Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman
Part 9
Het was eruit! Kees keek verlegen om zich heen en Anneke beefde als een blad, terwijl het bloed haar naar het hoofd steeg. Zij dacht niet aan het zotte, dat twee gelieven elkaar wel zouden mogen spreken, dag aan dag, en bij het afscheid, als het donker was geworden, elkaar een zoen geven, maar niet op eenige honderden mijlen afstand mochten correspondeeren, zonder dat eerst op hun verhouding een officieele stempel gedrukt was. Aan de gedachte dat zij eenmaal met Kees zou trouwen was zij reeds lang gewoon--hoe dikwijls hadden zij het elkaar niet gezegd!--maar geëngageerd... Dat was iets anders! En dat zou morgen of overmorgen moeten geschieden, zoo plotseling, zoo onverwacht? Op haar leeftijd? Het was om zich dood te schamen!
"Ik zou niet durven, als je er niet bij was," betuigde zij.
"Maar dat bedoel ik niet," zeide hij, begrijpende wat haar voor de oogen zweefde; "geen publiek engagement; daarvoor zijn we allebei nog te jong. Geheim, weet je; niets dan een afspraak.... Later, als ik klaar ben, en aangesteld, wordt het pas publiek. Twee jaar moet ik te Batavia zijn, en dan duurt het nog wel een jaar dat ik aspirant ben. Over drie jaar ben je zeventien en ik controleur. Het is maar om elkaar in dien tusschentijd te mogen schrijven; en ook, als ik in de vacantie thuis kom, om je te kunnen opzoeken."
"Moet ik het papa vragen, Kees?"
"N..neen," zeide hij na een oogenblik nagedacht te hebben. "Ik zal er thuis over spreken met mijn pa, en dan zal die wel verder zorgen. Zoo hoort het."
Eerst in den naävond van den volgenden dag vond Kees gelegenheid zijn vader de zaak voor te dragen. De heer Duna glimlachte over de zonderlinge convenance-begrippen van zijn zoon, maar nam het feit zelf ernstig op.
"Je begint vroeg, Kees," zeide hij. "Maar soedah, dat is tot daaraantoe. Je kunt echter van mij niet vergen dat ik accès voor je ga vragen bij een kind van veertien jaar. Neen... ik weet wat je zeggen wilt; om haar nu en dan een brief te mogen schrijven, kan je desnoods zelf vragen, bijvoorbeeld als je een afscheidsvisite maakt. Iets anders. Je moogt niets doen zonder er eerst je moeder in gekend te hebben. Wat mij betreft, ik heb me altijd voorgenomen om in een geval als dit volkomen neutraal te blijven, en mij hoogstens te bepalen tot een waarschuwing, als die noodig mocht zijn."
"Zou u het mama willen zeggen?" vroeg Kees.
"Hm, ja. Maar blijf er bij, dan weet je het meteen. Ga vast vooruit; ik moet even wat afmaken."
Kees verliet het "kantoor" en begaf zich naar de achtergalerij, waar hij bij wijze van voorbereiding met geforceerde lievigheid zijn moeder in een goede luim zocht te brengen. Het gelukte vrijwel, doch toen zijn vader kwam en opening van zaken gaf, zag Kees dat hij vergeefsche moeite had gedaan.
"Wat? Dat nest, dat mij zóó gebrutaliseerd heeft!" riep mevrouw Duna uit. "Nooit!"
Zij moest haar woorden toelichten, en dit deed zij, hoewel met schromelijke overdrijving van de houding die Anneke had aangenomen, die volgens haar met de nagels een attaque had uitgevoerd en zoodoende de behulpzame bezoeksters had doen wijken.
"Kassian," zeide de heer Duna; "het kind zal gek van smart geweest zijn. En wat deed je er ook!"
De laatste woorden had hij gemompeld, maar niet zacht genoeg. Er volgde een scène, die eerst den vader en toen den zoon de vlucht deed nemen, ieder naar zijn kamer.
