Pisa De Aarde en haar Volken, 1887

Part 2

Chapter 2 3,682 words Public domain Markdown

De stichting van den dom, de "primaziale", zoo als men te Pisa zegt, valt samen met een der roemrijkste wapenfeiten van de oude republiek: vaderlandsliefde had aan dit grootsche werk misschien evenveel aandeel als vrome godsdienstzin. Trouwens, wat schooner sieraad, wat nobeler monument voor de geliefde vaderstad, dan een tempel ter eere van dien God, aan wiens zegen zich allen in de eerste plaats dank schuldig wisten voor iedere glorie, voor elken voorspoed en alle goede gaven.--Het was in 1063: de Pisanen hadden eene schitterende overwinning behaald op de Sarraceenen te Palermo; zij waren de haven binnengedrongen en hadden zich meester gemaakt van zes groote rijk beladen schepen; vijf daarvan werden aan de vlammen prijs gegeven; het zesde werd verkocht en met de opbrengst daarvan werden, volgens eene inscriptie op den dom, de kosten voor den bouw van het heiligdom bestreden.

De nieuwe kathedraal zou verrijzen op de plek, waarop eene basiliek uit de vierde eeuw, de Santa-Reparata in Palude, stond, die zelve de plaats had ingenomen van baden, door Keizer Hadrianus gebouwd. De moerassige gesteldheid van het terrein rechtvaardigt ten volle den bijnaam in Palude; zij is ook de reden van de herhaalde zettingen of verzakkingen, zoowel van de kerk als van den campanile.

De naam van den bouwmeester Buschetto is door een geheimzinnigen nimbus omgeven. Men weet niet van waar hij geboortig was; sommigen beweren dat hij een Griek van geboorte was. Is dit werkelijk het geval, dan zou de oudste school van Pisa eene dochter zijn van die van Byzantium. En waarom ook niet? Riep niet de abt Desiderius, juist in dienzelfden tijd, de hulp in van byzantijnsche kunstenaars om de studie der kunst in zijn klooster van Monte-Cassino te reorganiseeren? Wat hiervan zij, naar het schijnt heeft Buschetto merkwaardige proeven van technische vaardigheid gegeven, die zijne tijdgenooten met bewondering vervulden en hem den bijnaam verwierven van den Daedalus zijner eeuw.

Zoo als ik zeide, werd met den bouw van den dom in 1063 een aanvang gemaakt; het werk werd met buitengewonen spoed voortgezet. Indien het Buschetto al niet vergund was de laatste hand aan den arbeid te leggen, dan was die toch bij zijn dood zoo ver gevorderd, dat zijn leerling Rainaldus dien in korten tijd ten einde kon brengen: het kolossale gebouw werd in 1100 voltooid, binnen de veertig jaren alzoo na het leggen van den eersten steen. De officieele inwijding had echter eerst in 1118 plaats, in tegenwoordigheid van Paus Gelasius II.

De dom van Pisa heeft de gedaante van een latijnsch kruis; hij is verdeeld in vijf schepen, met vensterloozen koepel boven het kruispunt van het transept. De lengte bedraagt ongeveer vijf-en-negentig el, de breedte twee-en-dertig en een halve el, de hoogte van het middenschip iets meer dan drie-en-dertig el. De voorgevel is in vijf verdiepingen verdeeld, die door acht-en-vijftig zuilen worden gedragen; de benedenste verdieping wordt gevormd door zeven blinde booggewelven, in drie waarvan deuren zijn aangebracht; de andere, die als het ware twee frontons boven elkander vormen, bestaan uit eene reeks rondbogen; op zuiltjes rustende. De zijgevels van het gebouw zijn op dezelfde wijze met blinde bogen versierd; alleen de bovenverdiepingen hebben kleine, deels getraliede vensters.--Dat men bij den bouw ruimschoots van antieke materialen gebruik heeft gemaakt, valt vooral in de apsis duidelijk in het oog. Eene menigte zuilen, van porfier, van graniet, van numidisch marmer, sommigen glad, anderen gekanneleerd of gedraaid, zijn ongetwijfeld uit romeinsche gebouwen afkomstig. Men heeft zelfs niet de moeite genomen om ze voor de nieuwe bestemming pasklaar te maken, of de kapiteelen, die zelfs in afmeting verschillen, te vervangen; korinthische en ionische nemen hier broederlijk hunne plaats in naast komposietkapiteelen.

