Plus-Que-Parfait

Chapter 2

Chapter 23,899 wordsPublic domain

Dat was de laatste, gezamentlijke tocht van de drie heeren. Na dien dag reden zij weer ieder voor zichzelf uit en van de auto-jacht en –arrestatie werd niet meer gesproken. En feitelijk bleef er maar één slachtoffer in de geheele zaak: de veldwachter die er zijn baantje bijinschoot. Hij was zulk een verstokte dronkaard geworden en hij had 't Barontje en die andere heeren door zijn schandalig optreden zóó geërgerd en beleedigd, dat zij hem niet langer als beambte konden of wilden dulden.

Met Nieuwjaar werd hij afgedankt en op een klein pensioen gesteld. Het kon hem trouwens weinig schelen; hij had er al lang genoeg van, beweerde hij; en hij ving dadelijk een zaakje aan: een kruidenierswinkeltje met herberg, waarvan hij ook terstond een van de beste klanten werd. Hij bracht er nog een schalksche aardigheid bij te pas: hij doopte zijn vunzig kroegje _In de Auto_ en beweerde er vast op te mogen rekenen dat de drie heeren voortaan Fietje's herberg wel zouden verlaten om bij hem, als trouwe stamgasten, hun dagelijksche _stamenee_ te komen houden.

* * * * *

Intusschen scheen het wel of er langzamerhand iets in de wereld aan 't veranderen was. Er kwamen al meer en meer van die duivelstuigen langs de wegen; zij werden mooier en maakten veel minder gedruisch; de menschen, en zelfs de dieren gingen er van lieverlede aan wennen en in den geest van de bevolking kwam weldra belangstelling en zelfs bewondering in de plaats van haat en afkeer, terwijl het vage, nog onuitgedrukt verlangen van menigeen was: O, mocht ik daar toch eens in meerijden!

Aldus o.a. Fietje, uit _Het Huis van Commercie!_ Haast geen avond ging voorbij of Fietje begon er weer over: " O! da 'k ik ne rijken hiere woare gelijk gulder, dá zoe 'k toch euk moeten hen ". En geestdriftig ging ze daarop door: ze was in de stad geweest, zij had daar meer en meer van die auto's gezien: en zulke schoone! en zulke zachte!... en er waren er zelfs waar dames in zaten, ja, waarachtig, jonge, mooie dames, zoo met eigenaardige hoedjes en gekleurde voiletten over hun hoofd: en dat stond toch zoo lief en verrukkelijk! O! Fietje was er dol op: ze kreeg er 't water in haar mond van beweerde zij, zóó groot was haar verlangen, haar hopeloos verlangen om daarin ook eens mee te mogen rijden.

Die heeren zaten op hun ongemak onder zulk een hartstochtelijken vloed van verzuchtingen. Hun haat tegen het nieuw vervoermiddel bleef stug en onveranderd, maar van een anderen kant vonden ze 't heel naar, dat ze Fietje dit genoegen niet konden schenken: en nog veel naarder vonden ze 't, dat Fietje nu niet het minste genot meer scheen te vinden in de rijtoertjes waarop zij haar, stiekum voor elkaar, af en toe weer trakteerden, terwijl het reeds een paar keer gebeurd was, dat Fietje gewoonweg, en niet zonder een greintje minachting, voor de eer bedankte, en beweerde, dat ze net zoo graag te voet ging.

- C'est comme ma femme, schoot het Barontje op een avond verontwaardigd uit zijn slof. Si j'en croyais ma femme j'achéterais une auto dès demain!

Die beide andere heeren schrikten. Zou het dan toch waar zijn, wat sinds een tijdje in 't geheim verteld werd dat mevrouw de barones absoluut een auto wilde en dat 't Barontje, met of tegen dank, er wel eindelijk, en waarschijnlijk nog wel vroeger dan hij dacht, zou moeten aan gelooven.

