Plus-Que-Parfait

Chapter 1

Chapter 13,817 wordsPublic domain

Produced by Johan Boelaert

PLUS-QUE-PARFAIT

DOOR CYRIEL BUYSSE

1920

[Noot: de omslag vermeldt het jaar 1920 als uitgavejaar, de titelbladzijde het jaar 1919.]

I

Plus-Que-Parfait is verleden week gestorven en begraven...

Plus-Que-Parfait is gestorven als slachtoffer der automobiel. Niet dat hij in een ongeluk is omgekomen: de ramp, waaronder hij verloren ging, was van meer gecompliceerden aard: Plus-Que-Parfait is langzaam aan te niet gegaan als moreel slachtoffer van de automobiel.

* * * * *

Plus-Que-Parfait bewoonde, in een vrij aanzienlijk en fraai dorp, een kleine, witte villa, met een nog al mooien tuin. Het was wel geen kasteel, zooals daar waar zijn vriend 't Barontje woonde: zelfs geen "kasteelken", gelijk de woning van zijn anderen vriend, meneer François: maar 't was toch meer dan een gewoon dorpshuis, zooals ze soms bij tientallen in de rij der andere huizen staan.

Plus-Que-Parfait's woning stond alleen, midden in een tuintje, en dat gaf er iets aristocratisch aan, en wettigde als 't ware Plus-Que-Parfait's vertrouwelijken omgang met de twee andere aristocraten der gemeente: 't Barontje en meneer François.

Plus-Que-Parfait heette natuurlijk niet Plus-Que-Parfait. Hij droeg een anderen naam, doch haast geen mensch in het dorp kende dien naam of was hem vergeten, zoo gewend waren ze hem altijd Plus-Que-Parfait te noemen en te hooren noemen.

Hij werd Plus-Que-Parfait genoemd omdat alles aan en van hem zoo keurig in de puntjes af was. Zijn huisje was klein, maar 't glinsterde, zijn tuintje had je in een paar minuten rondgeloopen, maar geen stroohalmpje lag op de paden, en op zijn kleeren was geen vlekje noch geen stofje te bespeuren.

Dat alles reeds maakte hem Plus-Que-Parfait; maar wat hem nog Plus-Que-Plus-Que-Parfait maakte, dat was zijn luxe, de eenige luxe, die hij zich, met een nog al schraal inkomen, veroorloven mocht: zijn paard en rijtuig.

Hij bezat er maar een: een dogcart!

Een dogcart, zwart-gelakt langs buiten, donkerblauw van kussens en fonkelgeel van wielen. Het paard, dat in de gele draagboomen liep, was een hooge, bruine baai met glimmende robe, 't harnas blonk als een spiegel en in het hoofdstel staken altijd rechts en links, koketterig twee roode rozeknopjes, als een gedistingeerde hulde van bewondering en liefde.

Daar zat Plus-Que-Parfait als op een troon van glorie, met een knechtje naast zich.

Plus-Que-Parfait lang, mager, fiks, correct, met de teugels in de bruin-geschoeide handen en de lange, fijne zweep rechtop aan zijn zijde. Het knechtje schraal, klein, ineengedrongen, het bleek gelaat bijna onzichtbaar onder de ronde, stijve, donkere livrei-pet, met geel biesje en vergulde knoopen. Zij reden door het dorp, Plus-Que-Parfait strak-groetend met zijn zweep, het knechtje roer- en als het ware levenloos, gelijk een verschrompelde mummie.

Zij reden naar de andere dorpen, zij reden naar de stad, zij reden voorbij het kasteel van 't Barontje en voorbij 't "kasteelken" van meneer François. Zij reden elken dag, om zich te vertoonen, om te genieten van de naar het hoofd stijgende glorie hunner ongëevenaarde Plus-Que-Parfaitheid, De menschen keken hen na, staakten hun werk op den akker, bleven staan langs de straten, 't was een genot van alle oogenblikken, een dagelijksche triomftocht, die soms eindigde in een soort apotheose wanneer zij onderweg de rijtuigen van ’t Barontje en meneer François ontmoetten en zoo met hun drieën achter elkaar, in 't avondgoud der ondergaande zon, in 't geglinster der paneelen en 't getrappel van de hoeven, tusschen de dreunende huizen huiswaarts keerden.