Voorwaar, wel mag van de steenen van den dom te Pisa gezegd worden, dat zij spreken: zij hebben ons eene geschiedenis te verhalen van twintig eeuwen. Hier ziet ge eene romeinsche inscriptie, waarvan de letters ten onderste boven staan; daar, aan den voorgevel, de sarkophaag waarin Buschetto rust; op eene zuil in de kerk het woord Ugolinus, in fraaie middeleeuwsche letterteekens en voorafgegaan door een kruis; aan den ingang van het koor, ter rechterhand, een opschrift, vermeldende dat in 1810 de sarkophaag van de gravin Beatrix, de moeder van de beroemde gravin Mathilde, naar het Campo-Santo is overgebracht; daarboven het eerwaardige grafschrift van de gravin zelve; eenige schreden verder, in gekleurde letters, die ondubbelzinnige inscriptie, door een of anderen heethoofdigen _Culturkämpfer_ op de gewijde wanden gegrift: "Non vogliamo i Gesuiti" (wij willen geen Jezuïeten). Of liever dat stond er eenmaal: want--naar echt italiaansche manier!--men heeft het opschrift in hoofdzaak laten staan, maar alleen het woordje _non_ uitgewischt, zoodat de zin nu juist is omgekeerd!

Het inwendige van den dom is arm aan beeldwerk, vooral aan standbeelden. Naar het schijnt, was deze wijze van versiering, in de oogen der ernstige romaansche architekten, te ijdel en te wereldsch. Alleen de voorgevel maakt den indruk van pracht en rijkdom. De twee prachtige kolommen met gebeeldhouwde schachten ter wederzijde van den hoofdingang; de liggende leeuwen op die zuilen; de ingelegde figuren van gekleurd marmer; de vijf standbeelden uit de school van Giovanni Pisano (de Madonna en vier heiligen) aan de hoeken en op de spits van de bovenverdiepingen; de moderne mozaïeken in de lunetten, zij allen bewijzen dat beeldhouwers en mozaïekwerkers geen moeite hebben ontzien, om althans dit deel van het gebouw waardiglijk te tooien. Vroeger prijkte de voorgevel bovendien met een aantal sarkophagen en antieke beeldwerken; maar deze monumenten zijn sedert lang naar het Campo-Santo overgebracht. Alleen de sarkophaag, waarin het stoffelijk overschot van den bouwmeester der kathedraal, Buschetto, rust is achter gebleven; men ziet hem nabij de linkerdeur in den muur gemetseld.

Het voornaamste sieraad van den voorgevel zijn de drie bronzen deuren, door den beroemden kunstenaar Giovanni da Bologna--eigenlijk Jean Bologne van Douai--vervaardigd, ter vervanging van de vroegere deuren, het werk van Bonanno van Pisa, die in 1596 door brand werden vernield. Deze kolossale arbeid (de middelste deur is bijna zeven ellen hoog en omstreeks drie-en-een-halve el breed) werd in weinige jaren voltooid, dank zij de hulp van talrijke medewerkers, waaronder wel met name mogen genoemd worden: Pierre Francheville, Pietro Tacca en Antonio Susini, drie van de meest geliefde leerlingen van Jean Bologne; voorts Fra Domenico Portigiani, de bekwame gieter, die reeds herhaaldelijk onder leiding van den meester gewerkt had; Angelo Serrano en zijn neef Zanobi Orazio Mocchi, Giovanni Bandini van Castello en Gregorio Pagani. De deuren kostten achtduizend-zeshonderd-een scudi, dat is, naar de waarde van dien tijd berekend, omstreeks twintigduizend gulden, Zoo rusteloos ijverig werkte de oude fransche meester, dat de drie deuren reeds in 1603 hare plaats konden innemen. De deuren van Ghiberti hadden acht- of tienmaal meer tijd gevorderd: daar is dan ook een zeer merkbaar verschil van uitvoering tusschen de beide werken.

