Piong Pan Ho: Oorspronkelijke Indische roman
Part 5
De chefs waren intusschen voortgegaan met hun voor beide partijen onplezierig discours; de jongere nu ook warm geworden, viel op zijn beurt aan, den ander zijn drijven op bestaande relaties, zijn weinige activiteit voor de voeten werpende. Maar plotseling zwegen zij, hun boosheid maakte plaats voor een uitdrukking van de hoogste verbazing, met groote oogen en geopenden mond zagen zij elkaar aan, vragend, verontwaardigd....
Het was stil in de afdeeling der chefs.
Doch daarbuiten, bij de employés, was een ongewoon rumoer ontstaan. Stoelen werden verschoven, inktkokers opgenomen en met een harden slag weer nedergezet; men liep heen en weer, pratend, lachend, allerlei onzin uitvoerende.
Rood van ergernis vloog de oudste chef op van zijn stoel en opende het deurtje van hun vak. Maar slechts een oogenblik stak hij het hoofd naar buiten, om met een verlegen lachje en licht schouderophalen weer te retireeren naar zijn lessenaar. Hij had gezien hoe Terborg een dikken Chinees verwelkomde, en de woorden opgevangen waarmee hij dezen rekenschap gaf van het zonderling geraas: "We hebben allen een maand tractement extra ontvangen!"
Veel tijd om over het grappige der tegenstelling--de chefs luid kijvende over een verlies dat de firma geleden had, de employé's hen voor de buitenwereld sauveerende door het uitvloeisel van groote winsten voor te wenden--na te denken, had hij niet, daar Terborg aanklopte en het bezoek van "Kan Liong Tjoe met nog een Chinees" aanmeldde.
"Zoo sobat, gaat het goed? En wie is deze sobat? Dien ken ik nog niet."
"Piong Pan Ho."
De oudste chef schudde beiden de hand en wees hun een stoel aan.
"En wat is er te doen?"
Maar dat vernam hij zoo dadelijk niet. Kan Liong Tjoe moest eerst weten hoe de chefs het maakten, of mevrouw in goeden welstand verkeerde, of de kinderen gezond waren, en eindelijk besloot hij met de opmerking dat het warm was. Intusschen zat Piong Pan Ho schijnbaar de gelegenheid eens op te nemen, maar feitelijk te bekomen van het vreemde, dat een vis à vis met een der aanzienlijke leden dier blanke maatschappij voor hem inhield, tevens luisterend naar de wijze waarop de toko-houder met dat volkje omsprong. Heel moeielijk was het niet te onthouden: eerst meneer, dan mevrouw, voorts de kinderen en ten slotte het warme weer. Het laatste vooral was een zeer vruchtbaar onderwerp, dat onmiddellijk in verband was te brengen met de vraag of bier dan wel brandy-soda bij de heerschende temperatuur gezond was.
Toen Kan Liong Tjoe zag dat de ander volkomen op zijn gemak was--een Chinees schept geen behagen in de verlegenheid van een rasgenoot--begon hij over zaken te spreken.
"Mijn vriend hier," zeide hij, "wil een toko openen. Kent meneer het huis waarin onlangs Tjap Goan gestorven is?"
"Jawel," zeide de chef, den naam opteekenende, om dien straks aan Wije te kunnen meedeelen.
"Dat huis heeft Piong Pan Ho gekocht."
"Dus gaat hij een toko in dranken en blikjes openen?"
"Neen meneer, precies als mijn toko; alleen neemt hij er lampen bij."
"Een concurrent dan?"
"Tida! Eén man kan immers niet alles voor zich alleen hebben?" riep Kan Liong Tjoe lachend uit. Toch verwonderde hem de vraag. Wist die meneer niet dat Chineezen onder elkaar niet concurreeren? Althans niet in verkoopsprijzen; hoogstens trachten zij de waren goedkooper machtig te worden dan hun buurman; doch het zou immers vierkant tegen hun belangen indruischen door concurrentie de prijzen te drukken! Zoo die slechts even onder die der Europeesche toko's blijven en niet boven de koopkracht der afnemers gaan. "Piong Pan Ho," vervolgde hij, "kent echter de heeren nog niet, en de heeren kennen hem niet; daarom ben ik meegegaan om hem voor te stellen. Als meneer aan hem wil verkoopen, zal ik den eersten tijd voor hem instaan; later mag meneer zelf oordeelen."
"Goed," zeide de chef, tevreden knikkend; "tot hoeveel?"