Meneer François zei niets en dronk met gezwollen gezicht van zijn Borrel; maar Plus-Que-Parfait nam de gelegenheid te baat om eens en voor altijd, nijdig en krachtig, met een vuistslag op de tafel, te verklaren dat, wat er ook gebeurde, en al was hij de eenige en de laatste van de gansche wereld, hij nooit van zijn leven een voet in een van die smerige stinktuigen zou zetten.

VI

Er was geen twijfel meer mogelijk. 't Barontje, door zijn vrouw gepraamd, en misschien ook wel door men wist niet welke geheime neiging aangestuwd, ging zich een auto aanschaffen!

Er werd met volle zekerheid verteld, dat zijn paarden en spullen te koop waren en dat zijn koetsier al vast twee keer in de week naar de stad ging om het chauffeursvak te leeren.

Een woelige explicatie met zijn vrienden had in _Het Huis van Commercie_ plaats gehad: meneer François had er slechts op gezinspeeld, maar Plus-Que-Parfait had het hem, vlak op den man af, gevraagd; en 't Barontje had ja noch neen gezegd, en juist omdát hij ja noch neen zei, hadden zij duidelijk genoeg begrepen wat er van aan was en hem - vooral Plus-Que-Parfait, hun verontwaardigde verwijten niet gespaard.

't Barontje was even heel boos geworden.

- Elkendeen es toch zeker wel miester van te doen wat dat hij wilt! had hij trillend uitgeroepen.

Meneer François had daarop sprakeloos, met gezwollen gezicht, zijn borrel leeg gedronken, maar Plus-Que-Parfait was opgestaan en plotseling, zonder woord of groet, als in verklaarde vijandschap, vertrokken.

VII

't Kasteel van het Barontje was een mooi kasteel. 't Was mooi vooral door 't prachtig-uitgestrekte park vol reuzen van boomen, dat er omheen lag, doch het had één gebrek: het zat diep in de bebouwde akkerlanden weggedoken en was slechts door een mulligen, langen zandweg aan den grooten, geplaveiden verkeersweg verbonden.

's Zomers was dat nog zoo erg niet, hoewel lastig voor de paarden, want men waadde er diep door 't zand. Maar 's winters was het dikwijls niet te doen door modderplassen en vieze wagenspoorgeulen; en, voornamelijk voor mevrouw de barones, bleef het een durende ergernis, dat haar mooie rijtuigen toch nooit anders dan beslijkt en nat met haar heen en weer konden komen. Herhaaldelijk was er dan ook sprake van geweest, dat die ellendige weg eindelijk eens goed geplaveid of gegrint zou moeten worden; doch alleen 't Barontje had daar feitelijk belang bij; en tot nog toe, ondanks het sterk aandringen van zijn vrouw, was hij er nooit, in den gemeenteraad, officieel mee voor den dag durven komen. Hij vreesde ontstemming en impopulariteit van wege zijn ondergeschikten, een ontstemming, die zich wel eens door een nederlaag in de eerstvolgende verkiezingen zou kunnen wreken, en hij wachtte en tobde maar, loerend op een gunstig oogenblik, gesard en geprikkeld door zijn vrouw, nu eens durvend en dan weer niet durvend, zoodat het bleef hangen en sleepen, zonder tot eenig resultaat te komen.

Zoolang echter 't Barontje slechts paarden en rijtuigen voerde kon de weg, hoe ellendig ook, wel gebruikt worden; doch met een auto werd het eenvoudig onmogelijk. Die zou er in 't zand of in 't slijk blijven steken en er door eigen krachten nooit meer uitkomen. De vraag of het Barontje al of niet een auto zou koopen en gebruiken, was geheel en al afhankelijk van de vraag of de landweg die naar zijn kasteel leidde al of niet met grint of steenen of hoe dan ook hard geplaveid zou worden.

