Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman
Part 8
Het gelukte dezen niet hem dien onzin uit het hoofd te praten, en het einde was, dat hij om erger te voorkomen, van Beek bij de firma inlijfde, voorloopig zonder tractement, om te zien wat er uit hem te maken was. Om te beginnen werd hij aan den boomklerk toegevoegd, en belastte deze hem met het schrijven der duplicaat-verklaringen van invoer, terwijl hij hem gaandeweg onderwees in het opmaken dier stukken in originali. Het bleek dat het van Beek noch aan goeden wil, noch aan vlug begrip ontbrak.
"Ik zou hem gerust alles overlaten," zeide de boomklerk een paar maanden later, "als hij zich niet telkens wat liet wijs maken. Maar soms doet hij de gekste dingen, en dan komt het geregeld uit dat de een of ander hem er heeft laten inloopen; waarschuwen helpt niet."
Meestal waren het de jongelui uit het hotel, die van Beek beetnamen. In den eersten tijd na het sociëteitsavondje hadden zij hem links laten liggen. De indruk van een klaplooper te zijn, dien hij hun gegeven had, was daarvan de oorzaak. Maar daar hij toch onder hen woonde en verkeerde, was dit op den duur moeilijk vol te houden. Toen begonnen zij zijn lichtgeloovigheid te exploiteeren; en de vele koopjes die hij daarbij snapte, waren een bron van vermaak en conversatie. Wie de sociëteit of bij een familie binnenkwam met de woorden: "heb je de laatste mop van van Beek al vernomen?" was zeker van een willig gehoor. Zoodat zijn reputatie overal doordrong. Hemzelf kregen echter weinigen te zien, want behalve tot de meest verplichte, was hij tot visites maken niet over te halen; en nadat een der jongelui hem een plaats in zijn rijtuig geweigerd had, bij gelegenheid van een partij bij den resident, en hij toen was thuisgebleven, omdat hij geloofde wat men hem vertelde, dat men er te voet niet heen kon gaan, en hij de uitgaaf van een rijtuig niet wilde doen, bedankte hij voor alle volgende invitaties.
De belangstelling in zijn persoon begon echter langzamerhand te verflauwen, vooral daar de Oostmoeson was aangevangen en men zich afvroeg wat er dit jaar van de ziekte komen zou, toen van Beek plotseling door twee daden zijn naam weer op aller tong bracht. De eerste deed vooral de handelswereld het hoofd schudden.
Het was hem toch niet ontgaan, dat bij het opmaken der verklaringen tot invoer der goederen, de zoogenaamde passen, waar die goederen niet op de bij Staatsblad vastgestelde prijslijst voorkwamen, en de firma dus zelf de waarde moest opgeven, dit met een zekere zuinigheid gedaan werd. En hoe kon het ook, daar de boomklerk hem had uitgelegd dat juist hierin de kracht van zijn betrekking lag, zóó aan te geven dat de Boom geen aanmerkingen maakte en toch de firma niet meer dan een minimum invoerrecht betaalde, ja zelfs een soliden naam aan den Boom behield. Want ging men te ver dan heette het smokkelen, en wee de firma die daarvoor bekend stond! Alles wat zij invoerde werd opengemaakt, gewogen, doorzocht; hetgeen groot tijdverlies en dikwerf schade aan de goederen en althans aan de verpakking met zich bracht.
De employé's die in het logement woonden, hadden de gewoonte om soms hoog op te geven van hun slimheid in boomzaken, en de trekken te verhalen die zij de ambtenaren speelden. Het spreekt dat daarbij niet zelden werd overdreven, en toen van Beek kwam deed men dit opzettelijk om hem, die alles geloofde, er in te doen loopen. Op zekeren avond zaten zij weer bij elkaar, en vormde de Boom het onderwerp van discours.
"Heb je al eens Adrianopel-garen ingevoerd, van Beek?"
"Neen, nog niet."
"Zoo; dan ken je den truc ook niet. Het komt in kisten en is verpakt in kleine pakjes van een gros kluwtjes, of soms meer; dat hangt van den afzender af. Maar het wordt geprijsd per gewicht. Aan den Boom nemen ze een pakje, storten dat uit, wegen het, en berekenen het totaal, dat natuurlijk kloppen moet met je aangifte. Begrijp je dat?"
"Ja zeker."
"Maar als je dat deed, zou je toch heel gek staan te kijken. Weet je waarom? In de kluwentjes zitten stukjes hout, van een vrij zwaar soort, en daarvan is het gewicht natuurlijk op de factuur afgetrokken."