* * * * *

's Avonds, elken avond, geregeld als de gang van een klok, ontmoetten zij elkaar dan weer tusschen acht en negen, in _Het Huis van Commercie_, de voornaamste en deftigste herberg van het dorp. Plus-Que-Parfait en meneer François waren vrijgezellen, het sprak dus van zelf dat die hun avonden in de herberg doorbrachten.

Maar 't was toch wel te begrijpen, dat ook 't Barontje er geregeld kwam; zijn vrouw had den naam erg capricieus en lastig te zijn; zijn schoonzuster, die 't gansche jaar bij hem inwoonde, hopeloos saai en zeurig.

De avonden op 't kasteel moesten soms gruwelijk vervelend zijn, zoodat 't Barontje er maar liefst van door ging, om zich ongedwongen en gezellig bij zijn trouwe vrienden aan te sluiten.

Daar zaten zij hun drieën aan een tafeltje, in de ruime, slechtverlichte en doorrookte koffiehuiskamer, meestal alleen met kroegbaas, vrouw en dochter, een enkele maal ook wel met een of anderen dorpsheer, die even bij hen toegelaten werd, maar dien zij toch altijd min of meer uit de hoogte behandelden, en desnoods op een afstand hielden, zoodra hij maar eenige neiging toonde om wat familiaar te willen doen. Zij speelden hoegenaamd geen enkel spel, zooals meestal de andere dorpsnotabelen wel deden; zij praatten maar en rookten onophoudend, en hoe 't gesprek ook aangevangen werd en zich ontwikkelde, altijd en altijd liep het tenslotte op het zelfde thema uit: de paarden!

Nooit geraakten zij daarover uitgepraat.

Iederen avond kwamen zij aanzetten met hun wederzijdsche hippysche ervaringen van den dag en dat was altijd weer iets nieuws en dat was altijd weer het zelfde.

't Barontje, die drie paarden had, wist natuurlijk het meest te vertellen.

Dat was dan ook een door de twee anderen eerbiedig erkend voorrecht. Zij luisterden gewetensvol en gewichtig en waagden 't niet te onderbreken, zoolang 't Barontje aan 't verhalen was.

't Barontje was een nietig ventje van een zestigtal jaren, een onnoozel gezicht met verwonderde oogen, een gezicht dat altijd in dezelfde dwaze lachplooi stond, alsof het aanhoudend de grappigste dingen bijwoonde. Wat het Barontje vertelde klonk dan ook altijd als een scherts, zelfs als hij ernstig en gewichtig wilde doen. Zoo had hij geen voornaam voorkomen en ook in zijn kleedij was hij vrij slordig, heel wat minder in de puntjes dan zijn vriend Plus-Que-Parfait. Maar over hem was het prestige van zijn naam, zijn titel en fortuin en dat was wel voldoende om hem op zijn eerste plaats te handhaven.

Meneer François, die twee paarden bezat, vertelde als 't Barontje zweeg.

Hij was kort van gestalte en nog al zwaarlijvig, met vierkantbreede schouders en een ingedrongen hals, waarover 't blonde krulhaar in zijn nek opkroesde. Hij had fletsblauwe vischoogen, die strak en waterig stonden achter het lorgnet, en als het zoo omstreeks tien uur begon te worden, kregen zijn verhalen doorgaans iets haperigs en onduidelijks, alsof hij niet goed meer zijn woorden kon vinden. Ook hij leek nooit buitengewoon keurig in zijn kleeren, en er was iets bijzonder griezeligs aan hem: een akelig-lange nagel aan zijn linkerpink, waarmee hij coquetteerde en dien hij geregeld begon schoon te maken en te poetsen, eenmaal als het om en bij tien uur werd en er iets neveligs en verwards in zijn verhalen kwam.

En zoo was het tenslotte Plus-Que-Parfait, die slechts één paard bezat en een gering vermogen had, verreweg de elegantste en meest correcte van de drie: lang en slank van gestalte, met grijzende snor, 't gezicht vrij stug en grimmig, als leefde hij in stil-aanhoudende verbolgenheid over een noodlot, dat hem materieel ondergeschikt maakte aan de twee anderen; trotsch niettemin, geweldig trotsch op wat hij toch nog was en had en kon bereiken: een soort verwoeste donquichotte-type, elk oogenblik klaar om over hersenschimmige kleineering wraak te nemen.

Zij zaten daar, en sneden tegen elkander op, onder het rooken en drinken van glazen bier en borrels, en als er niemand anders in de herberg was voor wie zij konden geuren, dan snoefden en geurden en sneden zij op voor den baas en de bazin en voornamelijk voor Fietje, de dochter.