Dat wist meneer François, dat wist Plus-Que-Parfait, dat wist Jan en alleman in 't dorp, en iedereen wachtte, met oolijk verlangen, hoe 't Barontje het nu wel aan boord zou leggen om dàt te bekomen wat hij wenschte en volstrekt noodig had.

* * * * *

De dorpsgemeenteraad bestond, behalve 't Barontje, meneer François en Plus-Que-Parfait, verder alleen uit boeren. Hij telde elf leden, 't Barontje en de heeren inbegrepen en had voor vaste gewoonte, altijd en in alles, den zin van 't Barontje te volgen. Mocht er soms een neiging tot verschil van opinie voorkomen, dan ging 't Barontje even met meneer den pastoor spreken en alles kwam direct op orde. Doch nu in dit geval, was het zoo duidelijk en zoo absoluut een zaak van persoonlijk belang, dat meneer de pastoor, toen 't Barontje hem daarover ging onderhouden, zijn ernstige bezwaren niet bedwingen kon en geen stellige belofte durfde geven, dat hij 't Barontje onvoorwaardelijk hierin steunen zou. Hij raadde hem liever aan zijn vrienden en medeleden eens voorzichtig over de aangelegenheid te polsen en zijn verdere handelswijs eenigszins daarnaar te schikken.

't Barontje aldus door den behendigen pastoor met een kluitje in 't riet gestuurd, ging aan 't prakkizeeren hoe hij dat "polsen" wel zou kunnen aanpakken. Hij was niet zeer vindingrijk van geest, en ook niet bizonder slim of handig; hij begon er zoo een paar keeren over, met die heeren, zoo van heel héél verre, terwijl ze samen in _Het Huis van Commercie_ zaten, maar zonder eenig succes, want meneer François leek bepaald te plomp van brein om de bedoeling te snappen, terwijl Plus-Que-Parfait, die anders sluw genoeg was, zich van den domme hield, en trouwens in 't onderwerp van 't gesprek aanleiding vond, om nog eens kras en nurksch zijn gloeienden haat tegen het nieuw vervoermiddel te luchten. Dat vlotte dus hoegenaamd niet en 't Barontje keerde telkens onverrichterzake en chagrijnig op 't kasteel terug, waar mevrouw de barones hem op een meer dan zuur gezicht onthaalde. Er vielen zelfs onaangename woorden, 's avonds als zij alleen in hun kamer waren. Mevrouw verweet hem vrij kras zijn onbenulligheid, waarop 't Barontje vinnig riposteerde of zij het wellicht beter kon; waarop mevrouw de barones snibbig van ja antwoordde, dát ze 't werkelijk beter kunnen zou; waarop 't Barontje nog eens repliceerde, dat ze 't zaakje dan maar zelf moest aanpakken; waarop mevrouw uitdagend riep dat ze 't ook zóu aanpakken; waarop 't Barontje haar verwoed den rug toekeerde en zei dat zij 't dan ook maar doen moest en dat hij zelf er zich absoluut in 't geheel niets meer van aantrok.

Soortgelijke standjes gebeurden wel meer op 't kasteel; het ging er soms nogal luidruchtig toe, zoo, dat de bedienden het hoorden; en dat lekte dan wel eens uit tot in 't dorp, voornamelijk uit den mond der kamenier, die vertelde dat meneer en mevrouw op zulke avonden als den dubbelen, Oostenrijkschen arend te bed lagen; 't is te zeggen met den rug náár elkaar en met het aangezicht ván elkaar afgewend. Die spreuk was in 't dorp bekend; en niet zelden als't Barontje er wat chagrijnig en mevrouw er wat zuur uitzag, terwijl ze toch samen in hun rijtuig door de straten reden, werd er met leedvermaak stil-grinnikend gefluisterd:

- 't Hé nog ne kier den dobbelen-oarend geweest, gister oavend!...

