der kindren Naar 't Zuiden terug.
Maar als nu in 't Oosten Het zonnetjen daagt, Zijn plotsling de beelden En droomen verjaagd. De muildieren trapplen; 't Woelt alles dooréen-- De bende is verdwenen! Wie zegt u waarheen?
SLAAPWANDEL BIJ DAG.
Door de Afrikaansche lucht gezengd, Marcheert een oorlogsdrom: 't Zijn Vreemden, bont dooréen gemengd, Vergaderd van alom. Hun lied, in allerhande taal, Eens rijzend met den morgenstraal, Werd lang niet meer gehoord: Eentonig dreunt het rammlend staal-- Zij trekkend slapend voort.
De tamboer, met zijn trom bezwaard, Stapt slapende in de maat; Den hoofdman, knikkende op zijn paard, Staan vlammen op 't gelaat. Zoo sluimert heel dat bataillon, Door de onverbiddelijke zon Tot smachtens toe verhit: Toch, hoe de hette hen verwon, Blijft alles in 't gelid.
En wat meest enkel de enge tent Bij nacht bespieden mag, Staat nu op elks gelaat geprent Bij helderlichten dag: Het droomgordijn is opgehaald, De waereld, waar hun ziel in dwaalt, Weêrkaatst haar tooverlicht, Den glans, die van haar beelden straalt, Op ieders aangezicht.
Hoe beeft de ruige wenkbrauwboog! De mond, schoon zwijgend, spreekt: Ziet, hoe daar uit het trillend oog Een groote traandrop breekt! Zij zien de dagen van weleer, Hun dierbaar huis, hun vriendlijk meir, Hun groene lustwarand, Hun lieve, grijze moeder weêr,-- 't Verloren Vaderland!
Daar valt een schot--zij zijn ontwaakt, En vormen, strijdens reê, Van plotselingen moed geblaakt, Hun bliksemend quarré: De tanden klemmende op elkaâr, In dubble gramschap staan zij daar, In stomme razernij.... Helaas, de Beduïnenschaar Vliegt als hun droom voorbij!
KALIFORNIË.
Zij graven goud, en vinden goud; "_Goud_" heet het tooverwoord! Dat jaagt de morders, jong en oud, Van haard en have voort.
Voor goud verzaakt de vriend zijn vriend, Verstoot de man zijn bruid: 't Ziet hunkrend, wat den Mammon dient, Naar Kalifornië uit.
Zij laten, dobbrende op een plank, Hun huisgezin in druk: De rijkdom wenkt, het goud is blank,-- De spiegel van 't Geluk!
Goud is de sleutel tot het Hart, De ware God der Eeuw; Het maakt de lijdende Onschuld zwart, De Misdaad wit als sneeuw.
Het geeft der Domheid roem en macht, Der Grijsheid frissche jeugd; Het maakt Lafhartigheid tot Kracht, En Schurkerij tot Deugd!
Dies ziet, door zooveel glans verblind, Het volk in 't Goud zijn heil, En heeft er vrede, en vrouw, en kind, God, en zich-zelf voor veil!
O, dwaasheid, die het Wezen smaadt En naar de Schaduw tast, Die in de verte zoeken gaat Wat zoo nabij haar wast!
Uw T'huis is uw Beloofde Land: Dáar zijt gij waarlijk Vorst! Delf goud, met ijver en verstand, Maar--uit uw eigen borst!
De mannenkracht, de mannenmoed, Die hooger streeft dan de Aard, De zin voor 't eeuwig Schoon en Goed, Zijn wel des zoekens waard!
Daar schuilt voor u gedegen goud, Dat van geen roesten weet, Dat immer zijn gehalte houdt, Dat _Ware Rijkdom_ heet!
Zoo 't mannenhart u niet voldoet, Zoek dan in 't vrouwenhart: Een goudmijn is haar teêr gemoed Van vreugde en zoete smart!
Ziet, hoe dáar, rijker dan uw droom. De reinste liefde gloeit, En, als het stofgoud in den stroom, Door al heur aadren vloeit!