"Twintigduizend," antwoordde Kan Liong Tjoe op den eenvoudigst mogelijken toon; en toen de chef nogmaals knikte ging hij voort: "Piong Pan Ho zal over eenige dagen wel zelf bestellen, zoodra hij op orde is."
"Twintig mille!" herhaalde de chef, toen de Chineezen vertrokken waren. "Als Kan Liong Tjoe voor dat bedrag instaat, is hij minstens goed voor het dubbele." En hij wreef zich vergenoegd in de handen.
Dezelfde berekening was ook door den Chineeschen toko-houder gemaakt, nog eer hij de monsterkamer af was. Zonder zijn crediet te schokken, had hij de beschikking over een kleine veertig mille gekregen, die hij met Piong Pan Ho samen, best gebruiken kon.
Op de trap ontmoetten zij Wije. Niettegenstaande zijn goed geheugen voor Chineezen-gezichten, duurde het eenigen tijd eer deze Piong Pan Ho herkende. Dit was niet zoozeer te wijten aan den tijd die verloopen was sinds hij hem de laatste maal gezien had, als aan de verandering die het gelaat van den Singkeh ondergaan had. Toen hij pas aangekomen was op Java's stranden, opgevoed onder die groote massa van individuen, van welke niemand één dag zeker is van zijn leven, zijn bestaan als bij het uur tellende en daarom zich zonder bedenken overgevende aan de lusten die het oogenblik bood, werkende tevens met reuzeninspanning om een nietig aandeel in het dagelijksch brood, na een kort verblijf in Singapore, dat brandpunt van prostitutie in het groote met zeden overstelpte en daardoor onzedelijke Engelsche rijk, droeg hij de gewone uitdrukking der Singkeh's, het door de gewoonte van den doodsangst strak getrokken vel, overgoten met het vuile Singapoersche glimlachje, opkomend en verdwijnend in snelle afwisseling, gelijkende op den schuwen hond, die niet weet of hij de hand die hem aanhaalt zal likken of bijten. De veranderde levensomstandigheden, de voor een Singkeh matige inspanning, de volkomen veiligheid en rechtszekerheid, de betrekkelijke zedelijkheid en eindelijk de gelegenheid om zich verstandelijk te ontwikkelen in de laatste jaren, hadden een grooten invloed gehad op de trekken van Piong Pan Ho's gelaat en er een waas van ontluikende menschelijkheid over verspreid.
Dat bracht Wije in de war, doch toen hij zijn ouden beschermeling ten slotte herkende, verheugde hem de verandering in diens lot, en meer nog de dankbaarheid, die Piong Pan Ho blijkbaar bleef koesteren voor den eerste die zich zijner had aangetrokken, grooter dan de geringe dienst volgens Wije's opvatting meebracht.
Wije werd dadelijk bij den chef geroepen, die hem het adres van Piong Pan Ho overgaf en zijne beschikking meedeelde.
"Weet u," vroeg Wije aarzelend, "dat die man een klontong van Kan Liong Tjoe is geweest?"
"Neen; wat zou dat?"
Het begon den employé eindelijk te vervelen, dat eeuwige "wat zou dat?" telkens als hij een waarschuwing meende te moeten doen hooren.
"Het pleit sterk voor 's mans vlijt en werkkracht," zeide hij met plotselinge frontverandering. "Ik ben overtuigd dat we een soliden klant aan hem gewonnen hebben."
"Ja, ik ook. De recommandatie van Kan Liong Tjoe is trouwens een bewijs. Maar het doet me plezier dit nog van je te hooren."
"On ne peut faire boire un âne s'il n'a pas soif," mompelde Wije, op zijn plaats teruggekeerd. De chef wilde nu eenmaal nooit luisteren als men hem op eenig gevaar wees. Welk gevaar hier bestond zou echter Wije niet dadelijk hebben kunnen zeggen; de list van den toko-houder doorzag hij zelf niet, doch zijn instinct waarschuwde hem; niet voor Piong Pan Ho, dien hij vrij juist taxeerde, maar voor den ander, wien hij het nooit vergaf dat hij goed van de firma onder de markt had laten verkoopen.
