Plus-Que-Parfait

Chapter 3

Chapter 33,897 wordsPublic domain

Beminnelijk glimlachend trad mevrouw de barones naar voren en drukte om beurten de hand van al de raadsheeren, die voor haar waren opgestaan. Even ging zij naast meneer François zitten en wisselde met hem enkele woorden in 't Fransch, zooals 't behoorde. Maar zij was niet bizonder op meneer François gesteld, dien ze erg boersch vond ondanks zijn kwasi-heerenachtigheid, en innemend glimlachend wendde ze zich al spoedig rechts en links, haar beleefdheidsgunsten plichtmatig verdeelend tusschen al de andere leden. Zoo deed ook haar zuster, als in een aangeleerd lesje, zoo innemend als 't kon om zich heen nijgend en buigend, zich inspannend om haar rimpelig gezicht, waarop de consternatie van het ongebeurde grijnsde, tot een vriendelijkheidsglimlach te ontplooien.

Trouwens, er kwam al spoedig afleiding: een donker, nog al viezig huurkoetsje reed het erf op en 't oogenblik daarna trad meneer de pastoor binnen, diep groetend voor de dames, de hand drukkend van het Barontje en van meneer François en verder in het ronde familiair-beschermend knikkend en knipoogend, zooals men doet met bizonder welbekenden of met aardige kinderen. Hij wreef zijn handen door elkaar en jubelde over 't heerlijk weer, maar klaagde toch meteen over den ellendigen hobbelweg, waardoor hij met het dorpshuurkoetsje had moeten baggeren.

- Is 't niet afschuwelijk, meneer de pastoor? riep de barones.

Meneer de pastoor moest erkennen dat het inderdaad een foltering was. Hij keek in 't ronde naar de boeren en ving ook hun bedeesde, half-ontwijkende beaming op, dat die weg wel veel te wenschen overliet. Ook meneer François knikte toestemmend, hoewel zwijgend, in dien zin, terwijl hij nogeens zwaar haalde aan zijn stompje sigaar en zijn glas port, met resoluut gebaar, gansch leeg dronk.

- Joa moar, 't es nou nog bijkans zomer; wa zal 't in de winter zijn! meende 't Barontje tot versterking van 't geval te moeten aanbrengen.

Hoe het er in den winter wezen zou werd voorloopig niet verder besproken, want een dubbele deur schoof als van zelf uit elkaar en de prachtige, gekuitenbroekte-tafelknecht verscheen strak op den drempel, met de sacramenteele woorden:

- Madame la baronne est servie.

Mevrouw de barones stond dadelijk op en aanvaardde den arm, dien meneer de pastoor haar hoffelijk aanbood. Meneer François had een korte aarzeling; toen bood hij ook, nog al onhandig, zijn arm aan jonkvrouw Caroline en verder volgden al de anderen in kudde, vooruitgeduwd door 't Barontje, die 't laatst van allen kwam, als aardigheid steeds schertsend en herhalend, dat hij den weg wel kende en zijn plaats aan tafel vinden zou.

Er werd in stilte gebeden. Mevrouw de barones bad heel mooi, zooals alles mooi was wat zij deed, de fijne, witte handen boven het hoekje van haar servet gevouwen, het hoofd een beetje scheef geheld, de oogen neergeslagen. Meneer de pastoor bad in de houding die hij 's zondags op den preekstoel aannam, voor hij zijn sermoen begon, de oogen beurtelings strak vóór zich uit gericht en dan even, als geïnspireerd, ten hemel opgeheven, en al de anderen baden machinaal, prevelend met de lippen, van terzijde loerend naar meneer de pastoor, om toch vooral niet vóór hem hun gebed te staken. Er was weldra een beweging van handen om de tafel, die kruisteekens maakten en in 't wit fladderend ontplooien der servetten begonnen de knechts in de soepborden te rommelen en klonken de gesprekken weer op.