Dat was het nu ook blijkbaar weer, en sinds verscheidene dagen al, want zij zagen er uit om elkaar te verscheuren. De barones, die een hautaine, mooie vrouw was, wel niet jong meer, maar elegant en knap, domineerde natuurlijk 't Barontje geheel, maar hij kon koppig zijn, als alle dommerikken, en 't duurde soms een heelen tijd vooraleer mevrouw er in slaagde die koppigheid te breken. Het eenige middel met hem was volhouden: hardnekkig en stug volhouden; maar dat kende mevrouw dan ook bizonder. Eigenaardig was 't dat zij hem in die oogenblikken om zoo te zeggen niet meer losliet en voortdurend met hem uitreed. Zij beroofde hem letterlijk van alle vrijheid. Stijf als twee vijandige poppen zaten ze dubbelarendachtig in het mooie rijtuig naast elkaar; en al de menschen die hen zoo zagen wisten dat mevrouw nog eens iets aan 't veroveren was, hetwelk 't Barontje slechts met hoogsten tegenzin, maar toch onder finale nederlaag zou toestaan.

Wat nu ook eindelijk weer gebeurde! Na enkele dagen van hopeloos rondtoeren vertoonde 't Barontje's gezicht opnieuw zijn gewone, onnoozel-verwonderde uitdrukking van glimlachende onbenulligheid--; en nog dienzelfden dag ging de nieuwe veldwachter rond, bij de wethouders en bij de gemeenteraadsleden, aan wie hij plechtig en gewichtig een gesloten enveloppe overhandigde, prachtig bestempeld met het wapen van 't kasteel.

VIII.

Ieder jaar had 't Barontje voor vaste gewoonte zijn wethouders en gemeenteraadsleden op een groot diner in het kasteel te nooden. Dat was goed, het hield den band aan, 't was telkens weer als een nieuwe bevestiging van heerschappij en invloed, want iemand die zoo in 't kasteel met den baron en zijn vrouw en zijn schoonzuster aan den disch had mogen zitten, iemand die daar al dat lekkers had gegeten en gedronken, iemand die door die prachtige, indrukwekkende zalen had gewandeld, voorafgegaan of gevolgd door gegaloneerde lakeien, zoo iemand kon toch heusch, vooral de eerste tijden niet, iets doen, in iets een stem uitbrengen, een houding aannemen, die zijn gastheer of gastvrouw op onaangename wijze zou verrassen. En, om aan de jaarlijksche gebeurtenis nog grooter plechtigheid te verleenen, werd ook telkens meneer de pastoor uitgenoodigd, die daar dan bij zat als een herder en een vader, vol zalving voor wie goed zijn vooruit aangewezen burgerlijken plicht betrachtte, vol stil verwijt en blaam voor wie ook maar eenige neiging zou vertoonen om tegen de traditioneele verwachtingen en gebruiken in te gaan.

Tot nog toe hadden bewuste feestmaaltijden altijd om en bij nieuwjaar plaats gehad. Dat leek wel zoo de best gekozen en geschikte tijd. Het was om zoo te zeggen de belooning voor het jaar van gewillige gehoorzaamheid dat pas verleden was en meteen een belofte in 't verschiet voor het jaar van gewillige gehoorzaamheid dat aanbrak.

Een ieder was daar in zijn schik mee, toegevend en vriendelijk gestemd en geneigd om alle mogelijke bezwaren over 't hoofd te zien. Telkens na die plechtigheid voelde 't Barontje zich gesterkt in zijn positie; telkens scheen de vage tegenkanting, die toch hier en daar, wel heimelijk stookte, voor maanden lang ontzenuwd en verzwakt.

