# Pisa De Aarde en haar Volken, 1887

## Part 6

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/pisa-de-aarde-en-haar-volken-1887-13902/index.md

Hoe is het gekomen, dat eene vroeger en gedurende vele eeuwen zoo energieke, zoo ondernemende, vurige, steeds tot krachtig handelen vaardige, naar roem en glorie dorstende stad aldus haar karakter heeft kunnen verloochenen en in dommelende sluimering wegzinken? Op het eerste gezicht zou men geneigd zijn, dit raadselachtige verschijnsel toe te schrijven aan de overmacht van het uit zijn aard weinig rumoerige, aan den rustigen sleur gewende administratieve en bureaukratische element. En inderdaad, in spijt van eene voor eene italiaansche stad vrij talrijke joodsche kolonie--reeds in de vorige eeuw telde men te Pisa zes- à zevenhonderd Joden,--treden handel en nijverheid geheel op den achtergrond voor het zeer talrijke ambtenaarspersoneel, dat in deze hoofdstad van eene prefectuur eene hoofdrol speelt.--Vooreerst heeft men de prefectuur met al wat daaraan verbonden is; dan de burgerlijke rechtbank met negen rechters, een kanselier en vier leden van het parket; voorts het hof van assises en de pretuur, met den onmisbaren nasleep van advokaten, ten getale van drie-en-zestig, waarvan sommigen echter te Volterra of in de omstreken wonen; van procureurs (_procuratori_), ten getale van vier-en-zestig; van _causidici_ (zes) en van notarissen (vijftien). Een tweede groep bestaat uit de ambtenaren der domeinen, der registratie, der hypotheken, van het kadaster, van de belastingen.--Dan komt in aanmerking de Universiteit, met haar zestig hoogleeraren en een twintigtal ambtenaren van verschillenden rang; vervolgens het personeel van het lyceum, van de normaalschool, van het seminarie, van het weeshuis, van de gasthuizen en andere liefdadige gestichten en inrichtingen. Het aantal leden der reguliere en wereldlijke geestelijkheid bedraagt ruim vijfhonderd:--in 1852 telde men vijfhonderd een-en-dertig geestelijke broeders en zusters, en na de opheffing der kloosters is--zoo als zich liet verwachten--dit aantal aanmerkelijk geklommen.--Ondanks de spreekwoordelijke gezondheid van het klimaat, vindt men in Pisa omstreeks honderd personen, die de verschillende takken der geneeskunst uitoefenen: negen-en-veertig dokters en chirurgijns, twee oogartsen, veertien apothekers, vijftien veeartsen en vier-en-twintig vroedvrouwen. Voeg daarbij het militaire element, en ge zult moeten toegeven, dat het aantal niet handeldrijvende, niet produceerende personen--zooals de technische term luidt--bij uitnemendheid groot is. Kon men nu nog maar zeggen, dat de intellektueele werkzaamheid het gemis van handel en industrie vergoedde, dan zou er grond zijn om van winst te gewagen en met blijdschap te roemen: maar ook dit kan niet geacht worden het geval te zijn; in deze akademiestad zijn er maar vier boekhandelaars; ook worden er geen jaarboeken of archieven uitgegeven, zooals in vele andere italiaansche steden; de lokale monografiën zelfs zijn zeldzaam: men teert nog altijd op de oude werken van Morrona en Grassi. Ook op geestelijk gebied is de oogst van goede tarwe jammerlijk schraal; het onkruid wordt vertegenwoordigd door zes dagbladen, of eigenlijk door vijf, want het zesde, de _Araldico_, is een genealogisch en heraldiek tijdschrift, waarvan nu en dan eene aflevering verschijnt.

De oorzaken van dit treurig verval liggen dieper en dagteekenen van vroeger. Pisa is, wij wezen er reeds vroeger op, het lot wedervaren, dat ook anderen handelsrepublieken van vroeger en later tijd wedervaren is: de buitengewone machtsontwikkeling, waaraan de natuurlijke grondslag van evenredig grondgebied en bevolking ontbrak, dwong tot bovenmatige inspanning, tot overspanning van alle beschikbare krachten. Dit duurde een tijd, een vrij langen tijd zelfs, maar op die overspanning moest noodzakelijk uitputting volgen; en na de laatste wanhopige worsteling met Florence, was de kracht van Pisa niet slechts gebroken, maar vernietigd. Sismondi, de bekende geschiedschrijver van de italiaansche republieken, heeft zeer treffend gezegd: "Ondanks haar verval was Pisa eene veel volkrijker, veel aanzienlijker stad dan Urbino, dan Rimini, dan Pesaro; maar eenmaal aan de Florentijnen onderworpen, heeft Pisa geen enkelen man meer voortgebracht, die in de litteratuur of de politiek van beteekenis is geweest; terwijl elk der kleine hoven van Frederik van Montefeltro te Urbino, van Sigismond Malatesta te Rimini, van Alexander Sforza te Pesaro, een vereenigingspunt was van wijsgeeren, geleerden en letterkundigen."