De herbergier en zijn vrouw waren twee boersche, plompe lui, maar Fietje was een juffertje, een nufje, de elegante van het dorp.

't Gezicht was niet bepaald mooi, een beetje zuur en zeurig, met te kleine oogjes en te dunne lipjes, maar zij had wel een goed figuur, fijn en lenig, en zij had ook allure, zoo'n manier van zich te houden en te bewegen die de boeren ergerlijk aanstellerig vonden, maar die, daarentegen, de drie oude heeren heimelijk in verrukking bracht. Fietje was zoo'n beetje voor hen als een steedsche oase in de woestijn van 't buitenleven en 't had ook waarde omdat zij daar de eenige van haar soort was en daarbij tot een stand behoorde, waar zij zelven gansch vrij en ongegeneerd mochten mee omgaan. Vooral wanneer Fietje op haar best gekleed te voorschijn kwam, met hoed en voile en mantel, was het, uiterlijk, een dame, absoluut een dame, en--maar dat wisten ze voor elkaar wel te verzwijgen--meer dan eens reeds was 't gebeurd dat, èn 't Barontje, èn meneer François èn zelfs Plus-Que-Parfait haar ergens onderweg in hun rijtuig oplaadden en er een heel eindje mee rondtoerden. Daar bleef het trouwens bij: Fietje was slim genoeg om geen domme dingen te begaan, en de drie oude heeren vroegen ook al niet veel meer dan wat met haar te mogen geuren, zoodat door-gaans wel-ingelichte, ernstige menschen met grond van waarheid mochten beweren, dat het niets dan vuige laster was wanneer verteld werd,--want dat werd wel eens verteld--dat Fietje, voor bewezen diensten, nu eens van 't Barontje een nieuwen hoed, of van meneer François een bont, of van Plus-Que-Parfait een paar handschoenen cadeau gekregen had.

II

Zoo ging dat leventje dag in dag uit zijn gang en alles deed vermoeden dat het zoo nog lange jaren door kon blijven duren, toen, op zekeren avond, het Barontje gansch ontsteld en opgewonden in _Het Huis van Commercie_ aankwam en daar een gecompliceerd en akelig verhaal begon te doen, waarvan de anderen eerst niets begrepen.

In den frisschen winterochtend was 't Barontje, als naar gewoonte, met zijn tweespan uitgereden. De paardjes draafden er lustig op los. De schimmel, die rechts liep, en een wijs, bezadigd beest was, hield er de regelmaat in, die anders wel eens door den wispelturigen vos kon gestoord worden. Het vroor, de lucht was helder, met blauwachtige nevels in de verten en de vlugge hoeven klepperden pittig op het hard plaveisel, terwijl de wielen ratelden. De schimmel, die reeds oud en bijna wit van robe was, leek, in het winterlandschap, als een onbewogen sneeuw- of ijspaard, maar de warme rug van 't vurig vosje glom en dampte, en door zijn rood-opengesperde neusgaten, blies het zijn forschen adem in twee grijze rookkolken, als de uitlaat van een stoommachien. Blijkbaar was het beest gekitteld door de prikkelkoude lucht en 't Barontje had af en toe wel last om het behoorlijk onder tucht te houden.

Eensklaps, langs een langen, rechten weg tusschen twee bevroren slooten, hoorde 't Barontje, ver achter zich, een dof maar woest gedruisch opgaan. Schichtig keek hij om, zag ginder in 't verschiet over den weg iets zwarts aankomen, dat griezelig snel scheen te naderen.

- Wat és dat! riep 't Barontje tot zijn lakei, die naast hem zat. Maar hij kon naar 't antwoord niet goed luisteren, hij had alle moeite om den vos, die verschrikt begon te wippen en te springen, in te toomen en steeds naderde sneller en sneller het helsch gevaarte, in toenemend gedreun en gedruisch. De strak gespannen teugels trilden in 's Barontje's knellende handen, hij had bijna geen kracht genoeg om ze te houden, en moest zich met zijn beide voeten schrap zetten tegen de voorplank, want ook de oude, anders altijd wijze schimmel deed nu zenuwachtig-opgewonden: en plotseling was 't of beide dieren gek werden: gestrekt als schichten schoten zij op hol, zóo onverwacht en geweldig, dat ze 't Barontje van zijn zitplaats hadden weggerukt, indien de lakei hem niet met plotsen, forschen greep bij den linkerarm had vastgehouden.