Zij kregen slechts een klein beetje bruine soep in mooie, diepe borden en 't was wel jammer, want ze smaakte zoo bizonder lekker. Graag hadden zij er allen een vol bord van genomen, maar niemand durfde het zeggen: ze zaten gegeneerd te slurpen en te lepelen om er het laatste uit te krijgen, toen Cocksken, het bocheltje, de eenige die wel eens iets durfde, van over tafel naar de barones toe riep:

- Verdeeke, mevreiwe, da es goeje soebe; moar 't es ieuwig spijtig dat er zeu weinig van es!

Een bulderend gelach weergalmde, 't beklemmend gevoel was ineens verbroken en mevrouw nam het trouwens bizonder goed op: "Maar, Cock, ge kunt er immers meer van krijgen", glimlachte zij; en, zich tot den knecht omkeerend, deed zij hem met de soep nog eens rondgaan, waarvan zich allen gretig een tweede maal lieten bedienen.

De kuitenbroek-lakei kwam met den eersten wijn aan.

- Médoc Supérieur, fluisterde hij, meteen inschenkend.

- Wa belieft er ou? vroeg Cocksken, toen de knecht dat aan zijn oor kwam murmelen.

Picavet en Grondnagel die naast hem zaten, kregen een lachbui.

- Médoc Supérieur, herhaalde onbewogen de bediende, even het inschenken stakend.

- Owie, owie, zei Cocksken, schenk moar vul.

Cocksken was bepaald de reddingsbaak van het gezelschap. Hij was buitengewoon op dreef, dien middag, en telkens als het gesprek zakte of beklemmend werd, haalde hij ze allen met een aardigheid er uit.

Weldra begonnen de koppen vervaarlijk te glimmen.

't Was ook zoo warm daarbinnen en al die schotels met bruine of roomige sausen waren zoo zwaar en de glazen werden aanhoudend volgeschonken. De meesten zaten met hun servet in hun halskraag; en daaruit kwam een vuurkop, op 't voorhoofd door benauwing en door inspanning met zweet bepareld. Sommigen aten heel veel, omdat 't nu eenmaal zonde wezen zou van zooveel lekkers niet te profiteeren, anderen slechts heel weinig, omdat ze te zeer gegeneerd waren, omdat ze niet wisten hoe ze zich moesten bedienen en vooral omdat ze 't werkelijk te folterend benauwd en warm hadden. Grondnagel en Schouwvlieghe, twee dikke kerels, zaten herhaaldelijk met hun eene hand onder tafel, waar ze blijkbaar iets dat spande ongemerkt trachtten los te knoopen, terwijl Picavet en Van Speybroeck, die mager waren, maar het daarom niet minder benauwd hadden, nu en dan op hun stoel zaten te draaien en te wringen, alsof hen iets kwelde dat zij weldra niet langer zouden kunnen uithouden. Meneer de pastoor daarentegen, zat zich welgedaan te verkneuteren in zijn ruime soutane naast mevrouw de barones, die er zoo frisch en zoo sereen uitzag alsof zij pas aan tafel kwam; en jonkvrouw Caroline had haar gewoon, verknoeid gezicht waarop de blijvende consternatie van het ongebeurde in teleurgestelde trekken en rimpels stond te lezen, terwijl meneer François, na een paar mislukte pogingen om het gesprek met de jonkvrouw in 't leven te houden, zich meer speciaal tot het Barontje had gewend en daar maar met gezwollen tronie en groote gebaren gewichtig zat te boomen, alsof ze samen allerbelangrijkste onderwerpen af te handelen hadden.

Maar de champagne werd ontkurkt met dof geknal en terwijl de bekers parelden en schuimden, rinkinkelde een fijn getik op een kristallen glas en meteen stond meneer de pastoor overeind.

