Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman

Part 6

Chapter 63,851 wordsPublic domain

Voor een der kamers van de bijgebouwen zaten de bedienden in een kringetje, een obor van klappervezel in het midden, tegen de muskieten. Zij waren niet gaan slapen. Tegen een geval als dit, was zelfs het inlandsch phlegma niet bestand. Af en en toe was de baboe van het zieke kind weggeroepen; en telkens als zij weer terugkwam, vroeg men haar om bericht, dat zij met kreunende stem gaf.

Toen zij Wije luid roepende in de achtergaanderij zagen verschijnen, wisten zij dat het ergste gebeurd was, en een gerekte klaagtoon ging onder hen op. Ze verstonden nog wel niet wat hij zeide, maar dat was niet noodig; de koetsier en de staljongen begrepen wat zij te doen hadden. Immers, zonder dat het hun bevolen was, hadden zij de paarden opgetuigd in den stal laten staan, de dokter moest gehaald worden, wat anders?

Gewoon aan verrassingen, die zijn vak stempelden tot het droevigste van alle vakken, trof het nieuwe geval in hetzelfde huis den geneesheer toch diep. Innig bewogen staarde hij nu op het lieve vrouwtje, dan op den ongelukkigen Wije. Toen deze hem onder een vloed van zelfverwijtingen had verteld wat er met de medicijn gebeurd was, schrikte hij; maar na eenige oogenblikken aan het ziekbed vertoefd te hebben, drukten zijn trekken zoowel verwondering als vreugde uit.

"Stel je gerust," zeide hij; "het heeft eer goed dan kwaad gedaan."

"Meent u het, dokter?"

"Ja, zie maar, de huid blijft lenig. Hier durf ik hoop geven."

Helaas, die hoop werd niet vervuld. Wel doorstond mevrouw Wije de cholera, doch een week later bezweek zij, zonder bij kennis te zijn geweest aan de typhus, die in de meeste gevallen onmiddellijk op de eerstgenoemde ziekte volgt.

Anneke was dien eersten dag door den dokter meegenomen naar zijn huis, doch den volgenden morgen vroeg ontsnapte zij. Ze wilde haar moesje oppassen en Wije miste de kracht het haar te weigeren. Met de Indische meisjes aangeboren handigheid vervulde de nu dertienjarige Anneke haar moeielijken plicht, waarin niemand haar hielp. Aan deelneming ontbrak het niet; de Wije's waren bemind, en iedereen was met hun ongeluk begaan; maar persoonlijk betrad niemand het besmette huis.

Op één uitzondering na. 's Middags na vieren stapte geregeld een breedgeschouderde jongen het erf op, met een pakje boeken onder den arm. Hij ging dan direct naar achter, en op de trede der gaanderij staande, wachtte hij geduldig tot er iemand kwam. Dan luidde het: "Papa en mama laten vragen hoe het met mevrouw gaat."

Meestal was het Wije zelf die antwoordde: "Dankje, Duna; maar het blijft hopen en vreezen."

Een enkele keer had Anneke hem te woord gestaan, en zij had misschien begrepen dat Kees niet namens zijn ouders, maar uit zichzelf kwam. Den middag van de begrafenis zat zij alleen, snikkende, te wachten op de terugkomst van haar vader. Dus was al haar zorg vergeefsch geweest, moeder was weg en een leegte heerschte reeds nu in huis.

Zacht werd een hand op haar schouder gelegd.

"O Anneke, ik heb zoo'n medelijden met je," sprak Kees. Zij had hem niet hooren binnenkomen, en de golving van het neergelaten zeil, toen hij het oplichtte, had haar aandacht niet getrokken; nu keek zij op, zonder schrik echter.

"Wat ben je goed, Kees."

"Is er niemand gekomen om je te troosten?" vroeg hij verontwaardigd, de ledige binnengaanderij ziende. "Dat is toch te erg."

"Ze zijn bang," zeide het meisje. "Allemaal behalve jij."

"En jij," viel hij in met geestdrift. "Thuis vertelden ze dat je weggeloopen was van den dokter. Dat was flink van je; mama zei dat het onverantwoordelijk was van mevrouw, maar ik vond het flink, en daarom ben ik...."

Het knarsen van rijtuigwielen op het voorerf deed hem ophouden. Voor Anneke's papa was het nog te vroeg om terug te zijn; vreemden dus. Een onwil om door andere menschen hier te worden aangetroffen overviel hem; "men" had altijd wat te zeggen!