't Barontje gilde. Hij gilde als krankzinnig, zijn beide handen om de leidsels heen geklemd, op en neer schokkend gelijk een dolle pop in 't hotsebotsend rijtuig: en meteen bralde hij onsamenhangende verwenschingen uit: cochons! saligauds! smeirlappen! hoewel het helsch gevaarte nu ver achter hem gebleven was en hij er zelfs niets meer kon van zien of hooren. Zijn hoed vloog af, hij greep er naar, zonder hem te vatten en tegelijkertijd was 't alsof de bliksem krakend over het tweespan neersloeg: de paarden sprongen op zij en vielen in een sloot, waarvan het ijs uiteenbarste, terwijl Barontje, knecht en rijtuig met de spartelende dieren in het gruwelijk koud water neerplonsden.

Een boerderij stond daar vlak in de buurt en menschen kwamen ter hulp gesneld. Ook het duivelstuig, dat de paarden had doen schrikken, naderde, in orkanisch lawaai, maar nog vóór het bij hen kwam, was 't Barontje, druipend als een slijkhond uit de sloot gesprongen en brulde razend, met heesche keel,: " Sloebers! Smeirlappen! Cochons! Cannailles! Arrètez-les!" terwijl hij met wijd-uitgestrekte armen midden op den weg ging staan, om ze tegen te houden.

Het monsterding had stilgehouden, maar bleef inwendig voortdreunen en stompen en ploffen. Twee mannen met neergetrokken petten en groote brillen zaten er als duivels in verborgen, en een van hen, groot en forsch van gestalte, kwam woedend naar 't Barontje toe en vroeg hem op dreigenden toon en met geknelde vuisten wat er scheelde en waarom zij uitgescholden werden.

't Barontje stotterde, wist niet goed wat geantwoord, herhaalde slechts, bevend en bibberend, dat ze zijn paarden hadden doen schrikken; dat hij de burgemeester der gemeente was, dat hij hun naam wilde kennen en zij de schade aan paarden en rijtuig zouden betalen.

Een spotlach sloeg 't Barontje in 't gezicht en voor alle antwoord steeg de forsche kerel weer in zijn duivelstuig, dat plotseling als dol begon te ploffen en te razen en letterlijk op het Barontje en de boeren die hem ter hulp stonden, afsprong.

Met een angstgil vlogen zij uit elkaar, terwijl het monsterding, in rook en vlammen en walmen gehuld, verder den weg op stoof.

Dat was de eerste kennismaking van 't Barontje met het toen pas ontstane, nieuw vervoermiddel, waarvan hij reeds vagelijk gehoord had, maar ervan gehoord als van iets onzinnigs, als van een gekken-uitvinding, die zeker nooit in de praktijk en in elk geval nooit op zijn rustig, ouderwetsche dorp zou komen.

III

Toen het Barontje dus dien avond bij zijn vrienden in _Het Huis van Commercie_ kwam, hadden dezen natuurlijk al lang van het geval gehoord, maar toch trilden zij van nieuwsgierigheid en ontroering, om alles nog eens uit zijn eigen mond te vernemen.

't Barontje was dan ook zelf nog gansch onder den indruk en ziedend van woede, omdat de boeven, zooals hij ze noemde, ongestraft ontsnapt waren. Hij had den veldwachter last gegeven ze aan te houden als ze nog terug kwamen, doch die maatregel voldeed 't Barontje maar half wijl hij nu bij ondervinding wist dat 't niet zoo makkelijk ging. Er moesten krassere middelen getroffen worden.

- 'k Zoe z' omverre schieten! riep eensklaps Plus-Que-Parfait met een vuistslag op tafel.

Meneer François knikte goedkeurend. Dergelijke schurken hoefden niet gespaard te worden. Ook de kroegbaas, zijn vrouw en Fietje, die zich in het gesprek mengden, waren 't daar heelemaal mee eens. Alleen 't Barontje, als wettelijk hoofd der gemeente, voelde eenige aarzeling.

- We moèn toch zien da w' in 't kot nie'n geroaken, meende hij.

- Steekt de sloebers zelf in 't kot viel de herbergier plomp-lachend in.

't Barontje werd even ongeduldig. Hij kon den familiaren toon van den boerschen herbergier en zijn vrouw nooit goed uitstaan. Alleen Fietje mocht altijd, als ze wilde, meepraten. Hij begon tegen zijn vrienden Fransch te spreken, om de anderen uit het gesprek te mijden; en even zaten zij daar met hun drieën rond het tafeltje, de kwaadaardig-roode koppen naar elkaar geneigd, de wenkbrauwen gefronst, in gewichtig, zenuwachtig-opgewonden redeneering verdiept.