Hij stond fiks overeind met zijn beide witte handen even leunend op het witte tafelkleed en de ontelbare knoopjes zijner soutane volgden een bogende lijn van boven naar beneden, terwijl zijn lichte oogen achter hun brilglazen vriendelijk schenen te blinken en het welgedaan gezicht met grooten mond zich ontplooide in een goedmoedigen glimlach, alsof hij niets dan aardige en aangename dingen zou gaan zeggen.

Zoo was ook wel klaarblijkelijk zijn bedoeling. Hij begon met in 't algemeen te spreken over onderlinge goede verstandhouding en vriendschap. Gelukkig de menschen die elkaar goed verstonden en de vriendschap huldigden! Gelukkig zij, die eendrachtig streefden naar een zelfde doel. Wat moest men doen om dit geluk verwezenlijkt te zien? Eenvoudig maar elkander goed begrijpen en goed over elkander willen denken. Geen verdeeldheid of twist trachten te zaaien; niet blindelings gelooven aan kwaadaardige of zelfzuchtige bedoelingen: maar het goede en rechtvaardige willen zien en waardeeren in zijn evenmensch.

Het dorp, Goddank, was tot nog toe een voorbeeld en een toonbeeld geweest van de gelukkigste, onderlinge verstandhouding. Dank zij het voortreffelijk beheer van zijn burgervader (meneer de pastoor onderbrak even zijn rede om hoffelijk in de richting van 't Barontje te buigen) bijgestaan door zijn edele echtgenoote (nieuwe buiging naar de barones toe en beweging op de boerenstoelen) behoorde deze gemeente tot de vreedzaamste en voorspoedigste van Vlaanderen.

Meneer de pastoor greep naar zijn beker en hief hem in de hoogte.

- Heeren, riep hij plechtig uit, het zou zonde en doodzonde zijn indien deze zoo gelukkige toestand niet mocht blijven duren. Maar hij zal blijven duren, daar wil ik geen oogenblik aan twijfelen. Ik ledig mijn glas op de goede onderlinge verstandhouding tusschen burgemeester en gemeenteraad, op de gezondheid van meneer den baron en zijn edele echtgenoote en verdere familie en op den welstand en den voorspoed onzer dierbare gemeente.

Plichtmatig-warm handgeklap brak even los, terwijl meneer de pastoor, met ietwat bevende hand zijn beker ledigend, weer ging zitten. 't Barontje bewoog zich zenuwachtig en onnoozel op zijn stoel, maar mevrouw de barones dankte den geestelijke met fijne gratie, de wangen blozend, de mooie oogen stralend, tot tweemaal toe haar glas tegen het zijne aantikkend. Mejonkvrouw Caroline, ook even, als "verdere familie" in den speech van meneer den pastoor herdacht, klonk van haar kant met hem aan en lachte daarbij heel vreemd, alsof zij plotseling door iets heimelijk-prettigs gekitteld werd.

De boeren, na hun kort, plichtmatig handgeklap, zwegen. Zij voelden zich niets op hun gemak, want zij begrepen heel goed wat er eigenlijk achter de woorden van meneer den pastoor schuilde. Al die mooie woorden waren maar praat in den wind en wat meneer de pastoor bedoelde zonder het uit te drukken, was, dat ze zich naar den wil van het Barontje moesten schikken als hij in den gemeenteraad met zijn voorstel van bestrating voor den dag zou komen. Zij keken gegeneerd elkander aan om op elkanders aangezicht te lezen welke houding hier nu paste; zij keken vooral naar meneer François en naar Donckers, den gefortuneerden, invloedrijken boer, die zoowat halvelings beloofd hadden toch eenige woorden van afkeuring en verzet te laten hooren; maar meneer François zat met zulk een gloeikop, dat de oogen hem uit het hoofd puilden, terwijl hij pertinent het spraakvermogen scheen verbeurd te hebben; en Donckers was een zonderlinge man: wijs en verstandig genoeg, maar altijd zoo precies, zoo voorzichtig, zoo al het voor en al het tegen wikkende en wegende, dat het oogenblik van daadwerkelijk handelen of spreken om zoo te zeggen nooit bij hem kon opkomen. Hij zat zich op zijn stoel te wringen en te grijnzen, nu eens ernstig, dan weer eigenaardig glimlachend; nu eens beslist opkijkend, als of hij eindelijk spreken zou, maar dadelijk weer grijnzend 't hoofd neerbuigend, als om te beduiden dat zwijgen toch maar 't beste was. Eindelijk merkte hij hoe allen, nu meneer François zoo verstompt zat, op een bemoedigend woord van hem wachtten, en dat gaf hem ook plotseling moed: hij streek de hand over zijn voorhoofd, keek hen in 't ronde aan en uitte, in langzame woorden, met een zucht als van bedwelming:

- 't Es hier toch oprecht te woarm in 't kastiel, mee da schoon zomersch weere.

Groot was de teleurstelling.

- Verdeeke! Dát durve ik toch euk wel zeggen! flapte Cocksken er uit.

Allen lachten even, hardop, behalve Donckers, die heel nijdig Cocksken aangrijnsde en meneer de pastoor, die zijn ooren spitste en wantrouwend schuins keek.

Mevrouw de baronnes, en ook het Barontje, hadden er gelukkig niets van gemerkt. Mevrouw de barones keek over de tafel rond, half opgestaan reeds van haar stoel, nog even, met licht-gefronste wenkbrauwen, wachtend op meneer François, die zijn laatste glas champagne in de hand hield maar niet scheen te kunnen besluiten om het uit te drinken. Hij deed het dan toch eindelijk, met inspanning, en morsend over zijn kin, alsof hij een pil met water inslikte: en nog vóór het glas weer op tafel stond, was mevrouw al overeind gerezen en had zij den arm van meneer de pastoor genomen.

* * * * *

In de hall stond de kuitenbroeklakei met koffie, likeur en sigaren te wachten. De kopjes waren fijn en klein en beefden op de schaaltjes, als de boeren die aannamen. Ze konden ze niet staande gebruiken. 't Was net of die kopjes er een eigen treiterige pret in hadden om maar telkens uit de stramme vingers van de boeren weg te glippen. Ze draaiden er even angstig mee rond en gingen eindelijk zitten in de rieten stoelen, bij de rieten tafeltjes.

Zij waren blij als de nietige kopjes ongedeerd op hun schaaltjes stonden en proefden rustiger van de likeur en smakten gul aan de lekkere sigaren.

Picavet en Van Speybroeck waren dadelijk door een zijdeur verdwenen en kwamen na een poos terug met minder benauwde gezichten. Cocksken wenkte oudervragend met het hoofd naar hen toe en, op hun bevestigend geknik, verdween hij insgelijks door de zijdeur. Al de anderen, vuurrood, met vlekken in 't gezicht en waterige oogen, zaten weldra in een soort comateuze-toestand, roerloos uit te puffen en te rooken.

Het gesprek concentreerde zich tusschen 't Barontje, den pastoor, meneer François, Donckers en beide dames. Mevrouw de barones deelde die heeren op een toon van officieele vertrouwelijkheid mede, dat de baron en zij inderdaad besloten hadden zich een automobiel aan te schaffen. Ja, zij hadden er lang over geaarzeld, nauwkeurig het voor en het tegen overwogen; de paarden werden oud en versleten, moesten vervangen worden, en 't werd zoo lastig om nog geschikte paarden te vinden, kortom, alles wel beschouwd hadden ze 't toch maar beter gevonden nu tot het nieuwe vervoermiddel over te gaan. Het was natuurlijk een heele zware uitgaaf, maar enfin 't zou ook iets nieuws zijn in de gemeente, iets moois, iets, waarvan de menschen zouden zeggen: "daar is vooruitgang in het dorp". Maar, natuurlijk, zoo iets moois en duurs mocht niet verknoeid worden, niet vies en beslijkt voor den dag komen; daar moest zorg aan besteed worden; zulk een mooie wagen moest een geschikten weg hebben om er overheen te rijden, en wat was er wel mooier en beter voor een gemeente, dan een keurig en gemakkelijk aangelegde weg, iets waar iedereen gebruik van maakt en dat een weldaad blijft voor altijd en voor alleman!