"Daar komt iemand," zeide hij; "ik zal maar heengaan. Tot weerziens, Anneke." En hij verliet de achtergaanderij, op hetzelfde oogenblik dat de voordeur openging, om aan twee dames toegang te verschaffen. Langs het huis heenloopende, zag Kees het rijtuig staan; hij herkende het dadelijk.

"Papa datang?" vroeg hij in 't voorbijgaan den koetsier.

"Njonja," was het antwoord. Het deed Kees goed; de eenige die dan nog kwam was dus zijn moeder.

Anneke was naar voren gegaan, de dames te gemoet, maar zonder hartelijkheid. Wat wilde men nu nog, daar moesje toch dood was! Zij liet zich de omhelzingen welgevallen, doch luisterde niet naar de gesproken woorden, die nu geen waarde meer hadden.

"Je moest ons eens wijzen waar mama's kast staat," zeide mevrouw Duna eindelijk. "Dan kunnen wij wat opredderen. Je pa zal er anders zoo bitter verlegen mee zitten, kassian!"

Het klonk Anneke als heiligschennis in de ooren. "Wat, vreemde dames zouden snuffelen in mama's kast? Zij was wel jong, maar dàt gevoelde zij best dat zou mama nooit hebben gewild. De kast waarin zij zelf pas in den laatsten tijd iets had mogen wegbergen, waarvan mama den sleutel steeds bij zich gedragen had... neen, papa moest het weten, maar zonder hem zou zij het niet toestaan.

"Ik weet niet of ik dat doen mag," zeide zij.

"Gerust hoor," verzekerde mevrouw Duna, terwijl de andere dame bemoedigend knikte.

"Als u eens wachtte tot Papa kwam."

"Dat is juist wat we vermijden willen. Heeren hebben daar zoo weinig begrip van; als je pa thuiskomt zal hij heel dankbaar zijn dat we hem die moeite bespaard hebben. Kom, heb je den sleutel of is die bij de baboe?"

"Ik heb hem," zeide Anneke.

"Geef hem mij."

"Neen mevrouw."

Zij zeide het zacht, doch beslist. Mevrouw Duna besloot nog een laatste poging te doen.

"Kind, kind," zeide zij, "je weet niet wat je doet. Bij al het verdriet dat je pa al heeft, wil jij hem niets sparen!"

Anneke begon te schreien.

"Zie je," ging mevrouw Duna voort, "ik wist wel dat je het zoo niet inzag. Wees nu een flinke meid en help ons voort."

Zij sloeg haar arm om Anneke's hals; doch deze rukte zich los en door haar tranen heen fonkelden haar groote zwarte oogen.

"Neen mevrouw," zeide zij nogmaals; "niet voor papa thuis is."

"Dan moet jij het zelf maar weten," zeide mevrouw Duna. "Goeden middag." Zij wendde zich trotsch om en verliet met haar vriendin het sterfhuis. "Wat 'n kat!" was haar eerste woord in het rijtuig.

De vriendin glimlachte fijn.

"Ze heeft nòg gelijk!" zeide zij.

Het waren nare oogenblikken voor Anneke, toen de dames weg waren. Gelukkig kwam Wije spoedig daarop terug en kon zij haar gemoed uitstorten.

"Je hebt goed gedaan," zeide hij, "er mag niets aangeroerd worden voorloopig. Roep nu de baboe en pak voor ons beiden wat goed in; morgenochtend gaan we samen naar boven. Ik heb voor veertien daag verlof gevraagd; straks komt er antwoord."

Het denkbeeld was van den dokter uitgegaan. Hij had het Wije met een paar woorden gezegd; het was vooral noodzakelijk voor Anneke. Daarop had hij den procuratiehouder der firma gewenkt, die op het kerkhof tegenwoordig was, en hem opgedragen voor het verlof te zorgen, wat deze beloofde.

Terborg, Wije's assistent, bracht 's avonds antwoord. Komende in de achtergaanderij, schrikte hij van Wije's uiterlijk. Het blonde haar was in die weinige dagen sterk vergrijsd, en de smart had die eens zoo zachte trekken hoekig en scherp gemaakt. Terborg moest zich geweld aandoen, om zijn verrassing niet te laten merken.

"Ik kon van middag niet weg," zeide hij, Wije's hand vattende; "maar toen uw boodschap kwam, verzocht ik het antwoord te mogen brengen. Meneer heeft, evenals wij allen, erg met u te doen. Hij laat zeggen, dat u een maand boven moogt blijven."