"O juist!" zeide van Beek. "Dus wegen zij meer."
"Goed gezegd. Ik zie dat je vooruit gaat. Maar wat moet je nu doen?"
"Ik zou het aan den verificateur vertellen."
Een algemeen lachen volgde op deze woorden.
"Daar heb je meneer Simpel weer!" riep de onderwijzer uit. "Neen man, dat gaat niet. De verificateurs weten het net zoo goed als jij, maar ze moeten zich aan de letter van de wet houden; dus wegen zij, hout en al, en... beboeten je."
Het was een moeielijk geval. Van Beek trok zich aan de punt van zijn neus, een gewoonte van hem als hij nadacht, maar hij kon er niets op vinden.
"Zal ik het hem zeggen?"
"Ja, ga je gang maar," zeiden de anderen goedig.
"Nu, opgelet dan. Als de verificateur de kist heeft aangewezen, die hij geopend wil hebben, gaat hij gewoonlijk even weg tot het klaar is. Van dat oogenblik maak je gebruik en neemt uit een pakje zes kluwentjes weg; let wel: zes! Dat pakje geef je hem, en het klopt precies."
Welk een vreugde beving van Beek, toen den volgenden morgen de boomklerk hem een stel passen overgaf met de woorden: "Ga even met den mandoer naar den Boom: we hebben niets dan vier kisten Adrianopel-garen; er is niets bijzonders aan, dus je kunt het wel even alleen doen."
Of hij dat kon! Hij spoedde zich weg, zijn gelukkig gesternte prijzend. Hoe toevallig dat men hem juist gisteravond had ingelicht!
Het ging precies zooals men gezegd had. Gemakkelijker zelfs. Want toen hij den verificateur het pakje toereikte, waaruit zes kluwentjes in zijn zak verdwaald waren, keek deze er even in en zeide: "Het zal wel in orde zijn; ga maar door." Doch dit maakte de rekening niet. Van Beek wilde nu, de eerste maal dat hij alleen handelde, ook toonen dat hij zijn zaken wist.
"Weegt u het als u blieft na," zeide hij, het pakje terugwijzende.
De verificateur lachte even om zijn drukte, en wilde juist het pakje in de kist werpen, toen plotseling zijn oog viel op van Beek's zijzak, waaruit een rooden draad afhing. Dat was mis! En onder de suspicie van een smokkelpartij, greep hij van Beek bij den arm.
"Mee naar den controleur," zeide hij kort.
Van Beek had den controleur nog nooit gezien, doch de faam die van dezen ambtenaar uitging, was geweldig. Het was de opperste macht op dit kleine terrein, hij besliste als het ware over leven en dood, tronende in zijn bureau, waar men hem alleen in hoogst belangrijke geschillen mocht komen storen.
"Blijf hier even staan," zeide de verificateur, zoodra zij de deur binnen waren, en ging zelf naar den hoogen lessenaar, waarachter de controleur verborgen zat, met wien hij eenige oogenblikken fluisterend sprak.
"Kom eens hier, vriend!" klonk een gestrenge stem, die van Beek deed sidderen. "Wat heb je daar in je zak?"
"De zes kluwentjes overwicht," stotterde de ongelukkige, de corpora delicti te voorschijn halende.
"Overwicht? Wat is dat? Kom je ons nog voor den gek houden ook?--Weegt u het even na," vervolgde de controleur tot zijn ondergeschikte, terwijl hij wees op een balans in de vensterbank.
De verificateur deed wat hem gelast werd; maar toen de schaal in evenwicht was, teekende zijn gelaat onverholen verbazing en hij keek beurtelings naar de koperen gewichtjes en op den pas.
"Het komt precies uit, meneer," zeide hij eindelijk. "Daar begrijp ik niets van!"
Neen, en de controleur begreep het evenmin.
"Hoe heet je?" vroeg hij om iets te zeggen.
"Van Beek, meneer."
"O....!"
Dat "O!" was typisch. De verificateur begon zich te schamen en zocht naar een afleiding, die gevonden werd in het binnenkomen van den oppasser, met het leitje waarop Bolman, de boomklerk, zich liet aandienen. De mandoer was hem gaan waarschuwen, en hij kwam juist intijds om medeaanhoorder te zijn van van Beek's explicatie.
De controleur moest er om lachen, maar dat nam niet weg dat het feit bleef bestaan, dat van Beek, hetzij dan uit onnoozelheid, zich aan de hooge waardigheid van den Boom vergrepen had.