Met dat al was Kees niet veel verder, want zijn vader bleef bij wat hij noemde zijn neutrale houding en besliste dat Kees het met zijn moeder moest trachten te vinden. Toen hij na een geheelen dag in vruchtelooze pogingen verspild te hebben, inzag dat zijn moeder onverzettelijk bleef, gaf hij het op haar te vermurwen; doch zijn zin zoude hij doordrijven, met of tegen haar goedvinden. Nadenkende over den te volgen weg, herinnerde hij zich de woorden zijns vaders en besloot den daarin gelegen wenk op te volgen.
Na op den gewonen tijd Anneke gesproken en haar op de hoogte der feiten te hebben gebracht, kwam hij iets vroeger dan het gebruikelijke visite-uur, bij Wije.
"Ik kom afscheid nemen," kondigde hij aan, en opende daarmee het gesprek, dat natuurlijk liep over de zaak die tot dit bezoek aanleiding had gegeven.
"Waar blijft Anneke toch!" zeide Wije na eenigen tijd; en hij riep een bediende om haar te waarschuwen. "Hier is Duna," ging hij voort, toen zij eindelijk verscheen, "die overmorgen vertrekt en ons goeden dag komt zeggen."
"O!" deed de kleine huichelaarster, Kees een hand gevende. "Niemand had er mij iets van gezegd. Dus ga je naar Batavia?"
"Ja," zeide Kees.
"Hè hoe prettig!" speelde zij haar rol verder. "Ik zou ook wel eens naar Batavia willen. Alle menschen zeggen dat het er zoo mooi is; maar als je ze vraagt om iets te vertellen, weten ze niets."
"Nu," bood Kees aan, "als je met mijn stijl en voorstellingsmanier genoegen neemt, wil ik je wel het een en ander schrijven--wanneer ik tijd heb."
"Tijd," pruilde Anneke. "Dan komt er natuurlijk niets van."
"Foei," viel Wije in. "Is dat nu een manier om een vriendelijk aanbod te beantwoorden?"
"Ik weet wat!" zeide Kees. "Telkens als ik een epistel stuur over Batavia, krijg ik er van jou een terug over alle kennissen hier."
"Goed," beloofde zij. "We zullen zien wie het langer volhoudt."
"Ik wed Duna," zeide Wije plagende, maar geheel de dupe van de geschiedenis, die hij met al zijn schranderheid niet doorzag. Hij was trouwens ook slechts vader; een moeder zou zich zoo gemakkelijk niet hebben laten bedotten.
X.
EEN CHINEESCHE LES IN STAATHUISHOUDKUNDE.
Op den morgen toen de stoomer zich met bronzen wieken van Semarang's reede wegstuwde en Kees Duna naar de plaats zijner tijdelijke bestemming voerde, stond Piong Pan Ho het werk te surveilleeren, dat uitgevoerd werd in de ruimte, gelegen tusschen zijn toko en de goedang, die vroeger van den Arabier, doch nu van hem was. De voormalige schuren en hokken waren verdwenen, nog slechts een spoor achterlatende in aan de kanten opgestapelde gebruikte steenen en dakpannen, benevens eenig houtwerk; in hun plaats vertoonde het erf breede, haaks op elkaar loopende uitgravingen, gedeeltelijk met zand aangeplempt; achteraan verrees een drie voet hoog stuk metselwerk, in de verte een massieve ophooging gelijkende van een der toekomstige vertrekken van het in wording zijnde gebouw, doch hetwelk bij nadere beschouwing een overwelfde, in den bodem gegraven ruimte bleek te zijn, met getraliede luchtgaten even boven den beganen grond. De toegang tot dezen kelder bevond zich aan den binnenkant van het gebouw en werd afgesloten door een ingemetseld voorstuk met deur, van een tot dit doel ontleede brandkast.