Versmaadt uw hart dat Tooveroord, O aarzel dan niet meer! Trek dan naar 't verre Goudland voort-- _Gij vindt er de armoê weêr_!
DE VLUCHT DES TIJDS.
Dát kan mij vaak weemoedig maken, Dat ons de tijd zóo snel ontvaart, Dat, eer zij 't Heden recht mocht smaken, De ziel reeds in 't Verleden staart.
Het zaligst uur, sinds lange jaren Verwacht en vurig afgebeên, Het komt gelijk een klank van snaren: Hij ruischt, verrukt, en--vliegt daarheen!
KLEINE PLAGEN.
Neen! een groote, heiige smart Zal mij nimmermeer vervaren; Zag zich maar mijn vurig hart Alledaagsche kwelling sparen! 'k Wil het groote kruis, hoe zwaar, Dat van God komt, willig dragen; Maar mijn hart krimpt in elkaâr Voor die duizend kleine plagen!
Heil, die met hun heldenbloed 't Worstelperk der vrijheid verven! Heil, die in den mutsertgloed 's Hemels Martelkroon verwerven! Welk een troost in allen nood, Welk een roem in alle schande, Waar we, trouw tot in den dood, Vallen als eene offerande!
Maar hoe zelden gunt ons 't lot, Grootsch te lijden, grootsch te sneven, Met den gloriepalm tot God Als een aadlaar op te zweven! Ach, hoe pijnlijk, dag aan dag Vaster in den strik gesparteld, Niet te vallen door één slag, Maar door naalden doodgemarteld!
AAN VADERS, DIE KINDEREN BUITEN HET HUWELIJK HEBBEN.
Gij, die uit wulpschen lust de onnozelheid verraadt In 't lichtgewaad eens Engels! Die jaagt door vreemden hof, en zelfs geen blik meer slaat Op de omgetrapte stengels! 'k Wil uw geweten zijn! 'k wil spreken van uw bloed, Van 't pleegkroost der ellende, Dat recht heeft op uw naam, uw liefde, uw overvloed, Maar--nooit een vader kende! Rampzaalge kinderen, die, ziekelijk en koud, In d'Ugolino-toren Van 't klemmende gebrek, dien gij hun hebt gebouwd, In schande zijn geboren! Hebt gij dan nooit voor hen een enklen zucht geslaakt? Voelt gij hun droeve schimmen Niet woelen in uw hart, als schijndoôn, die, ontwaakt, Uit d'engen grafkuil klimmen? Kunt gij den kinderen, die gij uw kindren heet, Éen uur van vreugde schenken, En tevens niet aan al het jarenlange leed Der ongenoemden denken? Wanneer ge uw naaste kind ten blijd geboortefeest Met bloemen ziet versieren, Staan dan zijn broeders niet verwijtend voor uw geest, Die nooit hun jaardag vieren; Die op denzelfden dag misschien den bleeken dood Ontzind in de armen loopen, Of--eindloos erger--voor een schaamle handvol brood Hun kostbre ziel verkoopen?-- Hoe durft gij spreken, gij, van vaderteederheid En vaderlijke zorgen, En zeggen, dat ge uw kroost een vasten stand bereidt, Uw kindren hebt geborgen, Als de andren, buiten af, in 's waerelds oceaan, Op schotsen ijs bevriezen, En, voortgedreven door den zweependen orkaan, In d' afgrond zich verliezen?-- Noemt u geen mannen, gij vreesachtigen! maar bloost, Als gij die zwakke vrouwen, Verlaatnen, blijven ziet bij heur verlaten kroost, En--nog op God vertrouwen! Noemt u geen vaders, gij die vaders zijt in schijn! Daar zijn voor de Alziende oogen Meer kindermoorders dan er moorderessen zijn-- Wanneer werd God bedrogen?
DES ZANGERS VLOEK.
BALLADE.