De drie deuren zijn in twintig vakken verdeeld, waarop het leven van de Madonna en dat van den Heiland in tafreelen is voorgesteld. Het is niet moeilijk te raden, welk voorbeeld den kunstenaar voor den geest heeft gestaan of hem is aangewezen: geen ander namelijk dan diezelfde deuren van de doopkapel te Florence, waarop ik zoo even doelde. Maar wat heeft, in de sedert verloopen honderd jaren, het verval der kunst snelle vorderingen gemaakt! Het was wel eene groote onvoorzichtigheid van Jean Bologne, om zoowel door de geheele ordonnantie als door de details van zijn werk, telkens de herinnering op te roepen aan de meesterlijke schepping van Ghiberti. Laat ons, bij voorbeeld, de omlijsting der vakken eens bezien. Hier is de navolging onloochenbaar: wij zien er olijf- en eikenbladeren, druiventrossen, bonen, rozen, tomaten, slakken, een uil, een eekhorentje, padden, twee hagedissen waarvan de eene de andere bijt, twee doggen die elkander aanblaffen, een rhinoceros, een hert, voorts vazen, waaruit rozen opschieten: juist als gevoelde de eeuw van Jean Bologne voor de natuur nog dezelfde vurige en eerbiedige liefde en vereering als de groote kunstenaars der veertiende eeuw. Maar die bloemen, die vruchten, die dieren zijn wel met groote vaardigheid, met zekere _chic_ gemaakt, doch niet ernstig en met oprechte toewijding bestudeerd; zij zijn als in den blinde saamgebracht, zonder acht te geven op rythmische wetten, zonder smaak en overleg. Gij kunt de handigheid van den kunstenaar bewonderen, maar verder maken deze vluchtige improvisatiën geen indruk.

Beschouwen wij de tafreelen zelven, dan doen zich de leemten in de opvoeding van Jean Bologne in volle kracht gevoelen. De machtige kunstenaar ontplooit eerst dan al zijn talent als hij standbeelden en vrije groepen mag scheppen; voor het bas-relief ontbreekt het hem aan de kalmte, de soberheid, de evenmaat, toch zoo noodzakelijk bij een kunstwerk, dat altijd eene min of meer ondergeschikte plaats moet innemen in een architektonisch geheel. Ge vindt bij hem geen spoor van die harmonische afwisseling tusschen ronding en holte, die een wet was voor de beeldhouwers der oudheid en der eerste Renaissance; nu eens zijn zijne figuren als tegen den achtertergrond vastgeplakt; dan weer, slechts door een bronzen kram of band met den achtergrond verbonden, hebben zij de volle ronding van vrije beeldwerken.--Dit neemt niet weg, dat de kompositiën van de middelste deur, de eenige die inderdaad Jean Bologne waardig is--de twee anderen zijn van veel minder beteekenis en blijkbaar het werk van leerlingen;--getuigen van groote bekwaamheid en zelfs van gevoel en bezieling; sommige tafreelen munten uit door stoutheid van vinding, onberispelijke zuiverheid van teekening en dramatische kracht.

Eene andere bronzen deur van hooge oudheid, zij het dan ook niet van hooge kunstwaarde, versiert den arm van het transept aan de zijde van den scheeven toren. Volgens het gevoelen van verschillende archeologen, zou zij het werk zijn van "Bonannus civis Pisanus", die in 1136 de geheel met deze overeenkomende deur van den dom van Monreale vervaardigde, en die ook de maker was van de in 1596 vernielde deuren in den voorgevel van de kathedraal te Pisa. Dit werk draagt nog volkomen den stempel der barbaarschheid, zonder eenig begrip van ordonnantie, zonder eenige kennis van vorm of uitdrukking. Zoozeer ontbreekt alle besef van proportie, dat de gebouwen soms kleiner zijn dan de personen; daarentegen zijn in het tafreel van den _Intocht in Jeruzalem_, met het opschrift _Dies palmarum_, de menschen kleiner dan de bladeren van den boom, waarin zij zitten.--Een landgenoot van Bonannus, Andrea da Pisa, zal in de veertiende eeuw, met de bronzen deuren van de doopkapel te Florence het bewijs leveren, hoe men met even eenvoudige hulpmiddelen en nog meer soberheid, de zuiverste en treffendste werken kan scheppen. Dit was inderdaad voor de school van Pisa de schitterendste weerwraak.