Een zestal metselaars met bijbehoorende koelies, voor het mengen van specie en aandragen van de tot het werk benoodigde steenen, begonnen in de uitgravingen de fundamenten te leggen, terwijl Piong Pan Ho zich met den baas onderhield. Noodzakelijk was het niet, daar deze reeds lang wist wat er gedaan moest worden, doch de Singkeh hield er van de zaken dikwijls te herhalen, en de baas nam daarmee te eer genoegen, daar hij in dien tijd niets behoefde uit te voeren en zijn in daghuur uitbetaald loon toch doorging. Werkte hij daarentegen, dan was het een zwaar baantje, ook voor zijn ondergeschikten trouwens; want een Chinees speelt er niet mee en vergt voor hetzelfde loon ongeveer tweemaal zooveel werk als een Europeaan.
Het gesprek tusschen Piong Pan Ho en den baas werd gestoord door de plotselinge komst van Kan Liong Tjoe. Wel moest het iets belangrijks zijn, dat den toko-houder op dit uur van den dag tot zijn rasgenoot dreef, dien hij buitendien zelden opzocht, en meer nog, hem door deed dringen naar achter in plaats van den ander in de toko op te wachten. Maar wat het ook zijn mocht, eerst maakte hij een doodgewoon praatje, waartoe het werk, dat voor zijn oogen geschiedde, ruimschoots gelegenheid aanbood. Het ligt niet in den aard der oosterlingen zoo ineens met de deur in huis te vallen.
"Wat maak je hier?" vroeg hij.
"Een woonhuis," was het antwoord, waarop zij rondliepen en Piong Pan Ho van de inrichting uitleg gaf.
"Je moet verbazend veel oentoeng gehad hebben!" riep Kan Liong Tjoe uit. "Het wordt grooter dan het huis van den Majoor-Chinees. Als het klaar is, breek je de toko zeker af?"
"Welneen," antwoordde Piong Pan Ho. "Die blijft er vóór staan, zoodat niemand het zien kan."
"Waarom, als je toch zóó rijk bent?"
"Zóó rijk ben ik niet."
"Toch rijker dan ik," zuchtte Kan Liong Tjoe.
Piong Pan Ho zag snel op.
"Soesah?"
"Ja."
"Kwam je om er mij over te spreken?" En op bevestigend antwoord ging hij den ander voor, naar het bekende vertrek achter de toko.
Kan Liong Tjoe ontwikkelde zijn moeielijkheden, die op het volgende neerkwamen. De vorige droge moeson had schaarschte meegebracht in den rijstoogst, zoodat de prijzen van dat artikel gaandeweg gestegen waren. Hij had geen kapitaal kunnen vinden om een voorraad in te slaan, zooals Piong Pan Ho, om later bij hooge prijzen zijn schade te dekken, en geld te slaan tegen den tijd dat de inlanders daaraan groote behoefte hadden, toen eensdeels de mindere opbrengst van hun grond het afbetalen hunner schuld bemoeielijkte, anderdeels de prijs van het voedingsmiddel zoo duur werd. Had de ander door kracht van contant geld dus geen schade geleden, hij wel. In den beginne had hij de toko den last laten dragen, doch daardoor was zijn toestand niet verbeterd; integendeel, want de voorschotten in de dessa had hij desnoods kunnen weigeren, de betaling van de meermalen geprolongeerde accepten kon hij dat niet doen. En morgen verviel er een van ruim twaalf duizend gulden, in drieën gesplitst, ten bate van Wije's firma.
"Hoe komt dat zoo groot? En is het niet uit te stellen?" vroeg Piong Pan Ho.
Kan Liong Tjoe, meenende dat hij niet beter kon doen dan den ander zooveel mogelijk een blik in zijn toestand te vergunnen, om daarna met zijn verzoek voor den dag te komen, dat eigenlijk een voorstel tot zaken doen was, omdat hulp vragen zonder belooning onbegonnen werk zou zijn, beging nu een groote onvoorzichtigheid in zijn antwoord.
"Deze accepten," zeide hij, "betreffen geen werkelijke handelsschuld. Ik zat eenige maanden geleden vast, en toen, bij het inlossen van anderen, vroeg ik om wat accommodatiepapier te mogen afgeven, ten einde aan een oogenblikkelijke verlegenheid te gemoet te kunnen komen. De heeren vonden het goed en zoo werden deze drie accepten opgemaakt."