't Barontje wrong zich zenuwachtig op zijn stoel, beaamde de woorden van zijn vrouw, voegde daar nog overbodige, onbehendige beschouwingen aan toe, die dadelijk, met een koelen blik vol dubbel-arenddreiging werden afgescheept. Trouwens, die andere heeren waren het daar principieel wel mee eens: meneer François betuigde gewichtig dat een mooie, harde grintweg in het algemeen bepaald te verkiezen was boven een plasserigen modderweg en Donckers zat met gebogen hoofd te grijnzen en te glimlachen, dat hij ook die meening deelde; terwijl de verdere boerenleden, vaag-luisterend, stilaan tot een kudde samentroepten, met een bang gevoel van onderling steun zoeken in dreigend gevaar. Zij voelden zich volkomen weerloos, alle eigen wil of meening was door de dampen der digestie in hun brein verdoofd; zij snakten nu nog maar om weg te mogen gaan en buiten in de vrije lucht te zijn; zij waren tot niets anders meer in staat dan slaafsch en blindelings, op het eerste verzoek en tegen hun zin hun woord aan de gril of het verlangen van hun heerschers te verpanden; en toen mevrouw de barones zich eensklaps met haar liefsten glimlach en haar streelendst-schoone oogen van verleiding tot hun bange kudde omkeerde en vol bekoring uitriep: "Es 't nie woar Picavet, en Vreeze, en Speybroeck, en Cock, en gulder allemoal, dat die wig gemoakt moe worden?" knikten zij allen schuw en deemoedig als één man en lachten zelfs nog hardop in hun eigen lafheid toen Cocksken voor de grap uitschreeuwde.

- Bestel moar de zoavel en de stienen, mevreiwe, de boer zal 't ol betoalen!

* * * * *

Meneer de pastoor was opgestaan, als tot sein van den aftocht. Zijn koetsje stond al voor de stoep en hij nam afscheid van de dames met een diepe, hoffelijke buiging en van 't Barontje met herhaalden en knellenden handdruk, als om in vertrouwelijke geestdrift te betuigen, dat de zegepraal behaald was.

Achter meneer de pastoor drong de kudde der raadsleden. Mevrouw de barones glunderde van geluk, nog nooit was ze zoo mooi en verleidelijk geweest en zij drukte beurtelings al die ruwe handen, alsof 't van haar intiemste vrienden waren. En het Barontje jubelde; hij stond als 't ware in de hall te trippelen en te dansen, hij klopte zijn mannetjes op den schouder en nam hen vleierig bij den arm en op de stoep groette en wuifde hij hen nog na, tot ze buiten 't hek en in de oprijlaan verdwenen waren.

Eerst daar konden zij eindelijk weer op adem komen. Even namen zij nog diep den hoed af voor het voorbijrijdend koetsje van meneer den pastoor en toen bliezen zij uit met puffende zuchten en lieten de frissche lucht ruim in hun lang benauwde longen stroomen.

Net als bij hun aankomst, gingen zij eerst en vooral een poosje achter de boomen van de dreef staan. Daar werden zij eerst goed weer zichzelven als 't ware. Zelfs Picavet en Van Speybroeck, die het nu niet meer zóó benauwd hadden, deden toch ook, voor de gezelligheid, nog eens mee. Toen konden zij eindelijk praten.

Zij waren niets over zichzelf tevreden. Na eenig gegrijns en gezichtsvertrekken sprak Donckers het eindelijk in duidelijke woorden uit:

- W'hén ons doar 'n onveurzichtige belofte loaten afpersen.