In overoude tijden rees voor des pelgrims oog, Ver boven beemd en bosschen, een burchslot naar omhoog. Het lag in bonte gaarden, als in een bloemenkraus, Waar springfonteinen speelden in regenboogenglans.
Daar had een trotsche Koning zijn machtig rijk gesticht; Daar zat hij op zijn zetel met somber aangezicht. De dood lag in zijne oogen, de hel in zijn gemoed, Want wat hij sprak was geessel, en wat hij schreef was bloed.
Naar deze Vorstenwoning trok eens een Zangrenpaar, Een jongling, blond van lokken, Een grijsaard, wit van hair. De grijsaard, met zijn speeltuig, berijdt een fier genet; De jongling gaat er nevens met vogelvluggen tred.
Daar sprak de grijze Zanger: "Houd u bereid, mijn zoon! Het rijkste lied moet klinken, en uit den volsten toon. Verzamel al uw krachten, de hoogste vreugde en smart: De Koning moed gegrepen in 't marmerkoude hart!"
Reeds treden beî de Zangers de weidsche Hofzaal in: Daar throont de norsche Koning, de schoone Koningin: De Koning, die in luister het Noorderlicht gelijkt, De Koningin, die lieflijk als 't kuische maanlicht prijkt.
De grijsaard roert de snaren: hoe zuiver trillen zij! Hoe zwelt in stoute akkoorden de wondre melodij! Hoe klinkt als die eens Engels des jonglings stem er door! Hoe dreunt de bas des ouden gelijk een geestenchoor!
Zij zingen van de vreugden, de deugden van weleer, Van lente, liefde en vrijheid, van trouw en riddereer. Zij zingen van al 't Schoone, dat 's menschen boezem treft Zij zingen van al 't Goede, dat 's menschen hart verheft.
De dartle hovelingen verleeren allen spot; De dreigende oorlogshelden verneedren zich voor God; De Koningin, verteederd, werpt, met een tranenvloed, De puikroos van heur boezem den Zangers voor den voet!
"Gij hebt mijn volk betooverd, gij hebt mijn vrouw verleid! Zoo brult op eens de Koning in wilde grimmigheid: Hij werpt zijn zwaard, dat vlammend des jonglings borst doordringt, Waaruit, voor gouden zangen, een roode bloedstraal springt.
Verdwenen zijn de hoorders, verbroken is het feest; De jongling geeft al snikkend in 's meesters arm den geest. Die windt hem in zijn mantel, en draagt hem door 't portaal, En zet den dierbren doode recht vóor zich in den zaâl.
Maar voor de poort des Konings, daar houdt de grijsaard stand, Daar slingert hij liet speeltuig uit de opgeheven hand: En als de harp in splinters verstrooid ligt op den grond, Daar dreunt zijn stem ontzettend door slot en gaarden rond:
"Wee u, gij trotsche zalen! geen vriendlijk harpakkoord, Geen zang worde in uw bogen in eeuwigheid gehoord! Daar mogen zuchten klinken en schuwe slavenschreên, Tot u de geest der wrake tot stuivend puin zal treên!
"Wee u, gij bonte gaarden in 't gouden zonnelicht! U toon ik dezes dooden bestorven aangezicht. "Het moge uw loof doen dorren, uw bronnen stil doen staan, Tot al uw heerlijkheden in onkruid ondergaan!
"Wee u, verwaten moorder! u vloekt wat Zanger heet! Vergeefs zij al uw woeden, geen lauwer kroone uw zweet! Uw rijkdom moog' verroesten, verderven al uw pracht, Uw trotsche naam verzinken in eeuwgen middernacht!"
De grijsaard heeft gesproken, de Hemel heeft gehoord: Vergruizeld zijn de muren, verzonken is de poort. Gelijk een schrikgetuige staat daar éen zuil alléen, En deze, reeds gebarsten, stort mooglijk straks in een.