"In plaats van goederen kreeg je dus geld?" vroeg Piong Pan Ho, die dit soort van transactiën nog niet kende.
"Ja. Vroeger heb ik het ook wel voor hen gedaan; onder elkaar doen de Europeanen het zelden, van wege hun crediet, maar dikwijls geschiedt het tusschen hen en een van ons. Jij geeft bijvoorbeeld een accept af; zij disconteeren het en gebruiken het geld; tegen den vervaldag lossen zij het in."
"Hoeveel?" vroeg Piong Pan Ho.
"Vijf percent of meer."
"'t Is gemakkelijk en niet erg duur. Mag het?"
"Wie ruikt het eraan?"
"Dat is waar," bevestigde Piong Pan Ho, het in zijn geheugen noteerende.
"Ik had het geld noodig," hernam Kan Liong Tjoe, om op zijn eigen belangen terug te komen. "Zooals je weet, ben ik deelhebber in de opiumpacht. Daar is veel contant geld toe noodig, want als wij de pacht aan het Gouvernement moeten betalen of opium koopen, is het uitstaande meestal nog niet binnen. Zooveel als er dan op slag noodig is, passen wij bij, ieder naar zijn krachten, en daarvoor wordt rente berekend, twee percent in de maand. Wie nu voor zijn aandeel in gebreke blijft, lijdt schade, daar de anderen het onder elkaar verdeelen."
"Dat begrijp ik," zeide de Singkeh; "die rente wordt van de winst der eindrekening afgetrokken."
"Juist. Maar het gebeurt soms dat, als er een niet storten kan, ook de anderen geen geld hebben. Dan wordt het voor zijn rekening bij derden opgenomen, en dat is heel duur! We moeten dit trouwens toch wel doen, want wij zijn niet altijd voldoende bij kas; maar dan dragen we het samen."
"Waar leen je dan?" vroeg Piong Pan Ho, wiens oogen dieper schitterden.
"Hier en daar. Er zijn een paar Europeesche landheeren, die ons voor twee percent 's maands leenen; maar dikwijls is het niet genoeg wat zij kunnen geven. Dan zoeken wij het op andere manieren... zooals ik nu bijvoorbeeld, met die accepten. Het allerlaatst in het Chineesche kamp; dat spreekt."
"Zit er zóóveel in die opium?"
Kan Liong Tjoe juichte in zijn hart, als de hengelaar, die een plotselingen ruk aan zijn tuig voelt. En voorzichtig als deze, trachtte hij zijn aas aanlokkender te maken, door het met zachte beweginkjes op en neer te doen dansen voor de oogen van den smulgragen visch.
"Nog meer. Worden de Chineesche officieren niet altijd gekozen uit hen, die door de opium rijk zijn geworden?"
Piong Pan Ho lachte, een gullen hartelijken lach, als verwelkomde hij de benoeming, die zoozeer door al zijn landgenooten wordt begeerd. Ja, dàt was iets! Als men maar eenvoudig luitenant werd, kon men onberispt in een mooi rijtuig rijden, lid worden van de sociëteit der Europeanen en zooveel meer. Men moest het zelfs doen, om door het voeren van eenigen staat, zich de hooge onderscheiding waardig te toonen!
"Vooral nu is de opium zoo mooi geworden," ging Kan Liong Tjoe voort, den indruk van zijn woorden opmerkende. "Het Gouvernement heeft een vasten tak van dienst ingesteld om den invoer van gesmokkelde opium, door ieder ander, behalve door de pachters, tegen te gaan."
Daar was iets duisters in, vond zijn aandachtige toehoorder. Hoe, het gouvernement verkocht immers de opium aan de pachters? Dat het den smokkelhandel tegenging was te begrijpen; maar waarom dan een uitzondering gemaakt juist voor de grootste afnemers?