"Ik zal het er voor ditmaal bij laten," sprak hij tot Bolman. "Maar zeg aan je chef, dat hij vriendelijk verzocht wordt ons dergelijke tooneelen te besparen en dit jonge mensch thuis te houden; op den duur zou het aan den goeden naam uwer firma schade doen."
Deze boodschap, behoorlijk overgebracht, bezorgde van Beek een klinkend standje van den chef. Hij beloofde beterschap en van nu af aan niets meer te zullen gelooven. Intusschen, daar hij aan den Boom niet meer komen mocht, voegde de chef hem aan Wije toe.
Onder de leiding van dezen en den bedaarden Terborg viel er werkelijk eenige beterschap te bespeuren, maar aan de volkomen genezing moest nog eerst het tweede feit voorafgaan.
Er was een avondje geweest bij een familie, en twee der jongelui uit het logement zaten na afloop op het galerijtje vóór hun bovenkamers te bekoelen en wat na te praten. Daar opende zich van Beek's kamerdeur en deze trad naar buiten.
"Op mijn kamer is een verschrikkelijk groote vleermuis," deelde hij mee.
"Schiet hem dood," raadde de een; en de ander, met een goed geveinsd gebaar van schrik en afschuw, schoof zijn stoel achteruit en week als ontzet eenige passen zijwaarts.
"Je deur is toch goed dicht?" vroeg hij.
"Ja, waarom?"
"Gelukkig. Neen, alsjeblieft, niet te dicht bij mij! Die beesten zitten vol ongedierte en licht heb je al wat te pakken."
"Neen, dat kan niet," betuigde van Beek. "Ik ben stilletjes in mijn bed gebleven tot hij onbeweeglijk tegen den zolder bleef zitten. Toen ben ik eruit gekomen om te vragen wat ik doen moest."
"Wel.... je hebt een geweer. Heb je hagelpatronen?"
"Ja."
"Nu, dan is het eenvoudig genoeg, als je maar voorzichtig bent, zoodat je hem niet opschrikt. Ga zoo zacht mogelijk terug, neem je spuit en mik secuur."
"Zou jij het niet voor me willen doen?"
"Merci; ieder op zijn eigen kamer, hoor!"
"Nu.... dankje." En hij verwijderde zich. Maar nauwelijks had hij de deur in alle stilte achter zich gesloten, of de beide jongelui namen hun sloffen in de handen en slopen op hun bloote teenen naar hun kamers.
Het was één uur in den nacht. Het geluid der tongtongs aan de wachthuisjes, die het uur aangaven, voorafgegaan door de bedoek in de moskee, stierf in de verte weg; een enkele nablijver, die geslapen had op zijn post, liet nog even zijn slag hooren, en toen was alles stil, zoo stil als het in een Oostmoeson's nacht zonder kikkers en krekels slechts wezen kan. In het hotel sliep iedereen of lag althans te bed. Daar klinkt de scherpe knal van een geweerschot, scheurend door de luchtlagen. Deuren vlogen open, en van alle kanten stroomden halfgekleede gestalten toe onder angstig vragen: "Wie is het? Heere, wie zou het zijn?"
"Boven, boven!" was het antwoord, en men vloog, struikelend over elkaar, de trap op, de logementhouder voorop. Ook dáár waren alle deuren open.... op drie na. De logementhouder bonsde op de eerste, en een slaapdronken stem gaf antwoord. De tweede deur was die van van Beek. Men gevoelde, zoodra zijn naam genoemd was, dat hij het moest zijn, en diep medelijden beving allen. De deur werd geopend... en daar stond de gewaande zelfmoordenaar, zich oprichtende, voorzichtig, met een papiertje, een doode vleermuis aanvattend en in de hoogte houdend onder den blijden uitroep: "Ik heb hem!" Het geweer tegen de kastdeur aangeleund, illustreerde de rest.
's Morgens daarna zat de stumper in zijn kamer. Naast hem een kom met ijs, waarin hij de compressen koud maakte, alvorens die op zijn deerlijk gehavend gelaat te appliceeren. Intusschen bevond zich de logementhouder op het kantoor, waar hij den chef het gebeurde mededeelde, zijn leedwezen betuigende dat hij de logé's niet had kunnen verhinderen van Beek een geducht pak slaag te geven, maar aan den anderen kant den chef beleefd doch dringend verzoekend, den jongen man elders onder dak te brengen.