De gaarden zijn verwilderd, met distels overgroeid, Geen struikjen geeft er schaduw, geen beekjen dat er vloeit. Des Konings naam verkondigt geen lied, geen heldenboek; Verzonken en vergeten! dat is des Zangers vloek!
EEN BEKEND HUIS.
Wat wondre weemoed grijpt u aan Bij 't huis, waar ge eens het oog van vrienden hebt zien blinken, Wanneer daar andre stemmen klinken, En vreemden op- en nedergaan!
Ja, 't is dezelfde deur, 't zijn de oude vensterboogen: 't Is of de drempel u verlangend naadren ziet: Maar 't oude welkom groet u niet, En--gij gaat stil voorbij met neêrgeslagen oogen!
Of peinst gij voort en toeft gij nog, Niet lang zal u de droom op gouden vleugels dragen: Ach, koele blikken, norsche vragen Verjagen 't laatste zelfbedrog.
Wat wordt u 't vriendlijk huis? Een handvol koude steenen Gij wischt, ontroerd, uw tranen af: Als de oude vrienden zijn verdwenen, Schijnt hun verlaten huis u leêger dan hun graf!
DE WAARDE VAN HET KLEINE.
Wil het kleine niet versmaden: 't Is de bron van groote kracht. Kan hij de Eeuwigheid gewinnen, Die het Oogenblik veracht?
Uit een vonkjen onder de assche Rijst de blakerende vlam; Uit het weggeworpen zaadtjen Kiemt de statige eikenstam.
Groeiend tot een berglawine, Rukt de sneeuwvlok rotsen neêr; En de droppel bij den droppel Wordt een peilloos Alpenmeir.
Ja, éene enkele gedachte, Stralende uit eens Wijzen hoofd, Kan een kranke waereld redden, Die er dankbaar aan gelooft!
HET LAND DER LIEFDE.
Ja, valsch en bedrieglijk, met doornen bezwaard, Met neevlen omsluierd, is 't leven op aard: Toch weet ik een hoekjen, dat Eden beschaamt, Door de Englen HET LAND VAN DE LIEFDE genaamd.
Woedt elders de bliksem in blaakrenden gloed, Versterft ieder bloemtjen in tranen en bloed, Hier drijven de stormen verschoonend voorbij: In 't LAND VAN DE EEUWIGE LIEFDE is het eeuwige Mei!
Het pad dat er heenleidt, is needrig en smal; In rozen verborgen, geleidt het naar 't dal: Geen macht en geen kracht en geen goud voert er heen; 't Geloovige hart is de leidsman alleen!
In 't LAND VAN DE LIEFDE zijn allen gelijk: Daar kent men geen stand en geen arm en geen rijk; En ieder bezit er dien eenigen schat, Die niet, als al 't aardsche, in een schuimbel verspat!
Wat ijl ik niet vaak naar dat vriendelijk oord, Als veel mij ontvalt dat mij eens heeft bekoord! Steeds keer ik terug in dit leven van smart, De vreugde in het oog en de vrede in het hart!
VERLOREN.
Dat eenmaal was, keert nimmer weêr: De jeugd wordt niet herboren. Haar zoete droom van liefde en eer Omzweeft het grijzend hoofd niet meer-- Verloren is verloren!
Wel zien we in 't blauwend lichtgebied De zonne daaglijks gloren: Maar 't Heden is het Gistren niet: 't Zijn andre stralen die zij schiet-- Verloren is verloren!
Geen bloemtjen, dat in 't najaar sneeft, Zal lentes wekstem hooren: En schoon de dorre struik herleeft, 't Zijn andre bloemen die zij geeft-- Verloren is verloren!
Geen golfjen, hupplend langs heur baan, Wordt door uw lied bezworen: Wie dwingt het leven ooit tot staan? 't Vliet als een golf naar d' oceaan-- Verloren is verloren!
EEN PROGRAMMA.
Niet steeds wordt voor de grootste heldendaden Een roemzuil door de zwanenveêr gesticht: In diepen nacht, aan niemands blik verraden, Schuilt vaak de stof voor menig Heldendicht.