Hij had niet lang tijd tot nadenken, want men kwam hem inlichten omtrent het gebeurde van 's morgens vroeg. Nauwelijks echter had hij dit nieuws in zich opgenomen, of er kwam bezoek op de monsterkamer, opgevolgd door nieuwe bezigheden, die hem den geheelen dag geen rust gunden. Eerst 's avonds, toen hij in bed lag, begon hij de vergaderde stof te verwerken en deze bezorgde hem een naren droom. Hij zag het gebouw, waarin nu het bloeiende handelshuis was gevestigd, verlaten; de groote deur was gesloten en ten overvloede met een plank dichtgespijkerd, de muren hadden het laatste spoor van witkalk verloren, de verf was gebarsten en van het houtwerk losgesprongen, de ruiten waren ingeworpen en als ledige oogholten staarden de ramen hem aan, hem die daar op den kali-kant tegenover het firma-gebouw stond, terwijl de regen neerkletterde, zonder zich te kunnen bewegen, evenals de:
Phrygische vreemde, des vorsten Tantalus' dochter; haar houdt omklemd de Sipylus-rots, haar omgroeiend, epheu gelijk. Nooit verlaat de treurende--zoo zeggen de mannen-- sneeuw of stroomende regen. En zij bevochtigt uit steeds schreiend oog het gesteent'....
Hij zeide die regels op in zijn nachtmerrie; zij waren uit een Grieksch koor, door een gestudeerd vriend van hem vertaald; hij had dit van buiten geleerd om in gezelschap de menschen een idee te kunnen geven van Grieksche dichtkunst en versmaat, die hij echter zelf niet begreep. Ook nu niet; maar daar kwam zijn vriend, opduikende uit de kali, met een zwaren houten hamer in de handen. En evenals vroeger begon hij hem uit te leggen: de lange syllaben aanhouden en den toon geven, zóó, zóó... en bij ieder zóó een slag op zijn borst met den hamer. Hij gilde het uit.
"Wim, Willem, word toch wakker! Foei, wat droom je."
Wije ontwaakte, maar de indruk van zijn droom verliet hem nog in geen weken, en hoewel de zaken op het kantoor hun gewonen gang bleven gaan en niets zijn vrees scheen te rechtvaardigen, toch werd zijn voorgevoel met den dag sterker. 't Was belachelijk, de firma was volgens iedereen "zoo goed als de Javasche bank," en hij zou het ook aan niemand hebben durven zeggen, gesteld al dat hij buitenaf iets van het kantoor zou kunnen of mogen zeggen. Alleen zijn vrouw maakte hij deelgenoot van zijn heimelijken angst, doch hij vond ditmaal geen weerklank: het was immers op niets gegrond! Een standje heeft iedereen op zijn beurt. En al viel het huis, wat dan nog? Wije's reputatie was uitmuntend; hij kon overal terecht.
Met dit laatste troostte hij zich eenigermate, hoewel het hem spijten zou. Zelfs voor een oud, leelijk kantoor en een firma waarin men part noch deel heeft, krijgt men hart als men er bijna vijftien jaar aan verbonden is geweest. En aan den anderen kant is het voor een employé het onaangenaamste dat hem overkomen kan, zijn vertrouwen te verliezen in de zaak die hij dient. Ieder heeft zijn opvatting van de onsterfelijkheid op deze aarde; de handelsman wenscht de sporen van zijn werkzaamheid te doen voortbestaan in zijn firma-archief.
Zoo pikirde hij voort en het dreigde bijna een idée fixe van hem te worden, toen andere gebeurtenissen plotseling zijn gedachten afleidden.
VI.
WAAROM JUIST DEZE?
In Java's beneden-landen is de weersgesteldheid vrij regelmatig. Het is Westmoeson of Oostmoeson, en daartusschen een zeer korte kentering. De elementen voeren er zelden strijd; zij worden er als het ware niet bestuurd, doch geadministreerd in groote eentonigheid; een storing is een fout in de administratie, meestal weinig beteekenend en zonder invloed op den gang der zaken. Een praatje over het weer is daar dan ook niet te houden, wat voor de Hollanders een heel gemis is; men bepaalt zich tot de opmerking: hè, hoe warm, of: hè, wat een bui; meer te zeggen zou àl te banaal zijn.
Dat is de regel, maar wee het land als een uitzondering plaats vindt, als in enkele achtereenvolgende jaren de regens verminderen en de droogte langer aanhoudt. Dan daalt na afloop van den Westmoeson het grondwaterpeil, om tegen het midden van den Oostmoeson den bodem geschikt te maken voor de opneming dier vreeselijke kiemen der cholera, die zich weldra in al haar ellende verspreidt, duizenden offers vragend, tot òf fellere droogte het grondwater eindelijk beneden het gevaarlijke punt doet dalen, òf geweldige regens van den volgenden Westmoeson het daar boven doen stijgen, zoodoende een einde makende aan de ramp, die maanden lang de bewoners der beneden-landen in telkens nieuwen rouw dompelde.