Treden wij thans den dom binnen. De eerste indruk is die van grenzenlooze, overweldigende bewondering; slechts drie andere kerken in geheel Italië vertoonen zulk een rijkdom en statige pracht: de San-Marco te Venetië, de kathedraal te Siena en de basiliek van San-Paolo-buiten-de-muren te Rome. In de eerste plaats treft u de kostbaarheid der gebruikte materialen, de vier-en-twintig reusachtige monolithzuilen van het middenschip en de talrijke andere zuilen van marmer of graniet, overal door het gebouw verspreid; voorts de schilderachtige afwisseling van wit en zwart marmer; dan de zuiverheid en degelijkheid der ordonnancie, de ruime afmetingen--het transept alleen is bijna zoo groot als eene basiliek;--eindelijk de gloed en de harmonie der kleuren, nog verhoogd door het geheimzinnig, majestueus halfdonker, de mystische schemering, die zoo uitnemend bij het karakter van den tempel voegt. De meer dan honderd vensters, waardoor de dom zijn licht ontvangt, zijn klein, zeer hoog geplaatst en ten deele beschilderd. De zuilen worden afgewisseld door die blinde bogen, waarvan de pisaansche school zoo gaarne gebruik maakt; deze bogen maken te meer effekt door de tegenstelling met de prachtige zoldering van verguld hout met blauwe vakken, versierd met rozen, cherubijnen en het wapen van de Medici.

Het is niet meer dan plichtmatig, de volle aandacht te wijden aan de architektonische schoonheden van den dom te Pisa, want daarin bestaat zoo niet de eenige, dan toch zeker de voornaamste aantrekkelijkheid van deze kathedraal. Dit kan ook moeilijk anders in eene stad, waarvan het geestelijk leven, juist bij den opgang der Renaissance, onder het florentijnsche juk gebroken en vernietigd werd. De oude pisaansche basiliek geeft ons niet, gelijk de meeste andere toskaansche monumenten, als het ware een kort begrip van de verschillende stijlen, die elkander sedert de middeleeuwen zijn opgevolgd, eene levende en schilderachtige staalkaart van kunstscheppingen, die elk den stempel eener bijzondere periode dragen. De veertiende en de beide volgende eeuwen zijn hier ter nauwernood vertegenwoordigd door een enkel fragmentarisch werk. Voor den archeoloog is zulk eene betrekkelijke eenheid een buitenkansje: de kunstenaar kan zich moeilijker met haar verzoenen.

Bij gebreke van standbeelden en freskoos van denzelfden ouderdom als de kathedraal, dat wil zeggen, uit de laatste jaren der elfde of de eerste der twaalfde eeuw, vindt men althans in den dom een fragment van een merkwaardig werk van de tweede pisaansche school, van die school, tot wier schitterendste vertegenwoordigers in het laatst der dertiende en in het begin der veertiende eeuw, Nicolo en Giovanni Pisano behoorden. Ik bedoel de twee leeuwen, die de zuilen dragen waarop de preekstoel rust. Deze twee prachtige beelden, vol leven en beweging, zijn afkomstig van den ouden preekstoel, die bij den brand in 1596 werd vernield. Wat er verder van dit monument is overgebleven, zullen wij in het Campo-Santo terugvinden.

De mozaïek in het koor, Christus tronende tusschen de Madonna en Sint-Jan den Evangelist, voert ons naar hetzelfde tijdperk, het eind van de dertiende en het begin van de veertiende eeuw, terug; maar dit is dan ook het eenige punt van overeenkomst tusschen dit kunstwerk en de school van Giovanni Pisano; naar den stijl en de stijve, magere figuren te oordeelen, zou men deze mozaïek voor eene eeuw ouder houden. Toch hebben wij hier het werk van een beroemden meester, en wel van niemand minder dan Cimabue, den leermeester van Giotto. In 1300 of 1301 begonnen, bleef het werk steken door den dood des kunstenaars; een schilder, met name Vicinus, voltooide de mozaïek in 1321. Het is eene kolossale compositie, maar die geen aanspraak op schoonheid kan maken; zij staat nog zoo goed als geheel onder den invloed der latere byzantijnsche school.

De andere kunstwerken behooren voor het meerendeel tot tijdperken, die eigenlijk geen recht kunnen doen gelden op onze aandacht en belangstelling.

Wij zullen ons niet ophouden bij de twaalf zijaltaren, voor het meerendeel door Staggio Staggi vervaardigd. De beschrijving der schilderijen van een Orazio Riminaldi, een Giovanni Stefano Maruscelli, een Cosimo Gamberucci en nog een paar anderen van dat gehalte, kunnen wij gerust overslaan: te meer wijl, twee stappen verder, in het Campo-Santo zoo vele meesterstukken ons wachten. Toch is ook de gouden eeuw der schilderkunst in den dom van Pisa door drie uitnemende werken vertegenwoordigd: _Abrahams offerande_ van Giovanni Antonio Bazzi, bijgenaamd Sodoma; _Sinte-Margaretha_ en _Sinte-Catharina_ van Andrea del Sarto.