VII

Doch deze historische herinneringen, welke wij niet mochten voorbijgaan, daar zij ons de verklaring geven van de treurige transformatie der roemruchtige republiek, moeten ons evenwel niet doen vergeten, dat nog verschillende monumenten op de beide oevers van den Arno onze aandacht vragen. Hervatten wij dus onze wandeling.

De meeste andere kerken op den rechteroever hebben dezelfde bouworde als de kathedraal; het is hetzelfde stelsel van bogen en blinde bogen, dat daar met zoo schitterend gevolg was toegepast; en ook dezelfde afwisseling van wit en zwart marmer. Tot deze kategorie behooren San-Paolo all' Orto, San-Pierino, Santa-Maria in Borgo en nog anderen.

In de kerk van Sinte-Catharina (dertiende eeuw), waarvan de monnik Fra Guglielmo als bouwmeester wordt genoemd, paart zich de pisaansche traditie met de vormen der gothiek. De voorgevel van wit marmer, als naar gewoonte, met eenige lagen van zwart marmer, geeft ons in het benedenste gedeelte de gewone bekende rondbogen te aanschouwen; de eerste verdieping bestaat uit klavervormige bogen op zuilen rustende, waarvan de kapiteelen met de onvermijdelijke marmeren koppen zijn getooid. De bovenste, spits toeloopende verdieping heeft hetzelfde stelsel van bogen.

Het inwendige, hoewel zeer eenvoudig--het bestaat uit een enkel schip, zonder kapellen en met open bekapping--en in de zestiende en de zeventiende eeuw sterk veranderd en verhaspeld, bevat enkele belangwekkende kunstwerken. In de eerste plaats de graftombe van den aartsbisschop Santarelli (gestorven in 1342), van de hand van Nino Pisano, den zoon van Andrea Pisano. Het monument getuigt van veel smaak; behalve de zoo bevallige gedraaide zuiltjes, vinden wij ook hier het grootsche, indrukwekkende motief der engelen, die het voorhangsel oplichten, waarachter het lijk van den prelaat rust.--Twee gekleurde beelden op een der altaren, de Madonna en de aartsengel Gabriël, beiden zeer goed van stijl, verraden de hand van denzelfden meester.

Veel meer bekend en beroemd is de schilderij van Francesco Traini (omstreeks 1340), in de nabijheid van den preekstoel, waarop, naar men zegt, de heilige Thomas van Aquino het evangelie heeft verkondigd. Deze schilderij verbeeldt de _Overwinning van Sint-Thomas van Aquino_. In het midden, op eene zwevende wolk, zit de heilige, levensgroot; op hem dalen lichtstralen, deels rechtstreeks van Christus zelven, die hoog boven hem in heerlijkheid troont, deels van Mozes, Paulus en de vier Evangelisten, die, eenigszins lager geplaatst, het licht dat zij van den Heiland ontvangen weder op hem uitstralen; maar ook van ter zijde ontvangt hij licht uit de geopende boeken die Plato en Aristoteles hem voorhouden. Sint-Thomas zelf zendt op zijne beurt uit zijn geopend boek weêr stralen uit op zijne jongeren; een dezer stralen treft met vernielend vuur het boek dat Averroës, die in het midden der jongeren verwonnen op den grond ligt, in de hand houdt. De beroemdste denker en wijsgeer der katholieke middeleeuwen is dus hier voorgesteld als het vereenigingspunt en de middelaar van goddelijke en menschelijke wijsheid, die de dwaling en de leugen overwint.