"Wel, nu kunnen de pachters immers hoogere sommen betalen voor de pacht!" verklaarde Kan Liong Tjoe.
"Toch zou het Gouvernement meer verdienen met alleenverkoop," hield Piong Pan Ho aan.
"Dat is waar, doch ik zal je vertellen hoe dat zit; die zaakwaarnemer, die sedert een paar jaar hier rondloopt en vroeger bij het Gouvernement was, heeft het mij uitgelegd. De Radja Blanda heeft verboden dat er veel opium wordt ingevoerd en door het Gouvernement verstrekt; want als de andere Radja's dat hooren en zij komen 's avonds bij elkaar, dan plagen zij hem en zeggen dat er zooveel schuivers zijn op zijn gebied. Daarom is het, zie je. Maar het Gouvernement hier wil toch gaarne veel geld verdienen, en dus hebben zij dat zóó ingericht."
"Oeah! Orang blanda pinter betoel!" [1] riep de Singkeh, uit de volheid zijns harten.
"Zoodat," vervolgde de ander, die zijn doel in het oog hield, "sedert die maatregel is gaan werken, er voor ons meer te verdienen valt. Maar doordat de clandestiene verkoop zulk een knak heeft gekregen, hebben zich onze zaken uitgebreid. Daarvoor is meer kapitaal noodig, en zoo komt het dat mijn twaalfduizend gulden, die ik zeker meende vóór morgen los te krijgen, vast zijn blijven zitten. Nu wou ik je vragen mijn aandeel in de pacht over te nemen."
Zij praatten nog lang. Piong Pan Ho met groote bedaardheid den ander hoe langer hoe meer uithoorende, tot hij ten slotte begreep, dat zijn gewezen baas naar alle kanten te veel hooi op zijn vork genomen had en noch tegenover de dessa, noch de pacht, noch de Europeesche firma's in staat was ten volle aan zijn verplichtingen te voldoen. Hij liet intusschen ten volle recht wedervaren aan de stoutmoedigheid waarmee Kan Liong Tjoe zijn zaken dreef, die geheel op crediet gegrondvest, telkens met de winst vergroot, door combinaties waar een gewoon verstand van duizelde, in het leven gehouden, reusachtige afmetingen bezaten. Voorzeker, daar was van den Babah veel te leeren, vooral uit de fouten die hij begaan had en die weldra dat trotsche geheel ineen zouden doen storten, met een geweldigen slag. Piong Pan Ho zag het wankelen en sufte een oogenblik van de grootheid van den val, die door een kleinigheid veroorzaakt zou worden; een geluid als van een donderend kraken suisde in zijn ooren.
Maar weldra herstelde hij zich en terwijl Kan Liong Tjoe voortsprak, zijn waar steeds meer aanprijzende, overdacht hij met koele nuchterheid wat voordeeliger zou zijn: bijspringen in den nood, of profiteeren van de débacle. Het laatste trok hem het meest aan; want hij zou dan eerst gelegenheid hebben om te zien hoe de andere deelhebbers der pacht zich hielden, bij het uitvallen van één hunner. Gesteld dat zij eens allen in een soortgelijken toestand verkeerden! Dan moest de pacht zelf in gebreke blijven, òf alles zou op hem neerkomen; en daartoe was hij bij lange na niet machtig genoeg.
Hij stond op het punt in dezen geest een antwoord te geven, toen de stem zijner vrouw hem naar de toko riep.
"Wacht even," zeide hij en ging heen.
Het was Wije, op de hielen gevolgd door van Beek, die heden voor 't eerst mee had mogen gaan naar het Chineesche kamp. De verkoop aan den Singkeh had nooit heel veel bedragen, vooral niet in den laatsten tijd, doch Wije hield er van bij zijn ouden kennis binnen te loopen, al was het alleen om de groote hartelijkheid waarmee deze hem steeds ontving. En, een klein ordertje schoot er toch dikwijls op over. Zoo ook nu. Het werd afgesloten en Wije wilde zich groetend verwijderen.