Het duurde lang, heel lang, vooraleer ze 't over een vast te stellen gedragslijn heelemaal eens waren. Meneer François en 't Barontje moesten zichzelven herhaaldelijk, met flinke borrels, moed inpompen, en zelfs Plus-Que-Parfait, die in zijn correctheid anders nog al sober was, liet meer dan eens Fietje met haar flesch naar hem toe komen. Eindelijk was 't gevonden! Behalve de veldwachter, die scherp moest toezicht houden en alom over de wegen patrouilleeren, zouden de drie heeren voorloopig elken ochtend, op jacht naar den vijand, met hun drie rijtuigen achter elkaar, samen uitrijden. Ze zouden gewapend zijn met revolvers en geweren en, zoodra de vijand verscheen, met zachtheid of geweld hem den weg versperren en hem tegenhouden. Zij waren niet bang: zij hadden drie rijtuigen tegen één auto en, met hun knechten inbegrepen, zes mannen tegen twee! De schurken mochten nog eens komen: ze zouden flink ontvangen worden!

IV.

Zoo werd gedaan. Dag aan dag, op vaste uren, zag men het drietal er van door trekken. Vooruit reed 't Barontje, met zijn phaëton en twee paarden; daarna meneer François, nu eens met één paard, dan ook wel eens met een tweespan; en Plus-Que-Parfait sloot de rij, roerloos-fiks en correct in zijn dogcart, naast zijn nietig knechtje. Het was een heele opschudding, de eerste keeren, de gansche straat stond uit, half bang, half grinnikend. Wat zou er wel gebeuren als eens plotseling een van die griezelige duivelstuigen kwam aansnorren? Een woest gevecht met pistool en geweerschoten? De menschen ijsden ervan. Maar de dagen verliepen en nooit gebeurde er iets; de heeren kwamen terug zooals ze vertrokken en die dagelijksche optocht werd wel eenigszins belachelijk, vooral toen de veldwachter, die rusteloos over de wegen werd vooruitgestuurd, weldra in oproerige opwinding geraakte en zich niet geneerde om te verklaren, dat die heeren stapelgek geworden waren en hij er het baantje zou aan geven als het zoo nog lang moest blijven duren. De boeren hadden daar heimelijk pret om, zij onthaalden den veldwachter op borrels, met het gevolg dat hij al spoedig dronken werd en er dan maar brallend liep op los te schelden en te vloeken en ten slotte elken middag waggelend, onder het spotgejoel der straatjeugd in het dorp terugkwam.

Trouwens, die heeren zelven, begonnen weldra het belachelijke en ook het ongezellige van hun onderneming in te zien. Zij waren telkens blijde wanneer zij, van de spottende blikken verlost, uit de dorpskom kwamen; en hun ritjes, die zij anders zoo aardig vonden, hadden voor hen alle bekoring verloren, nu zij, om zoo te zeggen aan elkaar gebonden waren. Er was niets geen verrassing meer in, de een volgde maar sjokkend op de andere, als in 't leibandje gehouden: zij waren hun vrijheid en individueele fantasie kwijt, want de een kon immers nooit iets doen, dat niet door de anderen opgemerkt en misschien wel afgekeurd zou worden. Het sterkst liet zich dat voelen op een ochtend, toen zij eensklaps, in 't volle veld, verre van menschen en huizen, Fietje over den steenweg vóór zich uit zagen loopen. Fietje haastte zich blijkbaar naar het stationnetje toe om den trein te halen en de gelegenheid was als geknipt om haar zoo maar dadelijk op te laden.

't Was of de paarden van 't Barontje van zelf even ophielden: en Fietje ook, glimlachend, groetend, werd als 't ware magnetisch tot den phaëton aangetrokken. Maar het Barontje durfde niet, ter wille van de twee anderen, die ook op hun beurt niet durfden ter wille van ’t Barontje; en alle drie voelden zich zóó vernederd en chagrijnig onder de verbaasde en teleurgestelde blikken waarmee Fietje hen nakeek; allen hadden zóó geweldig innerlijk het land aan elkaar, dat ze den ganschen verderen ochtend geen woord wisselden en totaal ontstemd en nurksch tegen den middag in het dorp terugkwamen.