Sodoma is een meester van den eersten rang, dien men alleen in Toskane naar waarde kan leeren schatten en lief krijgen. Pisa bezit van hem slechts een enkel meesterstuk, een schilderij op doek, en moet dus verre onderdoen voor Siena en Monte Oliveto Maggiore met hun heerlijke freskoos; maar _Abrahams offerande_ is een juweel, waardig op eene lijn gesteld te worden met de beste werken van Correggio en Titiaan. Abraham, met ontbloote beenen, het lijf bekleed met eene korte tuniek van het schoonste blauw en een golvenden rooden mantel, met een lang afhangenden baard, een hoog voorhoofd, de oogen ten hemel geheven, heft met sprekend ziel vol gebaar het mes op; voor hem ligt Isaak geknield, geheel naakt, sidderend, met de armen over de borst gevouwen, ter sluiks naar zijn vader opziende; in de lucht, de engel gereed om de voltrekking der ontzettende daad te stuiten; op den achtergrond een groep boomen: ziedaar de compositie.

Alles is even bewonderenswaardig in dit grootsche stuk: de soberheid der kompositie en de dramatische kracht niet minder dan de onberispelijke teekening en de naïeveteit der uitdrukking, of het rijke harmonische koloriet: hoe uitmuntend past dat heldere blauw van de tuniek bij dien rooden mantel en de fijne carnatie van het lichaam van Isaak.--Dit meesterstuk heeft, in het begin dezer eeuw, eenigen tijd een sieraad uitgemaakt van den Louvre, maar hernam in 1815 zijne oude plaats in den dom van Pisa.

Twee knielende heiligen, Sinte-Margaretha en Sinte-Catharina, beiden van Andrea del Sarto, kunnen, wat bevalligheid van teekening en betoovering van koloriet aangaat, ten volle met de schepping van Sodoma wedijveren. Trouwens, onder al de tijdgenooten van Sodoma is er geen, wiens talent zoo veel overeenkomst met het zijne heeft als Andrea del Sarto; maar toch hoop ik dat men mij niet van onrechtvaardigheid zal beschuldigen als ik zeg, dat zijn ietwat banale stijl nooit de souvereine distinctie, de onvergelijkelijke gratie bereikt van zijn lombardijschen mededinger. Twee andere schilderijen van Andrea del Sarto, Sint-Petrus en Sint-Jan Baptista, kunnen de vergelijking niet doorstaan met de beide heilige vrouwen, die eene bijkans onwederstaanbare bekoring uitoefenen.

De beeldhouwkunst van de Renaissance is hier vooral vertegenwoordigd door de bronzen van Jean Bologne: een beeldje van Christus en een van Johannes den Dooper, op de wijwaterkommen geplaatst, zijn in 1602, naar modellen van den meester, gegoten door Palma da Massa: zij zijn dus uit denzelfden tijd als de deuren van de kathedraal. Het bronzen crucifix van het hoogaltaar is van het volgende jaar, 1603, en een van de beroemdste werken van den laatsten grooten beeldhouwer der Renaissance. Het hoofd van den Heiland is op de borst gezonken; de oogen zijn gesloten; het lichaam schijnt onder zijn eigen zwaarte te bezwijken. Het is het laatste oogenblik van den doodstrijd; "maar, heeft een fransch schrijver zoo juist gezegd, men gevoelt dat het de doodstrijd is van een God. Geen spoor van stuiptrekking, geene samentrekking der spieren. De alles beheerschende indruk is die van kalmte en overgave".

Een ander kunststuk van brons, de groote, van het gewelf afhangende lichtkroon, dankt zijne vermaardheid minder aan zijne eigene kunstwaarde, dan aan de bijzonderheid dat Galilei door de bewegingen van die kroon werd opgewekt om de wetten van de slingerbeweging te bestudeeren. Toch is die kroon een smaakvol stuk werk, dat zijn vervaardiger, Vincenzo Possente van Pisa, de grootste eer aandoet; volgens de overlevering zou de lichtkroon in 1587 gemaakt zijn.

Slechts in het voorbijgaan en welstaanshalve maak ik melding van het vermaarde zilveren altaar, in 1692 door Sebastiano Tamburini van Pisa vervaardigd: dit is een van die plompe en ziellooze dingen, die langen tijd de bewondering van de toeristen hebben uitgemaakt, maar die door eene beter ingelichte en ontwikkelde kritiek zonder verschooning worden teruggebracht tot hunne ware plaats, zeer verre beneden de gewrochten van de kunst der middeleeuwen en der Renaissance, de eenige die in waarheid leeft.