En tragischer dan alle treurtooneelen Is 't leven vaak voor menig menschenziel, Die onverpoosd heur droeven rol moet spelen, Tot straks voor goed de bonte voorhang viel.
De Dichter zing' geen hooggeroemde Helden, Waarvoor zich de aard afgodiesch nederbuigt! Zijn Elegie moet zulke strijders gelden, Waarvan de rol der eeuwen niet getuigt!
Hij zinge 't hart, in de eenzaamheid gebroken; Den wrangen traan, te middernacht geschreid; Het vrije woord, in 't kerkerhol gesproken, Waar nooit de zon heur lieve stralen spreidt;
Het vaderhoofd, vergrijsd in zorg en vreeze; De moederklacht, bij 't sterfbed van een kind; De worsteling der aangevochten weeze, Die honger heeft en toch de deugd bemint!
Van zulk een strijd der zielen zal hij spreken, En juichen als de zege wordt gevierd, En zóo het zwijgen der Historie wreken, Die, vleiend, slechts de Koningen lauwriert!
Gij, Clio! prijst alleen de hooggezetenen, Al bracht hun zwaard ook duizenden ten val: Zoo zinge dan de Dichter de _Vergetenen_, Die God aanschouwt en--Boven kroonen zal!
TROOST IN HET LAND DER VREEMDELINGSCHAP.
EEN REISLIED VAN DEN ZENDELING NEUMANN.
(_Uit zijn dagboek, van het Chineesche eiland Putoy, Zondag 2 Mei 1852_).
Mist gij hier vrienden en verwanten, Wat nood, als hier en overal Een leger blinkende trawanten Uw eenzaam pad omstuwen zal?
Wat nood, of hier de dierbren scheiden, En niet éen pelgrim met u gaat, Wanneer Gods Englen u geleiden, En Jezus u ter zijde staat?
Waarheen zich ook mijn schreden wenden, Des Heeren voetbank draagt mij nog! Ben ik omringd van onbekenden, God, die mijn roem is, kent mij toch! Mijn Heiland neemt mij in Zijn hoede, 't Is of mijn ziel Zijn aanschijn ziet, En 'k hoor Zijn stem: "Wees wel te moede! "Uw Vader, kind! vergeet u niet!"
EEN BLIK VOORUIT.
Als eens mijn uurtjen komen zal, En ik van de aard moet scheiden, Wil Gij dan in het schaduwdal, O Jezus! mij geleiden. 'k Beveel in Uwe hand mijn geest, En volg, o Heer! U onbevreesd Naar 's Hemels groene weiden!
Wel zal ik beven op 't gezicht Van al mijn duizend zonden, Daar mijn geweten-zelf mij richt En schuldig heeft bevonden: Maar denken wil ik aan Uw dood, O Heer! en vlieden tot Uw schoot, En schuilen in Uw wonden.
Ik weet in Wien mijn hart gelooft: Gij zult mij niet begeven! Zijn niet Uw leden, Godlijk Hoofd, Onscheidbaar saamgeweven? Ja, als ik sterf, dan sterf ik U, Want, Heer! Uw dood verwerft reeds nu Mijn ziel een eeuwig leven!
Nu Gij den dood verwonnen hebt, Blijf ik in 't graf niet rusten: Mijn ziel, die reeds de vleugels rept, Vreest 's waerelds leed noch lusten. Waar Gij nu zijt zal ik eens zijn!.... Gegroet dan, eeuwge Zonneschijn, En blijde Hemelkusten!
Zoo sterve ik zonder vrees of schrik, Getroost in Uw erbarmen: Mijn sluimring duurt éen oogenblik-- Gij zult mijn stof beschermen. Straks roept Uw stem: "Ontwaak! Ik klop!" Dan rijs ik uit de windsels op, En--werp mij in Uwe armen!
'T IS VOLBRACHT.