Deze begreep dat dit verzoek billijk was, en zoodra van Beek weer voor den dag kon komen verhuisde hij naar het paviljoen van den chef, bij zichzelven zwerende dat hij nu heusch niemand meer vertrouwen zou.
IX.
TROUWEN... GOED; MAAR GEËNGAGEERD...!
In het begin van den Oostmoeson had Wije zijn plan om te verhuizen volvoerd. Zijn nieuwe woning was iets minder ruim dan de vorige, maar had het voordeel van beter gebouwd te zijn; iets wat in Indië voornamelijk uitkomt bij deuren en vensters, in de meerdere of mindere mogelijkheid die te kunnen sluiten, en in het al of niet optrekken van vocht in de muren. Het voorerf was klein, zoodat het huis vrij dicht op den weg stond, maar het achtererf zooveel te langer. De achtergaanderij lag nagenoeg op één lijn met de voorgaanderij van het huis daarnaast, waarin toevallig Wije's oudste chef woonde. Wat men met de plaatsing van het huis, zoover naar voren, bedoeld had, was een geheim dier befaamde Indische bouwkunst, maar wat er mee te doen was, wist mevrouw Duna bij haar eerste bezoek onmiddellijk te zeggen. Zij raadde Wije aan het geheele erf te koopen, er in de lengte een weggetje af te scheiden, breed genoeg voor een dogcart, en heel achteraan een inlandsche kampong aan te leggen, waarvan hij huur kon trekken. Een mooier en secuurder geldbelegging was er niet, verklaarde zij.
"Ik zou bang zijn dat er niet veel van de huur terecht kwam," meende Wije. "De huurders zouden toch arme inlanders zijn, en we weten allen hoe weinig men die financieel kan vertrouwen."
"En het Gouvernement dan?" vroeg zij. "Hoe krijgt dàt zijn geld binnen van diezelfde inlanders? Hoe anders dan door hoofden aan te stellen, die belang hebben dat te blijven, en daarom zorgen dat het geld wordt opgebracht?"
Wije had op zijn tong om te zeggen dat het Gouvernement geen particulier was, dat het als souverein regeerde en als zoodanig wettelijke handelingen deed, bekend onder termen als landrente en belastingheffen, rechtspraak, en zoo voort; maar dat diezelfde zaken door particulieren uitgeoefend andere namen droegen, waaronder de meest populaire "scharrelen met inlanders in de kampong." Doch hij was een voorzichtig man.
"U spreekt alsof u ondervinding had van die dingen," peilde hij het terrein, lachend.
"Nu ja," viel de heer Duna in, "mijn vrouw heeft voor haar liefhebberij en met een philanthropisch doel wat huisjes laten zetten, óók op een achtererf, van een huis dat mij toebehoort. Maar dat is geen maatstaf voor sérieuse zaken.--Wel Anneke wat zie je er goed uit. Hoe oud ben je nu?"
Maar die manier om van onderwerp te veranderen lukte niet. Mevrouw Duna had den wenk van haar man wel begrepen, doch het beviel haar niet dat hij door zijn vraag de attentie op Anneke vestigde, wie zij het gebeurde op den sterfdag van haar moeder nog niet vergeven had.
"Hoor nu zoo'n man eens," ging zij hardnekkig voort, Anneke's antwoord overstemmend. "Of denkt u, meneer Wije, dat een huishouden als het mijne met zeshonderd gulden in de maand te drijven is?"
"Neen, mevrouw zeker niet.--Hé," vervolgde Wije, na even geluisterd te hebben, "begint de zee nu al te spoken? Dat is vroeg!"
Als de Westmoeson doorstaat, is er betrekkelijk weinig wind noodig om de naar die zijde open reede van Semarang woelig te maken; en dan hoort men 's avonds, als de geluiden die de dag meebrengt, verstomd zijn, op Bodjong het slaan van de branding. Maar het jaargetij was nog zoover niet. De opmerking van Wije deed allen naar buiten zien, de oogen in de richting vanwaar men meende dat het geluid kwam.
"Het is een rijtuig, dat van de stad komt."
"Neen pa, van boven," zeide Anneke.
Men twistte een oogenblik over deze vraag; en toen het bleek dat Anneke gelijk had, vond Wije gelegenheid iets te zeggen over de slechte ontwikkeling van het gehoor bij Europeanen, in tegenstelling van inlanders en ook van de in Indië geborenen. Men had daar zoo niet op gelet, doch nu Wije het zei... jawel! nu wist men staaltjes bij te brengen, die voor de juistheid van zijn stelling getuigden; men herinnerde zich dat men steeds bij ieder vreemd geluid als onwillekeurig de bedienden naar de herkomst, de beteekenis vroeg, en meestal een voldoend antwoord kreeg. En daarmee was men over het gevaarlijke punt heen, dat niet meer werd aangeroerd. Toen het schot, om acht uur, gevallen was, vertrok de visite.