Niemand protesteerde. Allen waren zich hun eigen lafheid goed bewust.

- Wa moesten we anders doen!" trachtte Picavet nog vagelijk te vergoelijken.

- 't Es de schuld van da vreiwevolk! viel meneer François eensklaps heftig uit. "Mee 't Barontje aliiene zoén w'al doen da we willen: moar zijn wijf, en die andere... en tons euk nog de páster....

Even praatten zij over de barones en allen vonden dat zij er zoo bizonder knap uitzag. Grondnagel stompte Cocksken in de zij en lachte.

- 'k Weinschte da 'k ik 'n kier veur nen dag 't Barontje woare. En gij?

- 'k Doe mee! riep Cocksken.

- 't Zoe dobbelen-oarend zijn mee ulder! schaterde Schouwvlieghe.

Allen moesten even hartelijk schaterlachen en dat luchtte hen wat op. Zij kwamen bij den ingang van het dorp, hielden zich daar weer deftig en kalm, zooals het raadsleden past, die van een diner op het kasteel terugkomen, en als van zelf, machinaal, zonder noodige afspraak, in kudde, zooals zij gekomen waren, trokken zij weer naar _Het Huis van Commercie_ om daar nog wat na te praten en wellicht een partijtje kaart te spelen.

Daar wachtte hen echter een verrassing, die zij wel zoo graag zouden misgeloopen hebben. Gansch alleen in de ruime, bruingerookte herbergkamer, nurksch met een pijp en een borrel aan een tafeltje, zat Plus-Que-Parfait zijn courant te lezen!

Blijkbaar zat hij daar op hun terugkomst te wachten; maar hij keek stug op alsof het hem niet schelen kon, beantwoordde kort en als 't ware onwillig hun groet, lei zijn courant even neer en nam die weer op, dronk zijn borrel leeg en bestelde er een versche, terwijl zij allen langzaam om hem heen draaiden en hier en daar, om zijn tafeltje en andere tafels, gingen plaats nemen. Er was een korte stilte; Fietje stond achter haar schenktafel in strak-roerloos-gespannen houding, alsof ze zich aan iets onaangenaams verwachtte; en toen lei voor de tweede maal Plus-Que-Parfait zijn dagblad neer, en slaakte nijdig-kort een spotlach, terwijl hij, met onverholen minachting Van Speybroeck aankijkend, hardop, als 't ware uitdagend, vroeg:

- Hawél, hét 't gesmoakt?

- Joa joa 't, meniere, antwoordde Van Speybroeck plomp en argeloos.

- En hoeveel hét 't gekost?

- Ha... ha... niemendalle, meniere, antwoordde Van Speybroeck gansch verlegen.

- Niemendalle!... Zelfs giene nieuwe stienweg?

Daar had je 't al! Ineens begreep Van Speybroeck heel duidelijk, en ook al de anderen begrepen. Weer was er een oogenblik stilte. Die heeren trachtten zich echter goed te houden en bestelden aan Fietje wat ze verlangden. Dat gaf een korte afwisseling, dat gunde althans tijd tot verzinnen en denken. Meneer François haalde heftig zijn schouders op alsof hij iets van zich afschudde en Donckers trok zuur-grijnzende gezichten. Maar Plus-Que-Parfait liet niet los; hij zat daar vinnig-kwaad te borrelen en hij raasde 't er maar ruw en onbeschroomd, nu tegen allen, uit.

- G'hêt ulder verkocht, 'k zie 't aan ulder smoel! Zij je nie beschoamd! Fietje, geef mij nog nen druppel.

- We'n hén wij ons nie verkocht, nondedzju! Wa es dá nou! beet meneer François, onder de beleediging ook eensklaps boos wordend, toe.

- Doar 'n komt dus giene stienweg? vroeg dadelijk raak-scherp Plus-Que-Parfait.

