Chapter 5
Daar kon hij dan lange, lange uren blijven zitten, wrokkig-stug pijprookend en borrels drinkend, soms heftig afgevend op het Barontje en meneer François en al de andere verraders van het dorp,... soms uren lang, roerloos en sprakeloos, met strak-starende oogen, verdiept in somber-nijdige gepeinzen. Hij zag er oud uit en vervallen, de koonen rood-en-paars-gevlamd van alcoholuitslag onder de rimpelhuid der waterzakkerige oogen; en zijn mond, die tandeloos werd, rekte zich scheef naar omlaag, alsof hij voortdurend hatelijkheden uitbromde.
Toen werd hij ziek en kwijnde...
* * * * *
Verleden week is hij gestorven en begraven...
Verwonderd hebben vele menschen ervan opgekeken, want velen hadden reeds vergeten, dat hij nog bestond.
Maar, toen men wist dat hij werkelijk dood was, is het geweest alsof hij even weer herleefde. 't Was zoon type; de menschen herinnerden zich nog eens hoe zij hem, jarenlang in zijn eigenaardigen dagelijkschen handel en wandel hadden gekend; 't was of ze eensklaps heel veel van hem hielden en zijn dood innig betreurden en velen hebben dan ook zijn begrafenis bijgewoond. Zelfs 't Barontje en meneer François,--hun vroegere vijandschap vergetend--zijn gekomen; meneer François te voet en 't en Barontje in zijn mooie automobiel.
De mooie auto heeft daar langen tijd vóór 't kerkhof stilgehouden, door nieuwsgierige straatbengels omringd, terwijl de klokken op den toren plechtig luidden en de kist met kruis en vanen, naar de groeve werd gedragen.
- Oo! als Plus-Que-Parfait dat weten kon, hij zou er in zijn graf van omkeeren! meenden de menschen.
Maar zij vonden 't toch heel aardig van meneer François en van 't Barontje, dat zij wel naar de begrafenis gekomen waren.
NOTEN * De laatste twee alineas aan het einde van hoofdstuk XI zijn dezelfde als de eerste twee alineas van het boek: waarschijnlijk fout gezet.