Naar huis rijdende verweet Duna zijn vrouw haar onvoorzichtigheid, en dreigde haar den heelen boel op te zullen ruimen, als zij hun reputatie daarmee in gevaar bracht. Zóóveel was die liefhebberij niet waard; gelukkig dat Wije het klaarblijkelijk niet had begrepen, en.... dat hij de discrete Wije was. Zij antwoordde niet, maar leunde behagelijk achterover, stil voor zich heen lachende over de domheid dier beide mannen; de een die zoo weinig bon entendeur was, en de ander die zóó weinig blik op zijn eigen huishouden had, dat hij werkelijk geloofde dat zij dit met zijn vaste toelage bestreed--nu ja, iets kwam er misschien uit die kampong, maar veel kon het toch niet zijn.
Wije intusschen herdacht het gehoorde, dat hij best begrepen had. Hij bracht het in verband met een vroeger door hem vernomen gezegde van mevrouw Duna, die zich eens had uitgelaten dat een vrouw, die niet minstens het geld voor haar huishouden wist te verdienen, geen knip voor haar neus waard was. En hij had schik dat hij de oplossing van deze raadselachtige woorden gevonden had. Aan den anderen kant maakte het zijn verontwaardiging gaande. Weliswaar bestond ten slotte ook zijn firma van den inlander, die de katoentjes kocht; ja, men kon verder gaan, en zeggen dat het tractement van den Gouverneur-generaal en al die hooge heeren voor het grootste deel bestond uit de centen van Kromo en Wongso, maar.... wat maar? Wije was even vast geraakt, doch vond spoedig een uitweg. Men handelde niet direct met die lui. Dáár zat de knoop. Kromo ging niet naar Buitenzorg om zijn centen te deponeeren en Wongso kwam niet bij de firma om anderhalve el katoen voor zijn baadje. Er waren tusschenpersonen: hoog, lager en laagst. De laagsten kwamen slechts met den inlander in aanraking. Dus: deed men het na, dan verlaagde men zich.
Heel tevreden met die redeneering ging hij aan tafel; daarna gaf hij Anneke les. De methode die hij hierbij volgde was zeer bijzonder en zou, als hij bekend was geworden, van vakmannen de haren te berge hebben doen rijzen. Op school had Anneke de beginselen van het Fransch geleerd; daarmee was hij doorgegaan, om na korten tijd er Engelsch en Duitsch bij te nemen, afwisselend voor elke taal een week. Een grammaire werd niet gebruikt en toch was het onderricht streng grammatikaal. Men nam eenvoudig een roman en begon te lezen. Eerst woord voor woord, elk rededeel op zichzelf beschouwende en er de bijzonderheden van opsommende, van een werkwoord de beknopte vervoeging, van een zelfstandig naamwoord meervoud, naamvallen en geslacht, en zoo voort; dan de plaats der woorden in den zin en hun betrekking tot elkaar; eindelijk de vertaling, en na eenigen tijd een resumé van het gelezene in de oorspronkelijke taal. Geen thema's, geen fouten, geen opvoedkundig en leerzaam strafwerk... hoe kon dat goed gaan? Gelukkig dat Anneke nooit rekenschap heeft behoeven te geven van de wijze, waarop zij geleerd had zich zoo vloeiend uit te drukken in de vreemde talen. Voorloopig was van de buitenwereld Kees Duna de eenige die iets bemerkte van haar vorderingen, en er zich in verheugde.