't Was dan ook best te begrijpen, dat het Barontje ten zeerste op het in stand houden der jaarlijksche gebeurtenis, en wèl op vasten datum, om en bij nieuwjaar, was gesteld. Maar nu had mevrouw de barones er iets anders op verzonnen, en dit was het juist wat het Barontje zoo ontstemd, en zooveel dubbel-arend-avonden veroorzaakt had: mevrouw de barones, die een auto _wilde_, en, een auto willende, ook een harden weg tot aan haar kasteel hebben _moest_... mevrouw de barones had het plan geopperd dit jaar den traditioneelen feestmaaltijd drie maanden te vervroegen en daarmee invloed uit te oefenen op de gemeenteraadsleden om de aanbesteding van bewusten weg nog bijtijds op de jaarlijksche gemeentebegrooting, die weldra opgemaakt zou worden, ingeschreven te krijgen.

- Ze zullen niet willen! had het Barontje met beslistheid uitgeroepen.

- Ze zullen wel moeten willen, had mevrouw de barones uitdagend geantwoord.

- 't Is geld weggegooid, we zullen daarna toch nog ons nieuwjaarsdiner moeten geven, verzekerde 't Barontje.

- Eenmaal de begrooting gestemd geven we niets meer, zei de barones; en zelfs, al moesten we ook een tweede diner geven, nog ware 't geld geplaatst op hooge, op zéér hooge rente.

't Barontje was het daar in 't geheel niet mee eens, had allerlei bemerkingen en bezwaren, bromde, pruttelde en werd gedubbel-arend, tot het ten slotte overwonnen als altijd het hoofd in den schoot lei en de uitnoodigingsbrieven liet rondbrengen.

IX.

Klokslag twaalf, volgens onderlinge afspraak en traditioneele gewoonte, waren zij allen in de gelagkamer van _Het Huis van Commercie_ vergaderd. Daar vandaan zouden zij samen naar 't kasteel vertrekken. Allen? Toch niet. Eén ontbrak er: Plus-Que-Parfait!

Meneer François werd door de andere raadsleden ondervraagd. "Zou Plus-Que-Parfait niet komen? Zou het waar zijn, zooals in 't geheim verteld werd, dat hij de uitnoodiging niet had willen aannemen en dat 't Barontje en vooral mevrouw de barones daar ten hoogste ontstemd over waren?"

Meneer François kon in 't geheel geen opheldering geven. Hij had ook iets hooren verluiden, doch wist niets bepaalds. Alleen wist hij, dat Plus-Que-Parfait drie opeenvolgende avonden in _Het Huis van Commercie_ niet verschenen was. "Es 't nie woar, Fietje?" Fietje, die een paar raadsleden borreltjes inschonk, liet haar flesch op de schenktafel staan om zich in 't gesprek der anderen te komen mengen.

- Nien hij, sedert drei oavonden 'n was hij op stamenee nie mier gekomen: en dat 'n was in gien vijftien joar gebeurd! Dinsdag in den vooravond was hij er voor 't laatst geweest; en toen had hij een stuk papier in zijn hand, een soort van brief, dien hij eerst met aandacht gelezen en dan kwaadaardig aan stukken gescheurd en in de kachel gegooid had. 't Was eigenlijk heel jammer, zei Fietje nog, dat hij dien brief in 't vuur en niet in den kolenbak gooide; want uit den kolenbak had men nog de gescheurde stukken kunnen opgraven en ze weer aan elkaar plakken om te zien wat hem zoo boos had gemaakt.

De heeren raadsleden waren het met Fietje's beschouwingen volkomen eens, maar zij twijfelden niet, dat hetgeen Plus-Que-Parfait zoo nijdig aan stukken scheurde, de invitatie was; en, daar het zoo langzaam aan tijd begon te worden, besloten zij niet langer op de hoogst twijfelachtige komst van Plus-Que-Parfait te wachten; en, na aan Fietje hun gelag betaald te hebben, verlieten zij in kudde de ouderwetsche herbergkamer.