Plotseling scheen Piong Pan Ho een denkbeeld door het hoofd te gaan. Met een min of meer haastige beweging stak hij zijn arm door dien van Wije en trok dezen ter zijde.
"Meneer," begon hij. Maar daar stak van Beek, die zeker meende dat hij er ook bij noodig was, zijn spitsen neus vooruit, tusschen hen beiden in. "A...tjie!" deed Piong Pan Ho, en niesde hem vlak in het gezicht. Beleefd was het niet; misschien dacht de Singkeh van wel; wat hij er echter mee bedoelde gelukte: van Beek week achteruit en poetste zijn brilleglazen af. "Woont meneer nog in hetzelfde huis als vroeger?" fluisterde Piong Pan Ho. "Ik meen te hebben gehoord dat u verhuisd is."
"Ja," bevestigde Wije, en duidde hem uit waarheen. "Wou je mij spreken, thuis?"
"Als het mag, van avond na sluiting.... neen, om zeven uur ongeveer."
"Goed. Kom gerust," zeide Wije, ziende dat van Beek, onverbeterlijk als hij was, weer naderde. "Dag!"
Piong Pan Ho ging terug naar zijn landgenoot.
"Hoe laat moet je betalen, morgen?"
"Vóór den middag."
"Best. In de vroegte kom ik bij je. Ik weet nog niet of ik het doen kan."
"Als je het niet doet, moet ik mij failliet geven," verklaarde Kan Liong Tjoe. "En dan valt er vooraf nog veel te beredderen."
"Ik kom vroeg," beloofde Piong Pan Ho, en daarmee was dit onderhoud afgeloopen.
Toen Wije 's middags thuis kwam, waarschuwde hij Anneke dat er iemand kwam om over zaken te spreken, dus dat zij niet vóór behoefte te komen. Maar even later, toen zij uit de badkamer kwam en de achtergalerij doorliep, waar hij nog een oogenblik zat af te koelen alvorens haar voorbeeld te volgen, hield hij haar staande.
"Herinner je je dien Singkeh," vroeg hij, "die eens als klontong bij ons geweest is, en je toen een armbandje present gaf?"
"Ik geloof niet dat ik hem zou herkennen," zeide Anneke. "Het is al zoo lang geleden! Maar ik weet nog wel dat ik het kreeg; ook heb ik het snoertje nog. Toen het te nauw werd heeft mama het opgeborgen en bij het uitzoeken heb ik het weerom gevonden."
Beiden zwegen een oogenblik; de laatste woorden van het meisje hadden een nog gevoelige snaar aangeraakt.
"Nu," vervolgde hij ten slotte, "die man komt straks hier."
"Die klontong?" vroeg zij verbaasd.
"Dat is hij al lang niet meer. Sedert jaren is hij toko-houder en een goed aangeschreven klant van onze firma. Ja ja, die Chineezen hebben slag van handelen, als het er ten minste inzit. En die Piong Pan Ho... enfin, hij komt vanavond hier. Interesseert het je hem te zien? Hij is bovendien nog een soort natuurwonder."
"Hoe dat zoo, pa?"
"Wel, dezelfde dankbaarheid, die hem dreef om jou dat ding te geven, schijnt hij nog steeds te koesteren. En dat enkel omdat ik hem even den weg gewezen heb."
"Dat is zeker iets bijzonders," lachte Anneke. "Zal ik dadelijk even vóór komen, of wachten tot acht uur?"
"Zoodra hij komt. Want hij maakt natuurlijk geen visite, om op te staan als het schot valt. Als de zaken afgehandeld zijn, maken die lui het meestal niet lang meer. En.... laat wat brandy vóór brengen; iets anders gebruiken zij gewoonlijk niet."
XI.
NOG EEN PAAR AANBIDDERS.