Zulk een jaar was aangebroken. Langs den Bodjong-weg vermenigvuldigden zich de optochten van inlanders, onder eentonig gezang een der hunnen grafwaarts dragende; maar nog nam men er weinig notitie van onder de Europeanen; de gezondheidstoestand onder hen was voorloopig nog goed, ja beter dan anders, want ook in deze geldt de regel: waar meerderman komt, moet minderman wijken; bij de nadering der cholera schijnen de gewone ziekten te vlieden. Het was de stilte vóór het onweer.
Plotseling gaat het gerucht door de plaats van een geval bij een Europeaan, gevolgd door nog een; en dan spreekt men het uit, de couranten bevatten mededeelingen en rapporten, de dokterskoetsen rennen over den weg, heeren rijden met hun zakdoek voor den neus of een sigaar in den mond naar de stad, dames ziet men niet meer, en 's avonds is de sociëteit drukker bezocht dan anders, door vreesachtigen die gehoord hebben dat de kans op besmetting vermindert wanneer men "het vleesch goed onder den pekel houdt." Maar overal loopt het discours over dit ééne onderwerp: cholera.
"De dokter komt van avond op de sociëteit," zeide Wije; "ik ga er even heen."
"Blijf je niet lang weg?" vroeg zijn vrouw. "Je weet, ik ben niet bang, maar in dezen tijd..."
"Even maar; het is alleen om den dokter uit te hooren."
Zij waren niet bang, de Wije's, maar de algemeene zenuwachtigheid had hen niet geheel onaangetast gelaten. De voorgeschreven maatregelen, als dubbele reinheid van huis en erf, en een matig glas champagne, namen zij trouw in acht; Anneke bleef schoolgaan, omdat hun alle plotselinge afwijkingen van de normale gewoonten was ontraden; een enkele maal echter ving Wije den dokter op, om zich te laten vertellen dat al wat hij deed goed was en betrouwbare inlichtingen te ontvangen omtrent den stand der epidemie.
De dokter had zijn vast partijtje in de sociëteit, doch in dezen tijd, die alles omverwierp, had hij het voorloopig moeten opgeven. Nu zat hij aan de kletstafel met eenige andere oude heeren en verscheiden jongelui, zeker van het feit dat hij binnen het half uur zou worden weggeroepen, meestal om een calmans voor te schrijven tegen uit vermeende symptomen ontstane zenuwachtigheid.
"Maar dat kan me niet schelen," verklaarde hij; "liever tienmaal voor niets rijden, dan dat iemand "het" heeft. Weet jelui wat ik mij echter wel aantrek?"
Men schudde ontkennend het hoofd.
"Dit," zeide de dokter, een pand van zijn witte jas met duim en vinger opheffende.
Allen lachten; dat zou wel uitkomen, dat men z'n jas aantrok! Maar het was niet zóó bedoeld.
"Ziet," ging de geneesheer voort, "mijn haren zijn grijs, maar nog nooit in mijn leven heb ik iets zoo bespottelijks gezien. Men verlangt dat een dokter in een zwarte jas visites maakt. Soedah! in gewone tijden heb ik er vrede mee; men went aan alles, dus ook dááraan. Ik heb het altijd gedaan; doch nu vind ik het onverantwoordelijk. Zoodra de ziekte begon, heb ik een witte jas aangetrokken; ik wilde haar niet in het zwarte laken overbrengen van 't eene huis in het andere."
Er waren er die goedkeurend knikten, maar een der jongelui zeide: "Het is toch zóó'n gewoonte, dat een zieke allicht zijn vertrouwen verliest op den geneesheer, die in plaats van deftig in 't zwart, daar in eens met een wit jasje bij zijn bed komt. Misschien is het heel gek, maar het is zoo, en vertrouwen doet een heeleboel. Sapada! brandy-soda."
"Je hebt gelijk," stemde de dokter toe. "Vertrouwen is de halve genezing; de één put het uit een zwarte jas, de ander uit cognac fine champagne." Hier hield hij even op, terwijl het jonge mensch een kleur kreeg en de anderen glimlachten. "Alleen vind ik het beter in godsnaam de menschen het vertrouwen tijdelijk te doen missen, dan hen direct te infecteeren. Geloof me, als het bacteriologisch laboratorium te Batavia ooit gebrek aan grondstof krijgt, laat ze gerust de oude doktersjassen opvragen, dan hebben zij voor jaren genoeg. Als echter mijn collega's deden wat ik doe, zou niemand er verder om malen; maar in plaats daarvan, gebruiken zij het als een middel om mij patiënten af te troggelen. Dat is het wat ik mij aantrek! En vooral die één, die smeerlap....."