Zij waren al gauw buiten de kom van het dorp, hier en daar door enkele nieuwsgierigen van op hun drempels nagekeken, en kwamen in de lange, rechte beukendreef die ginds, heel in de verte, op het te nauwernood zichtbaar kasteel, als op een schitterend sterretje scheen dood te loopen. Toen zij voorbij Plus-Que-Parfait's villa passeerden, keken zij allen scherp op; maar 't buitentje lag als uitgestorven: geen levend wezen op het erf noch achter de ramen: die heeren zagen enkel hun eigen, gedrochtelijk-misvormd beeld, weerspiegeld in den glazen bol die prijkte boven 't spuitfonteintje, midden in het beton-vijvertje met roode visschen.

- Parti! zei meneer François, terwijl hij even lachte, met plompen lach.

Die andere heeren lachten ook wel eventjes, maar gedwongen, en schuw als 't ware, terwijl zij elkaar met vaag-wantrouwige blikken van terzijde aankeken. En inderdaad: daar betraden zij reeds het terrein waarover zij wel voelden dat het gaan zou: de weg, de akelige weg aan welks bestrating niemand iets had, maar die wel gehard moest worden, wilde 't Barontje er ooit met een auto overheen kunnen rijden.

In den grond van hun hart waren zij er tegen, allen. De boerenleden: Vreeze, Grondnagel, Magerman, Picavet, Cocksken, en Van Speybroeck, zoowel als de heeren- of- halve- heerenleden: Schouwvheghe, Donckers en meneer François, àllen, àllen waren zij er tegen, maar durfden niet, als Plus-Que-Parfait, hun meening openlijk uiten. Zij waren bang, zij waren schuchter, zij vreesden dingen die ze niet eens goed konden uitdrukken; vage schade of onaangenaamheden die over hen zouden komen als ze 't Barontje in zijn wensch dwarsboomden; en van een anderen kant voelden ze zich gansch onverantwoord tegenover hun kiezers; zij twijfelden geenszins of zulk een besluit zou hoogst onsympathiek ontvangen worden onder de bevolking; het waren alweer nieuwe lasten, door jan en alleman te dragen; kortom: 't was nutteloos en overbodig geld weggegooid en heimelijk waren zij meest allen heel blij dat Plus-Que-Parfait zulk een beslist-vijandige houding aangenomen had en hoopten zij maar dat die geduchte tegenkanting de plannen van het Barontje tenslotte verijdelen zou. Waarom ook liet het Barontje dien weg op eigen kosten niet hard leggen? Dat zou toch niet meer dan strikt billijk zijn. Hij toch, en niemand anders, had iets aan 't harden van dien weg.

't Kasteel blonk in de verte, tintlend-roze bezonneglansd, aan 't uiteinde der prachtige beukendreef in gouden herfsttooi. Het scheen hen allen te zien komen, en te coquetteeren en te souriëeren om hun komst, gelijk een mooie dame doet wanneer zij iemand wil verleiden. En reeds van verre geraakten zij onder den indruk: den indruk van beklemdheid, ongemak en vrees, waarmee ze daar die uren lang aan tafel zouden zitten.

Even gingen zij allen wat op zij van den weg achter de boomen staan. 't Was altijd goed die voorzorg te nemen, want je kon toch moeilijk midden in 't diner van tafel opstaan. Alleen Cocksken, die zich nooit erg geneerde, durfde dat wèl; maar het was ook duidelijk genoeg te zien dat mevrouw de barones zich daar telkens zeer over ergerde.

Ze kwamen terug in de laan, nog even de laatste knoopen dichtmakend, en heel correct en deftig nu, schreden zij door het wijd-openstaande ingangshek en sloegen rechts een mooie allee in, om den vijver heen. Trotsch kwamen de blanke zwanen langs den oever naar hen toegedreven, als 't ware vol toorn en verontwaardiging over zulk een plebeïsch bezoek; en 't oogenblik daarna beklommen zij de treden der monumentale stoep, waar 't Barontje, glimlachend in een grijs pak met witte vest en strooien hoed, al vast op hen te wachten stond.