Den volgenden ochtend gingen Wije en Anneke op reis naar Oengaran. 's Avonds viel de regen in dichte stroomen, de ziekte, die de plaats zoolang geteisterd had, wegspoelende.

Dat had de tepêkong der Chineezen uitgewerkt!

VII.

HANDEL EN ROUW.

Want ook in het Chineesche kamp waren offers gevallen, en toen het getal daarvan onrustbarend bleef stijgen, werd er een verzoek gericht aan den resident om een grooten optocht te mogen houden met vuurwerk.

Hooge stellages, met doek en papier bekleed, versierd met allegorische drakenfiguren en spreuken in gulden letters, en in den top een paar jonge inlandsche kinderen, stevig vastgebonden, voorafgegaan en gevolgd door wonderlijk toegetakelde Chineezen, werden langs de wegen gepikold door Javaansche koelies. En overal knalde en spatte het vuurwerk, pijlen, donderbussen en mertjons, oorverdoovend en den adem belemmerend. Doch dat was niets, zoo het doel slechts bereikt werd. En zie, het gelukte!

In het geheele Chineesche kamp was misschien niemand meer in zijn schik dan Piong Pan Ho. Ook voor zijn deur hadden de djengees stilgehouden, om zijn bijdrage te ontvangen; hij behoorde dus onder de bemiddelden. Hij wist het wel, en het feit op zichzelf verschafte hem natuurlijk groot genoegen, maar heden was hij voor de eerste maal in de gelegenheid het te kunnen toonen, en dat was veel meer waard. Zoolang toch een Chinees niet onaantastbaar rijk is, veroorlooft hij zich niets dat naar weelde of vertoon zweemt. En zóóver was Piong Pan Ho nog lang niet.

Even na zijn vestiging als toko-houder was hij gehuwd. Het meisje dat hem in den beginne zoo bekoord had in de toko van Kan Liong Tjoe, had hij van dezen overgenomen op billijke voorwaarden. Zij was een voorbeeldige Chineesche vrouw geworden. Als Piong Pan Ho op reis was, nam zij de zaken waar alsof het zoo behoorde; en het zou de vraag geweest zijn in wien de ondergeschikten een gemakkelijker chef zouden gehad hebben, in haar of in hem, gesteld dat hij zich met de toko was blijven bemoeien. Doch dit deed hij niet. Toen hij zag hoe goed het ging, bepaalde hij zich tot de onderhandelingen betreffende den inkoop, en voorts reisde hij, zaken doende voor Kan Liong Tjoe en zich, maar hoe langer hoe meer voor zich en minder voor den ander.

Het veroorzaakte geen breuk tusschen die twee. Kan Liong Tjoe had zooveel mogelijk voordeel getrokken uit zijn voormaligen klontong; daarmee moest hij tevreden zijn. Misschien had hij gehoopt nog meer uit hem te halen en hem daarom de vrije hand gelaten in het aanknoopen van nieuwe relaties, die nu van wege hun eisch om veel contant geld en door de omstandigheid dat Piong Pan Ho het leeuwenaandeel in de voor hem geopende credieten had weten te bemachtigen, zwaar op hem drukten, stipt genomen was dit zijn eigen schuld, een speculatie die tegengeloopen was.

Toen het eerste jaar om was, dacht Kan Liong Tjoe dit nadeel te kunnen stuiten door zijn borgstelling bij de verschillende huizen op te zeggen. Hij ging dus rond, naar hij voorgaf om eens te informeeren naar den stand van Piong Pan Ho's rekening. Doch overal waar hij kwam oogstte hij een onverwachten dank voor zijn recommandatie. Piong Pan Ho betaalde prompt en zelfs liet hij in den laatsten tijd slechts zelden prolongeeren, niettegenstaande zijn inkoopen gaandeweg grooter werden. Om geen mal figuur te slaan sprak Kan Liong Tjoe maar niet van zijn borgstelling, en verliet de eene firma na de ander met een flauw bewustzijn, dat zijn gewezen klontong zoo mogelijk nog solider stond aangeschreven dan hijzelf, zij het voor een kleiner bedrag.