Een rijtuig reed het erf op en Wije stapte uit. Zijn komst deed den dokter zijn volzin afbreken, zeer tot genoegen der anderen; want als hij over dien collega begon, kwam er geen einde aan; dat wist men bij ervaring.
"Toch niets aan de hand?"
Het was de gewone vraag in die dagen.
"Neen, gelukkig niet," antwoordde Wije. "Hoe staat het ermee, dokter?"
"Het mindert in de laatste dagen, althans in het stadsverband."
"Ik las van avond in de courant, dat men te Batavia een nieuwe geneeswijze toepast; met jodoform."
De dokter haalde de schouders op.
"'t Kan zijn," zeide hij. "We doen allen ons best. Maar voorloopig kan ik niet beter raden dan: neemt voorzorgen. Want wie het krijgt, is in de meeste gevallen veroordeeld."
Enkelen verbleekten, anderen bestelden een nieuwe dosis van hetgeen zij dronken; die dokter was ook zoo ruw!
"De lucht is betrokken, naar ik onderweg zag," deelde Wije mede, en dit deed de gezichten opklaren. Dàt wist men, als het ging regenen was het over! Zij stonden op en keken naar buiten, en werkelijk, het was zoo!
"Sapada, kassih pajong!" riep een grappenmaker, moedig voor 't eerst sinds maanden; doch de aardigheid viel niet in den smaak.
"Pas jij maar op!" kreeg hij te hooren.
Terwijl zij keken en disputeerden over de kansen op regen, nam Wije den dokter apart, op en neer loopende in de gaanderij en sprekende over de ziekte, tot het den dokter begon te vervelen en deze eindelijk voorstelde weer te gaan zitten. Juist hadden zij plaats genomen, toen een ongewoon geluid op den rijweg vóór de sociëteit aller aandacht trok. Er werd hard gesproken, even maar; daarop zag men de lantaarns van een rijtuig aansteken; een oogenblik later reed het rijtuig naar binnen, terwijl een inlandsch bediende den anderen kant van het hek inholde.
De dokter was opgestaan, begrijpende dat het hem gold; als iemand haastig aankwam in dezen tijd was het altijd voor hem. Maar ook de anderen zagen angstig uit, van het licht in het donker, om te weten wiens rijtuig het was en wiens bediende. En toen beiden ongeveer tegelijkertijd voor de trap aankwamen, vloog Wije op met een schreeuw.
"Sinjo sakit," zeide de bediende, nog ademloos van het harde loopen.
Geen woord werd meer gewisseld. De dokter, die al gereedstond, drong vooruit het rijtuig in en Wije vlak achter hem aan; de koetsier legde de zweep over de paarden, die deze aansporing niet gewoon, onstuimig in het tuig vielen; en voort ging het in wilde vaart.
"Heb je de droppels in huis?" vroeg de dokter, toen zij op de hoogte van de apotheek waren.
"Ja," antwoordde Wije, klappertandend.
Met grooter handigheid dan men van een inlander zou verwacht hebben, stuurde de koetsier de nog steeds hollende paarden het erf op, waar het zware grint medehielp om de dieren tot een langzamer gang te dwingen. Zij waren er. Op hun teenen, maar toch snel, liepen de beide mannen door het huis, Wije voorop. Van een der kamers stond de deur open, en daarbinnen zat mevrouw Wije op een stoel, het zieke kind in haar armen. Een scherpe pepermunt-lucht kwam de binnentredenden tegemoet.
De dokter nam het kind op en legde het in zijn bedje.
"Is het cholera, dokter?"
"Ja mevrouw. Heeft u droppels gegeven?"
"Ja."
"Ingehouden?"
"Neen."
Het jongske lag daar met door de krampen samengetrokken lichaam, zich wentelend in pijnen te hevig om zelfs maar een kreet te ontlokken. De dokter had het fleschje genomen en druppelde er een nieuwe gift uit. Met zorg bracht hij zijn arm onder het hoofdje en diende de medicijn toe. Maar ook ditmaal tevergeefs. Toen zag hij om zich heen in de kamer.
"Heeft u een wollen deken, mevrouw?"
"Jawel. Zal ik hem halen?" En op een toestemmend hoofdknikje, ijlde zij de kamer uit.