De Piazza dei Cavalieri, wel te verstaan van de ridders der Sint-Stefanusorde, is het eenige plein in deze eeuwenoude stad, hetwelk aan de Renaissance herinnert, en wel aan de Renaissance in den tijd van haar verval. Ondanks haar eenvoud, maakt de façade van het voormalige paleis der orde, de Carovana--tusschen 1561 en 1564 door Vasari gebouwd--een monumentalen indruk, met haar vooruitspringend dak, haar wapenborden aan de hoeken, haar nissen met de borstbeelden van de eerste zes grootmeesters, haar _sgraffiti_ eindelijk, die zoo bij uitnemendheid bevallige dekoratieve schilderingen, waarvan nog slechts flauw herkenbare sporen zijn overgebleven. In de aangrenzende kerk ziet men eenige tropheeën, door de ridders van Sint-Stefanus op de Turken veroverd.

De militaire orde van Sint-Stefanus (paus en martelaar) werd in 1516 door Cosmo I ingesteld, om de kusten van Toskane te verdedigen tegen de invallen en strooptochten der zeeroovers. Als in bijna alle dergelijke orden, bestonden de leden voor het meerendeel uit adellijke personen; hoewel de orde ook een geestelijk karakter droeg, was het celibaat echter niet verplicht. Hare geschiedenis is zeker vrij wat minder rijk aan schitterende daden dan die der beroemde, doorluchtige orde van Malta, maar toch onderhield zij nog tot omstreeks het midden der vorige eeuw twee gewapende fregatten. Deze jongst geborene onder de geestelijke orden onderscheidde zich al spoedig door haar rijkdom;--toen de fransche regeering in 1809 de orde ophief, bedroeg de waarde harer bezittingen omstreeks tien millioen gulden. In het midden der vorige eeuw bestond de orde of _religione_ van Sint-Stefanus, behalve uit den grootmeester, uit een groot-connetable, een groot-prior, een groot-kanselier, een groot-conservator en een groot-tresorier. Om de drie jaren werd een algemeen-kapittel gehouden. Meer dan achttienhonderd personen, zoowel in Italië als elders, droegen toen den titel en het kruis der orde; het plechtgewaad der ridders bestond uit een zwarten rok met een groot achtpuntig kruis van roode kleur bestikt, uit een geëmailleerd gouden kruis, in het midden versierd met het borstbeeld van Sint-Stefanus, en uit een rood lint.--De orde, die in 1809 was opgeheven, werd in 1817 hersteld, om in 1859 nogmaals te verdwijnen.

Voor de Carovana staat het standbeeld van Cosmo I, den stichter der orde, in volle wapenrusting, blootshoofds, met een mantel over de schouders, den rechtervoet gesteund op een dolfijn. Zeker ten onrechte, heeft men in dit monument het werk willen zien van Jan van Boulogne.--Op hetzelfde plein, ter plaatse waar nu het zonderlinge paleis _dell' Orologio_ staat, verrees vroeger de beruchte _Torre della Fame_, de Hongertoren, de toren waar Ugolino della Gherardesca met zijne zonen den hongerdood stierf. Deze toren werd reeds in 1568 afgebroken, om plaats te maken voor de gebouwen der Sint-Stefanusorde; maar de herinnering aan de vreeselijke gebeurtenis is vereeuwigd door het aangrijpende verhaal van Dante.

De Universiteit is, in de Via San-Frediano, gevestigd in een ruim, maar onaanzienlijk gebouw. Door het voorportaal komt men op een kloosterhof uit den tijd der Renaissance, omgeven door eene dubbele galerij, waarvan de eerste verdieping met zuilen is versierd, op welke onmiddellijk het dak rust. Aan drie zijden ziet men het wapen der Medici; aan de vierde is een opschrift, dat den roem vermeldt van Victor Emanuel.

De Universiteit of de _Sapienza_ is de voornaamste inrichting van dien aard in Toskane. In de twaalfde eeuw gesticht, in 1343 door Paus Clemens VI gereorganiseerd, in 1472 door Lorenzo il Magnifico hersteld, moest de _Sapienza_, overeenkomstig de eigenlijke gedachte der Medici en hunner opvolgers, de intellektueele werkzaamheid der burgers van Pisa opwekken en aanvuren, en hun, in ruil voor de vrijheid, wetenschap en poëzie bieden.