- Es 't hier meschien vergoarijnge van de gemienteroad? kaatste meneer François nijdig terug.

- Ge'n antwoordt op mijn vroage niet, gilde Plus-Que-Parfait. 'k Vroag ou of dat er gesproken es van ne stienweg te leggen in de kastieldreve en of da g'er veur of tegen zijt?

- 'k 'N hé doar niets op t' antwoorden! kreet meneer François met rood-gezwollen toornkop en keerde bruusk Plus-Que-Parfait den rug toe en verliet woedend de herberg.

Maar Plus-Que-Parfait triomfeerde. Hij wist genoeg, hij wist van buiten hoe het op 't kasteel gegaan was, schreeuwde hij; en nog eens verweet hij den leden hun lafheid en hoe onverantwoord het was tegenover hun kiezers de belangen van één enkele, en nog wel een rijkaard, die 't niet noodig had, boven het collectief belang van de gemeente te stellen.

De raadsleden, vooral de boeren, waren zeer ontdaan. Schouwvlieghe en Donckers, uit angst om het kasteel en ook veel uit angst om meneer den pastoor te dwarsboomen, poogden het nog even, hoewel schuchter, goed, te praten, maar de boeren, die er geen direkt belang bij hadden, voelden duidelijk hoe dat alles zeer verkeerd was. En van een anderen kant voelden zij ook wel, dat Plus-Que-Parfait daar zoo scherp tegen streed, niet uit zorg voor 't algemeen belang, maar omdat hij zelf de geldelijke middelen niet bezat om zich een auto aan te schaffen,... zij voelden en wisten dat alles, de boeren; maar zij voelden ook en bovenal hun eigen zwakheid en hun lafheid, hun ellendige, traditioneele, uit geslachten van slaven overgeërfde lafheid, die hen als weerloos vee aan al den dwang en al de grillen van hun heerschers onderwierp. Zij zaten daar, rood en dik en laf gegeven en gedronken, en langzamerhand, onder de striemende uitvallen van Plus-Que-Parfait, ontwaakte toch weer iets als een schim van verzet tegen wat hen op 't kasteel met sluwen list reeds halvelings was afgeperst. Halvelings, maar toch zonder stellige belofte noch verbintenis. 't Barontje, en vooral de barones en de pastoor waren slim geweest, maar ook zij konden slim zijn als 't hoefde, hun slimheid was zelfs 't eenigste verweermiddel dat zij nog bezaten; en terwijl zij nu rustiger, buiten de dwingende muren van 't kasteel over de zaak verder nadachten, kwamen zij van lieverlede tot de concluzie, dat ze feitelijk nog niet onherroepelijk verbonden waren, en rees meteen in hun beneveld brein de listige verzoeking op om terug te nemen wat ze nog niet gansch gegeven hadden. 't Was Cocksken, die dat plotselings verzon en zei; Cocksken, eigenlijk de grootste schuldige met zijn onnoozelen uitroep van "de boer zal 't al betalen". Dat was ook 't eenige wat bepaald als een belofte had geklonken; maar in den mond van Cocksken had het al niet veel beteekenis; Cocksken was een grappenmaker en hij had ook veel te veel gedronken toen hij 't zei,... neen, door dien gekken uitval van Cocksken konden zij zich niet gebonden achten; en eensklaps kwam er over hun benauwde groep als een vleug van onverwachte energie en spraken zij van misschien wel tegen Barontje's voorstel te stemmen, als hij er werkelijk in den gemeenteraad mee durfde voor den dag komen.

- Ulder woord! Ulder woord da ge 'r zilt tegen stemmen! riep Plus-Que-Parfait gansch opgewonden.

Dadelijk krompen zij weer als van schrik in elkaar.

Donckers trok grijnsgezichten, Picavet, Vreeze en Van Speybroeck keken angstig om zich heen en Cocksken schreeuwde iets onsamenhangends, dat niemand goed begreep.