Piong Pan Ho moest grooter winsten maken dan hij; dàt stond vast. Maar hoe? Uit de binnenlanden was immers niet meer te plukken dan die zaken voor ieder ander opbrachten; trouwens de eerste maal dat de Singkeh voor hem uit was geweest, had hij één agent op knoeierij betrapt en getrouwelijk aangegeven; als de anderen ook knoeiden zou Piong Pan Ho dit evenzeer bemerkt hebben; voor medeplichtigheid was hij toen nog te groen, dàt bewees het aanbrengen van dien één. In de opiumpacht kon hij niet betrokken zijn, dat wist Kan Liong Tjoe, zelf deelhebber zijnde, te goed... Het intrigeerde hem eindelijk zoo sterk, dat hij besloot te trachten het persoonlijk uit te vinden en daartoe Piong Pan Ho in zijn toko op te zoeken.

Dit geschiedde den dag na Wije's vertrek en den grooten Chineeschen optocht. Hij was er niet geweest sedert het begin van Piong Pan Ho's vestiging, want de bruiloft waarop hij genoodigd was geworden, mocht niet meerekenen; de geheele feestelijkheid had bestaan in lekker eten en drinken in een aangebouwde bamboe pendoppo, en veel verder waren de gasten ook niet gekomen. Dus zag hij nieuwsgierig rond. De indruk dien de toko maakte was: benauwd maar ordelijk. De legplanken langs de muren, die vroeger tot berging en uitstalling van dranken dienden, waren nu door doozen en pakken ingenomen; de ruimte in het midden werd gevuld door stapels zwaardere goederen en glazen kasten met galanteriewaren, precies als bij Kan Liong Tjoe, alleen de uitgespaarde gangetjes waren veel nauwer; men kon er maar even tusschen door en dan nog bukkende, want juist daar hingen de verschillende soorten van lampen aan de lage zoldering, die verder geheel bekleed was met in strikken hangende spiegels, een uitstalling die tevens als reflector dienst deed en in alle hoeken voldoende licht wierp.

Voor het raam stond een tafeltje met Chineesche boeken, een bakje oost-indische inkt en een telbord; daarachter zat Piong Pan Ho's echtgenoote. Zij riep met dat eigenaardig stemgeluid, het midden houdende tusschen het harde scherpe Chineesche en het zangerige Javaansche, en van uit een der gangetjes trad de huisheer zijn bezoeker te gemoet.

"Kan Liong Tjoe!" verwelkomde hij, aangenaam verrast. "Goed nieuws?"

"Goed nieuws," zeide de ander. "Ik kom je eens opzoeken."

"Ga mee naar achter," raadde Piong Pan Ho.

Hij wees den weg. Het eerste gedeelte, grenzende aan de toko en een magazijntje daarop volgend, kende Kan Liong Tjoe, maar niet weinig was hij verwonderd toen hij in den muur hiervan een nieuwe deur zag. Zij gingen er door en kwamen in een ander locaal, over een erfje en weer in een bergplaats; en zoo ging het voort door verscheiden gebouwtjes en hokjes. Eindelijk stond Piong Pan Ho stil.

"Dit," zeide hij met de vlakke hand op een muur slaande, "moet ik er nog bij hebben; dan is het genoeg."

"Waarvoor?" vroeg Kan Liong Tjoe. "Wil je de toko vergrooten?"

Hij zei het maar om een vraag te doen, want op hun weg had hij opgemerkt dat Piong Pan Ho geen gebrek aan ruimte had; alleen in de voorste localen stonden koopwaren en niet eens dicht op elkaar. Maar waarvoor kocht de Singkeh dan al die schuren?

"Laat ons teruggaan," zeide Piong Pan Ho. "De thee staat klaar; binnen zal ik je mijn plan vertellen."

Toen zij zaten ging hij voort:

"Dit gedeelte en de toko wil ik laten staan. Ook de goedang heel achteraan. Die komt uit op den weg aan den anderen kant, en is van een Arabier die haar wil verkoopen, doch op 't oogenblik nog te duur; en.... ik moet ook nog wat wachten. Al wat er tusschen staat laat ik afbreken."

Hij hield op en Kan Liong Tjoe zweeg eveneens; het duizelde hem. Die Singkeh praatte over koopen en afbreken alsof hij een goudmijn ontdekt had. "Ik moet nog wat wachten," had hij zooeven gezegd, alsof de grootste financieele moeielijkheden daarmee vanzelf te overkomen waren.

"Dus je wilt," vroeg hij ten slotte, toen de stilte aanhield, "die goedang voor bergplaats gebruiken?"