Kees had dit jaar eindexamen gedaan; na de vacantie zou hij naar Batavia vertrekken, om voor Indisch ambtenaar te studeeren. Achttien jaar oud, had hij zijn vollen wasdom bereikt; iets korter dan zijn vader, maar breeder in de schouders. Over zijn geheele gestalte lag een waas van groote rustigheid en zekerheid verspreid, en zijn ernstige grijze oogen teekenden een vasten wil en geduld om dien uit te voeren; over het algemeen zou men hem ouder geschat hebben dan hij was, zoo niet het dons op zijn bovenlip zijn leeftijd verraden had. Bij de drukke bezigheden van zijn vader, die zelfs tehuis werkte, en een moeder die haar tijd liever besteedde aan haar geldmakerij dan aan haar zoon, had Kees zich al vroeg alleen gevoeld en geleerd de personen met wie hij in aanraking kwam, te beproeven en te schatten eer hij zich bij iemand aansloot. In zijn sympathieën was hij zeer conservatief, en steeds kostte het hem moeite zich los te rukken van iemand of iets, waarbij zich die geplaatst hadden. Zijn gevoel voor Anneke, in den beginne niets meer dan groote-jongens-genegenheid voor het mooie kinderkopje, was langzamerhand overgegaan in een sterke gehechtheid, voortgesproten uit de gewoonte van dagelijks zien, en elkaar meedeelen der gedachten. Kindergedachten weliswaar, doch voor kinderharten minstens even belangrijk als voor groote menschen de hunne. De tijd van scheiding, gevolgd na de afspraakjes op het erf der hoogere burgerschool, was voor Kees, ondanks zijn volharding, een tijd van pijnlijke zelfkwelling geweest. Zijn wil had toen strijd gevoerd tegen zijn conservatisme, en de overwinning behouden, tot Anneke door haar daad van moed en liefde in zijn oogen de oude schuld had uitgewischt.
Gepraat hadden zij er niet veel over; op een middag na haar terugkomst van Oengaran stond Anneke als vroeger aan den ingang van het erf, en daar kwam ook Kees weer aan. Dat was alles. Eerst later bekende Kees hoe naar hij die langdurige verkoeling gevonden had.
"Ik ook, Kees," antwoordde zij. "En weetje, ik ben zoo veranderlijk... maar op 't eind houd ik toch altijd het meest van jou."
Dat wist hij en daarmee was hij tevreden. Iets anders echter maakte hem ongerust. Hij had nu de hoogere burgerschool achter den rug, en daardoor een groote mate van wetenschap en kennis in zich opgenomen. Pedant had het hem niet gemaakt, maar hij gevoelde toch dat hij, met alles wat hij wist en een encyclopaedie tot zijn beschikking, op een zoo hoogen trap van ontwikkeling stond, dat er feitelijk niets was dat hij niet kende. Er was nauwelijks één onderwerp, dat hij niet aandurfde; en dikwijls had hij reeds ouderen in jaren al disputeerende vastgezet, met behulp van een honderdtal axiomata en stellingen, die hij tot zijn beschikking had.
Anneke daarentegen had weinig schoolonderwijs genoten. Was zij nu voor hem een geschikte gezellin? Vreemd was het, dat de gemakkelijkheid waarmee hij anderen overtuigde, bij haar geheel in 't riet liep. Want ook in hun minnekout droeg soms de wetenschap door; en als hij dan zijn vaste stellingen in 't vuur bracht, bukte zij niet zooals de anderen, maar viel in haar onnoozelheid die onomstootelijke waarheden zelf aan, door te vragen naar de beteekenis van het meest kernachtige woord. Trachtte hij die te ontwikkelen, dan stond het tien tegen een of door haar domme manier van de dingen op het eenvoudigst op te nemen, spatte de geheele stelling uiteen en bleek niet langer bruikbaar.
Hij gaf daarvan de schuld aan haar weinige woordenkennis, en daarom vernam hij met blijdschap dat haar vader haar onderwees in de moderne talen. Zoodoende zou zij toch eenigszins in staat zijn hem te volgen!
Opmerkelijk was dat hun vrijerij, die toch altijd plaats vond aan den kant van den openbaren weg, tot nu toe onbesproken was gebleven. Misschien was de reden daarvan wel juist deze, dat zij niets trachtten te verbergen voor het alziend oog van het publiek. Maar zelfs de wederzijdsche ouders hadden er niet de minste erg in. Toen echter Kees op het punt stond voor langeren tijd naar Batavia te vertrekken, meende hij het tijdstip gekomen om er over te spreken. Hij begon met het Anneke voor te stellen.
"Ik zal je erg missen, Kees," had zij gezegd. "Zal je eens schrijven?"
"Schrijven..." zeide hij met een ernstig gezicht. "Ja, zie je, daar komen we juist op iets waarover ik je van avond wou spreken. Ik wil heel graag; dàt is het niet... maar, als men elkaar schrijft... de vraag is of je pa het goedvindt."
"Pa? Waarom niet?"
"Wel," zeide hij, "omdat als wij elkaar brieven schrijven... Je zoudt mij toch antwoorden?"
"O zeker, Kees," beloofde zij, door zijn blijkbaar aarzelen gespannen.
"Dan zouden we zoo goed als... geëngageerd zijn."