Doch daar gebeurde nog 't vernederendst van al, inzonderheid voor het Barontje: eensklaps, terwijl de rijtuigen om den boek der Groote Dorpsstraat heendraaiden, weerklonk in de verte, dichtbij het plein, dat zwart van menschen stond, een luidsnorrend geraas; en dát, wat de drie heeren al sinds weken langs de wegen vruchteloos zochten: een van die afgrijselijke monstertuigen, die menschen en dieren schrik aanjaagden, een auto, kwam op hen afgestoven.

Met een ruk hield 't Barontje zijn tweespan in en stak met een dreigenden zwaai een hand in de hoogte. Meneer François was al vast van zijn bok gesprongen en Plus-Que-Parfait, de teugels aan zijn knechtje overhandigend, bukte zich naar het taschje, waarin zijn revolver zat.

- Au nom de la loi, arrétez! gilde de krijschstem van 't Barontje,

De paarden trappelden en snoven: de lakei, die ze bij de gebitten vasthield, kon ze met moeite in bedwang houden. Heel langzaam, voortdurend nog zijn vaart vertragend, kwam de auto, tusschen een dubbele rij, als in schrik verstomde en versteende nieuwsgierigen, aan.

't Was niet dezelfde als de eerste maal. Het was een grootere en ook een Mooiere; maar evenals de eerste, was hij slechts bezet door twee mannen, onkenbaar vermomd onder neergetrokken petten en enorme stofbrillen. - Au nom de la loi, arrétez! herhaalde met heesche stem het Barontje, bleek als een lijk.

De auto stopte, vlak vóór de trippelende paarden. De man, die aan het stuur zat, nam pet en bril af; en 't flink en knap gezicht, dat daar van onder kwam, lachte 't Barontje kalm en grappig aan, terwijl een frissche stem helder opgalmde:

- Héhé, mon oncle, vous voulez donc nous mettre en prison!

Een kreet was door de menigte opgegaan; gevolgd door een uitbundig-vroolijk gelach. En inderdaad: de knappe, jonge man, die in de auto zat, was niemand anders dan 't Barontje's eigen neef, zeer goed bekend op 't dorp en wonend enkele uren daar vandaan, op het kasteel van een andere gemeente, waar hij ook burgemeester was.

't Barontje wist zich bijna goed te houden. De onverwachte ontmoeting bracht hem zoo reddeloos en zoo totaal van streek, dat hij even niets meer deed en niets meer zei. Zijn zotte oogjes spalkten zich wijd open en zijn mond bleef gapen, zonder een klank te uiten.

Hij glimlachte, waarachtig, met zijn gewoon onnoozel en verwonderd Lachje; hij drukte de hand van zijn neef, die naar hem toegekomen was en vroeg hem, als om iets te vragen, of hij op 't kasteel zijn tante had bezocht, waarop de vriendelijke jonge man bevestigend antwoordde. 't Barontje betuigde zelfs even belangstelling voor de auto, dat gruwelding, op welks vernietiging hij dagen lang te velde trok; en ten slotte stelde hij zijn beide vrienden voor: meneer François, die plomp en boersch zijn hoed afnam, en Plus-Que-Parfait, de eenige die niet uit zijn lood geslagen was en nog al sec teruggroette.

Zoo stonden ze daar enkele oogenblikken, omringd door de oolijk-grinnikende en gonzende volksmassa en toen liet de jonge man beleefdheidshalve eerst de rijtuigen vertrekken, waarna hij zelf weer aanzette, in geplof en geraas, onder het vroolijk-opgalmend gejoel van twintigtallen meehollende straatbengels.

Zij werden al gauw achterwege gelaten, maar toen zij terugkeerden hadden zij den veldwachter in hun midden, stomdronken, waggelend over de gansche, breedte van de straat, waar bij, beslijkt en nat, af en toe in de riolen struikelde en neerplofte. Hij had de auto gezien en riep aanhoudend, met dronkemanshalsstarrigheid: Vivat de auto! Vivat de auto! En zoo geëscorteerd, door 't joelende gepeupel, strompelde hij tot aan 't Gemeentehuis, om daar aan 't Barontje zijn verslag in te dienen, beweerde hij: zijn verslag dat hij de auto gezien had en dat al de menschen in het dorp voortdurend riepen: Vivat de auto! Vivat de auto!

Maar noch 't Barontje, noch meneer François, noch Plus-Que-Parfait waren ergens meer te zien.

V.