In onze dagen bekleedt meer dan één der professoren een hoogen rang in de wetenschappelijke wereld. Eén naam vooral trof mij, die van den heer Enea Piccolomini, een lid der doorluchtige familie uit Siëna en waardige handhaver en erfgenaam der traditiën van dien Æneas Sylvius Piccolomini, die, na zich een wijd vermaarden naam te hebben verworven onder de humanisten van zijn tijd, als Pius II, van 1458 tot 1464 den pauselijken stoel bekleedde en als opperpriester zich niet minder beroemd maakte. De heer Enea Piccolomini, die in Duitschland gestudeerd heeft, houdt college in het grieksch. Ook de heer Michele Amari, de eerwaarde deken der italiaansche oriëntalisten, woonde te Pisa.

Het akademisch onderwijs draagt overigens tegenwoordig een sterk professioneel karakter en ook te Pisa dreigt de vroegere universitaire vorming op den achtergrond te wijken voor de technische opleiding tot een of ander vak. Hier moeten wijsbegeerte en hoogere wetenschap zeer zeker onderdoen voor de veel lager gestelde praktische eischen van den modernen tijd; daar zijn afzonderlijke leerstoelen voor de opleiding tot notaris, voor ingenieurs, voor wetenschappelijken landbouw, voor veeartsenijkunde. Op een totaal van vijfhonderd-zes-en-negentig studenten, vond men er in 1882 dan ook maar zeven-en-twintig, die zich aan wijsbegeerte en letteren wijdden. In de rechten studeerden er niet minder dan tweehonderd-negen-en-twintig; en wanneer men bedenkt, dat ook in Italië, evenals elders, de wetgevende vergaderingen voor een zeer groot deel uit advokaten zijn saamgesteld, is het dan te verwonderen, dat er heden ten dage zoo slecht geregeerd wordt en de parlementen op niets zoozeer gelijken als op debatteerende politieke clubs?

De door Napoleon I gestichte _Academia delle belle arti_ ziet er al even weinig monumentaal uit als de Universiteit. Ook hier zeer kleine vertrekken--ik tel er acht--met gesloten luiken. De schilderijen zijn niet genommerd, en het geheele voorkomen der collectie getuigt niet van de belangstelling der pisaansche overheid in kunstaangelegenheden: trouwens met de verzameling in het Campo-Santo is dit evenzeer het geval. Doch dat daargelaten: wij hebben in de eerste plaats met de collectie zelve te doen. Het aantal schilderijen op gouden grond--_campi dorati_--is zeer groot: afbeeldingen van Christus, de Madonna, heiligen uit de byzantijnsche school, uit die van Cimabue en Giotto. De belangrijkste stukken zijn wel de fragmenten van een altaarstuk van Simone di Martino (1320) en de heilige Dominicus van Traini (1345). Benozzo Gozzoli en Domenico Ghirlandajo zijn door enkele echte maar onbeduidende schilderijen vertegenwoordigd: over het algemeen is de verzameling schier beneden het middelmatige.

De linkeroever, die veel minder bevolkt is dan de rechter, is ook armer aan monumenten, aan herinneringen. Toch is het juist aan deze zijde, dat de stad zich schijnt te willen uitbreiden; ik vind hier een zeker aantal nieuwe huizen, ongetwijfeld bestemd voor de vreemdelingen, wier aantal steeds te Pisa klimt; in de vorige eeuw waren het de Russen, thans zijn het voornamelijk de Engelschen, die, trouw aan hunne eerbiedwaardige gewoonte, niet hebben verzuimd eene anglikaansche kapel te bouwen.

De Ponte di Mezzo, de middelste brug, waarop wij de Arno overgaan, is geheel van marmer en werd in 1660 onder de regeering van den groothertog Ferdinand II herbouwd. Een der eerste monumenten, die wij aan de overzijde der rivier vinden, is het Palazzo del Comune, op het Lungarno Gambacorti (naam van eene beroemde pisaansche familie uit de middeleeuwen); het gemeentepaleis bevat het Municipio (de bureaux der stedelijke regeering) en het Reale-Archivio di Stato (het koninklijk staats-archief). Dit laatste is geborgen in een tiental gewelfde zalen, die met veel talent naar antieken smaak zijn gedecoreerd. De verzameling bevat zeventienduizend perkamenten en dertigduizend kartons of _filze_. Niet alleen de geschiedenis van Pisa of van Italië, maar die van geheel Europa gedurende de eerste helft der middeleeuwen, is ten deele in deze bestoven, eerwaardige dokumenten beschreven, die de namen dragen van Richard Leeuwenhart, Frederik Barbarossa en een aantal andere beroemde vorsten.