"Ja, voor rijst. We doen verkeerd met in de dessa enkel geld te brengen. Ze moeten daarvoor immers toch ook weer rijst koopen?"

Kan Liong Tjoe begreep eindelijk. Piong Pan Ho wilde zijn voorschotten in de dessa in rijst verstrekken, natuurlijk tegen den prijs die in tijden van gebrek te maken was. Daartoe schuurde hij de rijst op, die de dessa zelf hem leverde in goedkoope tijden. Eenvoudiger kon het niet; en het resultaat zou zijn dat de Javaan werkte voor den kost, en het surplus in den zak van den Chinees en consorten terechtkwam. Nu ja, dàt was altijd zoo, maar deze Singkeh verstond de kunst om zooveel mogelijk aan zich alleen te trekken.

"Waar berg je dan de toko-waren?"

"Ik doek de toko op, zoodra ik kan," zeide Piong Pan Ho.

"Toch geen failliet?" vroeg de ander schrikkende. Hij dacht aan het gesprek van ruim twee jaar geleden en tevens aan zijn borgstelling.

"Neen."

"Waarom dan?"

"De toko is goed om mee te beginnen. Men moet haar echter niet te lang aanhouden; dan wordt het moeielijk en later onmogelijk zich ervan los te maken, en zij bindt mij de handen voor andere zaken."

Een gevoel van kleinheid beving Kan Liong Tjoe. Hij, de grootste toko-houder in het Chineesche kamp, was op dit oogenblik de mindere van zijn vroegeren leerling, die hem daar opeens een fout aanwees in zijn zaken, die hij vóór dezen nooit zóó had ingezien. Het drukte hem, zoodat hij opstond en afscheid nam, eerst toen hij thuis was tot het besef komend, dat hij het eigenlijke doel van zijn tocht had gemist. Piong Pan Ho had hem zijn toekomstplannen meegedeeld, maar hoe hij zoover gekomen was als hij nu blijkbaar stond, wist Kan Liong Tjoe nog altijd niet.

Eén geruststelling nam hij echter mee. Zijn instaan voor den Singkeh zou hem geen nadeel berokkenen; dat had hij uit alles opgemerkt, en dat was een heel ding; want toen Piong Pan Ho sprak over het gebonden zijn door de toko, vermoedde hij weinig hoe juist hij den spijker op zijn kop sloeg. Kan Liong Tjoe zat sedert het laatste jaar zoo vast als een muur. De zaken gingen goed genoeg, maar wat uit het eene hoekje los kwam, moest dienen om onmiddellijk het andere te stoppen; hij had over zijn vlottend werkkapitaal te veel beschikt; een toestand die jaren kon duren, doch door een kleinigheid in zijn evenwicht gestoord worden. Dat Piong Pan Ho in zijn te grooten ijver de aanleiding hiertoe geweest was, nam hij dezen alweer niet kwalijk; hij had op zijn voorstellen niet behoeven in te gaan. De zaak was nu vol te houden zoo goed hij kon; viel de slag, dan was het betrekkelijk niet eens zoo erg, en misschien zelfs beter; hij zou dan weliswaar opnieuw moeten beginnen, doch met de relaties buiten de toko om, en het voorbeeld van Piong Pan Ho volgende, was het te doen.

In kalme rust hadden Wije en Anneke hun tijd in het gebergte doorgebracht. Rustig en zorgeloos. Met buitengewone kieschheid had iedereen hen in hun droefheid alleen gelaten, zonder hinderlijk betoon van deelneming, en toch hadden zij van af den eersten dag zich omringd gevoeld van vrienden, die zij niet zagen maar in allerlei kleine attenties bemerkten. Wije was nog nooit verder geweest dan Semarang. De wenk van den dokter om wat beddelakens en sloopen mede te nemen, was hem niet bijzonder opgevallen; wie wist hoe zoo'n logement in de bergen ingericht was! Doch te Oengaran wachtte een inlander het rijtuig op, zeide een paar woorden tot den koetsier en sprong op het achterplankje. Toen sloegen zij rechtsaf, achter de sociëteit om, en hielden even daarna stil voor een kleine woning.

"Is dit het logement?" vroeg Wije, nadat zij uitgestegen waren.

"Neen meneer, een logement is hier niet," zeide de inlander. "Meneer is toch de vriend van den toewan dokter?"

"Ja...."