"Ziezoo," zeide de dokter. "Hier Wije, houd eens vast."
Het was een zwart étui, en daaruit nam de geneesheer een spuitje, vulde het voorzichtig en appliceerde het op het kinderlichaampje. Een zwart streepje bleef achter in de blanke huid.
"Is er hoop?" vroeg Wije, terwijl de dokter het étui weer opbergde.
"Afwachten," zeide deze.
Mevrouw Wije kwam weer binnen, met het verlangde.
"Kan de kamferlucht geen kwaad?" vroeg zij.
"Integendeel," zeide de dokter, de deken over den kleinen patiënt uitspreidend. "En nu zoo doenlijk met rust laten. Ik kan voor 't oogenblik niets meer doen; tegen den morgen kom ik terug."
Wije geleidde hem naar buiten.
"Waar is Anneke?" vroeg hij terugkomend.
"Ik heb haar naar bed gestuurd, toen het begon. O Willem, zouden we hem moeten verliezen?"
"De dokter geeft hoop," loog hij om bestwil.
Zij bleven samen waken, zittend voor het bedje en helpend telkens als het noodig was. Langzaam ging de tijd voorbij in den stillen nacht, en Wije's denken liep wild dooreen. Tijd, wat was tijd? Ingedeeld in seconden, minuten, uren.... maar dat deugde niet. Hoe kort was soms een uur en hoe lang was het nu! Langer dan een jaar, neen, dan vijf jaren. Doorleefde hij dien tijd niet, vanaf de geboorte van zijn zoon, in minder dan een uur? "'n Jongen hè?" zeide de chef, en wat was hij blij! Dan de eerste tijd, de pogingen om te loopen, om te praten, de humor in zijn kinderlijke opmerkingen... Weer sloeg de klok in de binnengaanderij. Neen, die klok deugde niet; hij zou een betere uitvinden, die den tijd aangaf zooals hij werkelijk doorleefd werd; ja, en haar doen verkoopen door de firma, die dan niet zou vallen, want allen zouden toestroomen om die klokken, Chineezen, Arabieren, inlanders.... enkel door zijn uitvinding! Wat, hij iets uitvinden? 't Was belachelijk! Kon hij zelfs maar zijn kind behoorlijk helpen? Hoe onhandig was hij, en hoe dikwijls moest zijn vrouw hem vermanen dien nacht! Zijn vrouw.... maar zij kende het gevaar niet; zij geloofde dat er hoop was; hij had het haar immers gezegd! Zij dacht niet....
Neen, zij dacht niet, zij handelde. Als het kind eenige oogenblikken rustig lag, ging zij ook zitten, steeds den blik op het gezichtje gericht, waarvan geen beweging haar ontging, en zij las trek voor trek de korte maar aangrijpende geschiedenis van den strijd tusschen jong ontluikend leven en den laffen dood, die nooit zijn meerdere in krachten aanvalt, die altijd grijnzend, wegmaait waar hij niet gezaaid heeft, vernielt wat tot voortbestaan bestemd was, dien tegenhanger van de liefderijke engel der eeuwige rust, die levensmoeden zachtkens doet insluimeren en meevoert naar betere oorden. En zoo geheel ging de moeder op in haar zieke kind, dat zij niet gevoelde hoe dezelfde pijn die het jongske kwelde, ook in haar opkwam.
"Willem, hij zweet!"
Zij sprak moeilijk, haar tong was droog en kleefde aan het verhemelte, maar toch lag er iets als een juichtoon in die woorden. Met een onwillekeurige beweging legde Wije zijn hand op het voorhoofd van het kind. Het was klam en koud. "Goddank!" mompelde ook hij, meenende dat dit een gunstig teeken was.
Opeens had er een verschrikkelijke verandering plaats. Het eenigszins opgezette gezichtje viel plotseling in, de kleur ging over in grauwbleek, een paar stuiptrekkingen en toen een kort snikje. Het was uit. Zij vlogen beiden overeind, het feit voor oogen en het toch niet willende gelooven. De moeder stak haar armen uit naar het kind, maar zij gleden af langs het dek en met een doordringenden kreet zakte zij ineen.
Schokkende als in een hevige koorts droeg Wije haar naar hun slaapkamer, en toen eerst zag hij, voor de tweede maal dien nacht, die vreeselijke symptomen. Radeloos ijlde hij terug naar de kinderkamer en greep het fleschje met de medicijn. Zonder te weten wat hij deed, goot hij er een lepel vol van uit en gaf het zijn vrouw in.