Op den Berg der Jammren, Herder zonder lammren, Sprakeloos en koud, Met gebroken oogen, 't Heilig hoofd gebogen, Hangt de Heer aan 't hout. Welk een throon Voor 's Vaders Zoon! Is dan 't gapend graf een woning Voor den Hemelkoning?
Ach, wat angsten lijdt Hij! Ach, wat doodskamp strijdt Hij, Bloedende overal! Is van al Zijn vrinden Dan niet éen te vinden Die Hem redden zal? Menschen gaan Voorbij, en staan 't Wee, dat de Englen weg doet schrikken. Grijnzende aan te blikken!
Brandend van genade, Sloegt Ge, o Heer! ons gade, Voeldet Ge onzen nood: Goddelijken vrede Bracht Ge, o Heiland! mede Uit des hemels schoot. En, Gods licht Op 't aangezicht, Sterft Gij nu als offerande Op 't altaar der schande!
Gij, de Zoon des Vaders, Tusschen gruweldaders! Wat ontzinde waan, Welk een duivlenwoede, Eenig Reine en Goede! Heeft U dàt gedaan? Ach, een ras Van stof en asch, Kaïns zaad, maar tienmaal wreeder. Sloeg U, Abel! neder.
Ja, ter Hoofdscheêlplaatse Bracht u dit melaatsche, Doodsche zondaarshart. Ik, in schuld verloorne, Vlocht de scherpste doorne Door Uw kroon der smart! Want de schuld Die mij vervult, Wilt Gij in de reine plasschen Van Uw zoenbloed wasschen!
'k Zal het nooit doorgronden, Hoe Gij, zonder zonden, "Eli, Eli!" zucht. 'k Zie den hemel tanen In een floers van tranen, En de zonne vlucht! 'k Zie de doôn Hun graf ontvloôn; Van de ellend, die U weêrvaarde, Brak het hart der aarde!
Sterke Boeienslaker! Trouwe Zaligmaker! Groote Immanuël! Gij hebt al mijn plagen Op het hout gedragen, En versloegt de Hel, Sta mij bij, En heilig mij, Dat ik nimmer iets begeere Dan uw liefde, o Heere!
Met uw bloed besproeide! Doodelijk vermoeide! Rust hier in de rots! Uw vervolgers weken, Half van schrik bezweken, Bij de teeknen Gods! Nader spoedt Uw Jongrenstoet, En zij zweren, vol van rouwe, U den eed der trouwe.
Gij hebt overwonnen! Woedend aangeschonnen, Stondt Ge onwrikbaar pal! Door het Helsche duister, Door der Heemlen luister, Door het wijd Heelal, Klinkt met kracht Uw: "'t Is volbracht!" En de palmen der viktorie Groenen door Uw glorie!
Als een heldre sterre Straalt Uw kruis van verre Allen volkren aan. 't Is de Boom des Levens: Vrucht en bloesem tevens Menglende in zijn blaân! Wie verrukt Die vruchten plukt, Die wordt, rijk en begenadigd, Eeuwiglijk verzadigd!
Op den Berg der Vreugde, Rijker dan U heugde, Vol der heerschappij, Vol der zaligheden, Zit Ge, in 't Eeuwig Eden, Aan des Vaders zij'! 's Vaders Zoon! Dat is Uw throon: Gods paleizen zijn Uw woning, Groote Hemelkoning!
HEIMWEE.
(Aan mijnen vriend, den zestienjarigen Dichter J.J.L. ten Kate.)
--Sevenaer 1836.--
Kent gij den droom vol wondre harmonieën, Waarin een glans des Hemels ons omzweeft, Dien zich de jeugd in zoete fantasieën Uit de eerste smart en de eerste vreugde weeft? Kent gij hem wel? Ook lange nog na 't scheiden Blijft trouw zijn beeld door 't leven ons geleiden.
Als onze geest de teêre vleugels wiegelt, En worstlend naar een Hooger Schoonheid smacht, Als in zijn blik een Tooverwaereld spiegelt, Een Lustwarand, waaruit de vrede lacht, Dan zou hij gaarne, in namelooze weelde, Verwerklijken wat zich zijn wensch verbeeldde.