Zij werden binnengeleid in de ruime, met bloemen en planten versierde hall, die door breede ramen en glazen deuren, uitzicht op het heel mooi park had; en dadelijk was daar een gegaloneerde lakei in kuitenbroek en witte handschoenen, die machinaal met glazen witte en roode port rondging en zwijgend sigaren en sigaretten aanbood, terwijl 't Barontje hen met vriendelijkheidspraatjes overraasde.

Die heeren bedienden zich en gingen zitten. Zij hadden het al dadelijk benauwd-warm daarbinnen, want ondanks 't mooie najaarsweer werkte reeds de centrale verwarming en zij konden niet goed tegen dat soort bedompte warmte, waaraan zij in 't geheel niet gewend waren. Dat ontnam hen als 't ware terstond, iets van hun zelfstandigen wil; 't viel als een verlammende drukking op hun oogen en de koppen glommen al, nog voor ze iets gebruikt hadden. 't Geraas van 't Barontje en de port en de sigaren deden 't overige. Wellicht hadden ze die beter niet genomen, maar 't leek zoo onbeleefd te weigeren, en ook, zij hadden niet eiken dag de gelegenheid.... Zij ledigden dus maar hun glaasje en, toen de zwijgende lakei voor de tweede maal rondging, lieten, onder Barontje's aandringen, de meesten zich ook nog een tweede maal inschenken.

Toen ging heel zacht een zijdeur open en glimlachend, in licht zij-geruisch, trad de barones te voorschijn, door mejonkvrouw Caroline, haar zuster, die permanant op het kasteel vertoefde, vergezeld.

Mevrouw de barones, hoewel niet jong meer, was een knappe en elegante vrouw, met grijzend haar en levendige wangen. Zij had bizonder mooie, violette oogen, die aan haar frisch gezicht een gansch aparte distinctie gaven en haar mond met gave, witte tanden kon zeer bekoorlijk glimlachen. De meeste buitenheeren en boeren vonden haar wel wat te mager, maar begrepen toch heel goed dat het Barontje bij haar onder de plak zat en dat de wat lang volgehouden dubbel-arendstraf hem gansch niet onverschillig liet.

Mejonkvrouw Caroline leek op haar oudere zuster, maar niet in 't mooie. Het was zoowat 't zelfde figuur en 't waren ongeveer dezelfde trekken, maar heel veel minder fijn en gaaf en regelmatig. Het was alsof de natuur met kunstenaarsliefde de beide zusters uit één en dezelfde stof onder precies gelijke vormen had geschapen en dan de eene zoo in haar frissche schoonheid had gelaten, terwijl de andere door een vandalenhand verfrommeld en verknoeid werd. 't Gezicht was minder frisch en meer gerimpeld, de oogen leefden niet, de glimlach bleef zonder bekoring en over het gansche gelaat lag als 't ware de geconsterneerde uitdrukking van iets dat eindeloos lang verwacht en nooit gekomen was. Mejonkvrouw Caroline leek wel de karikatuur van mevrouw de barones en bij den eersten oog-opslag begreep men duidelijk dat de eene ontelbare aanbidders of bewonderaars moest hebben, terwijl de andere door de natuur was voorbestemd om alleen de wrangheid van het celibaat te proeven. Soms verbaasden zich de menschen, dat de keuze van de mooie barones op een zoo onbenullig ventje als 't Barontje was gevallen. Dit had echter een grondige reden: mevrouw de barones, van burgerlijke afkomst, was door 't prestige van den adelstand verblind geweest. Zij had het Barontje gehuwd om den titel, en ook om 't fortuin; en, te dien einde de voorname deftigheid er in haar omgeving in te houden, liet zij haar zuster, die haar eigen, burgerlijken jonge-meisjes-naam toch droeg, in plaats van juffrouw, steeds mejonkvrouw noemen.