Als wij op het Lungarno komen zien wij al spoedig het bevalligste van alle monumenten van Pisa, de kerk Santa-Maria della Spina of Santa-Maria del Pontenovo; eene kerk in miniatuur, bijna eene kapel, ik zou haast zeggen een heiligen, schrijn, vlak tegen de borstwering der rivier aangebouwd. Eenige jaren geleden heeft men de kerk steen voor steen afgebroken en vervolgens boven de bedding van den Arno weder opgebouwd. Dit juweel, omstreeks 1325 gemaakt, en bestemd om een doorn uit de kroon des Zaligmakers te herbergen, is in den zuiversten gothischen stijl ontworpen, en maakt daardoor in deze omgeving een zeer verrassenden indruk. De harmonische evenmaat, de rijke tooi van wit en zwart marmer, de torentjes, de pinnakels, de standbeelden, doen u de kleinheid van het gebouwtje vergeten. De buitengevel, aan de zijde der kaai, prijkt met de standbeelden der twaalf apostelen; van binnen komt aan de beeldhouwkunst de eereplaats toe. Men vindt hier vier beelden van de hand van Nino, den zoon van Andrea Pisano: twee Madonna's, Sint-Jan de Dooper en Sint-Petrus. Als ware hij zich zijner tekortkomingen als beeldhouwer bewust, heeft Nino de kleur te hulp geroepen; trouwens de polychromie is veel langer in zwang gebleven dan men doorgaans meent; de grootste meesters der vijftiende eeuw, te beginnen met Donatello, kleurden steeds hunne beelden.

Meer aandacht verdienen hier de zes bas-reliefs met de zinnebeeldige voorstelling van de zeven hoofddeugden (de Hoop en het Geloof zijn in hetzelfde vak vereenigd). Met uitzondering van de vrij plompe engelenbeeldjes, die de omlijsting vormen, onderscheiden deze beeldwerken zich door vastheid en breedheid van behandeling, door prachtige draperieën en treffende juistheid van uitdrukking. Zij dagteekenen uit de dertiende eeuw en zijn van de hand van den Florentijn Andrea, vermoedelijk Andrea Ferucci van Fiesole, die in 1526 overleed.

Onze wandeling vervolgende, komen wij aan eene indrukwekkende basiliek, in de nabijheid van den stadsmuur, op een plein waar het gras welig groeit. Dat is de kerk van San-Paolo a Ripa d'Arno. De voorgevel is geheel in denzelfden stijl, dien wij reeds leerden kennen als eigen aan de school van Pisa en komt volkomen overeen met dien van de kathedraal, maar op eenigszins kleiner schaal. Het is dan ook onnoodig van die façade eene nadere beschrijving te geven. Vermelden wij slechts, aan den hoofdingang, een bas-relief met de Madonna, nog geheel in byzantijnschen stijl: het hoofd met den mantel bedekt en de handen opgeheven. Het inwendige, hoog en smal, bestaat uit drie schepen en een transept met spitsbogen bovenzuilen. Overal afwisseling van zwart en wit marmer, monolithzuilen en grijnzende maskers op de kapiteelen. Eene zeldzaamheid te Pisa is, op een der zuilen, een fresko uit de veertiende eeuw, voorstellende een apostel; misschien een overblijfsel der freskoos van Buffalmacco of Simone Martini, die vroeger deze kerk versierden.

En hiermede neem ik afscheid van Pisa. Mij ontbreekt de moed om de omstreken te bezoeken; de beroemde hoeve en het bosch van San-Rosore met de in Italië inheemsch geworden dromedarissen; de basiliek van San-Pietro in Grado; de Certosa, de Baden. Vermoeid en gedrukt door de grootsche herinneringen van het verleden en het doodsch verval van heden; bewogen door medelijden met zoo diepe vernedering, en tevens vervuld van dankbaarheid voor de groote en schitterende diensten, weleer aan de zaak der beschaving bewezen, toen het overige Europa nog in barbaarschheid verzonken lag; bovenal vervuld met de herinneringen aan het Campo-Santo, gevoelde ik behoefte aan ontspanning in andere omgeving, minder ernstig en grootsch, maar vroolijker en vooral meer tintelend van leven.