Toch slaat de geest wel vruchtloos hier beneden De wieken uit naar reiner lichtgebied: Zijn jonkheidsdroom van een verloren Eden, Zijn heimweezucht stilt déze waereld niet: Totdat hij leerde in stil geloofsvertrouwen Naar 't Vaderland daar Boven heen te schouwen.
Wie schonk ook U die zilverzuivre snaren, Wier windharp-toon den wensch naar Boven voert? Wie leerde ook U zoo vroeg en diep ervaren, Wat bitterzoet een Dichtrenhart ontroert? Moest ook úw hart reeds in zijn lente leeren Geduldig te verwachten en te ontbeeren?....
O, laat het lang en God ter eere bloeien, Dat Paradijs dat opging in uw ziel! Laat lang daar 't licht des stillen weemoeds gloeien, Een straal gelijk die uit den Hemel viel! De beelden, die daar zeegnende U omzweven, Zijn diep verwant aan 't innig zielenleven.
Vaar moedig voort op zuivren toon te zingen! Vervolg uw weg in 't koele palmgeblaârt! Wat waereldsch is, kan 't harte niet bedwingen; Wat hemelsch is, stijgt vrolijk hemelwaart: De zoete droomen, die hier vroeg verstoven, Hervinden wij verwezendlijkt daar Boven!
EEN LEVENSBEELD.
Als zefiers aâm de golfjens krult En over 't zeevlak huppelt, Als de avondzon het schuim verguldt, Dat op zijn oevers druppelt:
Dan breekt mijn blijdschap uit haar knop Als 't bloemtjen uit heur blaâren; Ik klim de geele duinen op, En volg den loop der baren.
Dan dansen mijn gedachten meê, Dan dartlen mijn gepeizen Met al de golfjens van de zee, Die altijd verder reizen.
Maar--als op eens de storm ontsteekt, En met verwoede slagen Den kristallijnen spiegel breekt, En bergen op doet dagen:
Dan vluchten al mijn droomen heen, En zinken in de golven, Als drenkelingen éen voor éen Verrast en overdolven!
Dan zie ik naar dat beter Blauw, Waarin de starren drijven: En wensch mij boven 't wolkengrauw, Om eeuwig daar te blijven.
Doorploeg' wien 't lust den wijden plasch Met volgetaste barken! En zeile hij naar 's waerelds as Met uitgespannen vlerken:
Ik blijf aan 't strand! Ik zag in 't meir Zoo menig een begraven; En zet me aan 's Heeren voeten neêr, Niet verre van de haven!
I KORINTHEN I : 30.
"Uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing."
Angstig tastende als de blinden, Doolde ik onophoudelijk voort: Zoekend, zonder ooit te vinden, Vragend, maar niet aangehoord: Tot ik naar de Bron der waarheid Jezus volgde, en Hem-alléen, En in onbewolkte klaarheid Mij de _Wijsheid_ Gods verscheen
Troosteloos van éen gereten, Kwijnde mijn doemschuldig hart; Maar in 't wroegende geweten Bleef de prikkel mijner smart: Tot ik met mijn zielewonden Naar het kruis van Jezus ging, En in ruil voor al mijn zonden Zijn _gerechtigheid_ ontfing!
'k Zocht de lauwerkrans te plukken, Die de deugd haar Priestren biedt: Menig zonde deed ik bukken, Maar het harte bukte niet: Tot de valsche lauwren dorden, Tot de Geest, dien Jezus geeft, Hier dat nieuwe hart deed worden, Dat naar _Heiligmaking_ streeft!
Zielevreugd en boezemprangen Wisslen ieder oogenblik: 'k Voel een ongestild verlangen Tot mijn allerjongsten snik. Maar de Hoop verguldt de zoomen Van des waerelds nachtgordijn: Jezus komt eens--en volkomen Zal dan mijn _Verlossing_ zijn!