III

Eenige schreden van den dom staat de doopkapel, een niet minder indrukwekkend monument, in denzelfden stijl ontworpen, hoewel het bijkans eene eeuw jonger is.

Met den bouw van de doopkapel werd in 1153 een aanvang gemaakt door den pisaanschen architekt Diotisalvi, die met de werken zooveel spoed liet maken, dat reeds na drie jaren de benedenverdieping voltooid was. Met de verdere voltooiing ging het minder voorspoedig; door gebrek aan geld was men genoodzaakt het werk te staken, dat eerst in 1278, alzoo eene eeuw later, voltooid werd.

De doopkapel is eene rotonde met drie verdiepingen; de onderste bestaat uit twintig in den muur gevatte zuilen, waarop blinde bogen rusten; de daarop volgende uit zestig kolommen, aan den top versierd met een menschenhoofd; de bovenste uit acht-en-twintig pilasters door vensters afgewisseld. De gothische baldakijns boven de tweede en de derde verdieping met de daarin aangebrachte beelden van profeten en apostelen zijn--het behoeft ter nauwernood gezegd te worden--een toevoegsel uit de dertiende eeuw. Een niet zeer fraaie koepel bekroont het gebouw, dat een omtrek heeft van ongeveer honderd-zeven ellen en eene hoogte van bijna vijf-en-vijftig el.

Twee prachtig gebeeldhouwde kolommen omlijsten de hoofddeur, tegenover den dom; even als de zuilen aan den hoofdingang der kathedraal, zijn ook deze kolommen van boven tot onder bedekt met lofwerk en bloemen, wier kelken bijvoorbeeld eene zittende vrouw die op de luit speelt bevatten of een nest met vogeltjes. Het is eene zonderlinge, wegsleepende kunst, niet meer die der middeleeuwen, nog niet die der Renaissance: men krijgt den indruk eener ontijdige ontwikkeling, intuïtie van de oudheid, maar die halverwege is blijven staan: de Renaissance van de vijftiende eeuw ging van andere gezichtspunten uit. Ware deze pisaansche renaissance van de twaalfde en de dertiende eeuw tot hare volle ontwikkeling gekomen, dan zou zij ons iets anders gegeven hebben dan de eigenlijke Renaissance; maar door velerlei oorzaken werd zij plotseling in haar ontwikkeling gestuit en haar inderdaad grootsche pogingen bleven zonder gevolg.

De deurstijlen prijken met bas-reliefs, voorstellende Christus, koning David, de apostelen en de zinnebeelden der maanden. Op de architraaf is de marteldood van den Dooper gebeiteld, benevens tafreelen uit het leven van den Zaligmaker en de doop bij indompeling. Nog andere beelden en bas-reliefs tooien het bovengedeelte van dezen gevel, die bij uitnemendheid rijk versierd is; daaronder verdienen meer bijzonder vermelding de beelden van de Madonna met het Kind, van den Dooper en van Sint-Jan den Evangelist. Deze kunstwerken zijn uit het laatst van de dertiende of het begin van de veertiende eeuw; zij toonen echter duidelijk de minderheid van de school van Pisa in rond beeld werk.

De deur aan den tegenovergestelden kant--daar zijn er vier, gericht naar de vier windstreken--is slechts omlijst door twee kolommen, waarvan de spiraalvormige groeven herinneren aan sommige byzantijnsche zuilen, met name aan die van Sint-Apollinaris in Classe bij Ravenna, of aan die van San-Clemente te Rome.

De doopkapel bestaat uit twee concentrische gedeelten: een soort van gang of binnenportiek en de eigenlijke kapel onder den koepel, die door twee boven elkander geplaatste rijen kolommen of pilaren gedragen wordt. De onderste rij bestaat uit acht prachtige monolithzuilen en vier pilaren, op wier kapiteelen de rondbogen rusten; de bovenste rij verschilt alleen hierin van de andere, dat hier de zuilen door pilaren vervangen worden. Rondom de portiek loopen drie trappen, die een soort van amphitheater vormen, van waar de toeschouwers de heilige plechtigheden kunnen gadeslaan.

De doopkapel is, even als de dom, arm aan kunstwerken; de voornaamste dekoratie bestaat wel in de afwisseling van wit en zwart marmer; verder komt ook hier alles op de architektonische ordonnancie aan.