Anneke ging zich kleeden en Wije ondernam den tocht naar de badkamer. Het was toen nog geen zes uur, maar eer hij geheel gekleed was, werd het nagenoeg zeven uur. Want na den dood zijner vrouw was Wije in zijn slechte gewoonte van vroeger vervallen, om gedurende het aankleeden verbazend te treuzelen. Eigenlijk vóór het aankleeden, want dan liep hij heen en weer in zijn slaapkamer, palen afstands, soms hardop redeneerende, doch steeds in nadenken over eenig onderwerp dat hem in den loop van den dag of vroeger getroffen had, dit uitwerkend tot hij ermee gereed was, of plotseling door zijn klok gewaarschuwd werd dat de tijd niet stilstond. De minuten die overbleven besteedde hij aan een haastig toilet.
Daarna las hij de courant, tenzij er visite kwam, en week in zoover af van zijn vroegere gewoonte, dat hij al wat daarin interessant voorkwam, aan Anneke voorlas. Aan tafel openbaarde zich het resultaat van zijn overpeinzingen, ten minste als hij tot een conclusie had kunnen komen; en voorzeker was het voor Anneke leerzaam en ontwikkelend om hem aan te hooren.
Zij had intusschen minder tijd noodig dan haar vader; zelfs heden, ofschoon zij bijna een kwartier verbeuzelde om het roode armbandje van Piong Pan Ho, met een tusschenvoegsel van andere kraaltjes, zoo te vermaken dat het wijd genoeg werd haar pols te omspannen. Toen zij ermee gereed was, verliet zij haar kamer, benieuwd of de Singkeh het herkennen zou.
Uit gewoonte wilde zij eerst het voorerf opgaan, doch zich bedenkend, draaide zij om in de binnengalerij en liep naar achter, onderweg een paar pisangs medenemende voor de paarden. De stal was geheel aan het uiteinde der bijgebouwen. Daar staande, terwijl de vriendelijke dieren haar nog dankbaar voor de lekkernij besnuffelden en zij hen streelde, zag zij plotseling aan den voet van de grens-pagger verderop, iets wits. Zeker een doek of een stuk goed, dat daar te drogen had gehangen, er afgewaaid was, en door de bedienden vergeten!
Vlug wipte zij er heen, maar toen zij de plaats bereikt had uitte zij een klein gilletje. Gehurkt op den grond, achter een plekje waar de pagger minder dicht begroeid was, zat een Europeaan, die nu verrast oprees. Blijkbaar had hij haar bespied. Dit en het feit dat zij even geschrikt was, riep een toornigen blos op haar wangen te voorschijn.
"Djonkok't [2] u zoo graag, of durfde u niet over de pagger heen kijken?" vroeg zij verontwaardigd.
"Hè...?" deed hij, onbeleefd, de door haar gebruikte woorden niet verstaande. "U is zeker de jongejuffrouw Wije."
"Ja," erkende zij, vreemd ophoorend van de betiteling, die in Indië gemeenlijk door "non," vervangen wordt of bij meisjes van Anneke's leeftijd en ontwikkeling reeds door juffrouw. "Wie is u?"
"Ik ben van Beek."
"O!" was de uitroep, waaraan de ander bij het noemen van zijn naam zelden ontsnapte. "Toen u bij papa een visite maakte, was ik niet thuis," liet zij er op volgen. "Maar waarom loerde u zoo, en hoe komt u hier?"
"Ik woon hier in het paviljoen, en ik keek... naar u," biechtte hij zijns ondanks.
"Nette manieren! Verbeelje dat een der bedienden het gezien had!"
"Ik... was bang dat u weg zou loopen," stotterde hij, "en ik vond dat u zulk mooi haar had."
Er moest een wondere kracht in die zwarte oogen schuilen, dat zij van Beek een niet al te slecht verzonnen uitvlucht en een direct compliment--het eerste van zijn leven!--ontlokken konden.
Anneke was gevleid en daarmee haar boosheid verdwenen. Coquet wendde zij haar hoofd af, als zag zij iets in de achtergalerij, en liet hem een oogenblik gelegenheid den rijken tooi van donkere zacht krullende lokken van nabij te bewonderen, doch spoedig daarop tintelde er iets guitigs in haar blik.
"'t Is niet allemaal echt," zeide zij.