"Dan moet meneer hier wezen. Ik heb gisteren avond laat bevel gekregen om meneer op te wachten."

Later toen hij weer op Semarang terug was, vernam Wije dat het optrekje aan een administrateur van een onderneming in 't gebergte toebehoorde, en deze er den dokter de beschikking over liet gedurende de eerste maanden van den Westmoeson.

De eerste dagen praatten Wije en Anneke bijna uitsluitend over hun verlies. Maar elk onderwerp raakt uitgeput, zoo ook dit, te meer waar de omgeving niet bijdroeg hen daar telkens en telkens weer aan te herinneren. Thuis, met alles dat sprak van haar die heengegaan was, zouden zij zich niet zoo spoedig over hun geweldige droefheid heengezet hebben, doch hier ondergingen zij weldra den invloed van het nieuwe. En daar beiden voor het eerst van hun leven het majestueuze natuurschoon van de bergen aanschouwden, kon het niet missen of hun aandacht werd daardoor afgeleid.

Er was een plekje, ongeveer een half uur van hun huis, waar zij dikwijls heengingen. Daar hadden zij het steeds zoo aantrekkelijke gezicht in de vlakte, thans in donzigen nevel gehuld, vlak en gelijkmatig zwevend waar de zon scheen, maar witbruisend opstijgende op die plaatsen, waar de wolken hun regen in grauwe strepen omlaag zonden. Onder hen de kruinen der boomen in de ravijnen, in hun zwaarmoedig donkergroen, uit de diepte langzaam opkomend, aan weerszijden van de plek waar zij stonden, zich achter hen hoog verheffend.

Wije leerde zijn dochter het schoone daarvan te zien, naarmate hij zelf het in zich opnam, telkens wat nieuws. Maar toen zijn eigen gemoedsstemming veranderde, begon hij in het landschap, dat hem de eerste maal overweldigend had aangedaan, iets te missen. Tevergeefs trachtte hij zich echter rekenschap te geven, van wat er dan ontbrak.

"Men schijnt het toch niet te dikwijls te moeten zien," zeide hij eens, nadat zij langen tijd zwijgend hadden staan kijken.

"Het is zoo stil," merkte Anneke op.

Wije greep het denkbeeld.

"Je hebt gelijk," zeide hij. "Er ontbreekt leven en bedrijvigheid. Nu voel ik het! Op een plaats als deze moet het geweest zijn dat de Ziener zijn paradijs schiep; onder den indruk dezer natuur bevolkte hij het met levende wezens, veranderde hij de wildernis in een lusthof, geschikt tot opname van den mensch. Maar weldra, zich met dezen vereenzelvigende, gevoelde hij de verveling, die hij eerst zocht te verdrijven met de rangschikking van het bestaande, daarna door zich te wijden aan het onderzoek naar het ontstaan. Hierin niet slagende, zag hij om naar een ander wezen, aan wie hij zijn kennis kon mededeelen en die hem verder helpen zou waar hij stuitte; de vrouw. Doch ook te zamen konden zij niet doordringen in de geheimen van het heelal; en beiden zouden zij bezweken zijn onder hun rusteloos denken, bij de eenvormigheid van den alles voorkomenden overvloed door niets afgeleid, zoo hun de weg niet gewezen ware naar de laaglanden, waar behoefte hen drong tot werken; zij het in het zweet huns aanschijns, maar werken! Daarin alleen ligt genezing voor de kranke ziel.

"Ook wij, Anneke, moeten werken. Wij hebben volop genoten van de rust en de natuur; laat ons gaan eer het ons te veel wordt. Je hadt gelijk; het is hier te stil."

Hij wierp nog een laatsten blik over het landschap, en wendde zich om. Anneke volgde hem op het smalle voetpad. De woorden, die hij gesproken had, begreep zij niet geheel; doch naar het voorbeeld van haar overleden moeder, had zij zonder zich te bewegen geluisterd. Alleen het slot meende zij te vatten, en het verheugde haar. Zoodra de weg breeder werd, kwam zij naast hem, haar hand in zijn arm leggende.

"Wanneer gaan we, papa?"

"Begin je ook te verlangen?" vroeg hij terug. "Nu, dan zullen wij dadelijk zorgen. Overmorgen kan er een rijtuig zijn. Maar eer we heengaan, dienen wij eenige visites te maken bij de menschen die ons vriendelijkheid betoond hebben. Willen we daar van avond maar mee beginnen?"

"Goed pa," zeide Anneke.